03-03-14

TERUGKEER NAAR MARIENBAD

Last year at Marienbad8 (2).jpg

Alain Resnais is dood. Gisteren wilde ik een in memoriam schrijven, maar toen herinnerde ik me dat ik al een tijd geleden besloten heb dat nooit meer te doen. Er wordt te veel gestorven, niet alleen door beroemdheden en grote kunstenaars als Resnais, maar door mensen, dieren en planten in het algemeen. Het idee dat het doel van het leven de dood is, dat is zo absurd en, wat mij betreft, onaanvaardbaar. Van Alain Resnais zou je kunnen zeggen: mooie leeftijd, zo oud wil ik ook wel worden. Maar dat is onzin, alleen al omdat leeftijd relatief is. En zeker ook omdat tijd relatief is. Je zou zelfs kunnen beweren dat tijd niet bestaat, tenzij als instrument om de natuur aan ons te onderwerpen. De natuur om ons heen en de natuur in ons.

alain-resnais.jpg


Slechts op Facebook schreef ik iets korts om mijn respect voor Alain Resnais, voor zijn films, uit te drukken. Dat doe ik nu wel vaker als iemand overleden is die me in een of ander opzicht dierbaar is of belangrijk voor me is geweest. Dit waren mijn woorden:  “Een van mijn uitverkoren films*. De tijd, de bedrieglijkheid van het geheugen. Vanwege het 'Marienbad' in de titel ben ik ooit helemaal naar Mariánské Lázně gelift, nog voor de val van de muur en de fluwelen revolutie. De film is daar echter helemaal niet gedraaid. En ik kwam veel te laat, alles was er vervallen, lelijk zelfs. Nu lees ik over die stad in 'Austerlitz' van Sebald. De tijd staat niet stil, alles hangt samen, Alain Resnais is dood.”

Wat later besefte ik dat mijn eigen geheugen me bedrogen had. Mijn reis naar Mariánské Lázně in de zomer van 1989 kwam me opeens weer helder voor de geest. Ik had helemaal niet gelift. Uitgeput van langdurig astma ten gevolge van een combinatie van overvloedig stof in een ministeriekantoor en aanhoudende hitte was ik in het gezelschap van mijn geliefde, onzeker of ik mijn bestemming wel levend zou bereiken, in Brussel op de nachttrein naar Neurenberg gestapt. Daar vertrok al vroeg in de ochtend een trein naar Marienbad. Ik herinner me die treinrit nog levendig, vooral de taferelen die zich voordeden bij de halte in de grensstad Cheb – niets prettigs. De aankomst in Mariánské Lázně was een teleurstelling, maar had ook iets vrolijks. Van het Marienbad uit de film van Resnais was niets te zien, maar de stad was wel op een heerlijke manier vervallen, iets wat me in die dagen erg beviel. We mochten voor een spotprijs overnachten in een immens herenhuis uit de negentiende eeuw, in een ruim maar muf en ook al stofferig vertrek. Toch was ik, je zou het bijna miraculeus kunnen noemen, toen ik de volgende ochtend uit bed stapte helemaal genezen.
Het ooit zo luxueuze kuuroord leek in 1989 nog sterk op de beschrijving die het personage Austerlitz in ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald er van geeft, terwijl hij er toch al in augustus 1972 verbleef. Voor lezers die er meer over willen weten verwijs ik naar dit geweldige boek. Een beter beeld van de stad vind je nergens anders.

Wat heeft dit nu met de dood van Alain Resnais te maken? Gaat het alleen maar om de plaatsnaam? Toch niet. Er is ook het beleven van de tijd, het verleden dat heden wordt en het heden verleden, de tijd van het verval en het verval van de tijd. Er is de herinnering en hoe de herinnering je vaak bedriegt. Enigszins grappig en ook typisch is dat ik in 1989 de tijd die in de titel verstrijkt, heb genegeerd. Want het is toch vorig jaar in Marienbad, niet nu, in 1989? Mijn reis in de ruimte was dus zinloos, ik had in de tijd moeten reizen, naar vorig jaar in Marienbad.

resnaistoute-la-memoire-du-monde-1956-02-g.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Hiroshima mon amour’, Resnais’ eerste speelfilm, in samenwerking met Marguerite Duras, de vrouw van de herhaling. Wat is dat bij haar een mooi stijlmiddel, en in dit geval ook bij Resnais. En zeker de herhaling van de plaatsnamen, Hiroshima, Nevers, Hiroshima, Nevers. En wat is dit meesterwerk van Resnais een verbluffende weerlegging van de lineaire tijd. Daarna zag ik nog een documentaire over de film en over wat eraan voorafging, onder meer de indrukwekkende documentaire ‘Nuit et brouillard’ (1955) over Auschwitz, en ‘Toute la mémoire du monde’ (1956) over de Bibliothèque nationale de France. Een uurtje of zo later las ik nog wat in ‘Austerlitz’ (het is een boek dat je best traag leest). Het hoofdpersonage woont nu in Parijs. Eigenlijk zou het me niet meer mogen verbazen want het overkomt me zo vaak, maar toch verbaasde het me: een van de eerste tekstgedeelten – paragrafen zijn er niet – die ik las betreft die bibliotheek en alsof dat nog niet volstaat vermeldt Austerlitz, of de auteur, W.G. Sebald, de documentaire van Alain Resnais, ‘Toute la mémoire du monde’ en geeft er een korte beschrijving van.


Midden in de nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik aan mijn geliefde vertelde hoe bang ik als kind was geweest voor de oorlog. En terwijl ik in mijn droom over die angst vertelde had hij zich, zoals hij in mijn kinderjaren werkelijk was, met dezelfde gruwelijke intensiteit, gemanifesteerd.

... 

 

*Ik had het over ‘L’année dernière à Marienbad’.

