09-04-17

UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg


“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.


Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

... 

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

28-02-13

AWOPBOPALOOBOP ALOPBAMBOOM

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 336.JPG

Foto: Martin Pulaski, 2012.

Bernard, de illusie van rock & roll heb ik al lang opgegeven. Heb ik ze ooit gekoesterd? Het ging denk ik meer om een droom in verband met het geheel. Met versmelting in klanken, ritmes en woorden zonder betekenis.  Awopbopaloobop alopbamboom. Een bijna religieuze droom van eenwording, van transsubstantiatie. Een droom die leek op die van Martin Luther King en van John Lennon. Maar John Lennon zong het lang geleden al: “the dream is over”. Wat voor mij daarna bleef was een soort van leeg ritueel, hoewel dat soms gevoelens van welbehagen kan teweegbrengen, en heel af en toe diepe emoties laat opflakkeren.

 

Ik weet dat ik geen nar ben op het narrenschip, maar het is tegelijk heel moeilijk om dat van jezelf te beweren omdat je zelf op dat schip vaart. Je hebt ervoor gekozen om mee te varen, aan te monsteren, zo je wilt. En elke dag maak je die keuze opnieuw, als een blinde, dove, stomme, onwetende nar. Tot het schip doormidden breekt of tegen een ijsberg aan vaart. Als je het zinkende schip verlaat ben je geen nar maar een rat. Van rottigheid gesproken.

12-04-12

ARCHEOLOGIE VAN DE ONWETENDHEID

Memling mystiek huwlijk (2).jpg

Hans Memling, Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina.

 

O wat duurt dit levenslied lang als ik op je wacht. Lang als het leven van de gevreesde en geliefde vader. Die van mij twintig jaar dood, die van jou levend als de zomerregen. Vertelde ik al hoe hij  in zijn zwarte Consul de smalle wegen bereed nog lang voor de verlichting? Met een dunne sigaret tussen z’n dunne lippen. Een man van die mensheid nog die ondanks loopgraven en vliegende bommen, die ondanks prevelen en knielen voor valse goden niet moe was. Ook niet van blootshoofds op het veld in hete zon te ploegen (sommige mannen en vrouwen met een strooien hoed op, dat wel). Of hoe ze na elke vervelende eredienst biljartten en kaartten, hun bier geel als graan, het schuim zacht als de huid van hun vrouwen?


Was het een wonder dat vrouwen zo zongen en lachten? Ik vergelijk dat maar niet met iets wat van voorbijgaande aard is. Het zou vals klinken, of buitensporig. Zo’n gezang past in geen register. Zoek er maar naar in het Latijn of het slang van San Diego:  er blijft geen spoor van over, niets daar dan overbelichte ruïnes van badhuizen, Korintische zuilen, mean streets, gehuil, moordlust in de ogen, schel hondengeblaf, uitputting. Niets dan prikkeldraad, do not cross, woede, afgunst, woeker en de illusies die weelde levert.

In Brussel stap ik op de trein naar Brugge, maar kom in Tienen aan. Waar mijn vriend J. verbleef voor hij zich aan eeuwig zwijgen overgaf. Onderweg ontmoet ik de man die zijn haar kort liet knippen. Onvermijdelijk op een trein der traagheid die zich van richting vergist. Suikerstad in plaats van die van de mistige dood, van de zingende Memlinc-meisjes. De man die mijn kaartje knipt heeft een vetvlek op zijn kraag. Als hij zich omdraait zie ik een zeepspoor achter zijn oor. Wordt hij daarom doodgeschoten? Nee, dat nog niet, dat nog niet.

O wat duurt dit levenslied kort als je van me weggaat. En kort wat wij tussen begin en einde doen: trappen op en af gaan, ons vasthouden aan zilveren balustrades en dansen op India Song van Marguérite Duras, in zwijgen  erop los dromen, ons elkaars vaderland en moederland herinneren. (Dezelfde regen die op Strawberry Fields viel valt nu op de mijnen van destijds, in de omgeving de mijnwerkers onrustig in hun exotische graven, onmogelijk dat ze denken aan hun vaderland van stof en as, fijn stof dat ik nu inadem, of zijn het vaderdeeltjes die jij zo diep inademt tot je dauwachtige druppels bloed ophoest?) Een neonlicht bar binnenstappen waar de pianist achterover is gevallen van teveel gin-tonic of een beroerte, weten we veel. Het koper klinkt alsof het achterstevoren wordt afgespeeld, wat niet ongewoon was toen ik mij nog tegen de heerschappij van mijn vader verzette: mijn ziel was van koper. Ik weet niet van wat jouw ziel was, nu is ze een merel. Die van mij is een zalm die de Hudson opzwemt richting Central Park, waar engelen nog steeds Give Peace A Chance zingen en Power To The People. In Penn Station – helemaal uit woorden opgetrokken - nemen onze troebele ogen en tintelende handen afscheid, na die zo korte dag.

