28-12-09

BERNARDO SOARES: DUBBELGANGER?

dichter,martinho da arcada,drank,vriendschap,antwerpen,bernardo soares,boeken,lissabon,vergetelheid,herkenning,dubbelganger,klerk,fernando pessoa,vreemdeling,jos d,cafeleven


Voor ik wat vergetelheid probeer te vinden in wijn, blues, country en klassieke films lees ik, na lange tijd, nog een stukje in Fernando Pessoa’s ‘Boek der rusteloosheid’, vertaald door Harrie Lemmens, en verschenen in de onvolprezen reeks Privé-Domein, bij Uitgeverij De Arbeiderspers, in 1990 alweer. Ik raakte vertrouwd met het dichtwerk van Pessoa omstreeks 1977, in volle punkperiode, mede dank zij mijn toenmalige beste vriend Jos D., die in oktober 1991 achter zijn jonge en mooie en intelligente leven een definitief punt zette. Hij schonk me in die wilde tijd – toen hij het eerzame beroep van trambestuurder uitoefende, en soms rechtstreek van het café naar zijn job moest - een verzamelwerk, met gedichten van ongeveer alle heteroniemen van de dichter – vertaald door August Willemsen. Een revelatie. Bijna elk gedicht raakte me diep in het hart. Aangezien ik geen Portugees ken, moest ik geduld oefenen en wachten tot er weer eens een nieuwe vertaling verscheen – zoals ‘Het boek der rusteloosheid’, dat Pessoa schreef in de gedaante van Bernardo Soares, hulpboekhouder in een kantoor in Lissabon. Het boek, een meesterwerk, werd pas zevenenveertig jaar na het verscheiden van de meester uitgegeven.

Dit is het fragment waar mijn oog op viel.

“Ik bewoog mij als vreemdeling onder hen, maar niemand zag dat ik een vreemdeling was. Ik leefde als een spion te midden van hen, en niemand, ook ikzelf niet, vermoedde dat ik dat was. Allen hielden mij voor een verwante: niemand wist dat men mij had verwisseld bij mijn geboorte. Zo was ik gelijk aan de anderen zonder gelijkenis, broeder van allen zonder lid te zijn van de familie.

Ik kwam uit rijke streken, uit betere landschappen dan het leven, maar over die streken sprak ik slechts met mijzelf en nooit liet ik hun iets weten over de landschappen die ik zag wanneer ik droomde. Mijn voetstappen klonken eerder als de hunne op de vloeren en plavuizen, maar mijn hart was ver weg, hoewel het zeer nabij klopte, onecht heer over een verbannen en vreemd lichaam.

Niemand kende me onder het masker der gelijkheid, en niemand heeft ooit geweten dat het een masker was, want niemand wist dat er in deze wereld gemaskerden waren. Niemand vermoedde dat naast mij een ander stond die uiteindelijk ik was. Ze beschouwden mij altijd als identiek aan mezelf.”
(Het boek der rusteloosheid, 159)

Heel even leek het erop – ik had net een glaasje Porto gedronken en waande mij in café Martinho da Arcada (wat nu een restaurant is) - alsof ik mijn eigen woorden las, maar meteen besefte ik dat ik niet zo’n goed schrijver was, niet zo eenvoudig, en niet zo diepzinnig. Meteen besefte ik dat ik niet voldoende toegewijd ben aan mijn woorden, maar haast bij voorkeur vergetelheid probeer te vinden in wijn, blues, country en klassieke films. Toch twijfel ik er hoegenaamd niet meer aan: ooit schrijf ik Het boek der rusteloosheid van Bernardo Soares.

14-01-08

DE JAREN ZEVENTIG IN ANTWERPEN (VERKENNING)

tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,cinderella,firenze

Agnes, Lamorinièrestraat, Antwerpen, 1980. Foto: Martin Pulaski.

Zaterdagavond zaten mijn levensgezellin en ik aan tafel in een nostalgische bui te praten over lang vervlogen dagen. Vooral onze eerste jaren in Antwerpen van 1977 tot 1984 hebben een onvergetelijke indruk nagelaten. Het waren schitterende dagen, dagen van verandering, er hing revolutie in de lucht; veel nieuws en vrolijk stemmends ontstond spontaan voor onze ogen in kleine, nieuwe kunstgaleries en immense hangars zoals de Montevideo en wij werkten er soms aan mee, waren er deelgenoten van. We herinnerden ons weer die talloze uitbundige, weergaloze nachten in kroegen die nu niet langer donker of bruin meer waren maar wit, met onze vrienden Guillaume Bijl en Renée Strubbe, aan wie ik vaak terugdenk, omdat haar doodsprentje hier in mijn kamer staat, Ria Pacquée, Leo Steculorum, Flor, Jos Dorissen, over wie ik al vaak heb geschreven, Hilde V., Luc en zijn Hilde, Herman en Harry en vele anderen. En de diepe vriendschap met Rita en Jules die nog steeds voortduurt. Hoe we bijna zonder geld konden overleven en zelfs nog rockabilly-, blues- en punk-elpees en boeken konden kopen. De tijd van Elvis Costello, the Clash, the Ramones, Television en reggae.

