03-12-12

DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg
Hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

 
Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige grafzerk, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, zeggen de media - keert hij naar zijn woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met al die dronken matrozen aan boord die zo graag weer naar huis willen. Een pijnlijk bericht ligt op hem te wachten in de brievenbus. De inhoud ervan kennen we niet. We zien het verkrampte gezicht van de man. Je hebt het al gezien in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten bijna niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:


Van de eenzaamheid en de regen genieten.
In parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets van belang. Niets om over naar huis te schrijven.

Maar dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervangen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

Dit is een bewerking van een eerdere tekst, 'Quelle joie d'avoir...' 

~~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.

23-02-12

BEWOGEN DAGEN 3.

 

ingmar bergman.jpg

Ingmar Bergman, Scènes uit een huwelijk ( Scener ur ett äktenskap)

21. 

Schrijven is herschrijven. Maar ik zou dit net zo goed kunnen schrappen: iedereen die het moet weten weet het.

22.
Soms lijkt het of ik uit dromen tastbare souvenirs overhoud. Een beetje zoals in Der Prinz Von Homburg, een toneelstuk van Heinrich Von Kleist. De prins droomt dat hij zijn handschoen achterlaat bij zijn geliefde; als hij ontwaakt blijkt zij werkelijk in het bezit te zijn van de handschoen. Dat is natuurlijk een romantisch thema. Ben ik dan zelf zo romantisch? Dat geloof ik niet.

23.
Vroeger dweepte ik met ‘losers’, waanzinnigen, zelfmoordenaars, wat vreemd was omdat ik zelf zo aan het leven gehecht ben (en was).

24.
Ik denk dat ik al een tiental jaren of langer in een illusie leef. De illusie van eindeloze tijd, van het zal wel komen, het zal wel beter worden, ooit. Het moet beter worden. Het echte leven moet nog beginnen. Die illusie moet ik opgeven en de realiteit onder ogen zien.

25.
Deze week dompelde ik mij onder in mijn verleden, op de vlucht voor het heden. Ik ging op zoek naar oude verhalen, foto's, voorwerpen. Zo vond ik een brief terug van mijn eerste vrouw, met wie ik al na enkele jaren huwelijk niet meer kon leven (omdat we veel te jong waren, te naïef, te verschillend in temperament). Het was een brief die ze me geschreven had na onze scheiding, een mooie brief, teder en begripvol. Ik dacht terug aan de heerlijke dagen die we samen hadden beleefd… Na zo een tijdje zitten te dagdromen bedacht ik echter dat het geheugen uiterst selectief is. Je herinnert je alleen de verrukkelijke, de sprankelende momenten. Het donkere is misschien niet uitgewist, maar zit alleszins in een muffe zolderkamer opgesloten.

26.
Nu heb ik jasmijnthee gedronken, in een poging toegang te krijgen tot nog meer herinneringen. Zo deed Marcel, de verteller van Proust, dat toch? Toen ik jong was dronk ik inderdaad veel jasmijnthee… en toch heb ik niets gevonden. Ach, ik troost me met de gedachte dat August Strindberg al voldoende heeft geschreven over het huwelijksleven. En er zijn altijd de films van Ingmar Bergman, zoals Scènes uit een huwelijksleven.

27.
Ik ben bedachtzaam, om niet te zeggen voorzichtig. Ik koester argwaan. Maar mijn verdriet koesteren, geen sprake van. Ik wil leven, ik wil geen verdriet. Wat ik misschien wel koester is de melancholie en de kunst van de melancholie. De combinatie van melancholie en geluk, wat vaak in de muziek voorkomt, bij Gustav Mahler bijvoorbeeld, bij Schumann en Schubert, in de blues, in sommige hedendaagse popmuziek.