07-10-11

DE DOOD VAN ELIZABETH TAYLOR, VERGETEN

ElizabethTaylor2.jpeg

Gisteravond aan tafel, vermoeid van ik weet niet wat, vroeg ik A. of Elizabeth Taylor al dood was. Richard Burton is dood, dat weet ik, zei ik. En van Michael Jackson weet ik het heel zeker. A. was er stellig van overtuigd dat Elizabeth Taylor niet meer onder ons was. Je hebt er zelfs een In Memoriam voor geschreven, zei ze. Natuurlijk was ik dat ook vergeten. En nu vind ik het hier terug. Vreemd, en een beetje beangstigend. Ook het feit dat ik "niet buitensporig lang" meer dacht te zullen leven, klinkt nu verontrustend.

Bert_jansch2.png

Inmiddels zijn er wellicht al miljoenen mensen gestorven, waaronder enkele die me dierbaar waren, zoals eergisteren nog Bert Jansch. Voor hem heb ik geen In Memoriam geschreven. Dat doe ik niet meer. Ik moet me nu met de levenden bezighouden. Wel heb ik die dag veel muziek van Bert Jansch beluisterd. Hij was een begenadigd gitarist en songschrijver.


23-11-09

LEVEN EN DOOD VAN BRUNO ANQUINET


bruno en agnes


Hoe stuur je een hond door dit weer? Je hebt niet eens een hond. Of ben je zelf die hond misschien? Nee, natuurlijk niet. Maar waarom zit je dan zo te treuren als een hond? Te denken aan verwelking, aftakeling en dood. Waarom heb je de indruk dat dingen om je heen ondraaglijk zwaar zijn geworden? Kun je nog wel iets heffen? Je zou het eens moeten proberen, maar je zit op je stoel en wacht op woorden die niet lijken op gebrul of geblaf. Woorden die niet lijken op tranen, op afscheid, op dood. Maar dood is altijd dood, hoe je het ook draait of keert.

Je moet je vermannen. Je kunt zo mooi over de dood van zangeressen, zangers en muzikanten schrijven, wordt soms gezegd. Waarom dan niet over de broer van je vrouw? De avonturier, als Odysseus ooit, met een beschadigd hoofd teruggekeerd uit Griekenland, waar hij jaren lang woonde, op het eiland Mykonos, waar hij Griekse mythen schilderde op de wanden van restaurants waar de toeristen vrolijk zouden komen wezen. Je schone broer die de laatste jaren van zijn leven leefde als een plant. Maar dat is niet nauwkeurig geformuleerd. Een plant leeft als een plant, Bruno leefde als een zwaar beschadigde mens. Beschadigd, zoals zovelen onder ons door een andere mens of mensen. We zullen het nooit weten wat daar in dat Grieks dorp is gebeurd. De plaatselijke politie weet het niet of zegt het niet te weten. Inmiddels is de politie in dat dorp al lang vergeten dat er een Belgische schilder, genaamd Bruno, in zonnige armoede leefde. En de overige dorpelingen dan? De avonturier uit Brussel, met zijn fonkelende donkere ogen. De ogen van Bruno. Als ik gedronken had en we beluisterden bijvoorbeeld Mahlers vijfde symfonie – al zo lang geleden, tempus fugit – vond ik dat hij op een Griek leek. Meer dan tien keer op een avond riep hij met zachte stem yamas of yasou! En vulde de glazen nog eens bij.

Wees gerust, lezer, dit wordt geen biografie.

Na een faillissement, zijn zwarte Odysseus-baard was inmiddels grijs geworden, liet hij alles achter en vertrok naar Griekenland. Was hij er gelukkig? Misschien wel, misschien niet. Toen een ambulancevliegtuig – of hoe heet zo’n ding waar ze zwaar gewonden in vervoeren? - hem van Athene naar Brussel had teruggevlogen kon hij er niets meer over vertellen. Schilderen kon hij ook niet meer. Kon hij nog herkennen? Leek de wereld nog op de wereld? Meerdere jaren heeft hij zo beschadigd geleefd. Onlangs is hij ziek geworden, en zaterdag is hij gestorven. Bruno is dood. Bij mij – en zeker niet alleen bij mij -  heeft hij door te sterven veel sluimerends wakker geschud. Ik heb de voorbije dagen Rembetika beluisterd, het Griekse equivalent van de blues, liederen over misdaad, prostitutie, havencafés, heroine, tbc, dood en wanhoop. Maar, zoals alle droeve muziek, ontroerend en troostend. Denk maar aan het adagietto uit de vijfde symfonie van Mahler, dat Visconti zo terecht gebruikte in Dood in Venetië en dat eveneens te horen was tijdens de begrafenismis van Robert Kennedy.  Ik heb me echter vooral de momenten herinnerd die we samen hebben doorgebracht, meestal tijdens feesten, meestal in vrolijke stemming.

Ja, Bruno is dood. Hij doet me nu opeens denken aan een trouwe, brave hond. Een mensdier, geen plant. Had je Bruno gekend zou je hem nooit door dit weer hebben gestuurd. Dat was ook niet nodig geweest: een avonturier heeft geen schrik voor de wind en de regen

Foto: Agnes en Bruno A.

30-06-09

IN MEMORIAM PINA BAUSCH


Pina_Bausch

Sluitingstijd, etenstijd - maar de doden vallen je lastig, verminken je tijdsindeling, je plannen. Nu is het weer Pina Bausch, na de zogenaamde popkoning, de echte grote dame van het hedendaagse danstheater. De choreografe uit Wuppertal is 68 geworden.

Ongetwijfeld zal er veel over haar worden geschreven, maar anderzijds zullen tieners en oudere jongeren weinig nachtwakes houden en kaarsen branden. Nu, ja, ze verdient ook wel iets originelers dan dat. Daar ga ik nu over nadenken. Misschien zal ik, ondanks de hitte, enkele danspasjes wagen.

De groep van Pina Bausch was het eerste contemporaine danstheatergezelschap dat ik ooit zag, zij het op televisie. Die beelden uit lang vervlogen tijden zullen me altijd bijblijven.

Foto copyright de Volkskrant.

07-02-09

ZERO DE CONDUITE: VROLIJKHEID EN VERDRIET

 antwerpen,radio,radio centraal,pop,dood,rock,popcultuur,in memoriam,soul,zero de conduite

Vanavond van 6 uur tot 8 uur is er Zéro de conduite op radio centraal. Je kunt radio centraal beluisteren op 106.7 fm. Streaming is mogelijk via de website van radio centraal en iTunes.