Gedaan met de lange en de korte duur, met de uren en de dagen, de jaren. Opnieuw in mezelf op zoek naar de verloren tijd gaan. Was dat toen John Sebastian dat lied zong, Oh Darling Be Home Soon? Het lied dat hij maar zingen blijft, en jij die maar niet naar huis komt. En wat te denken van deze tijd van misnoegdheid, wat van deze dagen van dode zalm en stille merel, aan de bomen de bladeren met tegenzin groen?

 

17-10-11

GEPARFUMEERD GENIE

 

perfume-genius-learning.jpg

Perfume Genius.

 

Opeens sloeg de bliksem in.
Waarom was je niet bij me toen de bliksem insloeg, vroeg hij. Waarom was je niet bij me toen ik zo bang was?
Er vielen vier doden, tientallen gewonden.
Waarom was ik niet bij je, zei ze.
Ze liep naar de keuken, dan naar het terras, rookte een sigaret.
Hij vulde zijn glas bij.
Deze wijn smaakt giftig, zei hij. Vuile wijn. Zeker Franse?
Geen idee, zei ze, het is wijn zoals we die altijd hebben gekend.
 

Ze moesten roepen om elkaar te kunnen verstaan. De cd van Perfume Genius stond luid. En van de eetkamer tot het terras is een hele afstand, tenzij je met de snelheid van licht loopt. Hij dacht, hoe luid roep ik nu toch. Wat zullen de buren denken van die luide piano? Misschien begeven de luidsprekers het wel. Klinken de zwarte toetsen het luidst? Een piano met alleen maar witte toetsen, dat is een idee.
 

Een piano met witte toetsen, is dat geen goed idee, zei hij.
Heeft John Lennon vast bedacht in zijn tijd, zei zij.
Ja, John Lennon, dat is mogelijk. Hij heeft zelfs "Occupy Wall Street" bedacht, zei hij.
"Power to the people", zei zij.
Maar als het van mij afhangt George Harrison, zei zij.

Negenennegentig procent van de people, zei hij.
Wat maakt het ook allemaal uit, zei zij. We gaan allemaal dood, vroeg of laat. Leven en laten leven, zei ze.
Je bent gek, zei hij. Rijp voor het gekkenhuis.
Ik ben helemaal gek, zei ze.
Vind je die Perfume Genius nog altijd zo goed, zei hij.
Heel mooi, maar zo droef, zei ze. En zo gek.
Die piano klinkt wit, zei hij.
Met wit wis je alle verdriet uit, zei zij. Zoals op het witte doek de dromen je helpen vergeten, zei ze.
Dat de zon alweer niet schijnt, zei hij.
Dat vind ik overigens de beste elpee van the Doors, Waiting For the Sun, zei hij.
De enige mooie plaat die ze hebben gemaakt, zei zij. "Summer's Almost Gone", zo melancholiek.
Toen ik met die plaat aan de kassa stond, heb ik in mijn broek gepist, zei hij.
Echt, zei zij.
Was ik toen zeventien of achttien, dacht hij. Ik had een blaasontsteking, mijn moeder had me lindenthee laten drinken.
Ja, zei hij, en zo moest ik vijf kilometer lopen. Met die elpee in een zakje van De Harp onder mijn arm.
Er is zoveel met je gebeurd waar ik geen weet van heb, zei ze.
Maar toen de bliksem insloeg, zei hij.
Maar toen de bliksem insloeg, zei zij.