28.
Ik houd niet van U2. Een paar maanden geleden heb ik een cd van die groep gekocht. Ik dacht, misschien ben ik al die jaren bevooroordeeld geweest. Maar neen, ik heb geprobeerd, en ik hield er echt niet van. Meer zelfs: ik verafschuw die Britse bombastische stijl, U2, Elton John, Queen en al de rest. Ik houd meer van de ‘primitieve’ Amerikanen, met hun sentimentele countrymuziek en hun blues en hun soul en hun shakende geloof in de heer. Zelf ben ik natuurlijk door en door atheïstisch. Ik hoor nu net Howlin' Wolf huilen, 'I'm too young to die', zeer primitief is dat.

29.
Alain De Botton is soms geestig. In het begin vond ik hem bijzonder goed (On Love, The Romantic Movement), maar ik weet niet of dat nu nog het geval is. Ik heb On Love op een rommelmarkt in New York gevonden. Toen had ik nog nooit van De Botton gehoord. Inmiddels is hij een mediafiguur. Voor mediafiguren sla ik meestal op de vlucht. Ik denk niet dat ik die boeken zou herlezen. Consolations Of Philosophy en Status Anxiety zijn ook geestig, maar niet bijzonder goed. Ik heb er in vorige teksten uit geciteerd omdat ik toevallig een papiertje terugvond met verwijzingen naar die pagina's. Zo gaat dat als ik niet weet wat te doen. Alain De Botton is luchtig en charmant. Hij geeft je bovendien zin om sommige van de schrijvers die hij de revue laat passeren zelf te gaan lezen.

30.
Je moet vooral niet jaloers zijn op mijn leven en lezen. Ik heb in de jaren tachtig enkele jaren in bijna-lethargie geleefd . Mijn belangrijkste bezigheid was het kruiswoordraadsel in Humo. Terwijl ik voordien kruiswoordraadsels verafschuwde. Ik geloof dat ik alle moed had opgegeven. De jaren tachtig waren hoe dan ook een naargeestige tijd. Gelukkig heb ik me kunnen 'herpakken'. Later zijn er nog quasi-uitzichtloze periodes geweest, maar nooit zo erg als toen. Nog altijd weet ik niet hoe ik me zo heb kunnen laten gaan.

29-08-08

HITLERS BUNKER, KLEISTS GRAF


Van de Potzdamerplatz liep je via de Leipziger Platz naar de Leipziger Strasse en sloeg vervolgens de Gertrude-Kolmar-strasse in. Hoewel er niet veel meer te zien was dan wat sociale woningblokken bleef je staan.

We zijn er, zei je.

Was het hier op deze plek, vroeg ze.

Nee, het was daar, waar die sociale woningenblok nu staat, denk ik, zei je.

Daar? Dat zou je niet zeggen, ze ze. Allemaal kleine flats, met geraniums op de balkons.

Maar ik zou er alvast niet willen wonen, boven zo’n akelige bunker.

Er is geen bunker meer, zei ik. De bunker werd opgeblazen. Het Rode Leger. Daarna, toen de blokken werden gebouwd, werden de overgebleven gaten met steenafval opgevuld.

De bunker bestaat nog wel in de herinnering van veel mensen, zei ze.

Ja, het idee van de bunker, zei je.

Je zweeg en probeerde je de bunker voor te stellen. Maar je zag alleen maar beelden die je op televisie en in films had gezien. Fictie heeft de werkelijkheid gevuld, zoals het steenafval de gaten van de opgeblazen bunker. Maar hier heeft Hitler (Bruno Ganz) een punt gezet achter het duizendjarige rijk. Hitler, Eva Braun, Goebbels en de ‘onschuldige’ kinderen. Wie was er nog aanwezig in de bunker? In de verre toekomst zal dat misschien even raadselachtig zijn als de kruisiging van Jezus Christus nu. Het is immers al vaak betwist wie er bij het kruis stond, toen Jezus Christus stierf. Jezus Christus…

Het is in iedere geval een duidelijke map, zei ze. De contouren van waar de Rijkskanselarij en de bunker zich bevonden zijn goed aangegeven.

Maar je ziet er niets meer van, zei je. Alsof je teleurgesteld was.

