22-10-14

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici - en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?
jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en - de door Eddy Du Perron bejubelde - Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg
Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal - vooral Franse en Italiaanse - fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d'Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.


Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

...

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d'Espagne

...

Illustraties: 
Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott's 'Shakespeare tijdgenoot'; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.

 

02-11-07

KING LEAR, KONING VAN HET GROTESKE

king lear,jan kott,theater,shakespeare,grotesk,kvs,alize zandwijk,ro theater

Ongeveer twee weken geleden zag ik Shakespeares ‘King Lear’. Het was de première, er waren veel vaders en zonen en dochters komen opdagen, in hun mooiste kostuums, in hun coolste kleren gehuld. Laura en ik waren te vroeg, zoals altijd, en zochten bescherming in een hoekje van de lounge. Ik zat al weken thuis en vond het vreemd, zo opnieuw onder de mensen komen.

Waarom heb ik er niets over geschreven? Ik vond het nochtans een zeer gedegen voorstelling, en ik was niet de enige die dat vond, want het gezelschap van het Ro Theater kreeg een staande ovatie. Misschien schreef ik niets omdat ik tijdens de receptie achteraf te veel Palm had gedronken en de volgende dag een zwaar hoofd had? Misschien. Vandaag las ik in een oude editie van De Standaard een bespreking van de voorstelling. De recensent was niet tevreden. Regisseuse Alize Zandwijk had gekozen voor een groteske invalshoek, zoals die al werd aangeraden door Jan Kott, schrijver van de in 1964 verschenen maar nog altijd actuele Shakepeare-studie ‘Shakepeare tijdgenoot’. De drie dochters Goneril, Regan en zelfs Cordelia zagen er niet uit! De boosaardige personages waren uiterst boosaardig, de goedaardige uiterst goedaardig. Die groteske benadering van Shakespeare vind je terug in het absurde theater van onder meer Beckett en Ionesco, auteurs die in de jaren zestig van de vorige eeuw zeer populair waren.

Dat groteske vond de recensent van De Standaard niet geslaagd. Het publiek had zitten lachen, sommige figuren leken wel misdadige clowns en ik bedoel nu niet de nar. Als je de tekst van Shakespeare leest, of de vertaling van Hugo Claus, zie je dat die elementen daar al in zitten, bij hem is een tragedie niet zuiver tragisch, er zitten komische en groteske elementen in. Zuiverheid bestaat niet bij Shakespeare, al komt de verstoten en verbannen Cordelia wel in de buurt. Ongeveer in het midden van de voorstelling steekt een storm op en dan vergaat het lachen je wel.


Zeer sterk vond ik de scène met Gloucester en zijn zoon Edgar. De vader werd de ogen uitgestoken, de zoon doet zich voor als een zwakzinnige. Gloucester wil zelfmoord plegen door van de krijtrotsen van Dover af te springen. Maar zijn zoon leidt hem naar een veilige plaats. In een gewone voorstelling van King Lear lopen de twee mannen op een plat vlak. Gloucester vindt het dan vreemd dat ze niet lijken te klimmen, wat toch normaal zou zijn. In de versie van Alize Zandwijk wordt die absurditeit nog vergroot: de twee mannen dalen langzaam van een trap af; in plaats van een onmogelijke zelfmoord komt er een afdaling en uiteindelijk ook het inzicht.


Ik identificeer mij met het tragische ‘slachtoffer’, de goede dochter Cordelia.
Dat doe ik nu eens altijd. Maar het maakt niet uit met wie je je identificeert: je komt altijd bedrogen uit.