Voor goedkope ‘hippe’ kleren gingen we naar het Berghmanshuis (als dat de juiste naam is) op het Sint-Jansplein, de Wolmolen in de Provinciestraat en Dao in een zijstraat van de Nationalestraat. In de winkel op het Sint-Jansplein – waar kleren uit faillissementen werden verkocht – vond je alles wat je nodig had om een avond uit te gaan. Wij waren echt wel voorlopers op dat gebied, als ik dat zo mag zeggen. Nu gaat iedereen naar de kringloopwinkels en combineert oude met nieuwe kleren. Toen was bijna niemand geïnteresseerd in ‘vintage’.
(Eigenlijk was ik vanaf 1965 ongeveer al bezig met me oude kleren toe te eigenen, vooral zijden sjaaltjes van mijn tante Georgette, zij had er tientallen, en juwelen, af en toe ook kledingstukken uit mijn moeders jonge jaren. Als ik dat toen allemaal aantrok leek ik op Brian Jones en was ik gelukkig.)
tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,television,cinderella,firenze

Aan zo’n avondje uit in Antwerpen ging een heel ritueel vooraf, waarbij we twee à drie uur voor de spiegel allerlei combinaties probeerden. De ‘perfecte’ combinatie vinden, dat was het moeilijkste. Maar het gaf een eerlijk gevoel om dan later zo uitgedost in het Pannenhuis en Cinderella’s Ballroom binnen te stappen. Vaak ging ik naar Cinderella’s Ballroom in een wit pak, gekocht in Firenze, een zekere Alan Farbman uit New York, had dat daar voor mij betaald, en begaf me daar tussen in zwart leer gehulde punks op de dansvloer. We dansten vol overgave op de muziek van Maryse (ik hoop dat ik haar naam juist spel), de beste dj die ik ooit heb gehoord. Dansen op ‘Marquee Moon’ van Television, dat betekende extase (terwijl die pilletjes toen niet eens bestonden). In dezelfde Cinderella’s Ballroom leerde ik reggae appreciëren en er uren lang op dansen. Ik schoot zeer goed op met de punks, het waren stuk voor stuk vriendelijke jongens en meisjes. Ze namen geen aanstoot aan mijn wit pak. Integendeel: ze begrepen dat ik een individu wilde zijn en hadden daar duidelijk respect voor. Soms kwam ik echter ’s morgens thuis met bloedspatten op mijn pak. Een jongen had bijvoorbeeld al dansend op PiL (This Is Religion, of ‘Careering’) tot bloedens toe met zijn vuisten op de muren gebeukt. Dat hoorde erbij. Ik zal hier later meer over vertellen, als ik meer energie heb. Alleszins was de tweede helft van de jaren zeventig op zijn minst even boeiend als de zo bejubelde sixties.
tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,television,cinderella,firenze

 

Vaak denk ik eraan om weer in Antwerpen te gaan wonen, waar alles gebeurt. Maar heeft het zin? Jaag ik niet op een droom die al lang vervlogen is?

06-01-07

PORTRET VAN EEN MOOIE VROUW

spanje,delegatie,luis mariano,strand,zelfmoord,jos d,vrienden,vriendin,herinnering,cadiz,schoonheid,vrouwen,heimwee,werk,woodstock,cafes,maria jesus,2000,50,verjaardag

Cadiz, in het Zuiden van Spanje, trekt me aan als geen andere Europese kleine stad. Ik heb het over het oude schiereiland, met de kleine straatjes en pleinen, en de kathedraal met de gouden koepel, en niet over het smalle, nieuwe gedeelte waar de flatgebouwen woekeren en hun schaduwen werpen op het mooie en uitgestrekte strand. Op het ogenblik dat mijn beste vriend zelfmoord pleegde, in oktober 1991, bevond ik me daar op dat strand. Ik was er toen gelukkig, euforisch, overweldigd door het licht van Cadiz. Aan de dood dacht ik niet. Pas twee weken later zou ik op de hoogte worden gebracht van die tragedie. 


Sindsdien ben ik er vaak geweest, meestal voor mijn werk. Ik bezocht Cadiz dan telkens met een Vlaamse delegatie van een vijftal jongeren uit jeugdwerk. Onze opdracht was te gaan kijken wat de jeugd van Cadiz zoal deed in haar vrije tijd. Konden wij er iets van leren? Of waren de Vlaamse jeugdorganisaties toch superieur, zoals velen beweren. De superioriteitsdenkers konden en kunnen op twee oren slapen: er zijn weinig jeugdverenigingen in Cadiz. Er gebeurt niet zo veel dat echt georganiseerd is. Spontaniteit is er de regel. Anarchie, chaos, onduidelijke afspraken. Toen ik een keer werd ontvangen door mevrouw de burgemeester, een hoogdravend, inhoudelijk leeg mens van de Partido Popular, had mijn tolk een short aan die meer op een onderbroek leek. Zo stonden we de dag nadien op de voorpagina van Diario de Cadiz.
Er wonen veel jongeren in Cadiz en die maken vooral veel plezier, in de cafés, één ervan heet Woodstock, op de prachtige pleinen en, in de zomer, op het strand. De braafsten drinken tinto de verano, een afschuwelijke mix van wijn en bessensap. De anderen drinken whisky, wodka en gin.

