11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

01-03-16

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.
Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk - in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, - nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.
mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

07-12-15

HET SHANGRI-LA ARCHIEF 1

KEITH RICHARDS.jpg

Er komt maar geen einde aan de grote schoonmaak van mijn werkkamer en archief. Zaterdag schreef ik dat ik nog steeds alle playlists van Shangri-La en Zéro de conduite bezit, maar ik had er geen idee van waar het niet-digitale materiaal zich bevond. Vandaag heb ik de mappen met alle lijsten van 1982 tot 1991 toevallig teruggevonden. Het gaf mij een vreemd gevoel die al zo oude documenten nog een keer te bekijken. Alleen al het lettertype van mijn Olivetti: ik had keuze uit één font en dat was nooit een probleem. Tipp-ex. Rode balpuntpen voor correcties. De songtitels. Stuk voor stuk liedjes die ik nu nog zou draaien (en dat doe ik ook).

De eerste aflevering van Shangri-La zonden we uit op Radio Centraal in Antwerpen op donderdag 4 maart 1982. Ik herinner me een vrij koude namiddag ergens aan de Scheldekaai op het Zuid. We: dat waren Max Borka, die toen nog Frank Lissens heette, en ikzelf, die toen nog Matti Brouns werd genoemd. In ons appartement aan de Lamorinièrestraat hadden we dagenlang naar platen geluisterd, ondertussen bourbon drinkend, Jim Beam en Old Granddad. Max had een mooie collectie recente elpees, zelf was ik meer gespecialiseerd in rock & roll, sixties pop, psychedelica en country. Als DJ’s waren we volstrekte amateurs, daarom noemden we ons soms Two Bad DJ. er bestond een plaat van General Saint & Clint Eastwood die zo heette, vandaar. Maar onze echte artiestennamen waren Rudolf & Rudolph. Ik weet niet meer wie de ene was en wie de andere. Dat Rudolph kwam van het kerstlied Run Rudolph Run,waar Keith Richards in die dagen net wat succes mee had. En we waren allebei fans van Chuck Berry.

Toen we bij de radio aanbelden werden we niet binnengelaten. Jan Van den Eynden, die het programma voor dat van ons maakte, wilde graag plaatjes blijven draaien, een hele week als het van hem afhing. Hoe we uiteindelijk toch binnen geraakt zijn kan ik me niet meer herinneren. Een duidelijk thema hadden we nog niet, maar vluchten (‘run’) was wel de rode draad.


Dit is een scan van de allereerste playlist.

shangrila1 001.jpg

shangrila1b 001.jpg
polaroid 1983.jpg

Foto's: Lamorinièrestraat, circa 1982.

17-08-15

HET BOEK ASTRID

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J'irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

...

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto's:
Boven: Mijn broer en ik.
Onder: gemaskerd ga ik door het leven.

26-06-15

SCHIMMEL

IMG_2800.JPG

Ik bevind me in een gigantisch gebouw, een ministerie of een ziekenhuis, of is het een archief? Herinneringen aan de gangen in het Markiesgebouw, waar ik van 1991 tot 2012 werkte; nu is er de beurs van Brussel in ondergebracht.  Ik zit op de vloer, met aantekeningen of dagboeknotities. Wat moet er met al deze geschriften van me gebeuren? Samen met mijn boeken een onoverzichtelijke massa, zeker voor anderen. Een drietal jonge vrouwen blijft bij me staan. Een van hen, later verneem ik dat zij de jongere zuster is van Chantal S., spreekt me aan. Ze hebben hulp nodig bij het oplossen van een belangrijk probleem van bestuurlijke aard. Of ik wil helpen? Hoewel ik helemaal niet weet waar het om gaat en zelfs de vraag niet goed heb begrepen, stem ik toe. Ze nemen me mee naar een vergadering, waar al een aantal specialisten om de tafel zit. Op weg ernaartoe vertelt ‘de zus van Chantal S.’, hoe ze heet zegt ze niet, wat over haar oudere zus (waar ze bedrieglijk veel op lijkt). Chantal (de echte) vindt het zo erg dat jullie elkaar nooit meer zien, zegt ‘de jongere zus’. Ja, het is zeker tien jaar geleden, zeg ik. Waarschijnlijk meer. En haar oudere zus, Renée S… Zo erg hoe zij aan haar eind is gekomen… Ja, zegt ‘de jonge zus van Chantal’, wie had dat destijds kunnen denken. Ik heb jarenlang in dit gebouw naar Chantal gezocht, zeg ik, maar zonder resultaat. Als ik al een spoor van haar vond in een of ander bureau werd het meteen weer uitgewist. Het is hoe dan ook erg moeilijk om hier iets of iemand te vinden. Ooit moest ik dringend een arts raadplegen, maar zelfs dat lukte me niet. Hier is vast wel een geneeskundige dienst, maar die zit dan wel goed verborgen in een of andere doodlopende gang, ver van een lift of een trap verwijderd. Je mag je niet voorstellen wat daar allemaal gebeurt.