Vorige maand was er heel wat verdriet gepland, maar dat heb ik wegens tijdgebrek toen grotensdeels moeten schrappen. We waren bovendien een beetje in een feeststemming, zo helemaal in het begin van het jaar. Vandaag kunnen we er echter niet meer onderuit. De doden moeten herdacht worden, zij het op een soms vrolijke manier. Het eerste deel van Zéro de conduite is aan de Bo Diddley sound gewijd. Een van mijn grote helden uit de rock ‘n’ roll periode heeft het klaargespeeld om vorig jaar op mijn verjaardag te sterven. Onlangs is Lux Interior gestorven, daarom eindelijk nog eens wat muziek van The Cramps, een band die ik bijna vergeten was. Dewey Martin, de drummer van Buffalo Springfield, is ook niet meer onder ons. En waarschijnlijk ging de meeste aandacht naar het overlijden van de unieke John Martyn. Er zijn nog heel wat muzikanten weggemaaid, ze zijn met teveel om ze allen voldoende eer te betoen. En omdat het niet allemaal kommer en kwel moet zijn hebben we nogal wat tijd uitgetrokken voor soul, balsem voor het gemoed, warmte voor het eenzame hart. Uit de voorgaande clichés mag duidelijk zijn dat ik tot mijn dertiende een katholieke opvoeding heb ‘genoten’. Daarna ben ik mij met de duivel gaan inlaten. We zijn nog altijd goede maatjes...

 

antwerpen,radio,radio centraal,pop,dood,rock,popcultuur,in memoriam,soul,zero de conduite

 

Theme From Trouble Man – Trouble Man – Marvin Gaye

A Change Is Gonna Come – The Man And His Music – Sam Cooke

I Put A Spell On You – I Put A Spell On You – Nina Simone

Bo Diddley – The Devil’s Jukebox – Art Neville & the Meters

Bo Diddley – The Devil’s Jukebox – Buddy Holly

Craw Dad – The Story Of Bo Diddley – Bo Diddley

Pretty Thing – The Pretty Things – The Pretty Things

Cadillac – The Kinks – The Kinks

Here Tis’ (live) – Ultimate! – The Yardbirds

Mona (I Need You Baby) – The Rolling Stones, Now! – The Rolling Stones

Hey Gyp (Dig the Slowness) – Fairy Tales & Colours – Donovan

The Magic Bus – Meaty Beaty Big And Bouncy – The Who

Mr Krushcev – The Story Of Bo Diddley – Bo Diddley

Who Do You Love – Happy Trails – Quicksilver Messenger Service

Before You Accuse Me – Creedence Clear Water Revival Box Set – Creedence Clearwater Revival

Ain’t Leavin Your Love - At My Window – Townes Van Zandt

Gone Gone Gone (Done Moved On) – Raising Sand – Robert Plant & Alison Krauss

Pills – New York Dolls – New York Dolls

Goo Muck – Off the Bone – The Cramps

The Way I Walk – Off the Bone – The Cramps

Buffalo Stomp – Buffalo Springfield Box Set – Buffalo Springfield

Dark End Of the Street – The Gilded Palace Of Sin – The Flying Burrito Brothers

At the Crossroads – Mendocino – Sir Douglas Quintet

Cover Me – Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Eddie Hinton

I’ll Make It Up To You - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Clay Hammond

I Can’t Leave Your Love Alone - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Clarence Carter

Breaking Up Somebody’s Home - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Denise Lasalle

You Left The Water Running - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Maurice & Mac

The One You Can’t Have (All By Yourself) - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Shirley Walton

You Ain’t Woman Enough (To Take My Man) - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – June Edwards

You’re Gonna Make Me Cry - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – O.V. Wright

Rainbow Road - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Bill Brandon

(If Loving You Is Wrong) I Don’t Want To Be Right - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – Luther Ingram

I’m Still In Love With You – I’m Still In Love With You – Al Green

Straight From My Heart – Blame It On the Dog: the Swamp Dogg Anthology – Swamp Dogg

How Can I Get Next To You? - Take Me To The River: A Southern Soul Story 1961-1977 – George Jackson

John the Baptist – Stormbringer – John & Beverly Martin

Back Down the River – Bless the Weather - John Martyn

Seven Black Roses – Serendipity: An Introduction To John Martyn – John Martyn

Spirit In the Dark (reprise) – Live At Fillmore West – Aretha Franklin

20-04-08

HONGERIG HART : LAAT BERICHT VOOR DANNY FEDERICI

bruce springsteen,pop,rock,e-street band,danny frederici,dood,in memoriam

Soms ben ik spontaan, soms moet ik dagenlang wachten op een woord.  Natuurlijk ben ik niet de rouwberichtenschrijver van Skynet. Ik ben niet eens een Sky Pilot, en ik heb evenmin contacten met de Spirit in the Sky. Maar het heeft me alleszins diep geraakt toen ik las dat Danny Federici vertrokken is. De man die nu op dit ogenblik zo bezield orgel zit te spelen op dat meeslepende, opwindende 'Hungry Heart'. 

Heb ik een woord nodig? Het enige dat er hier toe doet is ‘dood’. Maar de muziek blijft, en Danny Federici blijft doorleven in zijn muziek, zeggen wij mensen.  Toch durf ik dat betwijfelen. Ik heb the E-Street Band één keer zien optreden, in Vorst, ik geloof in 1978 of een van die moeilijke jaren op het einde van de jaren zeventig, na de dood van Elvis en Johnny Rottens bedenkelijke opstand.

Op weg van Antwerpen naar Brussel begaf de auto van mijn vriend J. het finaal. Buiten regende het oudtestamentisch. Met zijn vieren of vijven, de inzittenden, hebben we de auto achtergelaten en zijn zonder problemen liftend  in Vorst geraakt, op tijd voor een goede staanplaats. Al bij de eerste song die Bruce Springsteens band inzette wisten we dat we die avond nooit meer los zouden laten. Dat we die voor altijd met elkaar zouden delen. Heel af en toe in je leven heb je zo van die momenten. 