In de jaren negentig ben ik in Cadiz bevriend geraakt met Menchu, wat een afkorting is voor Maria Jesus, een van de mooiste meisjes die ik ooit heb ontmoet. Ik ben met haar bevriend geraakt zonder echt met haar te converseren. Ik sprak maar een paar woorden Spaans, zij een beetje Engels. Yes en No en zo. Toch was er, onverklaarbaar, meteen die intense, zinderende vriendschap. Wellicht was er ook verliefdheid in het spel. En waarom ook niet: zoals je weet is dat gevoel brandstof voor mijn ziel, zoals kerosine voor een vliegtuig. In 2000 vierde ik in de oude straten van Cadiz mijn zoveelste verjaardag. ’s Avonds zaten Laura, Menchu en ik, samen met nog enkele vrienden die ik daar heb leren kennen, aan een eenvoudige tafel gefrituurde vis te eten en Cava te drinken. Eten heeft me nooit beter gesmaakt en ik heb zelden meer gelachen. Het was de mooiste verjaardag van mijn leven.

De voorbije vier of vijf jaar had ik niets meer gehoord van Menchu. Ik wist dat ze verhuisd was, maar ik had geen adres, e-mail of telefoonnummer. Tot gisteren. Menchu stuurde me via de mail haar nieuwjaarswensen. Het was alsof we elkaar eergisteren voor het laatst hadden gezien. Er zat een foto van haar bij haar mail. Een beetje ijdel is ze wel, de lieve Menchu. Maar dat is goed, want daardoor was ik opnieuw een gelukkig man. Menchu leeft en is nog altijd even prettig gestoord. Haar schoonheid blijft overweldigen. La belle de Cadix, zoals in het lied van Luis Mariano:

"La belle de Cadix
A des yeux de velours
La belle de Cadix
Vous invite à l'amour

Les cavaliers aussitôt
Sortent leurs sombreros
On apprend qu'elle danse
Et pour ses jolis yeux noirs
Les hidalgos le soir
Viennent tenter leur chance

Mais malgré son sourire
Et son air engageant
La belle de Cadix
Ne veut pas d'un amant
Chicaticati aïe aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Ne veux pas d'un amant."

26-11-06

HEEFT MEFISTO DE TOEKOMST IN HANDEN?


Daar staat Peter Gorissen met een revolver in de hand. Bijna op de rand van het podium. Ik heb nog dertien kogels, zegt hij. Ik geef mij niet over. Ik maak er een eind aan en neem er twaalf van jullie mee. Ik zit in de zaal, niet ver van deze man, die De Dikke speelt, de naamloze nazi-minister van cultuur, waar ik meteen Göring in had herkend. Peter Gorissen speelt niet, hij is. Daarom ben ik nu heel bang dat hij echt dertien kogels in zijn revolver heeft en dat hij echt op het publiek, en misschien op mij, zal schieten. Ik acht Peter Gorissen daartoe in staat. Zozeer bewonder ik hem als acteur. Maar nu ben ik doodsbang. Ik kan me ook niet verbergen achter de theaterbezoeker voor me, want die heeft tijdens de pauze de zaal verlaten. Vreemd is dat, want dit is theater zoals het maar zelden te zien is, van een overweldigende schoonheid getuigend, elke seconde, in elk aspect – maar het is geen vrijblijvende schoonheid, dit is gevaarlijke schoonheid. Of beter nog: schoonheid die ons wijst op het gevaar rondom ons, en op de grote verantwoordelijkheid die wij met zijn allen hebben. Maar dat zijn bedenkingen achteraf. Met angst en beven kijk ik toe hoe Peter Gorissen de revolver richt. Zijn demonische blik, vol doodsverachting. Maar dan keert hij de zaal de rug toe, stopt het wapen in de mond en…