Tijdens de vergadering probeer ik zoveel mogelijk van wat wordt gezegd te noteren in mijn klein notitieboekje van Muji. Maar enerzijds begrijp ik geen woord van de ambtelijke taal, anderzijds slaag ik er niet in om ook maar één zin op een leesbare manier neer te schrijven. Wat op papier verschijnt is werkelijk beschamend. En dan te weten dat mijn handschrift vroeger zo duidelijk was en mijn woordenschat zo omvangrijk; mij mijn grenzeloze verbeelding te herinneren! Neen, ik breng er niets van terecht. Des te meer maak ik mij zorgen over de bestemming en bewaring van mijn oude teksten, cahiers, dagboeken, verhalen en brieven; mijn hele onoverzichtelijke archief.

Ik ga even bij Erik langs, een collega die in een bureau in de buurt werkt en over een klein deel van mijn archief waakt: de Muji-notitieboekjes. Wat erg, zegt Erik, ze zijn allemaal door schimmel en insecten, vooral papiervisjes, aangevreten. Nog een geluk dat deze beestjes het driehonderd dagen zonder eten kunnen volhouden. Je zou best op zoek gaan naar een huis, een voldoende grote en luchtige ruimte om alles in onder te brengen, zeker ook het materiaal dat je op het schip bewaart. Dat zal zeker nog meer aangetast zijn dan de Muji-boekjes hier. Ja, dat is ook mijn vrees, zeg ik.  Overigens moet ik hoe dan ook weg van dat schip: het wordt verkocht en dan gesloopt. Veel tijd om er mijn bezittingen weg te halen heb ik niet meer. Maar waar kan ik naartoe, beste Erik?

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, juni 2015.

20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

15-11-14

ENKELE NOTITIES 'OMTRENT ANTONIN ARTAUD'

Artaud Abel Gance (Marat).jpg

Ik kijk terug op een geslaagde avond omtrent Antonin Artaud, een performance, als ik het zo mag noemen, maar net zo goed een feest van het woord en van de ware vriendschap, in Den Hopsack in Antwerpen. Uitgeput van slapeloze nachten en een luchtwegeninfectie vond ik in de taal een partner om mij op zo goed als onbekend terrein te begeven. Ik bedoel niet het onderwerp maar de ruimte. Mijn ‘poëtische’ optredens zijn schaars. Ik twijfel aan de kracht van mijn woorden, vooral vraag ik me af of ik ze wel voldoende leven kan geven. Ik herinner me een rampzalig non-optreden tijdens een zogenaamde nacht van de poëzie, ook in Antwerpen, in 2012. Geen mens die ook maar één woord wilde horen van mijn breekbare verzen. Of misschien toch één, maar zeker niet meer. Zich dichters noemende brulapen kregen het dronken publiek wel op hun hand. Zo heb ik het altijd geweten: hoe luider je roept en hoe sterker je je voordoet hoe populairder je bent. Voor een tijdje.
Donderdagavond was het anders. De ruimte was intiem, de luisteraars waren open van geest en oor en niet vooringenomen. Wat een dankbaar publiek. Het heeft me zin doen krijgen in meer performances, maar zeker niet in nachten van de ‘poëzie’, slamwedstrijden of gevechten in een of andere sterrenarena.

Mijn levensgezellin - die toevallig mijn partner op het podium werd – en ik hadden ons natuurlijk wel terdege voorbereid.  In plaats van de hele Antonin Artaud nieuw leven in te blazen, een onmogelijke opdracht, kozen we ervoor één heel bijzondere tekst/performance te belichten, met name ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Dat hoorspel werd opgenomen in een studio van de Franse radio tijdens meerdere sessies in de periode van 22 tot 29 november 1947. Artauds kritische en orakelachtige fragmenten – die één geheel vormden – werden uitgevoerd door hemzelf, Maria Casarès, Roger Blin en Paule Thévenin.

