10-09-14

GEERTEN MEIJSING, SCHRIJVER EN VRIEND

GEERTENMEIJSING5 001.jpg

“Tenslotte schuilt de schoonheid geenszins in de roem of het succes, maar in de verheven pracht van ons werk en zijn onontkoombare resultaten.”
Geerten Meijsing, Haarlem, 11 april 1975.

 

Eergisteren had ik het hier bijna terloops over Geerten Meijsing, over mijn bewondering voor de schrijver, mijn vriendschap voor de man. Gisteren stond hij, tot mijn verbazing, in Humo. Het is zelfs een goed en leesbaar interview. Wat er staat is waar: het is een schandaal dat niet één boekwinkel nog een werk van Geerten in aanbieding heeft, toch niet in België. Hoe is zoiets mogelijk?

Mijn eigen herinneringen aan onze ontmoeting in Syracuse wil ik al lang neerschrijven, al van de dag erna, 17 mei 2013; bescheidenheid en schroom hielden me tegen. Ik had het gevoel dat het nog te vroeg was, dat het ongepast was, ja, zelfs dat een verslag mijn vriend schade zou kunnen berokkenen. Hoe kortzichtig was dat. Nu besef ik dat elk woord aan hem gewijd hem goed doet, de schrijver en de mens. Nu besef ik dat ik veel eerder over hem had moeten schrijven, niet alleen over die historische ontmoeting maar ook over zijn boeken, die ik allemaal gelezen heb, behalve ‘De ongeschreven leer’ (het beste bewaar ik altijd tot al de rest op is), over zijn vertalingen, over zijn belang voor onze cultuur.

Over onze ontmoeting heb ik destijds niets neergeschreven, omdat ik net toen hoge koorts en een ernstige luchtwegeninfectie had. Toch staat bijna alles me nog helder voor de geest. Het zal dan ook niet heel moeilijk zijn om een reconstructie te maken van die feestelijke nacht. Daar ga ik me de volgende dagen over ontfermen. Want je moet weten dat de woorden nog maar heel traag tot me komen. Voor één geslaagde zin heb ik soms een dag, soms zelfs een week nodig.

GEERTENMEIJSING2 001.jpg

19-12-08

2008: MUSIC MAESTRO, PLEASE!


dillard&clark

Ik schreef het al op Roens blog: er valt voor mij niet aan overzichtslijsten te ontsnappen, het zit me in het bloed, ik doe het al sinds 1969, it’s too late to stop now. Eigenlijk doe ik dit al veel langer. Ik was een van de eerste medewerkers aan Humo’s Toppers van Tobbers. Elke week liet ik mijn medeleerlingen aan het Atheneum in Tongeren stemmen op een hitlijst die ik zelf had samengesteld. Meestal was ik eerlijk, maar ik moet tot mijn schaamte toegeven dat ik soms wel eens vals speelde om the Rolling Stones, the Kinks of the Who op nummer één te krijgen. Die lijsten werden aanvankelijk integraal per school gepubliceerd, met de naam van de samensteller erbij. Daar was ik dan zo trots op, mijn naam daar gedrukt te zien. Wilde ik eigenlijk in het diepst van mijn gedachten al een bekende Vlaming worden, een diersoort die toen nog niet bestond?

Er is geen weg terug, ik zal mijn voornemens van een week of zo geleden voornemens laten en mij naar het onvermijdelijke plooien. Verwacht van mij echter geen sterke uitspraken, sluitende argumenten, kreten van bewondering, krachttermen om mijn keuzes kracht bij te zetten. Niets van dat alles. Verwacht van mij enkele bondige lijstjes, gebaseerd op wat ik me nog herinner, op wat me ontroerd heeft of anderszins getroffen. Mijn kennis van de hedendaagse populaire muziek is beperkt. Ik vind het erg dat de zwarte muziek van nu mij zo vreemd is, terwijl ik toch door en door een soulliefhebber ben. Erg is ook dat ik bijna uitsluitend de Angelsaksische muziek ken, en dan nog vooral het genre dat Americana wordt genoemd. Mijn kennis van oudere populaire en minder populaire muziek is gelukkig wat ruimer. Ik mag graag luisteren naar coole jazz, reggae, blues, western swing, bepaalde klassieke muziek, soundtracks, Franse zangeressen, fado, flamenco, rockabilly, boogie woogie, tin pan alley deuntjes, gospel, muziek uit Mali en Pakistan. Maar dat is allemaal oud en onmogelijk in categorieën of lijsten onder te brengen.