Maar Danny Federici leek toen al een beetje vergeten of zag er de zin niet van in om herinnerd te worden vanwege zijn fysieke aanwezigheid, alleen maar voor de noten die hij speelde, voor wat hij bijdroeg tot de magische sound van de toenmalige E-Street Band. Bruce Springsteen was de rock and roll duivel in hoogsteigen persoon; iedereen weet dat rock and roll de muziek van de duivel is, een sympathieke kerel, met een warme ziel. Miami Steve Van Zandt en Clarence Clemons waren de bewaarengelen aan Springsteens linker- en rechterzijde. Achter die drie ‘reuzen’ bevonden zich de fijnere mensen, Roy Bittan en Danny Federici. Drummer Max Weinberg  en basspeler Gary Tallent vormden een derde, Phil Spectorachtige rij, de basis, de lijm, die het allemaal samenbond, zij lieten de songs in onze harten bonzen.  En wij zongen mee op elk lied, terwijl we nauwelijks hoorden wat Danny Frederici deed, hoe hij de geest opriep van een al wat oudere generatie, Del Shannon, Chris Montez, Cubanen, Mexicanen, the Sir Douglas Quintet met Augie Meyers, het geluid van de kermis in onze oude dorpen. Let's Dance! En nu is Danny Federici dood en kunnen we niet treuren. Ik kan niet treuren zonder dat woord. Dat woord dat uit mijn hongerig hart zou moeten komen en niet komt.

13-12-07

IN MEMORIAM IKE TURNER

rock   roll,blues,dood,ike turner,legende,soul,popcultuur,pop,rhythm and blues,elvis presley,sun,chess,chicago,memphis,in memoriam,voorloper

De legendarische muzikant, songschrijver, en producer Ike Turner is gisteren in zijn woonplaats San Diego op zesenzeventigjarige leeftijd overleden. Ike Turner was een van de grondleggers van de rock & roll en had talloze hits met Tina Turner. Voor degenen die niet echt geïnteresseerd zijn in populaire muziek is hij vooral bekend als de kerel die zijn vrouw mishandelde, wat vooral in de hand werd gewerkt door de Hollywood-draak ‘What’s Love Got To Do With It’.


Ike Turner was reeds op zeer jonge leeftijd bijzonder begaafd en had een goed oor voor ander muzikaal talent. De man speelde al rock & roll in 1951, met zijn Kings Of Rhythm. Jackie Brenstons ‘Rocket 88’ wordt vaak de eerste rock & rollplaat genoemd. Ike Turner schreef het nummer en speelde er op mee. Het werd in 1951 opgenomen in de Sun Studio in Memphis, waar Elvis Presley in 1954 zou debuteren. De single ‘Rocket 88’ kwam echter uit op het Chess label in Chicago. Ike Turner bleef altijd de man achter de schermen, ook later, toen hij zijn platen met Tina Turner opnam, en zeker op het podium, waar Tina uiteraard alle aandacht opeiste.


Ike Turner was een uitstekend gitarist en pianospeler. Wie nu precies de feedback heeft uitgevonden is nog altijd niet duidelijk, maar Ike Turner behoorde wat dat betreft alleszins tot de voorhoede. Hij werd geboren in Clarksdale, in Mississippi, een plek waar heel wat blueslegendes het levenslicht zagen.  De muzikant / producer werkte vaak samen met bluesgrootheden als Bobby ‘Blue’ Bland, B.B. King, Elmore James en Junior Parker (de man van ‘Mystery Train’). En vervolgens kwam de successtory van Ike & Tina Turner, met hun uitstekende soul-singles en legendarische optredens. Toen Tina Turner ‘River Deep, Mountain High’ opnam voor Phil Spector, mocht Ike echter de studio niet in.


Zoals zoveel andere zwarte muzikanten raakte Ike Turner verslaafd aan zware drugs, en na de scheiding van Tina, ging het van kwaad naar erger. In de jaren zeventig en tachtig werd hij elf keer gearresteerd, meestal in verband met drugs.

Volgens Ike Turner is het portret dat van hem wordt geschilderd in de film ‘What’s Love Got To Do With It’ een karikatuur. Alleszins werd zijn muzikale carrière er zeer door geschaad. Het lijdt echter geen twijfel dat Ike Turner geen zachtaardige jongen was en de drugs zullen zijn loopbaan ook niet echt geholpen hebben.


In 2001 nam Ike Turner een nieuwe plaat op, getiteld ‘Here and Now’. Vorig jaar won hij nog een Grammy Award in de categorie ‘traditionele blues’.

Zelf heb ik altijd zeer veel gehouden van de muziek van Ike Turner, en vooral van de singles en elpees van Ike & Tina Turner. En in een rechtvaardige wereld mag het feit dat hij aan de wieg stond van de rock & roll nooit vergeten worden.

19-10-07

NU IS JAN WOLKERS DOOD


jan wolkers


Eerbiedig neem ik mijn imaginaire hoed af voor Jan Wolkers, een schrijver wiens werk ik als jonge man heb verslonden. Nu is het lang geleden dat ik nog een boek van hem heb vastgenomen, maar ik herinner me zeer goed de schoonheid en de opwinding, de levensechtheid van ‘Terug naar Oegstgeest’ en ‘Turks fruit’. Ik denk dat Jan Wolkers een mooi en waarachtig leven heeft geleid, daar op zijn eiland. Nee, ik denk niet dat hij ooit vals heeft gespeeld. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik weet dat hij me als dat wel was gebeurd recht in de ogen zou hebben gekeken. Nu is Jan Wolkers dood.

07-08-07

LEE HAZLEWOOD

 

Ik word moe van de in memoriams. Weer is een van mijn helden heengegaan. Of zal ik zeggen anti-helden? Zeggen dat Lee Hazlewood de Amerikaanse Serge Gainsbourg was is hem oneer aandoen. Er waren wel verwantschappen, onder meer de duetten met zangeresjes en actrices. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan Ann-Margret, Suzi-Jane Hokum en vooral Nancy Sinatra. Maar Lee Hazlewood was vooral zichzelf, de bedenker van een unieke, grofkorrelige sound. Als je goed luistert hoor je de klank van de woestijn in zijn stem. Maar er is ook de lokroep van avonturen, van vrouwen, van antieke godinnen en verre steden. Lee Hazlewoods songs zullen blijven nazinderen. Generatie na generatie zal ze ontdekken: Summer Wine, Some Velvet Morning, Sand, These Boots Are Made For Walking, Run Boy Run, Look At That Woman, Stone Cold Blues, So Long Babe, Back On The Street Again.