Je wilde overspoeld worden door de recente geschiedenis van Berlijn. Misschien omdat je je schuldig voelde over je liefde voor het huidige Berlijn. De volgende dag ging je naar de Wannsee. Het is een romantische buurt, ideaal om te wandelen, te fietsen, te lopen. Maar in een van de prachtige villa’s aan de Wannsee werd tijdens een conferentie op 20 januari 1942 over  de ‘Endlösung’ van het 'Joodse probleem' beslist. Je las het lange, taaie, saaie, zeer technische verslag van de vergadering. Het was moeilijk om je emoties onder controle te houden. Het was moeilijk om  niet in huilen uit te barsten. Het was moeilijk om niet luidkeels te gaan schreeuwen.

Je ging weer buiten en kwam al wandelend over een zandpad onder de dennenbomen weer wat tot rust. Op de terugweg naar het station maakte je een omweg voor het graf van Heinrich von Kleist. Deze geniale Duitse schrijver en toneelauteur ligt er begraven in een klein bosje, tussen dicht struikgewas. Alsof men zich schaamt voor zijn zelfmoord. Terwijl het verhaal van de uitroeiing van miljoenen mensen een bijna aangenaam tijdverdrijf is geworden. Je schaamde je ervoor dat je de villa van de Wannseeconferentie had bezocht en je besloot nooit een stap te zetten in een van die oorden van de verschrikking.

Je keerde terug naar de Auguststrasse, naar je hotel. Overal op de terrasjes zaten jonge mensen van het leven te houden. Je kon je niet voorstellen dat zij ooit een uniform zouden aantrekken. Je kon je niet voorstellen.


out in the street, the shiny happy people

30-10-06

HEINRICH VON KLEIST : MICHAEL KOHLHAAS

doctorow,kleist,milos forman,wraak,jeugdherberg,zelfmoord,romantiek,1995,blog,meta,schoten,vrienden,geliefkoosd,uitverkoren,1975,kafka

Een paar weken geleden raadde ik een cyberspacevriendin, die ik onlangs overigens heel even in de tastbare werkelijkheid heb ontmoet, een novelle van de Pruisische schrijver Heinrich Von Kleist aan, namelijk Michael Kohlhaas. Dat is niet alleen mijn favoriet verhaal, het is een klassiek werk, geliefd door schrijvers als Franz Kafka en E.L. Doctorow. Ik vermoed dat mijn vriendin inmiddels met haar lectuur begonnen is. Misschien heeft ze de zeer meeslepende novelle al uit en leest ze nu andere verhalen van Kleist. Ze zijn allemaal onvergetelijk: De Markiezin van O. (waar Eric Rohmer een schitterende film van maakte, in de subtiele, door Ingres geïnspireerde kleuren van Nestor Almendros, met Edith Clever en Bruno Ganz in de hoofdrollen – wat zou er trouwens met Edith Clever gebeurd zijn?), De aardbeving in Chili, Een verloving op San Domingo… Ik zou ze net zo goed allemaal kunnen opsommen. En dan laat ik Kleists toneelwerk nog buiten beschouwing. 