Het hoorspel zou op 2 februari 1948 worden uitgezonden. Echter, de directeur van de Franse openbare radio, Wladimir Porché, verbood de uitzending.  Ook nadat het programma werd voorgelegd aan een soort jury van schrijvers, acteurs  en kunstenaars – onder meer Jean Cocteau, Paul Eluard, Jean-Louis Barrault en Louis Jouvet –  een jury die van mening was dat het wel kon,  bleef de directeur weigeren. De tekst verscheen al kort na de dood van Artaud in 1948.
De uitzending werd veel later zelfs op cd uitgebracht en is ook online terug te vinden op onder meer ubuweb. Volledige tekst, brieven en krantenartikels over het hoorspel zijn opgenomen in deel XIII van de ‘Œuvres complètes’ (in 28 delen in de collection Blance van Gallimard).

Omdat we zelf geen muzikanten zijn en te weinig tijd hadden om anderen om een muzikale bijdrage te vragen (tamboerijnen, trommels, trompetten) besloten we enkele bestaande muzikale rustpauzes in te lassen, waardoor ik even het gevoel kreeg dat ik Zéro de conduite aan het uitzenden was. Dat zal de koorts geweest zijn.
P1100956.JPG

Het programma zag er zo uit:

1. Sanities, uit ‘Music For A New Society’ van John Cale.
2. Pour en finir avec le jugement de dieu – inleiding.
Agnes Anquinet leest de ‘inleiding’ voor uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’.
3. Zaad voor Antonin Artaud.
Monoloog door Martin Pulaski.
4. I Saw The Best Minds Of My Generation Rot, uit ‘Virgin Fugs’ van the Fugs.
Gebaseerd op het gerenommeerde ‘Howl’ van Allen Ginsberg, een lang gedicht dat zeker ook verwant is aan het werk van Artaud.
5. Tutuguri – Le rite du soleil noir.
Tweede fragment uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’door Agnes Anquinet.
6. De vraag dringt zich op (een onmoeting)… 
Monoloog door Martin Pulaski.
7. Water Music, uit ‘The Last Album’ van Albert Ayler.
Deze lyrische free jazz sluit aan bij de tweede monoloog, waarin de vrouw haar kleren uittrekt en in een rivier duikt. Met deze muziek werd de performance afgesloten.


Tijdens de weken van voorbereiding vond ik tot mijn verbazing, mijn geheugen is slecht, massa’s aantekeningen terug bij het werk van Artaud. Twee cahiers volgeschreven, losse blaadjes, notities in de marge van het verzameld werk en van studies en essays over deze unieke figuur. Artaud verscheen opnieuw in mijn leven, zoals hij er in het midden van de jaren zeventig in was verschenen. Maar al gauw veranderde hij in een tijdgenoot, in iemand van nu; ik vulde hem aan met mijn ervaringen, gedachten, dromen, liefde en pijn. Ik mag hopen dat er van mijn overrompelende omgang met deze anti-oedipus een vonk is overgesprongen naar het publiek.

Veel dank gaat naar de organisatoren van de Muzeval, Pipelines vzw, naar literair artistiek café Den Hopsack en naar alle goede, oude en nieuwe vrienden die aanwezig waren en degenen die niet aanwezig konden zijn.
P1100959.JPG


...

Voor de lezer die veel meer wenst te weten over Antonin Artaud volgen hier enkele werkdocumten. De twee monologen mag je morgen of overmorgen verwachten.

Documenten

Brontekst

Œuvres complètes, vingt-six tomes publiés (en 28 volumes) aux Éditions Gallimard, coll. Blanche, 1956-1994
In de ‘Œuvres complètes’, 28 delen, uitgegeven in de collection Blanche tussen 1956 en 1994 vind je de tekst en Artauds brieven die er verband mee houden terug. Bovendien staan er alle krantenartikels uit die dagen in, en zeer verhelderende voetnoten.

Geraadpleegde werken (selectie)

Obliques / Artaud, Roger Borderie et Jean-Jacques Pauvert, 1986, textes de Michel Sicard, Michel Camus, Jérôme Peignot, Guy Rosolato, Jean Domeneghini, Jérôme Prieur, Jean Cocteau, Françoise Buisson, Marc Fumaroli, Jean Thibaudeau, Odette et Alain Virmaux, Alain Jouffroy, Jean-Michel Heimonet, Jean-Paul Morel, Pierre Courtens, Jacques Sojcher, Georges-Arthur Goldschmidt, Charles Bachat, Ronald Hayman, Jacques Prevel, Bruno Chabert, Claude Reichler, Florence de Meredieu, Daniel Giraud, Antonin Artaud.
Gilles Deleuze & Félix Guattari, L’anti-oedipe. Capitalisme et schizophrénie, Les éditions de minuit, 1972. (Deleuze & Guattari vonden hun belangrijk filosofisch concept ‘le corps sans organes’ in ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’ van Artaud).
Jacques Derrida, « Le théâtre de la cruauté et la clôture de la représentation », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Jacques Derrida, « La parole soufflée », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Gérard Durozoi, Artaud, l'aliénation et la folie coll. Thèmes et textes, Larousse, 1972.
Michel Foucault, Histoire de la folie, Plon, 1961.
Julia Kristeva, Le sujet en procès, colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.
Anais Nin, Journals, Volume One, Quartet, 1973.
Johny Lenaerts, Artaud en het theater van de wreedheid, Socialisme21 (online)
Jacques Prevel, En compagnie d'Antonin Artaud (1974), texte présenté, établi et annoté par Bernard Noël, Flammarion.
Poèmes Flammarion. (Jacques Prevel was een vriend van Artaud en tevens zijn dealer.°