Overmorgen zou Lee Hazlewood jarig zijn. Rust in vrede, mister Sand. Je hebt het verdiend.

 

“Some velvet mornin' when I'm straight
I'm gonna open up your gate
And maybe tell you 'bout Phaedra
And how she gave me life
And how she made it end
Some velvet mornin' when I'm straight

Flowers growing on a hill, dragonflies and daffodils
Learn from us very much, look at us but do not touch
Phaedra is my name

Some velvet mornin' when I'm straight
I'm gonna open up your gate
And maybe tell you 'bout Phaedra
And how she gave me life
And how she made it end
Some velvet mornin' when I'm straight

Flowers are the things we know, secrets are the things we grow
Learn from us very much, look at us but do not touch
Phaedra is my name

Some velvet mornin' when I'm straight
Flowers growing on a hill
I'm gonna open up your gate
dragonflies and daffodils
And maybe tell you 'bout Phaedra
Learn from us very much
And how she gave me life
look at us but do not touch
And how she made it end.”

01-08-07

DE FABRIEK VAN MICHELANGELO ANTONIONI


deserto rosso 2



De rode woestijn van Michelangelo Antonioni. Alles was woestijn voor de grote kunstenaar. Woestijn, lege ruimte, labyrint, elke uitgesproken zin een raadsel, elke gedachte een mysterie. Michelangelo Antonioni, de meest literaire van alle filmregisseurs, zonder ooit in het gepraat of de schone letteren te vervallen. Laat zijn films raadsels blijven. Ik zal deze nacht sprakeloos door de straten van Deserto Rosso lopen, of op een klein eiland verdwalen. Laat de dwaze druktemakers maar naar me zoeken. In de buurt van Zabriskie Point zal ik de liefde bedrijven met drie of vier jonge Amerikaanse vrouwen. Daarna blaas ik een huis op van een of andere kapitalist. Be careful with that axe, Eugene! Of ik noem mezelf Arthur Rimbaud, word reporter en spreek alleen nog maar in klinkers. Ik speel bij de Yardbirds en sla mijn gitaar stuk. David Hemmings loopt met een stuk ervan de swingende Londense avond in. De nacht valt. Ik schrijf een boek over de nacht die valt. Het is een kroniek van een liefde. Of van een uitgestelde zelfmoord. Er wordt nog altijd naar me gezocht. Ik heb een zijden sjaal op mijn hoofd. In Barcelona zoek ik zelf mijn weg in het Park Guëll. Ik word achtervolgd. Na een fotosessie bedrijf ik de liefde met Verushka, het mooiste fotomodel in 1966. Of was dat Donyale Luna? Nee, dat kan niet, dat was in een andere film van een andere Italiaanse regisseur. En in 1950 was de ster Lucia Bosé. Over haar heb ik al geschreven, nog niet zo lang geleden. Over het labyrint, echter, heb ik het alle dagen. Het verloren lopen, hoofd in de wolken, ver weg van fabrieken en de waanzin van banale verlangens.

Michelangelo Antonioni, alleen zijn naam al was een gedicht. De leegte van zijn werk benadert de drukte van Shakespeares drama’s. Tegengesteld en verwant. De leegte die je achteraf vult met woorden, met namen. Het jonge meisje Jane Birkin. De vrouw der vrouwen Monica Vitti. Michelangelo Antonioni en Monica Vitti. De weg van alle vlees. Het woord is vlees geworden en heeft onder ons geleefd, gewerkt, gemaakt. Ik zwijg nu en ga de nacht in, een reporter zonder letters, zonder iets, zonder niets.

Foto: Monica Vitti in Deserto Rosso.

31-05-07

IN MEMORIAM JEAN-CLAUDE BRIALY


 


Jean-Claude Brialy is gisteren overleden. De Franse acteur was- toch zeker in België - een beetje vergeten. Nochtans was hij een uitstekend acteur en speelde hij in tientallen klassiekers. Ik vind hem het beste in Le genou de Claire, als de vijfendertigjarige diplomaat Jerome, die een niet te stillen verlangen koestert om de knie van het tienermeisje Claire toch eens een keer aan te raken. Een briljante film van Eric Rohmer. Jean-Claude Brialy had tevens grote rollen in het geestige historische epos La nuit de Varennes van Ettore Scola, en in een van de betere films van Luis Buñuel, Le fantôme de la liberté, waarin hij het gedenkwaardige personage Foucauld neerzet, een man die “misselijk wordt van symmetrie”. Brialy geeft op overtuigende wijze gestalte aan de dichter Paul Verlaine, naast de Londense swinger Terence Stamp, die de getormenteerde Arthur Rimbaud voor zijn rekening neemt (in de interessante mislukking Una stagione al’inferno van Nelo Risi). Verder is hij nog te zien in de belangrijke Hitchcock-hommage, La mariée était en noir van François Truffaut, met een ijzingwekkende Jeanne Moreau in de hoofdrol en in de ‘musical’ van Jean-Luc Godard, Une femme est une femme, naast Anna Karina, die een stripteaseuse vertolkt. Allemaal zeer gedenkwaardige rollen van Jean-Claude Brialy.