Om al enigszins aan de mogelijke nieuwsgierigheid van de lezer tegemoet te komen volgt hier een overzicht van langspeelplaten die in 2008 opnieuw werden uitgebracht, en nieuwe compilaties, iets waar vooral het Britse label Ace bijzonder goed in is. Neem gerust van me aan dat dit geen volledige lijst is, ook niet van wat ik graag heb gehoord. Er zijn grote gaten in mijn geheugen.

Opnieuw uitgebracht

jesus of cool

Dillard & Clark – The Fantastic Expedition Of Dillard and Clark
The Lemonheads – It’s A Shame About Ray
Nick Lowe – Jesus Of Cool
Dennis Wilson – Pacific Ocean Blue
Creedence Clearwater Revival – Cosmo’s Factory
The Flying Burrito Bros – The Flying Burrito Bros / Last Of the Red Hot Burritos
Dave Mason & Cass Elliot - Dave Mason & Cass Elliott

Compilaties

jackie

Various Artists - Break-A-Way - The Songs Of Jackie DeShannon  1961-1967
Various Artists - Time Is On My Side - The Jerry Ragavoy Story 1953-2003
Various Artists - Blame It On the Dogg - The Swamp Dogg Anthology 1968-1978
Various Artists - Do-Wah-Diddy – Words And Music By Ellie Greenwich And Jeff Barry
Various Artists - On Vine Street - The Early Songs Of Randy Newman
Various Artists - Twist And Shout Volume 1 – The Bert Berns Story 1960-1964
Various Artists - In the Naked City
PF Sloan – Here’s Where I Belong – The Best Of the Dunhill Years 1965-1967
Bob Lind – Elusive Butterfly – The Complete Jack Nitzsche Sessions
The Undertones – An Anthology
Ry Cooder – The UFO has landed
Kevin Ayers – Songs For Insane Times: An Anthology 1969-1980
Eels – Useless Trinkets
Tammy Wynette & George Jones – Duets

Varia

bo diddley3

Enkele plaatjes die ik in het buitenland (Berlijn, Lissabon) en in de koopjes vond en die me plezierige momenten hebben verschaft:

Arlo Guthrie – Running Down the Road (met Ry Cooder en Clarence White!)
Blossom Toes – We Are Ever So Clean
Jackson Browne – Saturate Before Using
The Clique – Sugar On Sunday
Bo Diddley – Bo Diddley Is A Gunslinger (+ bonustracks)
The Adverts – Crossing the Red Sea with the Adverts
Aretha Franklin – Amazing Grace – The Complete Recordings
New York Dolls - New York Dolls
Richard & Linda Thompson - in Concert, November 1975

Deze laatste lijst moet zeker nog aangevuld worden, maar daar heb ik nu even geen zin in. In een volgende aflevering lees je wat ik gekozen heb als beste nieuwe elpees van 2008.

 

26-12-07

EENZAAMHEID, ETCETERA

“’Een zweetdruppel van een boer die neervalt op het veld in de zomer...’, is dat een goede zin", vraagt hij.

“Het is niet helemaal duidelijk of de boer of de zweetdruppel neervalt op het veld”, zegt zij.

“Ja, dat dacht ik ook al, maar als ik schrijf ‘Een zweetdruppel die neervalt in de zomer van een boer op het veld’ is er ook iets mis, vind ik”, zei hij.