Ik heb hier nu een boek voor me liggen, de Gedichten van Hugo Claus, een verzamelbundel uit de periode 1948-1963. Dat boek heb ik lang geleden van Peter gekocht. Hij was op bezoek bij mijn beste vriend Jos, Peters neef. Peter deed zijn boeken van de hand omdat hij naar de Verenigde Staten vertrok, om er te gaan studeren in Los Angeles. Dat is bijna dertig jaar geleden. Sindsdien is er veel gebeurd in de wereld en in onze persoonlijke levens. Jos heeft zich het leven benomen. Als ik me niet vergis heeft Peter ernstige geestelijke inzinkingen gekend. Maar ondanks die tegenslagen is hij een schitterend acteur gebleven. Ook in dit stuk, Mefisto Forever, van Guy Cassiers en Tom Lanoye, schittert hij. De andere spelers moeten overigens nauwelijks voor hem onderdoen. De klasse van Dirk Roofthooft kennen we allemaal. Zijn melancholische pretoogjes kunnen de tragiek van een verhaal zeer geloofwaardig maken. Ik zal nooit vergeten hoe hij me in het café van De Bottelarij ooit troostte toen ik door te veel alcohol, en na een lang gesprek met een Amerikaanse operazangeres, ten prooi viel aan diepe melancholie – een zware aanval van verlatingsangst. Het werk van Guy Cassiers volg ik op de voet van sinds hij als jonge theatermaker van start ging. Vroeg in de jaren ’80 zag ik hem samen met zijn vader aan het werk in een gelijkvloerse verdieping aan de Cogels-Osylei. Was het een theatervoorstelling? Met zo’n twintig lotgenoten mochten we het appartement betreden. Er werd ons koffie aangeboden. Al gauw kregen vader en zoon ruzie. Er ontstond een stevige scheldpartij. Was dit komedie? Moesten we lachen? Huilen? De scène duurde gelukkig niet al te lang. Vervolgens mochten we de woning weer verlaten. Ik weet nog altijd niet wat ik toen heb meegemaakt. Wat ik wel weet is dat de vier Proust-voorstellingen van Guy Cassiers tot het beste theater behoren dat ik ooit heb gezien. En nu bereikt hij – samen met zijn ploeg - met Mefisto Forever weer zulk hoog niveau. Alleen ga je niet echt met een gelukzalig gevoel naar huis, na een voorstelling die je waarschuwt voor het reële gevaar van het huidige fascisme. Ik was me daar al wel van bewust, maar wat deed ik er eigenlijk tegen? Kunnen wij ooit voldoende doen? Wegkijken is niet de boodschap. Maar wat is dan wel de boodschap? Weinigen van ons hebben het talent van Guy Cassiers om de waarheid tot diep in de ziel te laten doordringen.

14-09-06

VAN SPROOKJES EN DROMEN


Marco vertelt me dat hij Pink Floyds The Piper At The Gates Of Dawn een vrij moeilijke langspeelplaat vindt. Dat zal wel zo zijn, maar het is vreemd omdat ik het zelf een heel ‘gemakkelijke’ elpee vind. Overigens, wat is moeilijk en wat is gemakkelijk? Maar ik ben natuurlijk met die muziek opgegroeid. Ik ben de elpee destijds gaan kopen in Nederland, omdat ze in België niet verkrijgbaar was. Pink Floyd was mij opgevallen door de eerste single, Arnold Layne, die op piratenstation Radio London grijs werd gedraaid.

The Piper At The Gates Of Dawn kwam uit in het magische jaar 1967 en maakte op mij een even sterke indruk als Strawberry Fields Forever, misschien de beste single ooit gemaakt, en A Day In The Life. Die plaat van Pink Floyd was zo sprookjesachtig; ze opende een geheel andere wereld dan degene waarin ik vertoefde, het internaat van het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Ooit vertel ik het verhaal hoe ik daar verzeild ben geraakt. Het woord ‘zeil’ speelt er onrechtstreeks een rol in. In de liedjes van Syd Barrett zat een uitgesproken verlangen naar de onschuld van zijn kindertijd, toen zijn moeder hem sprookjes vertelde, oh mother, tell me more... Ik kende die teksten vroeger allemaal uit het hoofd. Nu helaas niet meer. Toen ik onlangs voorlas in de Muziekdoos in Antwerpen, een paar dagen na het overlijden van Syd, bleken er een paar toehoorders aanwezig te zijn die The Gnome nog van buiten kenden. We hebben toen stukjes ervan samen gezongen. Dat vond ik een heel mooi saluut aan Syd Barrett. Ik denk niet dat ik dat vlug zal vergeten.

Overigens heeft The Piper At The Gates Of My Dawn mij geïnspireerd tot het schrijven van een jeugdwerk, het toneelstuk De droom, dat we één keer hebben opgevoerd in datzelfde Atheneum, met vloeistofprojecties, net zoals de originele Pink Floyd. Het stuk durf ik niet meer herlezen, ik herinner me dat het over de strijd tussen goed en kwaad ging, er kwamen elfjes in voor en de Duivelse Avantokani – de jongen die deze rol speelde is nu ergens burgemeester. Ongetwijfeld was ik wat het thema betreft beïnvloed, niet door drugs, maar door de verplichte lectuur van Vondel. Het eindigde allemaal met een extatische dans op Interstellar Overdrive.
Die zomer ben ik ben op televisie geweest, in het programma Tienerklanken, met bloemen in mijn haar. Die had ik geplukt in de tuin van de ouders van mijn vriend Valère. Het waren mijn vijf minuten roem, helaas geen vijftien minuten. Ik werd op straat, tijdens Jazz Bilzen, geïnterviewd door Louis Neefs. Mijn vriend Jos had een video-opname van die aflevering van Tienerklanken. Ik had het tegen Louis Neefs over de oorlog in Vietnam en dat wij de wereld zouden veranderen. Ik zat wat uit mijn nek te kletsen, een jongen van zeventien. Later heb ik dat fragment nog eens teruggezien in een uitzending over de jaren zestig. Jos had het op video. Hij heeft ooit een foto van me gemaakt, in de jaren ’80, met een beeld van mezelf uit die video op de achtergrond. Van de sprankeling in mijn zeventienjarige ogen en van de uitdagende androgynie van mijn modstijl was niets overgebleven. Ik was mezelf geworden, een man zoals iedereen. De droom was over.