25-05-07

JO RÖPKE EN DE FILMSCHOOL

jo ropke,film,filmschool,ritcs,vrienden,dood,in memoriam,easy rider,premiere,televisie,professoren,marc didden,william blak,humo,boek,leo steculorum,guillaume bijl,antwerpen,brussel

Ik heb de innemende filmliefhebber Jo Röpke nooit echt gekend, ook al heb ik les van hem gehad, lang geleden toen ik nog film studeerde aan het Rits (dat toen nog Ritcs heette). Aan die studies heb ik weinig goede herinneringen, waarbij ik een uitzondering maak voor de vriendschap. Ik heb op die school Marc Didden ontmoet, die lange tijd mijn beste vriend is geweest. We gingen zeker een keer per maand met z’n beiden in het Zoniënwoud wandelen en zongen dan liedjes van Creedence Clearwater Revival, The Rolling Stones en Pink Floyd. Waarschijnlijk werd er ook veel over film en meisjes gepraat, maar dat kan ik me niet meer zo goed herinneren. Samen met Marc schreef ik tijdens een verloren weekend een boek. Er bestaat maar één exemplaar van en dat is nu in zijn bezit. Al vele jaren. Eén hoofdstuk ging over alle mensen die, geloof ik, Pete heetten. Ik herinner mij dat er een Pete Lennon en een Pete McCartney in de lijst stond. Want het hoofdstuk was een lijst. Er stonden ook echte Petes in de lijst, de onlangs overleden Sneaky Pete bijvoorbeeld. Marc ging af en toe naar Londen; hij werkte al deeltijds als popjournalist voor Humo. Een keer heeft hij me zeer gelukkig gemaakt: hij had het verzameld werk van William Blake voor me meegebracht, een onovertroffen product van de verbeeldingskracht. Er gaat geen maand voorbij of ik lees er wel een stukje in en af en toe zing ik een van de Songs of Innocence, onder meer How Sweet I Roamed From Field To Field.

Op de filmschool ben ik bevriend geraakt met de kunstenaar Guillaume Bijl en de filosoof Leo Steculorum. Tijdens mijn Antwerpse jaren was Guillaume een van mijn beste vrienden. We hielden beiden hartstochtelijk van film (John Casavetes, Wim Wenders, Werner Herzog) en van het nachtleven (Pannenhuis, Mok, De Kroeg). Nu heb ik geen contact meer met hem. Een spijtige zaak, maar afscheid hoort bij het leven. Met Leo ben ik nog altijd goed bevriend.

Zoals ik al zei heb ik aan het Rits als onderwijsinstelling weinig goede herinneringen, ik heb er nauwelijks iets geleerd: een beetje fotografie, een beetje filmanalyse, een beetje scenarioschrijven. De dingen die ik er niet geleerd heb zal ik niet opsommen. Er hing altijd een vervelende sfeer, niet bepaald artistiek; men was er vrij streng. Veel van mijn medestudenten waren liefhebbers van kleinkunst, een genre dat ik hartsgrondig haatte. Hoe kan kunst klein zijn, vraag ik me nog steeds af. De meeste profs waren zeurkousen. Marc Galle bijvoorbeeld. Maar er waren nog ergere exemplaren, van wie ik de naam vergeten ben. Jo Röpke was anders. Hij kon boeiend over film vertellen en gaf je zin om naar de cinema te gaan, om de laatste Polanski of Fellini te gaan bewonderen. Het was niet echt lesgeven wat hij deed, het was werkelijk met veel enthousiasme en ironie vertellen. Een beetje zoals in zijn televisieprogramma Première, maar dan minder afgeborsteld, vrijer. Ik herinner me dat ik voor mijn examen bij Jo Röpke een uiteenzetting over de paranoia in Easy Rider gaf. Die uiteenzetting zal ongetwijfeld zeer idiosyncratisch zijn geweest, vooral omdat ik nog veel meer paranoia aan de film toeschreef dan er sowieso al in werd getoond. Jo Röpke vond mijn invalshoek origineel en gaf me een warme handdruk toen ik de examenruimte verliet. Dat was in 1970. Sindsdien heb ik hem nooit meer teruggezien. En nu is hij dood. Wel mooi dat hij in Cannes is gestorven. Moge hij in vrede rusten. Maar daar twijfel ik eigenlijk niet aan.

10-04-07

SOL LEWITT IS DOOD

























Sol LeWitt, Nine Geometric Figures. 

De Amerikaanse conceptuele kunstenaar Sol LeWitt is op 78-jarige leeftijd overleden.

06-02-07

IN MEMORIAM ROLAND ROM EN MARC MEULEMANS

radio centraal,roland rom,marc meulemans,antwerpen,dood,in memoriam

Roland Rom, rechts.

Er zijn onlangs twee mensen gestorven die me dierbaar waren. Ik heb beiden goed gekend. Ze waren nog jong, ongeveer vijftig. Het valt mij minder zwaar te schrijven over de dood van helden dan over het heengaan van vrienden en kennissen. Toch wil ik hun overlijden niet onbesproken laten. Wij vergeten elkaar zo gauw… Maar de dood maakt me moe en sprakeloos. Er vormen zich maar met moeite brokkelige zinnen in mijn hoofd, de woorden dalen als lood, als gestamel af tot in mijn vingertoppen.

Roland Rom is tien jaar lang, van 1982 tot 1991, een buur van me geweest, in de in de Antwerpse Lamorinièrestraat. We waren geen boezemvrienden, wellicht omdat we allebei nogal stil waren, maar we kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Niemand noemde Rom bij zijn voornaam. Hij was gewoon Rom. Mij deed hij denken aan Père Ubu en aan diens schepper, Alfred Jarry. Hij was net zo eigenzinnig als de Franse schrijver. Overigens was hij perfect Franstalig en zeer goed op de hoogte van de Franse cultuur en tegen-cultuur (met name Guy Debord en de situationisten). Rom was een medeoprichter van Radio Centraal, een anti-instelling die nog steeds uniek is in België, onder meer door de toewijding en het anarchisme van haar ‘leden’. Mijn goede buur maakte vele jaren het zwaar gestoorde anarchistische programma ‘radio en tv-salon’, een uitzending die je met geen andere kunt vergelijken (in dat programma was hij overigens minder stil). Hij had zoals ik een uitgebreide platencollectie, maar er was een groot verschil: ik had bijvoorbeeld alles van Bob Dylan, Rolling Stones, Quicksilver Messenger Service, Moby Grape, Kinks, Clash, Roxy Music en zo; hij had elpees die toen niemand kende. Ik weet niet waar hij ze vandaan haalde. Hij schepte er een genoegen in mij keer op keer nieuwe dingen te laten horen, liefst zo experimenteel, avant-gardistisch en bizar mogelijk. Captain Beefheart was voor hem mainstream. Rom had aan de academie gestudeerd en restaureerde – zeer nauwgezet - schilderijen. Sinds 1991, het jaar waarop ik naar Brussel verhuisde, heb ik Rom niet meer gezien. Jammer, want hij was een unieke mens, van wie ik nog veel had kunnen leren. Nu hij er niet meer is, zal ik hem niet snel vergeten.

radio centraal,roland rom,marc meulemans,antwerpen,dood,in memoriam

Marc Meulemans, rechts.