“Nee, dat is ook niet goed…”, zegt zij, “literaire zinnen bouwen lijkt me geen lachertje”.

“Je moet maar iets anders bedenken”, vervolgt ze, “het is nu toch geen zomer, waarom schrijf je niets over kerstmis?”

“Toch niet over de herders? Of de stal? Die staat al op de Grote Markt, daar moet ik niet meer over schrijven. En herders zou ik ver moeten gaan zoeken”, zegt hij.

“Je zou je in de leefwereld van een dakloze kunnen verplaatsen”, zegt zij.

“Aan zoiets naturalistisch begin ik niet”, zegt hij, “bovendien staat het allemaal al in de Humo”.

“Kun je dat kerstverhaal uit ‘Smoke’ niet navertellen en doen alsof het van jou is”, zegt zij, “dat is toch al iedereen vergeten.”

“Welk kerstverhaal bedoel je”, vraagt hij.

“Dat van Augie Wren”, zegt zij.

“Van Paul Auster steel ik niets”, zegt hij, “die is te bekend. Bovendien kan ik me het verhaal niet goed herinneren. Ging het niet over een fototoestel?”

“Er kwam een fototoestel in voor, maar daar ging het niet over”, zegt zij.

“Waarover dan wel”, vraagt hij.

“Over de eenzaamheid geloof ik, maar ik weet het ook niet meer zeker”, zegt zij.

“Goed, ik zal dan maar iets over de eenzaamheid schrijven”, zegt hij.


En hij gaat voor zijn computer zitten en begint te schrijven.

‘Nodig eens een eenzame uit’, schrijft hij.

‘Nodig eens twee eenzamen uit’, schrijft hij.

‘Etcetera’, schrijft hij.

flying burrito brothers

Foto: Martin Pulaski, 24 december 2007

25-05-07

JO RÖPKE EN DE FILMSCHOOL

jo ropke,film,filmschool,ritcs,vrienden,dood,in memoriam,easy rider,premiere,televisie,professoren,marc didden,william blak,humo,boek,leo steculorum,guillaume bijl,antwerpen,brussel

Ik heb de innemende filmliefhebber Jo Röpke nooit echt gekend, ook al heb ik les van hem gehad, lang geleden toen ik nog film studeerde aan het Rits (dat toen nog Ritcs heette). Aan die studies heb ik weinig goede herinneringen, waarbij ik een uitzondering maak voor de vriendschap. Ik heb op die school Marc Didden ontmoet, die lange tijd mijn beste vriend is geweest. We gingen zeker een keer per maand met z’n beiden in het Zoniënwoud wandelen en zongen dan liedjes van Creedence Clearwater Revival, The Rolling Stones en Pink Floyd. Waarschijnlijk werd er ook veel over film en meisjes gepraat, maar dat kan ik me niet meer zo goed herinneren. Samen met Marc schreef ik tijdens een verloren weekend een boek. Er bestaat maar één exemplaar van en dat is nu in zijn bezit. Al vele jaren. Eén hoofdstuk ging over alle mensen die, geloof ik, Pete heetten. Ik herinner mij dat er een Pete Lennon en een Pete McCartney in de lijst stond. Want het hoofdstuk was een lijst. Er stonden ook echte Petes in de lijst, de onlangs overleden Sneaky Pete bijvoorbeeld. Marc ging af en toe naar Londen; hij werkte al deeltijds als popjournalist voor Humo. Een keer heeft hij me zeer gelukkig gemaakt: hij had het verzameld werk van William Blake voor me meegebracht, een onovertroffen product van de verbeeldingskracht. Er gaat geen maand voorbij of ik lees er wel een stukje in en af en toe zing ik een van de Songs of Innocence, onder meer How Sweet I Roamed From Field To Field.