Philippe Sollers, L'Écriture et l'expérience des limites, Points Seuil, p. 88-104, 1971.
Philippe Sollers, L'État Artaud, (colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.

Raoul Vaneigem, Handboek voor de jonge generatie, De arbeiderspers, 1978.
Raoul Vaneigem, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, Gallimard, 1967.

Geluid

Pour en finir avec le jugement de Dieu, Sub Rosa, 1995 / INA et André Dimanche Éditeur, 1995.
Pour en finir avec le jugement de Dieu, intégralité de l'émission et remix par Marc Chalosse, Artaud Remix, préface de Marc Dachy, France Culture, collection Signature, 2001

 

16-10-14

TEGEN DE STROOM

trial3.jpg

Dagen, maanden, jaren vlogen voorbij. Ik was arm, werkloos, werkte op het veld van de taal - van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ’s Nachts dronk ik porto en bourbon en praatte ik met talloze vrienden, ging dansen, vrijde, was gelukkig en ongelukkig. Het was een intens leven, de woorden en herinneringen waar ik mee worstelde, de taal, de beelden, de liefde, de wrok en afkeer, de haat. De boeken die ik las waren intens, en ik las ze als een bezetene. Mijn boeken waren als mijn vrienden, als mijn muziek: ik herkende me erin, ze werden deel van me, we versmolten met elkaar. Mijn boeken waren personen, zoals in het boek van Ray Bradbury en de film van François Truffaut. Ik herinner me niet veel Nederlandse literatuur die ik in die tijd las. Patrizio Canaponi, Habakuk II De Balker, Martinus Nijhoff, Lucebert, Maurice Gilliams, Willem Frederik Hermans en, om wie het in deze reeks herinneringen gaat, Geerten Meijsing.

leven,tijd,herinneringen,werken,schrijven,lezen,vriendschap,boeken,geerten meijsing,armoede,geld,depressie,schuchter

 

Na zeven magere jaren, die heftig waren, boordevol extase, verdriet, dronkenschap, vreugde, ontgoocheling, lust, seks, waanzinnige poëzie en honger, vond ik wat de meeste mensen écht werk noemen: ik verdiende er geld mee en kon er redelijk goed van leven. Dat werk bestond vooral uit vergaderen, verslagen en jaarverslagen schrijven, adviezen redigeren, met delegaties buitenlandse jeugdorganisaties bezoeken en vooral toenadering zoeken tot mensen die altijd een min of meer ‘normaal’ leven hadden geleid. Dat was moeilijk. Na enkele jaren vond ik één collega met wie ik over boeken kon praten, ook over die van Geerten Meijsing. Onze bewondering voor zijn werk was groot. Dat was in de periode van ‘Veranderlijk en wisselvallig’, ‘Altijd de vrouw’, ‘De grachtengordel’ en het beklemmende ‘Tussen mes en keel’.

Ik begon me beter te voelen tussen mijn soortgenoten, ik werd bijna een van hen. De foto’s die van mij zijn gemaakt in die periode durf ik haast niet meer te bekijken. Hoe gewoon ik eruitzag, hoe zielloos mijn kleren, mijn haarsnit, mijn bril. Ik was aan het verdwijnen. Maar hoezeer ik me ook inspande om te integreren in het functionarissenbestaan, mijn zogenaamde ware ik kon ik niet klein krijgen. Een vonkje van poëzie, van woorden die vele lagen hebben en het geijkte denken kunnen ontwrichten, van een taal die tegen de taal van de politiek en de ambtenarij maar ook die van de media inging, bleef branden. Wat een cliché is. Maar het is de waarheid. Dat vonkje van protest, van verzet, van ontevredenheid, hield me op de been.

