24-12-16

MET RYLEY WALKER NAAR EEN ANDERE DIMENSIE

ryley walker 2.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN 
(hoofdstuk 12)

Dag 9: 10 november 2016 

Waar waren we bijna verdronken? In Patti Smith’s zee van mogelijkheden? Goed mogelijk want in een imaginaire zee kun je niet echt verdrinken, tenzij je zoals Alice een denkbeeldig bestaan leidt. Vandaag hebben we nog natte voeten, maar we staan als alle echte stuurlui weer aan wal. Ja, we lopen op wankele benen, onze geest is beneveld, in onze kamers hangt een dikke mist, ook al schijnt daarbuiten de zon. Inmiddels is het 10 november. Onze nood aan een escapade is groot. Anywhere out of the world, schreef Baudelaire. Maar hoe wankel ons bestaan ook mag wezen, toch willen we hier blijven, willen we doorgaan met een intellectuele strijd tegen onszelf, tegen het negatieve in ons, en tegen alles wat ons slaafs maakt, alles wat ons onderdrukt en verblindt. Patti Smith alleen zal ons daar niet bij kunnen helpen, hoewel ik weinig mensen ken die zo moedig als zij volharden in hun levenswerk. In hun opdracht. Lees haar boeken om te vernemen hoe ze die gevonden heeft. Maar net als ik - en mijn generatiegenoten uit de sixties - wordt Patti Smith ouder. Heel wat van onze idolen, gidsen, bewonderde kunstenaars en ja, helaas, ook vrienden, zijn al vertrokken naar het donkere land waar nooit iemand van terugkeert. Er is jong bloed nodig, jonge verbeelding, nieuwe ideeën. Een nieuwe geest van verzet zal onze wereld moeten redden. Dat hij al aan het ontstaan is voel ik in mijn vingertoppen, hij is al aan het werk. Zoniet zou ik afreizen naar het Noorden en me daar voor altijd neervlijen in de sneeuw.
patti-smith.jpg

Hier wil ik dit onderdeel van mijn kroniek even onderbreken met een mededeling van Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Aan mijn therapeute doe ik verslag van de heerlijke momenten van de voorbije dagen (een avond met Irina, mijn radioprogramma in Antwerpen, een etentje en een vrolijke treinreis met mijn geliefde Laura), maar zeker ook van de dingen die me weerom terneerdrukken, nog los van de ellendige politieke gebeurtenissen. Als zo vaak in het verleden kom ik terug op mijn schuldgevoelens. Zo voel ik me vandaag schuldig omdat ik zelfbehoud laat voorgaan op zorg en altruïsme. Of beeld ik me dat schuldgevoel maar in? Schuldig voel ik me eveneens omdat ik te weinig doe. Mijn therapeute stelt me voor om een dag per week aan vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld bij bejaarde mensen kunnen langsgaan; zij zijn als al onze soortgenoten reservoirs van verhalen, ze beleven er plezier aan hun herinneringen met een aandachtige toehoorder te kunnen delen. Wat voor mij dan weer een inspiratiebron zou kunnen zijn. Maar dat kan ik toch niet, roep ik voor de misschien wel honderdste keer uit. Ik kan mensen die ik niet ken niet onder ogen komen, zeg ik. Ik ben mensenschuw. Als ik onder de mensen kom moet ik drinken en ik wil niet drinken. Want als ik drink kan ik niet schrijven. Nee, ik wil vooral niet drinken. Veel liever zou ik in mijn kamer blijven en werken, nu het nog kan, nu ik nog enigszins helder ben. Mijn tijd van veel buitenkomen is voorbij. Je weet toch dat ik nu al wankel als ik naar de metro loop. Dat komt door mijn voeten. Die doen vaak zo’n pijn en je weet dat ik liever geen zware pijnstillers neem, want dan kan ik niet helder denken. Helder denken is zonder drank of pillen al moeilijk. Ze kijkt me enigszins berustend aan. Het is jouw leven, zegt ze, maar als je je meer en meer gaat afzonderen zal je wel heel snel oud worden. Maar goed, het is weer tijd, tot volgende week en houd je sterk.