Op de filmschool ben ik bevriend geraakt met de kunstenaar Guillaume Bijl en de filosoof Leo Steculorum. Tijdens mijn Antwerpse jaren was Guillaume een van mijn beste vrienden. We hielden beiden hartstochtelijk van film (John Casavetes, Wim Wenders, Werner Herzog) en van het nachtleven (Pannenhuis, Mok, De Kroeg). Nu heb ik geen contact meer met hem. Een spijtige zaak, maar afscheid hoort bij het leven. Met Leo ben ik nog altijd goed bevriend.

Zoals ik al zei heb ik aan het Rits als onderwijsinstelling weinig goede herinneringen, ik heb er nauwelijks iets geleerd: een beetje fotografie, een beetje filmanalyse, een beetje scenarioschrijven. De dingen die ik er niet geleerd heb zal ik niet opsommen. Er hing altijd een vervelende sfeer, niet bepaald artistiek; men was er vrij streng. Veel van mijn medestudenten waren liefhebbers van kleinkunst, een genre dat ik hartsgrondig haatte. Hoe kan kunst klein zijn, vraag ik me nog steeds af. De meeste profs waren zeurkousen. Marc Galle bijvoorbeeld. Maar er waren nog ergere exemplaren, van wie ik de naam vergeten ben. Jo Röpke was anders. Hij kon boeiend over film vertellen en gaf je zin om naar de cinema te gaan, om de laatste Polanski of Fellini te gaan bewonderen. Het was niet echt lesgeven wat hij deed, het was werkelijk met veel enthousiasme en ironie vertellen. Een beetje zoals in zijn televisieprogramma Première, maar dan minder afgeborsteld, vrijer. Ik herinner me dat ik voor mijn examen bij Jo Röpke een uiteenzetting over de paranoia in Easy Rider gaf. Die uiteenzetting zal ongetwijfeld zeer idiosyncratisch zijn geweest, vooral omdat ik nog veel meer paranoia aan de film toeschreef dan er sowieso al in werd getoond. Jo Röpke vond mijn invalshoek origineel en gaf me een warme handdruk toen ik de examenruimte verliet. Dat was in 1970. Sindsdien heb ik hem nooit meer teruggezien. En nu is hij dood. Wel mooi dat hij in Cannes is gestorven. Moge hij in vrede rusten. Maar daar twijfel ik eigenlijk niet aan.

27-06-06

DE ROOS VAN KEVIN AYERS


kevin ayers


De heren die zich Marco Polo en Marlon Vanco noemen, hebben mijn hoofd zowat op hol gebracht met hun verhalen en vragen over Nico alias Christa Paffgen. Ik zet geen muziek meer op, want ik hoor toch al de hele tijd ‘Je juis le petit chevalier’ in dat op hol gebrachte hoofd weerklinken. Een lief en sprookjesachtig liedje, terug te vinden op Nico’s lp Desertshore. Ik draaide het lang geleden heel vaak voor mijn zoontje (gek dat ik hem nog steeds zo noem, maar in dit geval wel gepast). Het was een van de weinige ‘kinderliederen’ die ik bezat. In die dagen wist ik ook niet dat Nico’s zoontje Ari dat liedje zong. Het was ofwel dat ofwel Robert Schumann, wat mijn zoontje moest aanhoren. Mooie dagen in een woning vlakbij het Zoniënwoud - en overal hing een geur van bloemen en honing. Er waren alle dagen vrienden bij ons in huis en vaak bezoekers uit de hele wereld. We luisterden samen naar veel van de wonderlijke muziek die toen uitkwam en dronken liters jasmijnthee.


Desertshore was de eerste lp van Nico die ik zelf kocht. Heel wat later was de waard van café Het Pannenhuis in Antwerpen zo vriendelijk mij een versleten exemplaar van Chelsea Girl cadeau te doen. Er viel nog naar te luisteren… Ik weet niet hoeveel exemplaren ik inmiddels heb bezeten.