Naarmate de jaren negentig vorderden ging ik weer meer tegen de stroom in varen, zoals ik op school en op de universiteit had gedaan. Op de achtergrond waren er altijd schrijvers en muzikanten. En een van hen was Geerten Meijsing, die ik bleef bewonderen, hoewel hij nu een gevestigd auteur was, een die prijzen had gewonnen en geld bezat. Soms vroeg ik me af of hij nu zijn ziel had verkocht aan de markt. Maar ik dacht van niet. De roman die gebaseerd is op zijn zware depressie is daarover duidelijk. En ‘De grachtengordel’ natuurlijk ook. Een keer ging ik naar een lezing – of was het een interview – van Geerten Meijsing, in de hoofdstedelijke bibliotheek. Hoewel hij ouder geworden was, was hij nog steeds een dandy. Ik hield van zijn stijl, hoewel ik nog altijd meer naar ‘het nieuwe’ opkeek, naar wat ik in tijdschriften als i-D en Dazed & Confused zag. Maar zijn hoeden, zijn wandelstok, zijn wit pak stonden hem goed. Zijn stijl paste bij de stijl van zijn geschriften. Wat had ik na afloop graag met hem gepraat, maar dat durfde ik niet. Ik was veel te schuchter en mijn geloof in mezelf was uiterst klein. Dat heb ik hem later verteld. Wat jammer, zei hij. We hadden meteen goed kunnen opschieten, je moest eens weten hoe schuchter ik zelf ben.
santiago de compostela bewerkt.jpg

...

Foto's: The Trial, Orson Welles; Fahrenheit 451, François Truffaut; In Santiago de Compostella, oktober 1998, Martin Pulaski.

10-09-14

GEERTEN MEIJSING, SCHRIJVER EN VRIEND

GEERTENMEIJSING5 001.jpg

“Tenslotte schuilt de schoonheid geenszins in de roem of het succes, maar in de verheven pracht van ons werk en zijn onontkoombare resultaten.”
Geerten Meijsing, Haarlem, 11 april 1975.

 

Eergisteren had ik het hier bijna terloops over Geerten Meijsing, over mijn bewondering voor de schrijver, mijn vriendschap voor de man. Gisteren stond hij, tot mijn verbazing, in Humo. Het is zelfs een goed en leesbaar interview. Wat er staat is waar: het is een schandaal dat niet één boekwinkel nog een werk van Geerten in aanbieding heeft, toch niet in België. Hoe is zoiets mogelijk?

Mijn eigen herinneringen aan onze ontmoeting in Syracuse wil ik al lang neerschrijven, al van de dag erna, 17 mei 2013; bescheidenheid en schroom hielden me tegen. Ik had het gevoel dat het nog te vroeg was, dat het ongepast was, ja, zelfs dat een verslag mijn vriend schade zou kunnen berokkenen. Hoe kortzichtig was dat. Nu besef ik dat elk woord aan hem gewijd hem goed doet, de schrijver en de mens. Nu besef ik dat ik veel eerder over hem had moeten schrijven, niet alleen over die historische ontmoeting maar ook over zijn boeken, die ik allemaal gelezen heb, behalve ‘De ongeschreven leer’ (het beste bewaar ik altijd tot al de rest op is), over zijn vertalingen, over zijn belang voor onze cultuur.

Over onze ontmoeting heb ik destijds niets neergeschreven, omdat ik net toen hoge koorts en een ernstige luchtwegeninfectie had. Toch staat bijna alles me nog helder voor de geest. Het zal dan ook niet heel moeilijk zijn om een reconstructie te maken van die feestelijke nacht. Daar ga ik me de volgende dagen over ontfermen. Want je moet weten dat de woorden nog maar heel traag tot me komen. Voor één geslaagde zin heb ik soms een dag, soms zelfs een week nodig.

GEERTENMEIJSING2 001.jpg

31-05-14

MIJN FIFTIES, ZONDER MUZIEK

Vol spanning wachtend op de tweede aflevering over mijn ontdekkingen in de wereld van muziek (en geluid) hieronder enkele familiefoto's uit die periode. Schrijven over die tijd is bijzonder moeilijk omdat mijn leven tot mijn achtste op elk gebied zo anders was dan alles wat daarop volgde. Alleen al omdat van de taal, of alleszins van de dialecten, die ik toen sprak niets overblijft zijn de overgebleven herinneringen eerder vaag. Ook de niet-talige geluiden dompelden mij vanaf de zomer van 1958 onder in een andere werkelijkheid. Toch span ik me in om wat ik me wel nog herinner, vooral van de populaire muziek die mij al vroeg in zijn greep kreeg, de volgende dagen zo duidelijk mogelijk te verwoorden.

fifties- met vader en françois.jpg

fifties -  met moeder en françois.jpg

fifties françois en ik.jpg

Foto's: met mijn broer François en mijn vader; met mijn broer en mijn moeder; met mijn broer. In Merksem (Antwerpen) in de tuin van het huis van mijn grootmoeder en mijn tantes Ellie en Georgette.

