25-03-14

KEITJES

Masereel_wanhoop.jpg

 

Hij zat opgesloten in een muffe kamer met alleen een wekker en hij was bang. Kon hij er toch uit ontsnappen! Maar hoe, daar had hij geen idee van, er waren geen ramen en de stevige deur was op slot. Geen sleutel. Hij was naakt, voelde zich als op het moment van zijn geboorte, wat vreemd was, want van die lentedag in de twintigste eeuw herinnerde hij zich hoegenaamd niets.

Hij ontwaakte in een donkere straat. Geleidelijk aan werd het zicht wat beter, maar alles bleef desondanks nevelig, in een waas gehuld. De voorbijgangers silhouetten. Waar ben ik, vroeg hij aan niemand bepaald. De mensen om hem heen leken hem niet te zien. Was hij dan niet meer dan een schaduw? Alleszins liepen ze onverstoord door, met langzame tred, tot ze niet verder konden. Ze verzamelden zich op een plein waar de straatverlichting nog brandde. Niemand zei een woord, ze waren net zo vreemd voor elkaar als voor hem. Schaduwen. Ze wierpen keitjes voor zich uit tot ze door hun voorraad heen waren, dan hielden ze op om de keitjes weer te verzamelen. Zo ging het lange tijd door. Het geluid van de witte steentjes die het plaveisel raakten leek op het getik van de wekker in de gesloten kamer.

Je bent dood, dacht hij, in de muffe kamer ben je gestorven. Voortaan zal je zoals die andere schaduwen alleen nog keitjes werpen en de seconden tellen. Er is geen noemenswaardige wereld meer. Er valt niets over te zeggen, daarom zwijgt iedereen. Als er geen wereld meer is ben je dood, zo eenvoudig is het.

In het begin was het alles of niets, dacht hij, zoals bij Ibsen. Was ik uit die kamer ontsnapt was het alles geworden, of was er toch veel mogelijk geweest, veel wegen om te begaan, in alle richtingen, gedachten om te denken, dromen om te dromen, handen, ogen, zachtaardige dieren, of gewoon maar een hoge boom om in te klimmen, maar het is niets geworden. Het was alles of niets, en ik had geen enkele keuze.

Antwerpen 1977 - Brussel 2014

 

08-04-08

NAAR MACAO

sarah,leugens,eenakter,martin,strindberg,ibsen,avonturen,reizen,reisverhaal,man,vrouw,roem,macao,film,josef von sternberg,robert mitchum,jane russel,bestseller,onsterfelijkheid,portugal,kinderen,roken

Macao, Joseph Von Sternberg, 1952.
 

Je bent zo onrustig, mijn liefste.

Ben ik niet altijd onrustig, dan?

Je vertelt me minder dan ooit. Waarom zwijg je de hele tijd? Je hebt toch niets te verbergen.

Ik heb alleen maar geheimen te verbergen, maar je kent ze allemaal.

Welke geheimen dan?

Je kent ze. Je weet alles over me. Alleen jij kunt me gelukkig maken en me schade toebrengen.

Dat zijn harde woorden, Martin.

Nee, dat vind ik niet, dat is liefde. Liefde is nu eenmaal gevaarlijk.

En broos.

Ja, dat ook, maar dat is een oud woord, dat brengt me oude gedichten in herinnering.

En toneelstukken? Weet je nog, lang geleden? Toen we Ibsen lazen, en Strindberg.

Ja, dat herinner ik me nog. Vooral de spoken van Ibsen en de strijd tussen man en vrouw van Strindberg.

De sterkste, dat heeft hij geschreven, dat vond ik zo goed. Ik vond het zo goed dat ik er wilde over schrijven. Ik wilde niet dat het stuk ophield.

Maar Sarah, je hebt toch ook De rode kamer gelezen?

Ja, natuurlijk.

Dat gaat toch over zwakken mensen. Weet je nog, die Olle Montanus, zo heet hij geloof ik, die man pleegt zelfs zelfmoord. Hij voelt zich mislukt.

Begin daar nu niet over vanavond, Martin.

Waarom zou ik niet?

Omdat je teveel hebt gedronken. Al die port doet je geen goed. Je wordt er week van. Kijk maar eens in de spiegel. Een bleek gezicht heb je, en onheilspellende ogen.

Mijn ogen weten niet waarheen, Sarah.

Je ogen wisten mij nochtans te vinden.

Toen kenden ze jou nog niet, ze hadden je lijf nog niet gezien.