old1.jpg

Die avond ga ik met Laura naar de AB Club voor een andere held van deze tijd: Ryley Walker. In de populaire muziek beschouw ik hem als een van de grote beloften. Enkele jaren geleden was hij nog een epigoon, nu geldt hij al als een voorbeeld voor andere muzikanten en kunstenaars (en gewone mensen). Laura en ik hebben vanmorgen bij het lang uitgesponnen ontbijt zijn twee recentste platen beluisterd, ‘Primrose Green’ (2015) en ‘Golden Sings that Have Been Sung’ (2016). Zijn eerste elpee, ‘All Kinds Of You’ (2014), bezit ik niet, omdat Ryley Walker zelf dat jeugdwerk als een mislukking beschouwt.
In de AB Club weet ik nog voor het concert begint dat het een bijzondere avond zal worden. Ja, soms voel je dat aan, soms weet je het wel zeker. We hebben vlak voor het kleine podium plaats gevat. De jonge singer-songwriter uit Chicago balanceert op het randje van de dronkenschap, maar wankelen doet hij (nog) niet.. Ik zie dat hij stevig op zijn benen staat. Hij kan tegen een stootje. En zijn muzikanten beschermen hem tegen overdaad. Als hij even wegkijkt geven ze elkaar zijn fles whisky door en nemen zelf een slok. En tijdens het concert vraagt een luisteraar of hij eens mag proeven. Dat is goed: het schept een band met het publiek en er zit alweer wat minder in die verduivelde fles. Ryley heeft al de hele namiddag bier zitten drinken in de Bonnefooi. You guys have 3000 kinds of beer and I want to try them all, zegt hij.
Het lijkt of hij het meent. Zeker, hij mag zijn zintuigen ontregelen, maar vergeten dat hij voor een geïnteresseerd publiek staat, dat mag hij niet. En dat doet hij niet. Het concert van Ryley Walker en zijn band, dat begint met de kreet ‘Fuck Trump!!!!’, wordt een lange, chaotische – maar door de ritmesectie stevig in toom gehouden – trip. Daar staat hij voor me met zijn gitaar, zijn zoekende stem, een duiveluitdrijver, een sjamaan. Ja, de muziek die hij met zijn begeleidende band ten gehore brengt helpt ons de wereld daarbuiten te vergeten. Er ontstaat een ander, een magisch universum. Een net nog herkenbare song – een skelet - is voor hem en zijn band een muzikaal thema waarop langdurig geïmproviseerd wordt. Ik herken vier van die skeletten: ‘The Halfwit In Me’, ‘Funny Thing She Said To Me’, ‘Sullen Mind’ en ‘The Roundabout’. Ik hoor en zie zoektochten, in cirkels draaiend of spiraalvorming, op de elektrische en de twaalfsnarige akoestische gitaar. Ik ontwaar sporen van jazz, acid rock, folk, rembetica, Tim Buckley, John Coltrane, Jerry Garcia, John Martyn, Van Morrison en nog veel meer – Ryley Walker heeft het allemaal verwerkt in zijn freewheeling songs. Hij heeft zich al die invloeden toegeëigend – en nu staat er een eigen, sterke muzikale persoonlijkheid voor ons. Voortaan gaat hij zijn eigen weg, al weet ik niet waar die naartoe leidt en er zijn veel gevaren. Denk alleen nog maar aan Tim Buckley en zijn zoon. Vanavond heeft hij  ons alvast uit een boze droom wakker geschud en in een andere dimensie binnengeloodst.
IMG_9245.JPG

Laura en ik en mijn vrienden Wolf en Dirk en Ivo beseffen dat we iets bijzonders hebben meegemaakt. Tijd voor lange, bezielde gesprekken en voldoende drank. Morgen zal ik niet schrijven. Morgen is het wapenstiltand. Taxi!



* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276


27-02-15

OVER DUNNE EN DIKKE BOEKEN

rimbaud-self-portrait.jpg

Rainer Maria Rilke is een van de moeilijkste dichters die ik heb gelezen. Je moet zowat de hele wereldliteratuur (en zeker Nietzsche) kennen om hem goed te kunnen begrijpen. Maar je kunt hem even goed als een onschuldige benaderen en zo - als de sterren goed staan - tot zijn kern doordringen. Is dat moeilijk of gebeurt het maar zelden? Misschien wel, maar het loont de moeite. Bovendien is het een moeite die eigenlijk geen moeite kost. Het vergt een open geest, een open hart. Van Morrison zingt erover in ‘Heart Is Open’, een wonderlijk lied op een wonderlijke plaat, ‘Common One’, verschenen in het ellendige jaar 1980. I believe I go walking in the woods.

Dunne boeken, zoals ‘Die Sonette an Orpheus’ of ‘Une saison en enfer’, kunnen je jaren kosten. Niet dat het verloren tijd is. Bijna elk woord kan een schatkamer zijn, of een sarcofaag met alleen tot jou gerichte inscripties aan de binnenkant. Dunne boeken, kort als het leven.

Maar het leven duurt soms ook lang. De dagen laten zich dan graag vullen met meeslepende verhalen, die je vaak aantreft in dikke boeken. Bijvoorbeeld in ‘Middlemarch’ van George Eliot (altijd weer moet ik opzoeken hoe je ‘Eliot’ spelt), ‘Misdaad en straf’ van Dostojewski of ‘Le rouge et le noir’ van Stendhal.

Of het leven nu kort is of lang – en zelfs als de duur je koud laat: het komt er in elk geval op aan het kaf te scheiden van het koren. In welk jaar een boek werd geschreven speelt daarbij geen rol. Het gaat om de gedachten die er in worden uitgedrukt, om de stijl, de oorspronkelijkheid, het inzicht, de schoonheid, de troost. Geen enkel boek dat je iets verrassends of inspirerends meedeelt is werkelijk moeilijk.

Waarom deze notities? Omdat ik morgen op reis vertrek en nog moet beslissen welke boeken ik mee zal nemen. Ik zal veel tijd hebben om te wandelen en te lezen. Een heerlijk vooruitzicht, na al die lange dagen van ziekte en donkere lucht.

rilke2.jpg

26-11-14

THUISKOMST*

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Voor mijn verwanten.

 

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

...


* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

16-07-13

EEN MIDDAG IN HET TER KAMERENBOS

IMG_0686.JPG

Ze is nog eens op visite geweest. De muze. Ik weet niet hoe dat met vrouwen zit, maar voor mij is de muze altijd een vrouw. De muze hing aan een stevige tak, die zich over het donkere water in de grote vijver van het Ter Kamerenbos boog. Zo leek het alleszins, want goed kon ik haar niet zien; misschien zat ze er wel op, als een amazone. Want aan een tak hangen lijkt me wat ongewoon voor een muze. Verliefde stellen in roeibootjes konden hem moeilijk ontwijken. Sommigen, kussend en ver weg van deze wereld, raakten verstrikt in de kleinere, groenere takjes, maar gaven daar niet om.


Dat zij de muze zagen of hoorden betwijfel ik. Ik wel, ik zag haar en hoorde haar fluisteren. Was ze er niet voor mij verschenen? Maar ik dwaalde af. Misschien verlangde ik ernaar om ook in zo’n bootje te zitten, verstrengeld met een geliefde; ik weet het niet. Zomaar, zonder reden, dacht ik opeens dat ze moe was. Ze moest dringend gaan rusten. Neen, ze was al in slaap gevallen. Daarom keerde ik haar de rug toe, en de verliefde stelletjes in de boten keerde ik ook de rug toe.