09-04-14

VERDWIJNEN

2013_06_LONDEN 033.JPG

Ziektes, ziektegeschiedenissen, angst voor aftakeling, voor geheugenverlies (verlies van het verleden, van de herinneringen, van de doden die in mijn herinneringen voortleven): niets nieuws in mijn bestaan. Ik ben er in zekere zin mee geboren, zeker ben ik er volwassen mee geworden; die angsten, of liever, die ene grote angst, de angst voor het geleidelijk aan of plots verdwijnen in het grote niets, is altijd op de achtergrond aanwezig geweest, zoals het geruis, niet van de wind, maar van het verkeer op de ring rond Brussel (waarbij de wind wel een rol speelt). Het is geen hoofdthema in mijn leven, maar zeker wel een ‘schaduwhoofdthema’, iets wat op een dubbelganger lijkt, een William Wilson waar ik voortdurend strijd mee moet leveren. Vaak als ik in de spiegel kijk, en dat doe ik wel af en toe want narcisme is me niet geheel vreemd, zie ik hem terugkijken en dan denk ik, wat lijkt hij op me.
Lynd_Ward_William_Wilson.jpg

Het is een angst die niet alleen mijn eigen verdwijnen betreft, maar ook van degenen die ik liefheb, degenen die ik bewonder, degenen voor wie ik tedere gevoelens koester, voor wie ik empathie voel. Het is een angst voor het verdwijnen van de mooie dingen in de wereld, van wat ik altijd mooi gevonden heb, wat mijn geheugen vastgehouden heeft maar wat desondanks teloorgaat, hele stadswijken, oude straten en pleinen waar platanen al sinds mensenheugenis voor lommer zorgden, frivole huizen aan zee in een voor de rest leeg landschap, als je de natuur, de duinen, het strand leeg zou noemen, wat eigenlijk verkeerd is, oude dorpscinema’s, zoals cinema Eden in Lanaken, of kleine en minder kleine bioscopen in de steden (alleen al een opsomming van de verdwenen Antwerpse cinema’s zou me zeer waarschijnlijk met immense droefheid vervullen), voor het verdwijnen van goed gemaakte, beklijvende films, kunstzinnige films, van boeken die er toe doen, die zelf uitroepen dat ze tot een canon behoren (niet omdat een recensent, antiquair of filoloog het beweert), van dichters die gedichten lezen en niet op de hoeken van de zo al schreeuwerige straten staan te schreeuwen, van de muziek van Bach en Brahms, van muziek zoals die gemaakt werd door Fred Neil, Tim Buckley, Billie Holiday en Howlin’ Wolf, van sneeuwmannen, van schrijfmachines zoals te zien in ‘The Trial’ van Orson Welles, van de General Marine and Shipbuilding Company, van glazen flessen, van het bruin tafelbier van Piedboeuf, van parelmoer, van de Grote Winkler Prins Encyclopedie, van postzegels, van bananenboten, van straatzangers, van bars die de hele nacht open blijven, van Barbarella, ja, kijk, van alle mooie mensen, dieren en voorwerpen die hier ooit geweest zijn en waarvan de meeste al niet meer bestaan, tenzij in musea en in (nog niet vernietigde) films en foto’s, of als woorden in verhalen, boeken, memoires, in melancholische mijmeringen zoals deze hier.

barbarella.jpg

Deze lawineachtige zinnen schreven zichzelf nadat ik – net voor het middagmaal – toevallig een fragment van een dagboeknotitie uit 5 juni 1980 had gelezen; onder meer ten gevolge van deze woorden: “Zo lees ik op mijn huid de taal van het menselijk verval – de ondergang van al het levende.”

17-10-13

LEVEN EN DOOD IN DE VAN PRAETLEI

vanpraetlei1.jpg

In een van de huizen in de Van Praetlei werd je voor ’t eerst de geuren van een tuin gewaar. Van de aarde, nog net zo onbekend voor jou als een overleden man of vrouw. (Defunctus zou je later schrijven, een vreemd woord om de doden ver van je af te houden.) Van verwelkte rozen en rottend zaad en resten. Van vette, glimmende regenwormen. Je twee tantes – zusters van je moeder - zwegen er grimmig, dronken er thee, gingen elkaar soms te lijf, vanwege onenigheid over de smaak van hun confituur of slecht geschreven adressen. Hun gekrijs en de grijze kater die je kwetsbare vel openreet.