18-07-08

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM


tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  'Cul-de-sac' heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

joe strummer

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch - dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat 'Rosemary’s Baby' daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog - zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem 'mijn vriend' noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je 'Splish Splash' en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

tim simple

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:

Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)

Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin' Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins 'You've Got A Reputation' een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun 'Sweetheart Of the Radio', maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie 'Hang On To A Dream', een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

tim hardin dream

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto een afbeelding van 'The Best Of Tim Hardin', de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De 'figurante' komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

13-02-08

WAS IT ALL A CRAZY DREAM?

anderlecht,shopping center,leven,dood,droom,muziek,fenix,drive-by-truckers,euforie,ingmar bergman,joni mitchell,river,ts eliott,pop,popcultuur,mark eitzel,stem,film,wilde aardbeien,boeken,stendhal,john lennon

Ik ben nooit volwassen geworden. Soms gedraag ik me echt pathetisch en dwaas. Eergisteren toen ik terugkeerde van de Delhaize (in dat afschuwelijk Westland Shopping Center - ik noem het altijd ‘wasteland’ en waan me dan heel even TS Eliott) had ik opeens een intens gevoel, echte euforie, waarschijnlijk veroorzaakt door het mooie weer, maar zeker ook door Joni Mitchells ‘River’. Ik had de oortjes van mijn iPod in, die op shuffle stond. Opeens hoorde ik de jingle bells van ‘River’ mijn oren binnenstromen en het leek alsof ik Joni’s stem voor de eerste keer hoorde. Of liever, ik was ervan overtuigd dat ik Joni’s echte stem voor de allereerste keer hoorde, haar stem zoals ze werkelijk klinkt. Dat was een zeer aangrijpend moment, waarbij de tranen over mijn wangen rolden. En meteen schaamde ik me – voorbijgangers zouden een man van middelbare leeftijd tranen zien storten, een belachelijk zicht. Toch bleef dat gelukzalige gevoel voortzinderen, blij dat ik eindelijk nog eens iets had gevoeld.

Later, mijn gedachten nog steeds in de VS, doemde George Bush op voor mijn geestesoog. Ik veracht de man, hoe kun je hem niet verachten? Maar dan dacht ik eraan hoe moeilijk het voor hem moet zijn om met die haat van de halve wereldbevolking te moeten leven. Bijna kreeg ik medelijden met de man. Bijna. Daarna las ik gelukkig twee interviews met Mark Eitzel waarin hij zijn gal uitspuwt over de Amerikaanse politiek in het algemeen en de neocons in het bijzonder. Mijn medelijden veranderde gelukkig weer in ongezonde verontwaardiging en verachting. Mark Eitzel, die ik tot de tien beste levende songschrijvers reken, had me mijn kortstondige verblinding al heel snel doen inzien.
anderlecht,shopping center,leven,dood,droom,muziek,fenix,drive-by-truckers,euforie,ingmar bergman,joni mitchell,river,ts eliott,pop,popcultuur,mark eitzel,stem,film,wilde aardbeien,boeken,stendhal,john lennon

Gisteravond zat ik naar Ingmar Bergmans ‘Wilde Aardbeien’ te kijken en opnieuw had ik die intense ervaring: dit is van het mooiste en subliemste wat ik ooit heb gezien. (Het leven is een droom en een droom is het leven. De dood als het spiegelbeeld van het leven. De wilde aardbeien van de jeugd, die al ‘Strawberry Fields Forever’ aankondigen.)

Stilaan krijg ik het gevoel dat ik mezelf uit mezelf opnieuw laat ontstaan. De ziel van de muziek, de illustere boeken, waaronder het meesterwerk ‘Lucien Leuwen’ van Stendhal, de schitterendste films, maar ook mijn eigen woorden en de antwoorden van vrienden zijn het goede vuur dat mij tot as herleidt waaruit ik als een feniks (Ο Φοίνιξ) herboren word. Nee, ik zal nooit volwassen worden. John Lennon vergiste zich toen hij zong ‘the dream is over’. Er komt geen einde aan de droom en er komt geen einde aan het leven.

Ik draag deze tekst op aan mijn blogvriend Roen en aan the Drive-By Truckers.

12-01-08

EEN BEKENTENIS IS GEEN EXHIBITIONISME

 

Wat ik gisteren bekendmaakte over mijn geneesmiddelengebruik is geen uiting van exhibitionisme. Het viel me erg moeilijk om hierover openhartig te zijn. Mijn vrienden, mijn collega’s, bijna niemand wist van de ernst van mijn toestand af. Ik zelf had ook meestal de neiging dat allemaal te verdringen, te doen alsof er niets aan de hand was, of toch niets ernstigs. Ik wilde voortgaan met leven zoals iedereen, alles doen wat de anderen doen, als ik daar zin in had, bedoel ik – en hen soms zelfs overtreffen. Alsof ik onkwetsbaar was, ben. Alsof ik een ander was.


Zo’n lijstje had ik nooit eerder gemaakt; ik ben er gisteren zelf van geschrokken.