Ik las Michael Kohlhaas in 1975, toen ik in een echtscheiding verwikkeld was en mijn eindexamens filosofie deed. In die periode legde ik ook de laatste hand aan mijn licentieverhandeling over het einde van het burgerlijke gezin. Daarmee voegde ik in zekere zin het woord bij de daad. Of was het omgekeerd? Ik herinner me niet dat ik me op iemand wilde wreken, maar de wraakgedachte had mij al sinds ik een kleine jongen was zeer gefascineerd. Die vreemde fascinatie kan wellicht verklaard worden door de vele westerns die ik zag als kind, of door de betovering van Alexandre Dumas’ De graaf van Monte Christo. Niemand gaat echter zo ver in het uitvoeren van zijn wraakgevoelens als Michael Kohlhaas. (Ja, beste cinefiel, deze novelle werd ook verfilmd. Ik wil die film van Volker Schlöndorff echter met de mantel der liefde bedekken, ook al spelen er de sixties-iconen Anna Karina en Anita Pallenberg in mee.) Ik bezit een vijftal vertalingen van het werk, naast een Duitstalig exemplaar, uitgegeven in 1943, met een voorwoord van een nazistische professor uit Berlijn. Ik meende mij te herinneren dat ik Michael Kohlhaas voor het eerst las in de vertaling van Nico Van Suchtelen. (Al in 1933 nam Nico van Suchtelen nadrukkelijk stelling tegen het Nationaal-socialisme. Dat viel bijzonder goed te rijmen met het vertalen van een iemand als Kleist. Het is een schande dat de nazi’s geprobeerd hebben van schrijvers als Kleist en Hölderlin bloed-en-bodem-denkers te maken.) Dat boek was eigenlijk een Sinterklaaspremie, een mooi geïllustreerde uitgave van de Wereldbibliotheek uit 1939. Wereldbibliotheek gaf regelmatig zulke juweeltjes uit. Wie af en toe een antiquariaat binnenstapt zal ze al wel hebben aangetroffen.

Maar mijn geheugen heeft parten met me gespeeld: niet dat het er veel toe doet maar ik las Michael Kohlhaas de eerste keer in een verzamelwerk, getiteld Demonie en droom. Vertellingen der Duitsche Romantiek, verzameld en vertaald door D.A.M. Binnendijk en N. Brut en verschenen bij Uitgeverij Contact in Amsterdam in 1943. Al deze boeken hebben vreselijke bombardementen meegemaakt. Terwijl ze verschenen werden miljoenen mensen naar concentratie- en uitroeiingskampen gevoerd. Dit is geen terzijde. Dit is de kern van deze tekst. In het boek Demonie en Droom is een zegel geplakt van de Belgische Spoorwegen, afgestempeld in Rotselaar op 13 III 1943. Op de titelpagina zit een postzegel van 3,25 Belgische Frank met een afbeelding van Koning Leopold III, afgestempeld in Brussel op 25-8-44. In deze verzameling verhalen uit de Duitse romantiek (Jean Paul, Novalis, Hoffmann, von Chamisso, Brentano, von Arnim, von Eichendorff) heb ik Kleists Michael Kohlhaas echt ontdekt. Later las ik het verhaal in de nieuwe spelling in zo’n boekje uitgegeven in de Prisma-klassieken reeks. Ik vond die oude, vooroorlogse spelling echter veel beter geschikt voor dat vreselijke en tragische verhaal.

 

doctorow,kleist,milos forman,wraak,jeugdherberg,zelfmoord,romantiek,1995,blog,meta,schoten,vrienden,geliefkoosd,uitverkoren,1975,kafka,inge vande walle,isabelle dewulf,sonja spee


Heinrich Von Kleist roept heel wat herinneringen bij me op. In april 1995 bracht ik een werkbezoek aan New York. Ik logeerde er in een jeugdherberg ergens boven de 100ste straat, in de buurt van Amsterdam Avenue en Broadway. Overal lagen lege hulsjes van de crack, die in die buurt massaal werd gebruikt. Ik deelde een sober ingerichte kamer met Inge, Isabelle, Sonja en Henk. Het was de eerste keer dat ik in een jeugdherberg overnachtte en ik had nog nooit een kamer gedeeld met andere vrouwen dan de mijne. Het was wennen! Ik zat bovendien opgezadeld met een zware luchtwegeninfectie. (Toen ik een week later terugkeerde uit New York bleek dat ik een longontsteking had opgelopen.) Als ik ’s nachts op mijn stapelbed lag voelde ik me geroepen om een of ander verhaal van Heinrich Von Kleist na te vertellen. Of zijn duo-zelfmoord samen met Henriette Vogel, nabij de Wannsee, in de buurt van Berlijn, toe te lichten. Ik weet niet of mijn kamergenoten opgezet waren met mijn mededeelzaamheid. Noem het maar onweerstaanbare drang. Inge en Isabelle zijn desondanks nog steeds heel goede vriendinnen van me. Sonja en Henk zijn helaas uit mijn leven verdwenen. Sonja, waar ben je nu? Ik zou echt heel graag je mooie Hollandse accent nog eens horen, en je schaterende lach. Isabelle heb ik al een hele tijd niet meer gezien, ik moet haar dringend eens een mailtje sturen. 