30-03-06

HET IDYLLISCHE LEVEN

1975,elsene,jos d,guinevere,laura,neil young,tijdschriften,vriendschap

Jos Dorissen, Vivian Smekens, Agnes Anquinet.

Het idyllische leven. Waar waren onze gedachten? Waar was ons gezond verstand? De boeken stonden ongelezen in de rekken, After the Goldrush vloeide als vervloekt goud uit de luidsprekers. De zon scheen op afbeeldingen van filmsterren. De hele wereld was in een waas van onmogelijk geluk en onbereikbare lust gehuld.

TWEE SPEEDFREAKS

playboy,jos d,vriendschap,foto,martin pulaski,speed

De betekenis van vriendschap. Jos Dorissen en Pulaski: sneller dan het licht in 1980.


”Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er een interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen.” Dat Sartre aan de amfetamine zat gaf de doorslag om zijn boeken op zijn minst te doorbladeren.

GERAAS EN GEBRAL II


Faulkner @ Table


Jos toonde me met het enthousiasme dat hem zo eigen was zijn nieuwe aanwinsten. In mijn teruggevonden notities herinnerde ik me nog Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (dat meesterwerk was toen nog niet in het Nederlands vertaald), Het Schrijversdagboek van Virginia Woolf, Verzamelde Gedichten van D.H. Lawrence, romans van Dostojewski, James Joyce en Thomas Hardy en een verhalenbundel van Katherine Mansfield. Maar er waren nog veel meer nieuwe boeken, hij kocht ze als een bezetene, en vond het vreselijk dat hij ze niet allemaal tegelijk kon lezen.

Om middernacht verlieten we zijn appartement omdat de voorraad bier op was. We wandelden naar een kroeg op het Mechelseplein, waar we ons gesprek over literatuur en muziek voortzetten. Maar we hadden het over zoveel andere dingen. We sprongen van de hak op de tak. Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen. Waarschijnlijk beïnvloedde Sartre's amfetaminegebruik zijn oordeel. Jos probeerde mij er van te overtuigen zelf iets te publiceren. Niet alleen maar gedichten. Ik moest een roman schrijven, zei hij. Een werk zoals ‘Les chemins de la liberté’ lag in mijn mogelijkheden. Met veel vuur moedigde hij me aan. Dat had hij al altijd gedaan, zo lang ik hem kende. Maar ik kan me niet houden aan een vooraf uitgetekend plan, wat toch wel noodzakelijk is om een goede roman te schrijven, wierp ik tegen. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, bijna vanuit spontane opwellingen of onbewuste verlangens. Mijn geschrijf is waarschijnlijk neurotisch van aard. Bij mij is de wil zwak. Eigenlijk heb ik zelfs geen wil. Zo kan ik bijvoorbeeld geen verslag uitbrengen van een film die ik heb gezien - of van om het even wat - als ik dat alleen maar wil. Wel kan ik dat, geloof ik, als ik de behoefte daartoe voel, als ik ernaar verlang me erover uit te drukken. Maar zelfs dan moet ik me inspannen, alleen al om eraan te beginnen. Dat is misschien nog het moeilijkste: eraan beginnen. En het resultaat is soms teleurstellend. Er moet dan geschrapt, gecorrigeerd, gecombineerd, herschreven worden. Werken!

Jos was de enige mens die begrip had voor al deze ‘problemen’. De roman is na al die jaren nog steeds niet geschreven, het boek niet gepubliceerd. Alleen een dun dichtbundeltje, waarin een In Memoriam aan Jos.
Het is de hoogste tijd dat ik aan dat boek begin. Ik ben het mijn vriend, mijn ander zelf, verschuldigd. Wat ik al zeker weet is dat het geen Harry Potter zal worden. Hoe vind je dan nog een uitgever? Want een Da Vinci Code wordt het evenmin. De kans is veel groter dat ik een idioot aan het woord zal laten en wat hij zal vertellen zal vol zijn van geraas en gebral.

De teruggevonden notities zijn oud, het papier is vergeeld, de inkt heeft een onbepaalde kleur gekregen. Ik ben al lang iemand anders geworden, maar toch herken ik de vriendschap nog, die daar beschreven werd door degene die ik toen was. Vorige nacht las ik in het verhaal ‘De Zahir’ van Borges het volgende: "Ik ben niet die ik toen was, maar toch ben ik nog in staat mij het gebeurde te herinneren, en misschien te vertellen. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges." Nog een keer Borges…

Foto: William Faulkner, schrijver van The Sound And the Fury.