Ik heb de knoop doorgehakt om dit publiek te  maken, na me nog eens voor de geest te hebben gehaald waarom ik aan deze onderneming - dit elektronisch boek dat de werktitel ‘hoochiekoochie’ meekreeg, een titel die mijn ‘verachting’ van mijn zwaktes verraadt - ben begonnen (op 8 maart 2005). En ik herinnerde me nog heel goed, ook al had ik het niet met veel zoveel woorden gezegd, waarom ik eraan begon.

De basis van al wat ik zou schrijven, het uitgangspunt van hoochiekoochie, liep gelijk met dat van Rousseau in zijn ‘Bekentenissen’. Denk nu niet dat ik me met de grote filosoof wil vergelijken. Ik heb het slechts over zijn uitgangspunt, waarmee hij zijn opzienbarende boek begint. En in het Nederlands staat er dit:

“Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.

Enkel en alleen ik zelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet. Ik durf zelfs te geloven dat ik niet gemaakt ben als enig ander mens ter wereld. Ook al zou ik niet beter zijn, ik ben op zijn minst anders. Of de natuur er goed of slecht aan heeft gedaan de mal te breken waarin ik gegoten ben, daarover kan men alleen oordelen als men mij gelezen heeft.”


Zijn onderneming zal door geen mens worden nagevolgd, schrijft Rousseau. En ik denk dat het waar is, ook al lijkt het niet zo. Mijn uitgangspunt is hetzelfde maar de onderneming is anders.

(Ik ken maar een kunstenaar die even ver is gegaan in het zichzelf blootgeven en dat is John Lennon, op zijn John Lennon/Plastic Ono Band elpee, uitgebracht in 1970, dat wonderlijke jaar. )

 

Plastic Ono Band
 

 

Zelf voel ik mij nu naakt en zeer kwetsbaar, alsof ik droom dat ik opgesloten zit in een glazen ruimte. Iedereen kan mij in mijn naaktheid en kwetsbaarheid bespieden en ik kan aan geen blik ontsnappen. Maar dat is mijn ‘opdracht’ en het is niet mijn bedoeling de strijd nu op te geven. Want ik voel me behalve zwak ook sterk en vertrouw erop dat wat ik schrijf en hoe ik leef waardevol is. Ook geloof ik dat ik soms wat schoonheid voortbreng.


Het is geen gemakkelijk leven. Maar dat had ik niet eens verwacht. Ik was van bijna in het begin gewaarschuwd. Ik maak mezelf niets wijs: het wordt niet gemakkelijker, het wordt niet beter, ik bedoel voor mezelf, niet voor de anderen, want dat weet ik niet.

08-12-07

EEN HUWELIJK - VOOR JOHN LENNON

bernini,john lennon,yoko ono,beatles,popcultuur,pop,rock and roll,huwelijk,phil spector,antwerpen,brussel,moord,tegencultuur,hippies,underground,1970,beatniks,jethro tull,captain beefheart,liefde,new wave,punk,laura,daphne,radio,leopold flam,shaved fish,woede,verbijstering,verdriet,talking heads,vorst nationaal

Ik ben in 1970 getrouwd, op twintigjarige leeftijd, jong en naïef, met mijn eerste grote liefde. We hadden elkaar ontmoet tijdens een concert van Jethro Tull in Londerzeel. Dat was in de tijd dat Jethro Tull nog voortreffelijke, avontuurlijke muziek maakte, in de voetsporen van Captain Beefheart & His Magic Band. Toen we elkaar in het Brussels stadhuis het ja-woord gaven kenden we elkaar ongeveer een jaar. We waren allebei wat toen ‘alternatief’ en ‘werkschuw langharig tuig’ werd genoemd, we behoorden tot de ‘tegencultuur’, de 'underground', we lazen Simon Vinkenoog, Jan Wolkers, Henry Miller, Jack Kerouac, Allen Ginsberg en Gerard Reve – en we waren uiteraard zeer sterk tegen het burgerlijke huwelijk gekant. Waarom dan trouwen? Ik denk dat het vooral door John Lennon is gekomen. Hij was kort voor ons huwelijk met Yoko Ono getrouwd in Gibraltar. Luister maar naar ‘The Ballad Of John And Yoko’, waarin het hele verhaal wordt verteld. In die periode was - naast Bob Dylan - John Lennon onze grote held. We stonden achter zijn ideeën, alsof het evangelie was, maar ik vond tevens dat hij er erg cool uitzag, met zijn brilletje en zijn wit pak. Mijn haren waren minstens even lang, ik had ook zo’n brilletje, maar helaas geen wit pak. Dat heb ik me later aangeschaft in Firenze (met dank aan Allan Farbman), toen ik alweer gescheiden was. Door dat legendarische huwelijk van John en Yoko was dat ‘sacrament’ voor ons plots geen taboe meer, maar eerder een na te streven ideaal. We hebben onze ouders ongeveer moeten chanteren om ons toestemming te geven. Het was de omgekeerde wereld. Ik vertel deze anekdote alleen maar om te laten zien welke betekenis John Lennon in onze levens had. Zoals hij was, zo wilden wij ook zijn. We streefden dezelfde waarachtigheid na, we koesterden dezelfde dromen, de aardbeienvelden van de jeugd waren ons niet vreemd, we waren met zijn beiden ook walrussen en deden aan revolutie, maar ze moest geweldloos zijn. John Lennon was geen god en geen afgod, maar een echte ‘working class hero’, zoals hij dat type persoonlijkheid in zijn eigen song noemt. Een van zijn mooiste songs, trouwens (na zijn werk met the Beatles, bedoel ik).