Nee, dat is zo, ze bleven aan de oppervlakte.

Het was een mooie oppervlakte en ze bleven er graag. Maar onze tijd is veranderd. Toen wisten we nog niets.

We wisten elkaar te treffen.

Daarvoor hadden we andere mensen nodig. Wat we vrienden noemen.

Word je nu sarcastisch? Please?

Nee, ik wil weg, ik ben onrustig. Ik kan hier niet meer aarden.

Sta ik je in de weg, heb je genoeg van me?

Sarah, nee, ik heb niet genoeg van je. Ik wil net meer van je, ik wil je helemaal, maar zo geef je je niet aan mij. Je houdt altijd iets achter. Je geeft je niet.

Martin, we zouden opnieuw moeten beginnen. Alles zou altijd opnieuw moeten beginnen. Iedereen zou altijd een tweede kans moeten krijgen.

Zo werkt het niet. Jammer. Maar ik weet het ook niet, hoe het dan wel werkt. Ik weet alvast dat ik niet opnieuw kan beginnen. Ik ben tot hier gekomen, en op die manier gedetermineerd.

Er worden grote dingen van je verwacht?

Misschien, maar ik heb alleen maar kleine dingen te bieden. Niets eigenlijk.

Je bent onrustig, Martin.

Sarah, wat verwacht je van me?

Dat we gelukkig zijn. Gelukkig. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn.

En kinderen? Die wil je toch.

Ja, kinderen. En kleuren en sprookjes vertellen en jij zingt liedjes en speelt op je gitaar.

Dat kan niet meer, Sarah, mijn gitaar is ontstemd.

Martin, weet je dat Patti Smith haar gitaar liet stemmen door haar vrienden. Zij kon het zelf niet. Ze vroeg aan haar vrienden, wil je een lied voor me spelen, en dan moesten ze haar gitaar stemmen. Zo deed ze dat. Ze heeft veel vrienden.

Ja, Patti Smith. Zo moet je dat doen. En niet van het podium vallen. Je weet toch dat haar ouders een café hadden?

Ja, ze is nog altijd dol op koffie. Alleen de geur al. Maar ze drinkt niet meer. Je hebt gelijk. De mensen zijn niet consequent. Zelfs Patti Smith niet. In het begin propageerde ze opium en nu vindt ze dat je best zoveel mogelijk water drinkt. Twee liter per dag.

Sarah, konden we maar autorijden. Ik wil weg. Ik ben te onrustig voor deze straten. Deze stad is niet veilig. Ik wil weg.

Waar wil je naartoe?

Naar Macao.

Waar is dat? Ik ken de naam, maar ik heb er geen idee van waar het is.

Ik ook niet, maar ik denk dat het er goed is. De mensen schijnen er Portugees te spreken. Laten we zo spoedig mogelijk vertrekken.

Wil je niet liever alleen gaan, dan kun je daar schrijven over je avonturen.

Nee, ik wil naar Macao met jou. En we zullen daar dan al ons geld uitgeven aan onzinnige dingen, en we vertellen dat we beroemd zijn in ons land van herkomst. We roken opnieuw twee pakjes sigaretten per dagen. En we doen niets anders dan leugens vertellen.

En als we het overleven schrijven we er een reisboek over?

Ja, als we het overleven schrijven we een bestseller en anders gaan we naar de hel.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

27-03-06

INTERMEZZO: IBSEN'S SPOKEN


Dit is een fragment uit ‘Spoken’ van Henrik Ibsen:

"Mevrouw Alving (over hem heengebogen). Dat is een vreselijke voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis bij je eigen moeder, jij mijn hartenkind! Alles waar je maar naar wijst, zal je hebben, net als toen je een klein kindje was… Ziezo. Nu is de aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist ik ook wel… En kijk eens, Oswald, wat een mooie dag we krijgen? Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (Zij gaat naar de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletsjer en de bergtoppen op de achtergrond liggen in het stralende morgenlicht.)

Oswald (zit in de stoel met zijn rug naar de achtergrond zonder zich te bewegen. Plotseling zegt hij) Moeder, geef mij de zon.

Mevrouw Alving (bij de tafel ziet hem verschrikt aan) Wat zeg je?

Oswald (herhaalt dof en toonloos) De zon. De zon.

Mevrouw Alving (springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar haren en roept): Dat kan ik niet verdragen! (fluistert als verstijfd van schrik). Dat kan ik niet verdragen! Nooit!"

Waanzin, zelfmoord... Wie is verantwoordelijk?