GERAAS EN GEBRAL I


Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok. Wat klinkt dit toch weer plechtig! Te liturgisch, te weinig vlezig.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak 'Een vriend is een ander zelf' van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.

21-02-06

SCENES UIT HET SCHIPPERSLEVEN


pa & ma


Om even te ontsnappen aan deze sombere februaridag keer ik even terug naar het Berlijnse café Oranium en ik drink ik in mijn gedachten van dat lekker Tsjechisch bier van het merk Krusevice, 50 cl voor 3.50 €. Het is een mooie augustusavond geworden. Waar hebben Laura en ik het over? Over het wonder dat Berlijn heet, een van onze uitverkoren steden, over het vele groen in de stad, over de verbluffende en avontuurlijke architectuur, over het bijna perfecte openbaar vervoer, over het Oosten en het Westen, over de ongedwongenheid, over de openheid voor elk verschil.

Maar dan raakt ons gesprek op een zijspoor: de familie, mijn familie rukt zich los uit de schaduw. Of gaat het eerder om een hoofdspoor? (Ik denk nu aan een song van the Rolling Stones, ‘Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In the Shadow? De toen graag provocerende heren hadden zich voor de foto op het hoesje als vrouwen gekleed en geschminkt, waarbij ten minste één van hen in een rolstoel zit.)


Van de rijnaken – wij noemden dat schepen - van grootmoeder langs moederskant herinner ik me alleen nog de Honorine, die naar haar, mijn grootmoeder was genoemd. Mijn grootmoeder leed aan astma, maar was desondanks energiek.
De Rocco, het schip van mijn ouders, dat zij na lang zwoegen hun eigendom mochten noemen, was toen zij de binnenscheepvaart voor bekeken hielden niets meer waard. Zij hadden het genoemd naar Rocco Granata of naar ‘Rocco en zijn broers’, een film met Alain Delon (want mijn ouders gingen graag naar de ‘cinema’, elk dorp had er toen nog wel één, maar meestal gebeurde dat toch in Antwerpen).

Ik weet niet hoeveel miljoen Belgische franken ze in het schip hadden geïnvesteerd; de Belgische overheid was bereid hen een oprotpremie van honderdduizend frank uit te betalen als ze ermee ophielden. Dat deden ze dan maar. Het schip verkochten ze als oud ijzer. Dat was in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw: de eerste grote energiecrisis, de heerlijke autoloze zondagen, Roxy Music en David Bowie. Na 25 jaar schipperen hield mijn vader ermee op, hij werd arbeider, ging werken in een sloperij (waar ook het schip van mijn ouders werd gesloopt).

Mijn ouders waren lange tijd zelfstandigen geweest. Ze hebben nooit geld geleend. Als ze al iets kochten, betaalden ze dat met baar geld. Mijn vader schafte zich zijn eerste auto aan in 1957 of daaromtrent, het was een zwarte Ford Zephyr; ik vond het een prachtige auto. Later ruilde hij hem in voor een witte Ford Consul DeLuxe, die was nog mooier, nog hipper. Een televisietoestel kwam er pas in 1963 of 1964.

In de korte periode toen mijn vader het plan had opgevat een bungalow te kopen in Neerharen liep ik met een lekker gevoel rond. Het is bij vage plannen gebleven, mijn moeder was er tegen, zij dacht dat ze nooit zou kunnen wennen aan zo’n dorp. Zij was de scheepvaart gewoon, of anders de metropool Antwerpen, waar haar zussen en haar broer woonden. Zelf droomde ik van een leven aan de wal, ik wilde geen schipperszoontje zijn. Ik wilde niet anders zijn dan de anderen.

Het was de tijd dat ik Edgar Allan Poe gaan lezen. Ik had een exemplaar van ‘Zoek het eens op’ gekregen van Sint-Nicolaas, op de nieuwe schippersschool in Eisden. De vader van Jos, mijn vriend die veel later ‘zelfmoord’ pleegde, was er directeur. Het was een minzame man. Onlangs zat er overigens een uitnodiging voor een reünie van de alumni van die school in de bus. De bijeenkomst was op dat ogenblik al twee weken voorbij: de post werkt traag in Anderlecht. Brussel is volstrekt corrupt. Het is de vuilste grote stad van de wereld, omdat de meeste politici hier ofwel corrupt ofwel machtsgeil zijn. Zij liggen niet wakker van de ‘derdewereldstraten’ en de stront op de trottoirs, van een mank lopend openbaar vervoer met uiterst onbeschoft personeel, van de pisbakstations, van de grijze, half ingestorte huizen (waar Les Fleurs Du Mal goed gedijen), van de stadskankers, van de afwezigheid van rustige, groene plekken en veilige buurten. Brusselse politici zijn enggeestiger dan dorpspolitici. (Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Pascal Smet, die de taximaffia wil aanpakken en een groot zwembad wil laten aanleggen.) In dat exemplaar van Zoek het eens op stond een kort artikel over de schrijver van Annabelle Lee en The Fall Of the House Of Usher. Die geschiedenis heb ik hier al eens uit de doeken gedaan. Maar wat geeft het, herhaling houdt ons in leven. Er stond een prentje bij. Donkere priemende ogen. Poe had mijn hart veroverd. Was mijn ziel verkocht aan de duivel? Ik bestelde de verhalen van Poe, samen met werken van Alexandre Dumas en Victor Hugo via de post.