Op 8 december 1980 was ik al een hele tijd gescheiden. Ik was van Brussel naar Antwerpen verhuisd en woonde daar samen met mijn muze Laura, die ik in mijn door de romantiek beïnvloede gedichten Daphne noemde. Je kunt het je nu niet meer voorstellen. Je moet echter in gedachten houden dat Gian Lorenzo Bernini in de 17de eeuw een prachtig beeld van Daphne en Apollo maakte, dat in de tijd van de romantiek nog nazinderde en op die manier het midden van de twintigste eeuw heeft bereikt, een heuglijk feit waar de historicus Mario Praz een belangrijke rol in heeft gespeeld. Je kunt het beeld gaan bekijken in de Villa Borghese in Rome.
Punk en New Wave hadden in die jaren de plaats van de ‘tegencultuur’ en de ‘underground’ ingenomen. Maar John Lennon was een held gebleven. 'Shaved Fish' was een elpee die heel vaak werd gedraaid, en dan vooral het nummer 'Power To the People'. Laura en ik werkten bij de filosofische kring Aurora, een vereniging gesticht door professor Leopold Flam. Toen ik op de radio hoorde dat John Lennon was doodgeschoten was mijn eerste reactie er een van ongeloof. De waarheid was onvoorstelbaar. Maar er komt altijd een moment waarop ze volledig tot je doordringt. Het was alsof ik zelf diep in mijn hart werd geraakt. Alles in mij begon te sidderen, tranen liepen over mijn wangen, daarna werd ik woest. In die bezeten toestand ben ik naar huis gelopen, over de Lange Leemstraat naar de Lamorinièrestraat, waar we woonden. In ons appartement heb ik een stoel stukgeslagen, er bleven alleen splinters van over. Ik was door een soort van razernij bevangen. Langzaam is die woede weggeëbt en heeft ze plaats gemaakt voor diep verdriet.


Een week later maakten we met vrienden, allemaal klanten van café Het Pannenhuis op het Conscienceplein, per bus een Magical Mystery Tour naar Vorst Nationaal. Daar trad Talking Heads op, een band die in die dagen op zijn hoogtepunt was. Ze gaven een hemels, of laten we zeggen een bijzonder funky concert, waarbij je voelde dat elke noot voor John Lennon werd gespeeld. Dat concert heeft me over mijn verdriet heen geholpen. De busrit terug naar Antwerpen was euforisch, we waren allemaal dronken of stoned en zongen liedjes van the Beatles en John Lennon.


John Lennon was de spirit van rock & roll. Zijn slechtste plaat heet ‘Rock And Roll’ (geproduceerd door Phil Spector), maar dat is tegelijk zijn allerbeste, zijn meest bezielde. Probeer dat echter maar eens aan een vreemde uit te leggen. De wereld is complex en het leven is een strijd.

john and yoko forever


Foto: 1970, het jonge echtpaar in Neerharen, door François Pulaski (geliefde fratello mio).

27-02-07

EENZAAM OF ALLEEN


damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard 's morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren '70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.

25-10-06

DE HERFST VAN SPARKLEHORSE

sparklehorse,mark linkous,herfst,popcultuur,beatles,pop,wijn,live,concert,ab,john lennon,medusa,metamorfose

Gisteren was er dat concert van Sparklehorse in de AB. Vonden jullie het ook zo ontzaglijk mooi en aangrijpend? Mark Linkous heeft een metamorfose ondergaan. Hij leek helemaal niet meer op de introverte, gedeprimeerde jongeman van vroeger dagen. Weg is zijn zonnebril, zijn boze blik, zijn als door de blik van Medusa uitgelokte verlamming (voor een deel in de letterlijke betekenis van het woord). Mark Linkous sprak ons toe, bedankte ons voor ons warm onthaal, stelde zijn muzikanten voor, maakte enkele danspasjes en nam twee keer duidelijk vanuit het hart afscheid van ons.