 

 

Marc Meulemans had pretoogjes. Net als Rom heeft hij een tijdlang een programma gemaakt voor diezelfde verdoemde radio. Ja, er moet een vloek op rusten, dat kan niet anders. Toen ik Marc de eerste keer zag, in café het Pannenhuis, verzamelplek voor punks, new wave-adepten en kunstenaars, had hij al een ‘carrière’ achter de rug als muzikant bij de punkband De Kommeniste. Niet zo populair als de Kreuners maar wel veel authentieker. Marc Meulemans is zolang ik hem heb gekend zeer begaan geweest met muziek. Wij zagen elkaar vaak in de Tom Tom Club, waar hij af en toe platen draaide. Hij volgde geen trends, hij maakte er. Marc had een rusteloze, ondernemende geest. Hij opende cafés, was dj in clubs, ontwierp platenhoezen, onder meer voor deus, en werkte voor het theater (voor Ivo Van Hove).
De laatste keer dat ik hem zag, een drietal jaar geleden, bij een concert van Think Of One (geloof ik, want ik had al wat gedronken), had hij ademhalingsmoeilijkheden. Er hing veel rook in de zaal. Hij zag er moe uit. Maar desondanks hebben we gelachen. Als ik in Marcs gezelschap was werd er altijd gelachen. Nu echter is het gedaan met het gelach. Deze lawaaierige planeet is nog lawaaieriger geworden, maar ook veel stiller. Rust in vrede, heren. Wij blijven achter in dit treurige oord, met onze momenten van geluk, tevredenheid en verdriet, maar ook ons zit de dood op de hielen.

10-01-07

SNEAKY PETE & THE FLYING BURRITO BROTHERS

sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

Sneaky Pete, tweede van rechts.

Gisteravond vertelde een collega me dat Sneaky Pete gestorven was. De ernst van de boodschap drong niet meteen tot me door. Onbenullige maar opdringerige werkfeiten zaten nog in de weg. Onderweg naar huis overviel me echter een grote treurnis. Iemands dood, zeker van iemand die we hebben bewonderd, herinnert ons onvermijdelijk aan onze eigen sterfelijkheid. 

Sneaky Pete Kleinow was in 1969 medeoprichter van the Flying Burrito Brothers, een band die voor blanke ‘rockmuziek’ evenveel betekend heeft als James Brown voor soul en funk. De Burrito’s waren de grondleggers van de country rock, en daardoor meteen ook van een muziekgenre dat nu alt.country of americana wordt genoemd. Muzikanten en bands als Bonnie ‘Prince’ Billy, Ryan Adams, Lambchop, Calexico en the Walkabouts volgen het country rock-spoor en zorgen vandaag voor veel muzikale opwinding. Gram Parsons, samen met Chris Hillman de belangrijkste songschrijver van the Flying Burrito Brothers, noemde het Cosmic American Music. Die term zal altijd geldig blijven.

Sneaky Pete was de steelgitarist van de band, visueel een achtergrondfiguur maar muzikaal zeer op de voorgrond, ook letterlijk, in de mix. Pete Kleinow bespeelde zijn steelgitaar helemaal anders dan de brave jongens in Nashville. Door allerlei geluidseffecten zorgde zijn instrument bij de luisteraar voor talloze kippenvelmomenten. Je kon dat geluid in die agen alleen maar psychedelisch noemen; er was geen ander woord voor.

Tot 1969 had ik country & western een zeer oubollig genre gevonden, maar een recensie in het tijdschrift Aloha had me ertoe aangezet om de eerste Burrito-elpee, The Gilded Palace Of Sin, aan te schaffen. Na een eerste beluistering wist ik al dat deze elpee me mijn hele leven zou begeleiden. Het is nu bijna veertig jaar later en ik luister nog wekelijks naar de plaat.
Gisteravond heb ik het originele vinyl uit ’69 nog eens uit het rek gehaald. Die prachtige, romantisch-decadente hoes!

Toen de Flying Burrito Brothers in 1970 in het Concertgebouw in Amsterdam optraden ben ik ernaartoe gelift. Mijn ex-vrouw en ik hebben die avond in Amsterdam, na het concert, bij een student op de vloer geslapen. We hadden net genoeg geld voor twee kaartjes. Ik herinner me dat die jongen die avond net ruzie had met zijn vriendin. Het was niet bepaald het geschikte moment om op bezoek te komen. In het statige concertgebouw was me opgevallen dat meer dan de helft van de bezoekers onafgebroken joints zat te rollen. (Erwin, een vriend van me zat op dat ogenblik in de gevangenis van Gent omdat hij in zijn dagboek had genoteerd dat hij af en toe een joint rookte.) Gram Parsons had de band net verlaten, maar desondanks maakten we een adembenemend concert mee. Vooral op Christine’s Tune – een song over een van die beruchte GTO’s, een bende zeer creatieve groupies uit Los Angeles – en op Hot Burrito # 2 ging Pete Kleinow hevig tekeer. Je kon hem met recht de Jimi Hendrix van de steelgitaar noemen.

Later was de steelgitarist zeer in trek als sessiemuzikant. Hij speelde onder meer bij Joni Mitchell (Blue), Joe Cocker (op diens enige geslaagde lp, de tweede titelloze), Sandy Denny, Delaney & Bonnie, Steve Miller Band (The Joker), Yoko Ono, John Lennon, Little Feat en de fantastische Lemonheads (Come On Feel the Lemonheads).