Mijn vader was een boerenzoon. Toen ik geboren ben had hij al bijna geen naaste familie meer. Zijn moeder was al dood. Waarschijnlijk had ze te veel afgezien als dienstbode in het kasteel van Hocht. Misschien was ze er wel verkracht door een baron of een stalknecht. Mijn grootvader ken ik niet. Er werd niet over gesproken. Niemand weet zogezegd wie die man was. Niemand heeft het ooit geweten. Ik ook niet. Misschien ben ik van adel, of ben ik een afstammeling van een ‘lagere soort’. Zoon van een dienstbode, zoals August Strindberg. Mijn levensgezellin en haar broers en zussen beweren dat zij van adel zijn. Hun vader was ook een natuurlijk kind. Vreemd hoe wij ons eigen verleden gaan zoeken in de anderen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot het theater van Luc Perceval, al van in het begin. Toen wist ik nog niet dat hij een schipperszoon is. Mij maakt het niet uit of ik van adel ben. Ik dacht dat die mensen allemaal hun hoofd hadden verloren tijdens het schrikbewind, maar kennelijk is dat niet zo. Ik heb alvast nog een hoofd en mijn bloed is rood, zoals dat van de meeste ‘bloedmooie meisjes’ waarop hier in een commentaar werd gealludeerd. Ik vind bloed niet mooi. Rood echter wel. Als bloed geen bloed was zou ik het heel mooi vinden. Mijn vader was een mijnwerker, in de koolmijn in Eisden-Cité. Inmiddels is die al lang gesloten. Ik hield van de omgeving van de mijn, speelde graag cowboy en soms indiaan, in navolging van Brut Lancaster in ‘Broken Arrow’, op de ‘terrils’. Daar vond ik ook magisch glinsterende stenen, waarvan ik dacht het goud was. Ik had er een Hollands vriendinnetje dat heel graag liet zien hoe ze plaste. Het duurde even voor ik begreep wat dat betekende, ‘plassen’. Wij noemden dat ‘pissen’. Ik zie het meisje nog altijd bukken, terwijl ze naar me kijkt, en duidelijk met veel plezier, zo voor me gehurkt de zwarte aarde bevochtigt met haar goudgeel vocht. Een goudgeel mooi meisje!

Mijn vader ontmoette mijn moeder tijdens de oorlog op de kermis in Neerharen. Ook daar heb ik nooit veel over gehoord. Bestond er toen al een rups? Kort daarna zijn ze getrouwd. Twee zeer verschillende werelden doorkruisten elkaar. Eén zijn ze nooit geworden, denk ik, maar ze zijn wel vijftig jaar samengebleven, tot de dood hen scheidde. Ik denk niet dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gekend. Hij heeft er me nooit over verteld en er was ook niemand aan wie ik er iets over kon vragen. Zijn nicht Berb en haar man waren zeer zwijgzaam. Zijn tante, die Moe werd genoemd, was catatonisch. Ze kleedde zich altijd in het zwart als een Italiaanse weduwe en kwam nooit uit haar ‘crapaud’. Haar rechterhand omklemde steeds een kleine portemonnee en een rood zakdoekje, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, hoewel ik dat nooit heb zien gebeuren. Mijn vader had heel wat vrienden in Neerharen. Goede mensen. Ze kenden elkaar uit het verzet. Op het einde van zijn leven deed mijn vader niets anders meer dan andere oud-strijders en mannen uit het verzet gaan ‘begraven’. De overgebleven oud-strijders speelden tot in het ruggenmerg doorzinderende muziek op de begrafenis van mijn vader. Ik heb daar kort na de begrafenis een gedicht over geschreven, met als titel ‘dorpstafereel’:

's Morgens in de vroegte
als het blauw begint
zetten oude mannen met medailles
hun lippen aan het koper.


Ze lijken van ver te komen
als zij het enige vredeslied blazen,
ze staan daar omdat het zo moet
onder de zon die ieders rug breekt.

Hij is verast, dat wilde hij zo. Ik had hem veel liever in de grond geweten, met een mooie grafsteen erboven. Een dode mens hoort in de grond. Niet in een kastje in een grijze muur. Ik wandel graag op kerkhoven. Brussel heeft mooie kerkhoven, oorden van rust en dagdromen. Die zijn nog niet afgebroken, die kerkhoven Er rijdt zelfs een bus met als bestemming Cimétière de Bruxelles / Kerkhof van Brussel. Hoewel ik weinig weet over mijn vader, zou ik veel over hem kunnen vertellen. Toen ik klein was zag ik hem als een held. Maar hij was geen held. Hij heeft bijvoorbeeld nooit iets opgeblazen. Hij heeft nooit een nazi doodgeschoten. Ratten, ja, dat wel. Hij heeft heel wat ratten doodgeschoten.