Ik geloof nu dat ik dat niet had mogen doen. Ze had me stellig nog wat rudimentaire, maar rijkgeschakeerde woorden toegefluisterd. Vruchtbare grondstof voor stevige bloemen – noem ze bloemen van het kwaad, of wat je maar wilt. Het is echter moeilijk om lang bij de muze te blijven – en afstand te houden, want zoals ik al zei: ze is altijd een vrouw, en ik heb haar nooit in een andere gedaante gezien dan in die van een buitengewoon aantrekkelijke vrouw. Sommigen beweren echter dat zij vaak, of bijna altijd, een belle dame sans merci is, of een femme fatale. Dat is heel goed mogelijk. Maar elke regel kent uitzonderingen. En als het hier dag is, is het ergens anders nacht.


Die nacht, nadat ik als een prairieroos na een hete dag, in slaap was gevallen vertelde een oude vriend uit Baarle-Nassau me dat een dichter die me zeer dierbaar is, iemand die ik al sinds 1975 bewonder en als een voorbeeld zie, in zijn jeugd antisemitische pamfletten heeft geschreven. Ik was geneigd hem te geloven. In zijn stem klonk overtuigingskracht en hij beweerde dat hij het kon bewijzen. Hoe kon ik zijn laster, want ik voelde meteen aan dat het ook dat was,  verzoenen met het verheven beeld dat ik al zo lang van hem heb? Ik nam me voor die aantijging uit mijn memorie te bannen. Nooit zou ik die vriendschap met jou – door wat dan ook – laten aantasten Wat later vroeg iemand me wie mijn favoriete vrouwelijk dichter is. Ik wilde meteen het antwoord geven, maar haar naam ontsnapte me. Iedereen weet dat je schuldig bent als je geen antwoord geeft… De naam Emily Dickinson.


Wat had ik die droom zo graag niet gedroomd! Ik geloof dat ik nooit van die laster zou hebben gehoord als ik de muze daar in het idyllische Ter Kamerenbos niet de rug had toegekeerd.


...

Foto: Martin Pulaski, 20 juli 2005. 

20-09-10

OOGBLAUW

 

Hoe vaak je oogblauw zich op mijn pagina werpt

Soms tot ademloos toe en je schaduw
Op elke hoek een blik in mijn rug boort
Maar zacht, de kleur van boter en appelsienen.

Je hoort me sinds mensenheugenis toe
Maar niet altijd hoor je mijn stille woorden -
Hoe zou je kunnen. In stilte is nooit iets uitgesproken.
Toch heb je mijn adem, mijn leven geroken.

Ik zei dat je mijn zwaan was, maar dat was niet waar.
Zwanen bestaan niet zo in jouw nabijheid.
En engelen staken hun vervelend gezang als je zwijgt
Of spreekt. Je stem is de toekomst en het verleden.

Voortaan zie ik het licht uit je ogen, geen schaduw
Maar oranje gespat op grijze muren en dagen
En op mijn versplinterd gezicht. Op mijn ontwaken:
Je oranje driften die een blinde man weer laten zien.

En de lamme in het licht van de donkerte lopen.

07-05-09

AVALANCHE

 

Nu het nog kan kun je me beter versieren als een levende ziel

Zonder zwarte kater op zijn schouder op een zondag

Als ik met een gitaar en krant te goochelen zit. In het

Wit misschien, stoned als een countryzanger de dood nabij

Maar toch heel levendig, met veel geel en groen -

Heb je mijn ogen al gezien als ik onnozel doe

En blij ben omdat je bij me bent als een dagdroom

Die je niet vergeet, ook niet tussen de mensen op trottoirs

Die overal heen snellen, als blinden stoten ze tegen je aan?

Dat jij me niet vergeten bent hoor ik in elk lied

Als ik nuchter ben en luister en op signalen van liefde wacht

En opeens zit iemand op een viool te krassen en zingt:

Ma chérie je veux danser avec toi, toute la nuit.

Chagrin, pitié, faut oublier tout ça, mal à la tête,

Non, oui, je te veux, je te veux, comme une avalanche.