Op de harde parketvloer viel het Chinese porseleinen theekopje aan scherven. In kleine, glinsterende stukjes ontwaarde je nog exotische figuurtjes. Tante Georgette daarna met donkere ogen, en donkerder nog de ogen, donkere vijvers, van je tante Ellie.

Je moeder en vader dachten je met een klappertjespistool uit de speelgoedwinkel op de hoek en wat snoep te kunnen sussen als ze je bij de gezusters achterlieten, voor een huwelijk ergens. (Je dacht, daar gaan ze, naar weer een huis waar zeker de geur zal hangen van Elixer d’Anvers en sigaren van Willem II, van ossenstaartsoep en Limburgse vla.)

Grootmoeder had altijd in dezelfde gelige zetel gezeten. Twee grote oorlogen en treurnis vergetend, rustig als een vermoeide Oost-Indische vogel. Haar piepende adem, de astmasigaretten, haar kanten blouse. En dan opeens nog meer ademnood, dan opeens defunctus. Liep je in de lange begrafenisstoet door de Merksemse straten zo zwart als prikkeldraad in de nacht?

Na de begrafenis kreeg je zelf een astma-aanval, van de schimmel in de hoeken van de slaapkamer en het stof en de spinnenwebben, in weerwil van al het poetsen. Drie dagen en drie nachten in het hoge bed, bang dat je er uit zou vallen en je rug zou breken. Daar geen parket maar linoleum uit Krommenie, met zijn antropomorfe patronen die je koortsachtige verhalen over Marco Polo, Michael Strogoff en Ivan Ogareff influisterden. De ochtend van de genezing, de zon al hoog aan de genadige hemel, maakte je vader een foto van je, zittend in een rotan zetel, mager, onzeker van wat de rest van de dag en van het eindeloze leven zou brengen.

In een van de huizen in de Van Praetlei waaide Tante Georgette door de vale kamers in altijd ander tenue,  "naar de laatste mode". Tante Ellie slofte langs je in afgedragen zwart. Altijd was er die grote rode knobbel op tante Ellies neus. "Ge moet u laten opereren", zei je moeder telkenmale.  De ene een spilzieke vrouw, de andere, je meter, tante Ellie, een gierige pin.

De vele kwalen van Tante Georgette, meer dan ze kon verzinnen, tot er niets meer was om wat er niet was te vergeten, tot haar hoofd in de strop zat en omver geschopt de geduldige stoel.

Tante Ellie werd een bleek weeskind dat al gauw aan waanzin ten prooi viel. Haar donkere zwerftochten in het park en op het kerkhof. Werd ze niet uit huis verdreven? Om daarna lange jaren weg te kwijnen in Sint-Antonius-Brecht “waar de nonnen met haar opgespaarde geld aan de haal gingen”.

Vele jaren later in de Van Praetlei met je zoontje, “mijn god hoe groot hij al is”… Waar je een statige straat met grote villa's en naar pieren geurende tuinen verwacht tref je gekrompen huisjes aan en piepkleine voortuintjes. Je bent een reus geworden tussen nederzettingen voor dwergen. Is het een toeval dat je precies in die dagen ‘Gulliver’s Travels’ herleest?

Op het kerkhof ga je met je zoon op zoek naar de graven van je grootmoeder, van Tante Ellie, van Tante Georgette. Daarna eten jullie pannenkoeken met slagroom op de De Keyserlei en er is een film van Mel Brooks - en nu is het opeens dertig jaar later en is er ook van die wereld niets meer over dan wat vergeelde papieren (dagboeknotities, krantenknipsels) en wat oude namen (die niet meer zijn dan woorden).

...

Illustratie: de foto die mijn vader van me maakte in de rotanzetel is na al die jaren zoekgeraakt. De foto hierboven van mijn broer en mezelf is uit dezelfde periode, in het huis aan de Van Praetlei. 

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

01-08-13

MOMENTEN VAN VRIENDSCHAP

PARIJSBISTROT.jpg

Tussen hittegolven, onweders, opwellingen die beter niet op zouden wellen maar wat doe je eraan, spiritistische séances op facebook en andere evenementen door lees ik in een bijzonder origineel boek over – voornamelijk Amerikaanse - fotografie:  ‘The Ongoing Moment’ van Geoff Dyer.