Ik begrijp dat ik meer moet vertellen over mijn vader. En over mijn moeder. Over die kant van de familie. Daar zijn zoveel verhalen over. En mijn broer, en mijn nicht in Canada. Een kleine familie, maar dapper! Ik heb nog veel tijd nodig, en veel woorden, en weinig dementie en al helemaal geen Alzheimer.

31-01-06

HERINNERING AAN DOUG SAHM


Een beeld van een herinnering. Het beeld is de herinnering. De onophoudelijke strijd tegen het vergeten. In memory of wasted days and wasted nights. Doug Sahm in Hof Ter Lo. Een levende jukebox met een ziel. Jos en Leo en ik waren daar toen. Ik viel op m'n rug met drie glazen bier.

muziek,hof ter lo,antwerpen,herinnering,pop,doug sahm,foto,dak,jos d,leo,laura,jukebox

Op het dak haar rode benen onder het blauw van de hemel. Die zie je niet op de foto, die hemel. Ik zie hem wel. Nu, in de vuile donkere lucht. Nu in de miserie van de slechtere tijden. Ik postte dit gisteren al, maar de techniek liet het afweten. Wat hier stond was niet wat ik wilde zeggen. Wat wil ik zeggen? Wat wil ik betekenen?

23-05-05

HOE NEEM JE AFSCHEID?


COO


De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in 'De herinneringen', een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.
 
‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)
 
Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).
 
De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor 'het nieuwe', denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.
 
Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
 
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.
 
Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

07-05-05

TREURLIED TUSSEN KALE BOMEN


jos d in 1976

Gisteren wilde ik iets schrijven over mijn in 1991 overleden beste vriend Jos Dorissen.
Ik heb onlangs een scanner gekocht en had een foto van hem uit 1976 ingescand (ik denk dat de opname dateert uit de lente van dat jaar, net voor de mooiste zomer van ons leven), die ik hier wilde tonen. De foto had, met bij mij veel meer effect dan een madeleine in een kopje thee, mijn herinneringen weer op gang gebracht. Toch kreeg ik over Jos geen regel, geen woord op 'papier'. Ik denk dat ik eerst heel veel moet drinken eer dat wil lukken, want dat is wat wij samen ook meestal deden. Maar ik wil niet schrijven onder invloed van alcohol en eigenlijk wil ik ook helemaal niet meer drinken. Maar dat terzijde. Ik heb dus niets geschreven over mijn beste vriend en ik heb de foto ook niet getoond. Dat is me niet gelukt. Kennelijk is hij te zwaar voor dit medium, ofwel ligt het aan mijn onkunde, dat kan ook. Ik kan nauwelijks rekenen en heb geen verstand van techniek. Later, als iemand mij zal hebben geholpen, zal hier wel een beeld verschijnen van een goede, intelligente en mooie man. Maar vooral een diep melancholische jongen die zich niet met dit saaie leven kon verzoenen. Zelfs het pessimisme van Schopenhauer bood hem geen houvast, laat staan een uitweg. Omdat ik ook vandaag niets over Jos kan schrijven grijp ik hier terug naar een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van zijn dood.
 
Treurlied tussen kale bomen."
 
In Romeins marmer gebeiteld zie ik voor mij zijn buste. Hij heeft het ongelauwerd hoofd van een jonge dode dichter die geen sterveling kent. Ik zit zo stil mogelijk gebogen over dit kringlooppapier, waarop ik zijn naam schrijf: een neerliggende berk met een boogje op zijn top. Als ik met mijn ogen knipper beland ik in een klein Alexandrië tussen boeken die moeten branden als bossen omdat hij ze aanbad. Goden die hij in zijn handen had. Denken vindt geen vleugels voor een beter woord dan wit. Mijn dromen doven uit. Zij vergezellen de sterrren die tussen kale bomen vallen in de tuin. Niet dat de bomen een treurlied aanheffen voor een onaangepaste paljas of dat zij lijken op dorische zuilen. Nu het al zo vroeg donker wordt staan zij er alleen maar zo."
 
(Omdat Jos hier niet wil verschijnen plaats ik Neil Youngs 'After the Goldrush'. Neil Young was samen met Gram Parsons een van de grote helden van Jos. Lange tijd heeft hij rondgelopen met van die gelapte jeans aan, ook toen hij trambestuurder was in Antwerpen, wat ze daar wattman noemden.)
 
Inmiddels is Neil Young's foto hier verdwenen en heeft Jos zijn rechtmatige plaats gekregen. Ik moet toegeven dat niemand me daarbij geholpen heeft, wat ik nochtans gehoopt en verwacht had. Maar ik begrijp nu dat je niet op de andere moet rekenen om je problemen op te lossen. Eigenlijk moet je nooit op de anderen rekenen. En dan kan het gebeuren dat er soms toch nog iemand uit nacht en nevel opduikt en je de hand reikt.

Foto: Martin Pulaski, Jos in 1976.