 

29-12-08

IN MEMORIAM DELANEY BRAMLETT


delaney-and-bonnie


Ik lees net het bericht dat een van mijn jeugdhelden, Delaney Bramlett, vorige zaterdag is overleden. Hij was negenenzestig jaar. Ik volgde eerlijk gezegd niet meer wat de muzikant tegenwoordig deed, maar heel regelmatig beluisterde ik nog met veel plezier platen van hem en zijn ex-echtgenote Bonnie Bramlett. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig maakten zij samen bijzonder aanstekelijke blanke soulmuziek. Het vakmanschap van Delaney & Bonnie en hun muzikale vrienden werd in die periode terecht geprezen. Meerdere 'Friends' van Delaney & Bonnie zouden bekend worden als leden van Eric Clapton's enige echt goede band, Derek & the Dominos.

Zelf heb ik dankzij Delaney & Bonnie veel andere uitstekende muziek ondekt, van onder meer Don Nix, Leon Russell, Rita Coolidge, Bobby Whitlock, Bobby Keys en Jim Price. Hun elpees 'Accept No Substitute' , in 1969 uitgebracht op Elektra, en 'Home' in hetzelfde jaar op Stax verschenen, zouden in geen enkele behoorlijke platenverzameling mogen ontbreken. Ik heb een voorliefde voor hun laatste werk, 'D & B Together' in 1972 door Columbia uitgebracht. Er staan parels op als 'Only You Know And I Know', 'Comin' Home', 'Move 'Em Out' en 'Groupie (Superstar)', dat vooral bekend is in de kitsch-versie van the Carpenters. Een naam die je vaak terugvindt op de platen van Delanie & Bonnie Bramlett is die van Duane Allman, een van de beste gitaristen in het blues/rhythm & blues/soul-genre. Dat Delaney & Bonnie zulke uitstekende muzikanten rond zich konden verzamelen, wijst op hun bezielend kracht en hun gastvrijheid. Zelfs George Harrison was een groot bewonderaar van het duo. Delaney Bramlett is er altijd bescheiden bij gebleven.

Moge hij in vrede rusten.

"Things get better baby / when I'm with you."

delaney_bonnie-home

Website van Delaney Bramlett.
Een interessante discografie vind je 
hier.

18-07-08

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM


tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  'Cul-de-sac' heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

joe strummer

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch - dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat 'Rosemary’s Baby' daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog - zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem 'mijn vriend' noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je 'Splish Splash' en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

tim simple

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:

Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)

Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin' Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins 'You've Got A Reputation' een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun 'Sweetheart Of the Radio', maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie 'Hang On To A Dream', een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

tim hardin dream

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto een afbeelding van 'The Best Of Tim Hardin', de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De 'figurante' komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

05-07-08

MORT DE SARDANAPALE : DELACROIX


Delacroix_La_Mort_de_Sardanapale2

Het romantische en oriëntalistische werk van Eugène Delacroix, 'La mort de Sardanapale' was een van de 'inspiratiebronnen' voor het gedicht hieronder 'N'oublie pas que tu vas mourir II'. Ik plaats deze afbeelding hier als een visuele voetnoot, meer wil ik er niet mee vertellen.

03-02-08

MEEUW


Voor Manu

Achter me heb ik andere wereld gelaten -

oude kolonie waar spottend coloriet

mijn donkerste dromen in middernacht-

hitte pijnlijk, pijlsnel doorboorde.

 

Achter me de vrienden

met hun zachte slapen, luid kabaal

hun soms zelfs schel gekrijs.

 

Voortaan op de wereld alleen

ver van steden en straten,

van begeerte en afschuw ontdaan.

 

Mijn geluk is perfectie,

nu hier zijn, in dit ogenblik

mijn toekomst kunnen bekijken:

nieuw landschap, nieuw leven.

17:47 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (3) | Tags: inspiratie |  Facebook

27-10-07

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?


Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

***

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)

29-08-06

WAAR KOMEN DE JUISTE IDEEEN VANDAAN?