Maar ondertussen zijn we - in het commentaargesprek hier beneden - bij Kevin Ayers beland. In 1968 of ’69 – anneé érotique - zag ik The Soft Machine, waar Ayers korte tijd deel van uitmaakte, op het pop- en jazzfestival dat Jazz Bilzen heette. Kevin Ayers was er niet meer bij. En popfestivals bestonden toen gewoon nog niet, vandaar dat het woord pop niet in de benaming voorkwam. The Soft Machine speelde dromerige, aparte muziek, met verwijzingen naar moderne Europese kunststromingen (dada en surrealisme) en jazz. Nadat Kevin Ayers en Robert Wyatt de groep hadden verlaten, veranderde the Soft Machine in een bloedloos pseudo-intellectueel jazzorkestje. Kevin Ayers ging op zijn eentje verder, of liever, met the Whole World, want zo heette de band die hem begeleidde. De man was een levensgenieter, maar in zijn teksten kon hij behalve surrealistisch ook ernstig uit de hoek komen (ik denk nu aan ‘Irreversible Neural Damage’ op The Confessions Of Dr. Dream).

Samen met mijn oude vriend Marc Didden heb ik Kevin Ayers geïnterviewd; dat was kort na het verschijnen van die ‘droomelpee’. De weken voor het interview had ik alle platen van Ayers uitgeleend uit de mediatheek (die toen nog betaalbaar was) en ze met obsessieve aandacht beluisterd. Ik was werkelijk in de ban gekomen van deze muzikant-songschrijver, die van wijn, lekker eten en mooie vrouwen hield. Wat een prachtige stem had die zanger. In die periode ben ik zelf ook wijn gaan drinken, iets wat ik tot dan nooit had gedaan. Kevin Ayers heeft rechtstreeks schuld aan mijn drankprobleem. De avond voor het interview moest Kevin Ayers playbacken voor een belachelijk Vlaams popprogramma – gelukkig ontsnapt de naam mij, waarschijnlijk dank zij al die Gewürzstraminer die ik toen dronk. Het wordt stilaan duidelijk hoe idioot ik wel was – en toch al vader. (Gezag heb ik nooit veel gehad, maar dit geheel terzijde.) In dat popprogramma trad Peter Koelewijn ook op. Peter Koelewijn in hetzelfde programma als Kevin Ayers! Postmodernisme avant la lettre… Later zijn we samen gaan eten in een goed restaurant ergens op het platteland. Kevin Ayers schrok er van de levende kreeften in het aquarium. Hij merkte ook op dat er druppeltjes gecondenseerd water van een roos in mijn glas wijn druppelden. Zoiets vergeet je natuurlijk niet. De volgende dag het interview. Ik denk dat er weinig popmensen zo intelligent en zo belezen waren in die tijd (1974) – en nu nog steeds. Meestal hebben die jongens en meisjes zeer weinig te vertellen. Het was een gezegende dag en een gezegend gesprek van een uur of drie. Fragmenten ervan hebben in Humo gestaan. Het was het debuut en meteen ook het einde van mijn carrière als popjournalist. Niet lang daarna heb ik nog iets geschreven over de moord van Mick Jagger en Keith Richard op Brian Jones. Dat had ik allemaal verzonnen. Maar het ziet er naar uit dat mijn verzinsels op zijn minst gedeeltelijk klopten. Overigens is Humo pas veel later samenzweringstheorieën gaan publiceren.

Ik heb er alleszins geen spijt van dat die carrière zo kort was. Popjournalisten leiden een leven van seks en drugs en rock & roll, veel meer nog dan de artiesten aan wie ze zulk leven toeschrijven. Aan mij is dat allemaal niet besteed, geef mij maar de bijbel, een fikse wandeling in de bergen en een glas water! Of niet soms?