Als ultieme afsluiter stuurde hij ons - na ons anderhalf uur te hebben laten genieten van zijn, door onder meer John Lennons Strawberry Fields Forever geïnspireerde, weemoedige en gelukzalige melodieën en, eveneens vol vuur en verve, zijn surrealistische ‘natuurlyriek’(waarin paarden en de zon geregeld om aandacht vroegen) - met een flinke portie oorverdovende razernij naar huis, alsof hij er ons alsnog wilde aan herinneren dat hij geen gemakkelijke jongen was, geen huis-tuin-en-keuken poweet.

Gisteren was een dag van storm en goud. ’s Morgens dacht ik, dit is geen weer voor een melancholische geest. Om middernacht was ik van het tegendeel overtuigd. Of toch bijna. Ik denk dat de herfst het ideale seizoen is voor Sparklehorse. Dit lijken mij dagen te zijn waarop Mark Linkous zijn paarden lustig / lusteloos door de droevige mooie wereld kan laten draven, en blij kan zijn met de tranen op de laatste vruchten van het jaar. Ook kan hij volop verlangen naar de aantrekkelijkste weduwe in de stad. Waarschijnlijk is hij daar een glaasje wijn mee gaan drinken in een café dat ik nog niet heb ontdekt. Je kunt er alleen naartoe met een gasoline horsey en als je bij zonsopgang weer buiten komt zeg je: good morning spider. Een aantal lichtjaren doorbrengen in de buik van een berg lijkt me voorlopig geen slechte tijdsbesteding. Zeker niet als je er kunt liggen dromen van vers fruit, vruchtbare zomers en langoureuze vrouwen. Laat de wijn maar komen, vrienden.

30-03-05

HELDEN EN HYPOCHONDERS


ave maria


België is een goed land voor hypochonders.
Hier is altijd wel iets wat je ziek maakt of je het gevoel geeft dat je ziek bent of binnenkort ziek zal worden. Gisteren hoorde ik dat we binnenskamers voortdurend formaldehyde, een kankerverwekkende stof, inademen en vandaag las ik in de krant dat de lucht buitensporig vervuild is. Ik had al net zo goed mijnwerker kunnen worden… Van mijnwerkers gesproken: ik heb een paar dagen geleden beslist dat Working Class Hero – in de originele versie van John Lennon – op mijn begrafenis ten gehore zal worden gebracht. Ik ben bezig aan een nieuwe lijst begrafenisliedjes… Dat is een lastige onderneming. Er is zoveel keuze. De requiems kan ik natuurlijk al elimineren, want die liggen te zeer voor de hand (ook al is het requiem van Berlioz zeer opwindend). Het is overigens de tijd van de helden: de media zijn koortsachtig op zoek naar grote Belgen, waarschijnlijk omdat er geen grote Belgen meer zijn of niemand nog durft zeggen dat hij of zij een Belg is. Ik ben alleszins een echte Belg, maar dan wel een kleine. (Tenzij na middernacht, onder invloed van voldoende wijn, of soms ook wel overdag en nuchter, maar dan in het diepst van mijn gedachten). Er is een tijd geweest dat er geen helden meer waren; het was in ieder geval niet cool en niet politiek correct om aan heldenverering te doen. Zelfs Thomas Carlyle werd om die reden fascisme - avant la lettre – aangewreven. Alleen met kunstenaars en filmsterren mocht nog gedweept worden, maar ook dat deden alleen naïeve mensen. No more heroes anymore, zoals the Stranglers al zongen. Ik heb me daar nooit om bekommerd. Voor mij zijn er altijd helden geweest, grote historische figuren, lichtende voorbeelden, kunstenaars, filosofen, schrijvers, songschrijvers… Van Alexandre Dumas, Edgar Allen Poe en Elvis Presley in mijn kinderjaren via Jean Eustache, Virginia Woolf en Friedrich Nietzsche in mijn studententijd tot Paul Auster en Gillian Welch in deze prachtige tijd waarin we nu leven. En honderden anderen natuurlijk. Lijstjes volgen later. Lijstjes maken, een mooie obsessie.