Elke keer als ik in Berlijn kom wil ik naar de plek gaan waar Kleist de fatale schoten heeft gelost, daar aan de Wannsee. Maar nog nooit heb ik er de moed voor kunnen opbrengen. Ik ben bang dat ik ten prooi zou vallen aan dwangneurotisch imitatiegedrag.

Ach ja, wat ik bijna vergat. E.L. Doctorow heeft in zijn roman Ragtime het verhaal van Michael Kohlhaas gewoon geïncorporeerd. Michael Kohlhaas heet er Coalhouse Walker Jr.. In de roman, die niet slecht is, wordt nergens verwezen naar de bron. Ook de film van Milos Forman, een groot succes in 1981, leidde niet tot bekentenissen. Zelfs Randy Newman, die de heerlijk ragtime-muziek componeerde, hield zijn mond.

Foto boven: Edith Clever, 1974.
Foto onder: Bruno Ganz en Edith Clever, in Die Marquise von O.

22-09-06

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

film,sven nykvist,haruki murakami,julio cortazar,heinrich von kleist,verloren onschuld,overlijden,dood,kleist,sportdag,ambtenaren,in memoriam,opzoeken,bergman,agata,boeken,google,cameraman,director of photography

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen. 


Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 - had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend door zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?

21-07-06

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden. 


Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.

20-01-06

LIEFDE VOOR DE VER VERWIJDERDEN

sam talylor-wood,filsofie,nietzsche,seventies,citeren,zarathoestra,lichaam,zelf,denken,ik,kleist

Af en toe keren, zonder dat het te voorzien valt, periodes in mijn leven terug tijdens dewelke ik een groot genoegen beleef aan de lectuur van Nietzsche. Waarschijnlijk is er weer zo een aangebroken; maar de bliksemende intensiteit van de jaren ’70 zal ze niet meer hebben. Toen was ik jong, vol van lentekoorts en grootse plannen, nu ben ik ouder en wacht gedwee op het einde van de wereld. In die tijd had ik voortdurend zin om hem te citeren. Alsof ik wilde zeggen, zie je wel. Dat ik heb ik nu toch ook weer een beetje. "De verder verwijderden zijn het, die uw liefde tot de naaste betalen; en reeds wanneer gij met uw vijven bij elkaar zijt, moet er altijd een zesde sterven." (Zarathoestra, 61). De christelijke naastenliefde was niets voor Nietzsche. Volgens Nietzsche is onze naaste niets anders dan een beeld. Wij zijn zelf ook een beeld. Ons zelf, waarvan wij ons bewust zijn, is dat ook geen beeld? Iets wat buiten ons bestaat? Wij raken niets anders aan dan dat beeld, niet ons zelf. De term 'zelf' betekent voor Nietzsche het lichaam zoals het in werkelijkheid is (waarvan het 'ik' slechts een aspect is, een product; het lichaam creëert het 'ik', als een instrument dat voor de samenhang moet zorgen). De gespletenheid die wij nu kennen zou moeten worden overwonnen: lichaam en denken zouden opnieuw samen moeten vallen.


Die gedachte is ook al bij Heinrich von Kleist terug te vinden, vooral in het zeer moderne essay ‘Uber das Marionettentheater'.

Beschouw dit als een voetnoot bij mijn vorige notitie. En het einde van de wereld mag nog wat uitblijven. Het gras mag nog wat blijven groeien, de tulpen en andere bloemen blijven bloeien.

De foto is een werk van Sam Taylor-Wood.