Ik had het met Laura over een lijst die ik wil maken. In Budapest heb ik een boek gekocht over de zogeheten beste films aller tijden. Bekende wereldburgers geven daarin hun mening over hun favoriete film(s). Eveneens zijn er veel lijstjes in opgenomen. Lijstjes, zowat de uitverkoren ‘lectuur’ van onze tijd. Vroeger waren er de patronen voor de vrouwen en sportpagina’s voor de mannen, nu zijn er lijstjes voor iedereen. Een lijst in dat boek sprong me meteen in het oog. Het oog zag er enigszins blauw van, maar dat is nu over. Nu schittert het een beetje, maar het trekt ook wat scheef, van schaamte, want imiteren doe je niet straffeloos. Met een schitterend en scheef oog vertelde ik Laura dat ik ook aan een dergelijk lijstje zit te denken. Wat is de bedoeling? Ik probeer me uit mijn favoriete films de scènes, dialogen, bijzondere momenten, stukjes muziek, close-ups te herinneren en daar een lijst van te maken. Ik heb het boek en het artikel waar ik me door heb laten inspireren hier niet bij de hand. De naam van de auteur (of ster of wat dan ook) zal ik morgen of overmorgen verklappen. Of als de zon nog eens schijnt. Ik ben al zoveel verschuldigd, een verhaal over Lucca, over Budapest, over ziekte en walging op de Canarische Eilanden, en wat niet nog allemaal, dus kan dit er ook nog wel bij. Zoals een bespreking van de nieuwe cd van Bob Dylan. Op het eerste gehoor lijkt het net dezelfde als de vorige. Maar misschien heb ik niet goed geluisterd. Hij zingt wel beter, misschien heeft hij weer iets genomen, Jack Kerouac indachtig.

Ik zei tegen Laura: Karen Black in Five Easy Pieces, mag ik niet vergeten, maar wat was nu weer haar beste scène? En Wanda, hoe heette de regisseuse ook al weer, die ook de hoofdrol speelde, en jong gestorven is, Barbara Loden? Wat sprak me zo aan in haar enige film? De bankoverval, het kopen van de hamburgers, haar onderdanigheid, niet die van Barbara Loden, maar van het personage dat ze vertolkte, Wanda dus? Toevallig is zij, Barbara Loden, op een Amerikaanse postzegel terechtgekomen, niet omdat zij een briljante film had gemaakt, want dat wist niemand, en niemand ligt wakker van briljante films over slaafse vrouwen, neen, toevallig had iemand een foto van haar gemaakt, en zij was fotogeniek, en zo is zij, zonder dat iemand iets over haar wist, beroemd geworden, als postzegelmeisje. Barbara Lodens Wanda hebben weinig mensen gezien. Maar toen ik aan mijn tekst over uitverkoren filmmomenten bezig was – waarvan het einde nog lang niet in zicht is, wellicht wordt het een neverending story – ontdekte ik dat de film nu in Frankrijk op DVD is uitgebracht en dat Isabelle Huppert er lovende uitspraken over heeft gedaan. Leve Isabelle Huppert! Zij komt in veel van mijn filmherinneringen voor. De eerste is aan een scène in Les Valseuses. In het begin van de film hebben Depardieu en Dewaere in een vakantiehuisje aan zee aan haar slipje staan ruiken (zij is dan nog maar veertien). De gemene, maar sympathieke kerels vinden het wel lekker ruiken. Later, na vele avonturen en boevenstreken, lopen zij de ouders en de dochter, eigenares van het slipje, Isabelle Huppert, tegen het lijf. Bijna meteen beslist de tiener haar ouders de rug toe te keren en met de avonturiers ‘on the road’ te gaan. Wat waren we toen allemaal onschuldig. Als we nu zulke films zouden bewieroken zouden we bijna op pedofielen lijken.