Marc Didden, een zeer goede oude vriend van me, stuurde me vanmorgen een mailtje waarin hij schreef dat ik -samen met hem - waarschijnlijk de enige persoon in heel Brussel ben die treurt om het heengaan van Sneaky Pete Kleinow. Het zou kunnen, maar ik hoop van niet en ik denk het ook niet. Een paar maanden geleden had ik een lang gesprek met Patrick Riguelle: ik heb zelden iemand met zoveel enthousiasme over the Flying Burrito Brothers en het steelgitaarspel van Sneaky Pete horen praten als hij. Daarom vermoed ik dat Patrick Riguelle en zijn vrienden ook wel zullen treuren.

 sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

De muziek blijft achter als een onuitwisbaar spoor. Dat moet ons troost bieden.

IN MEMORIAM SNEAKY PETE KLEINOW



20-12-06

IN MEMORIAM AHMET ERTEGÜN

dood,rhythm and blues,soul,atlantic,new york,pop,popcultuur,in memoriam,ray charles

Op 14 december overleed Ahmet Ertegün, samen met zijn broer Nesuhi stichter van het onafhankelijke Atlantic label, een van de belangrijkste, meest baanbrekende en succesvolle platenmaatschappijen van de vorige eeuw. Atlantic schonk ons rhythm and blues en soul, met namen als Ray Charles, Ben E. King, the Drifters, Don Covay en Aretha Franklin.

dood,rhythm and blues,soul,atlantic,new york,pop,popcultuur,in memoriam,ray charles

In de jaren veertig was popmuziek nog blank, stijf en seksloos. Na Ray Charles’ I’ve Got A Woman (1955) – op Atlantic - werd alles opeens en voor altijd anders. Ray Charles’ stem had nog een sterke gospelklank, de aanbedene echter was niet langer god maar de vrouw. Blanke jongens en meisjes overal ter wereld ontdekten hun heupen - en het genot van sensuele en ritmische grooves op de dansvloer. Een geweldloze revolutie! Twee Turkse broers, samen met Arif Mardin, Herb Abramson en - wat later - Jerry Wexler, hebben dit bewerkstelligd. Er waren in die periode nog andere invloedrijke labels, zoals Sun in Memphis en King in Cincinatti, maar Atlantic was een ware ijsbreker. (Soul On Ice was de titel van een zeer invloedrijk boek van de Afro-Amerikaanse leider Eldridge Cleaver.) Jerry Wexler heeft overigens een mooie autobiografie geschreven, Rhythm and the Blues, waarin die beginperiode van Atlantic uitvoerig aan bod komt.

dood,rhythm and blues,soul,atlantic,new york,pop,popcultuur,in memoriam,ray charles

Ahmet Ertegün heeft weliswaar de gezegende leeftijd van 83 gehaald, maar het blijft altijd erg dat een mens moet sterven. In Humo van deze week staat een mooi In Memoriam van de hand van Dirk Vermeiren. Daarin wordt echter niet vermeld – en eigenlijk is het slechts een detail – dat Ahmet Ertegün veel werk van René Magritte bezat. Via die weg was hij dan ook een beetje van bij ons. Moge hij in vrede rusten.

22-09-06

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

film,sven nykvist,haruki murakami,julio cortazar,heinrich von kleist,verloren onschuld,overlijden,dood,kleist,sportdag,ambtenaren,in memoriam,opzoeken,bergman,agata,boeken,google,cameraman,director of photography

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen. 


Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 - had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend door zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?

05-08-06

TRANEN VOOR ARTHUR LEE

arthur lee,dood,scheepvaart,da capo,syd barrett,in memoriam,radio centraal,orange skies,radio,zero de conduite,pop,popcultuur

We hebben geen tijd. We nemen geen tijd en we geven geen tijd. Ik wil iets schrijven over Arthur Lee, maar ik heb geen tijd, ik moet naar Antwerpen vertrekken voor mijn radioprogramma. Vanavond in Zéro de conduite zal ik natuurlijk wel iets vertellen over Arthur Lee. Enkele songs draaien van Love. Want Arthur Lee is dood. Vreemd, zo kort na Syd Barrett. Arthur Lee was immers net zo eigenzinnig en invloedrijk als Syd. De muziek van Love heeft me van de mooiste momenten van mijn leven bezorgd. Toen ik nog vaak bij mijn ouders verbleef, op de aak, luisterde ik lange tijd bijna dagelijks naar de elpee Da Capo. Zulke mooie en bijzondere muziek had ik nooit eerder gehoord. Teder en gewelddadig tegelijk. En dan waren er ook nog die vreemde, fascinerende titels, zoals Seven and Seven Is en Orange Skies. Vaak zat ik naar de hoes van Da Capo te kijken en me af te vragen wie nu toch die Arthur Lee was. Er stonden zeven jonge mannen op de foto: één van hen moest het zijn, maar wie? Waarschijnlijk de enige gast op de foto die zat te roken. Hij was immers de leider, de bezieler. Het kon niet anders of hij week een beetje af. Hij zat daar ook wat verheven boven de anderen. Arthur Lee, die zich soms arthurly noemde. 


Ik zal er morgen meer over schrijven. Arthur Lee mag niet vergeten worden.

26-05-06

DESMOND DEKKER, ALTIJD JONG

 

desmond dekker,dood,in memoriam,vk,live,007,israelites,molenbeek,pop,reggae,ska,popcultuur


Desmond Dekker is op 64-jarige leeftijd gestorven. Een paar jaar geleden zag ik hem nog optreden in de VK hier in Brussel. Eén en al vitaliteit en overgave. Van niet eens zo ver zag hij er nog uit als een teenager, in zijn leren lekker, James Dean-stijl. Hij scheen ook evenveel energie te hebben als een teenager, alsof de tijd op hem geen vat had gehad. Desmond Dekker was geen ‘echte’ held van me, ik ben namelijk geen volbloed reggaeliefhebber, maar zoals velen kick ik nog altijd op ‘007’, ‘Israelites’ en ‘It Mek’.’ Ik herinner me dat ‘Israelites’ op een schitterende manier werd gebruikt in de film ‘Drugstore Cowboy’ van Gus Van Sant. Ik herinner me ook dat dat concert in Molenbeek bijzonder vrolijk was, en dat ik daar meer dan een uur als een jonge hond heb staan dansen. Dank je voor die momenten van zorgeloosheid en vreugde, Desmond.