22-03-06

ENKELE WOORDEN OVER DE KERSENTUIN


eels


Ik zou nog terugkomen op ‘De kersentuin’ van Tsjechov in de regie van Raven Ruëll. Bij nader inzien heb ik er niet veel meer over te vertellen. Ik zou dan een studie moeten maken over het werk van Tsjechov, over thema’s als eenzaamheid, melancholie, verveling en berusting. Daar heb ik geen tijd voor. Bovendien is dit niet de geschikte plaats voor zulke beschouwingen. Ik kan de voorstelling in de KVS wel warm aanbevelen. In weerwil van de melancholische ondertoon van het stuk kan er veel worden gelachen, vooral met de onweerstaanbare Lukas Smolders als de zakenman Lopachin. De regie van Ruëll is gebaseerd op aanbevelingen van Tsjechov zelf: hij zag De kersentuin als een komedie, niet als een melodrama. Revolutionair theater is dit dus niet. Maar dat geeft niet. Het is gewoon heel goed. Ga eens een avondje uit, het is echt genieten. En zoals ik al zei: voor degenen die op zoek zijn naar echte schoonheid gekoppeld aan acteertalent is er Katrien De Ruysscher.

Over Mark Everett alias eels zou ik ook nog iets vertellen. Maar dat tragische verhaal heeft al in Humo gestaan, in de inleiding van de bespreking van ‘eels with Strings, Live at Town Hall’. Waarom het hier dan nog een keer herhalen? Het leven is kort, we moeten onze tijd niet verknoeien. Laten we gewoon naar de man zijn werk luisteren. Al mijn woorden zijn in vergelijking daarmee veel drukte om niets. Mag ik aan de liefhebber van melancholische liederen dan meteen nog drie cd’s van Richard Hawley aanbevelen: Coles Corner, Lowedges en vooral Late Night Final. Ik heb deze hemelse muziek, die niet van deze tijd is, nu pas ontdekt. Is dat erg? Natuurlijk niet, want ik geniet er nu van, en zal dat zonder twijfel over tien jaar ook nog doen.

Foto: Mark Everett.

03-11-05

JAN DECORTE EN SIGRID VINKS


jan decorte x


Voor een keer nog eens iets goeds gelezen in het sensatieblaadje genaamd Humo: een uitstekend en tot tranen toe ontroerend interview met Jan Decorte en Sigrid Vinks, twee mensen die ik eigenlijk niet ken maar waar ik heel veel van houd. Het zijn echte mensen, ze zijn zoals ze zijn, ze doen zich niet voor. Ik spreek Jan Decorte soms wel eens aan. Ik heb vroeger (1969 en 1970) een tijdje met hem op school gezeten, zij het helaas niet in hetzelfde jaar, en vanaf toen bewonder ik hem al bijna onvooorwaardelijk. Ik spreek hem soms wel eens aan, ja, na een voorstelling of zo, en na een aantal glazen wijn of bier, maar zijn aanwezigheid maakt me ongeveer sprakeloos. Het zijn dan ook nooit meer dan vijf of zes banale woorden die ik tegen hem zeg. Ik zie hem graag, het is een heel bijzonder mens, maar hij maakt me bang. Hoe komt dat? Ik weet het niet. In dat interview formuleert hij wel een antwoord op die vraag. "Maar mensen zijn dus bang van mij. Omdat ik buitenmaats ben. Dat heb ik nu wel gesnapt. Ik ben hogelijk abnormaal. Thuis krijgen wij geen telefoon. Nooit. Op de gsm ook niet. Niks." Misschien heeft mijn bang zijn voor Jan Decorte ook wel met herkenning te maken. Bang voor een soort van spiegelbeeld. Want ben ik ook niet abnormaal? In het interview las ik ook de volgende naar de keel grijpende uitspraak:"Ik wil door iedereen gekoesterd worden, maar tegelijkertijd ben ik het beu dat de liefde zo'n beslag op me legt. Ik leef constant in tegenspraak met mezelf. Ik heb geen enkel principe." Jan Decorte verwijst in dat verband naar Sick Of Love van Bob Dylan.

Dank aan interviewster Stefanie de Jonge voor de intelligente vragen en aan Jan Decorte en Sigrid Vinks natuurlijk voor alles wat ze ons al hebben gegeven.