Ik zei tegen Laura hoe moeilijk ik het soms vond om me namen van acteurs en actrices te herinneren. Shots, scènes, flarden dialogen, stukjes muziek, decors, landschappen, komen me wel weer voor de geest, maar hoe heten al die mensen? Zoals de vrouw die de hoer speelt in La mama et la putain? Die een lange, dronken en zeer meeslepende dialoog houdt over alles wat in haar hoofd opkomt (en waar de film over gaat)? En klopt het wel dat Warren Oates een lijk opgraaft in Bring Me The Head Of Alfredo Garcia? Ons geheugen laat ons zo vaak in de steek, of wij herinneren ons dingen die helemaal niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Wij verbeelden ons films die Ben Hur of El Cid heten, maar de films zelf verschillen bijna volkomen van wat we ons verbeelden. Toch herinner ik me perfect hoe een van tequila dronken Warren Oates dat lijkt opgraaft, hoe zijn kleren nat worden van het zweet en zijn gezicht vuil van het stof en de kerkhofgrond.
Overigens doet Working Man’s Blues 2 van Dylan, dat ik nu op de voorgrond hoor, me sterk denken aan Señor, zijn lied over Sam Peckinpah, de man die Warren Oates berucht heeft gemaakt (want beroemd is deze grote acteur nooit geworden).

Gek dat ik al deze dingen niet neerschrijf als jij er niet bent, zei ik tegen Laura. Hier zit ik dat nu allemaal te vertellen en jij valt er bijna in slaap bij. Misschien moet jij bij me zitten slapen als ik schrijf, jouw slapende ziel zal me dan inspireren. Soms als je slaapt wek je toch ook mijn verlangen op. Ja, zei ze, misschien. Maar nu moet ik toch gaan slapen.

Ik rond mijn filmvertelling hier af. Ome Wim ben ik nog steeds niet en evenmin kan ik 1001 nachten doorgaan met mijn verhaal. Of misschien wel, maar ik zou er mijn hoofd niet mee sparen. Think about that girl I left behind, zingt Dylan nu. Ain’t talking, just walking. Erger is dat ik ook geen ander hoofd kan sparen. En nog erger is dat me dat soms onverschillig laat, dat het mededogen dat zo nodig is om de wereld te redden, mij ontbreekt.

17-09-05

KRZYSTZTOF KIESLOWSKI EN JEAN VIGO

 

dita parlo,jean vigo,kieslowski,van eeden,inspiratie,hoochiekoochie,varia,film

De tekst in poëtisch proza ‘Veronica’, die ik hier gisteren te lezen aanbood, is geschreven na het zien van de film ‘La double vie de Véronique’ van de betreurde Krzysztof Kieslowski. Het gedicht ‘L’Atalante’ is gebaseerd op het gelijknamige meesterwerk van de nog dieper betreurde Jean Vigo, met de fantastische Dita Parlo in de hoofdrol. Ik heb misschien al vijftig versies geschreven van ‘L’Atalante’, maar nooit slaag ik erin de beelden van de meester te evenaren. Beschouw me echter niet als een sadist, want dat zou ik zijn als ik het gedicht als een volkomen mislukking beschouwde (en het hier dan zou laten lezen).


Iets helemaal anders, maar misschien toch ook niet, zijn deze woorden van Frederik Van Eeden, uit ‘De nachtbruid’:

"Wie leeft om te eten, te drinken, wat te werken en uit te rusten, zijn plichtje te doen en zijn zorgjes te vergeten, en verder den nacht zoo dof en bot en wezenloos mogelijk door te brengen, - wien er vooral aan gelegen is zijn maag en zijn brandkast te vullen en zijn slaap leeg te laten - zoo iemand noem ik niet een gezond en gelukkig maar een beklagenswaardig mensch."

L'ATALANTE


Dit lied zal niet met jou verzinken.
De vrouw op het voordek drinkt en waait
in de wind als was ze een wimpel
aan de mast, de wolken bevallig.

De man op de brug dompelt de aak onder
in donkernuances, de vrouw in het wit
is je bruid Juliet. Stalen klinkers smelten
tot op één meter van haar geheupwieg.

Als alle kranen in de haven hun geratel staken
zie je als in een spiegel je eigen stilstand.
Later, in Juliet’s ogen, ontwaar je het geheim
dat 's werelds reuzen kluistert.

Maar de grootstad lokt met haar Air
à danser en haar troostrijke straten.
Juliet laat je roer los voor de Hungerkünstler
die haar in geaderd marmer bekoelt.