Ik wil er nu het zo warm is graag iets uit citeren, niet over fotografie, maar over vriendschap, ook al omdat het verhaal ‘Storm’ daarover handelt.  Of Dyers bewering klopt weet ik niet, maar ik vind ze op zijn minst treffend:

“At a certain point friendships arrive at a balance between memories of shared times and the beckoning future. They begin to unravel with the tacit awareness that the store of memories exceeds any that will be generated in the future. This can be followed by a realization that the friendship is all memory-based, when there is nothing but memory, and that in order to protect these memories it is best to call a halt. This is why there is often a feeling of considerable satisfaction in knowing that a friendship is effectively over.”


...

Foto: in Parijs, circa 1996. Foto gemaakt door de uitbater van Au Bon Coin. 

31-07-13

STORM*

POIX 107.JPG

Op 25 januari 199. zat ik tijdens een treinrit tegenover mijn oude vriend Kowalski. We waren elkaar in het Centraal Station toevallig tegen het lijf gelopen. Bijna onmiddellijk hadden we vastgesteld dat er tussen ons nauwelijks iets was veranderd.

Buiten huilde de wind, donkere regen op de huizen en op de zwarte velden. Ergens onderweg stapten we uit de vuile trein; een klein, bijna vergeten station waar geen levende ziel te zien was. Wat verder een dorpscafé uit een oude Franse film, van Marcel Carné of Jean Renoir.

Kowalski en ik zijn van hetzelfde jaar. Nooit eerder hadden we zo’n hevige storm meegemaakt. Het leek wel de Toorn Gods. Of wilde een tellurisch opperwezen een historische ontmoeting bekrachtigen?

We zaten alleen in de kroeg en keken zwijgend toe hoe ingelijste reproducties van late werken van Van Gogh naar buiten vlogen. Wij observeerden hun grillige vlucht, tot er niets meer te zien was dan de schemerige dorpsstraat. Onwillekeurig greep ik me met beide handen vast aan de rand van de tafel opdat ik toch maar niet zelf ook naar buiten zou waaien, dokter Gachet en Joseph Roulin achterna.


Op één avond overbrugden we bijna vijftien verloren jaren van onze vriendschap. Toch kun je elkaar niet alles vertellen, ook al wil je dat wel; het is in de praktijk niet haalbaar. Er is geen tijd. Er is nooit tijd. ‘L'Atalante’, ‘Zéro de conduite’, ‘La maman et la putain’, ‘La Salamandre’ en ‘The French Connection’ bleken voor ons beiden nog steeds favoriete films. Dat wees voor mij, ondanks de verwijdering, op een diepe zielsverwantschap die was blijven bestaan. Films en popmuziek vormen de basis van een vriendschap, niet afkomst, milieu, maatschappelijk succes of gebrek daaraan.

Mijn oude vriend had plannen voor een roman die ‘Gewond’ zou gaan heten. Hij zei dat ‘gewond zijn’ voor hem een metafoor was voor een eeuwig leven, maar dat begreep ik niet meteen. In ‘Gewond’ zou hij de tragiek van zijn familie (waanzin, zelfmoord, alcoholisme) fictionaliseren. Wat leek wat hij me over zijn familie vertelde op mijn eigen geschiedenis! Zoveel had hij me vijftien jaar tevoren nooit toevertrouwd. Alsof we allemaal personages in een roman van Ken Kesey zijn, dacht ik. Later zou hij het boek verfilmen, zei Kowalski. Ik vroeg hem of ik dan een figurant mocht zijn. Op zijn minst, Schwarz. En je krijgt je eigen chauffeur. Ik zei, zonder enige aanleiding, dat Wim Wenders, Tarkovski en Truffaut engelen zijn. Ik ben zelden origineel in mijn vereringen en ook niet in mijn verwensingen. Ja, zei hij, en als je cocaïne gebruikt is iedereen een engel. Zolang die fase duurt, zei ik, daarna worden ze duivels.

Terwijl we nog steeds op de trein wachtten, die misschien niet eens meer zou komen, spraken we ons verlangen uit naar een vaste woonplaats hier op aarde. In Italië of een ander kortstondig paradijs. Een vestiging. Een verlangen dat je overvalt wanneer de vergankelijkheid van alles wat je koestert of veracht je maar al te duidelijk wordt. Huiskamergeluk was ook iets waar mijn oude vriend, in zekere zin tegen mijn verwachtingen in, behoefte aan bleek te hebben.

Later, omstreeks middernacht, zat het treinverkeer nog helemaal in de knoop. Op de perrons van het kleine station stonden de reizigers elkaar nu in de weg. Ze zagen er tegelijk gelaten en rusteloos en ongeduldig uit. Niemand had veel zin om op een bank te gaan zitten, want dan gaf je misschien de indruk dat je niet naar huis wilde, dat het daar in Weerde eigenlijk ook wel goed was. 
...


*
"Miranda: Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet 
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?

Prospero: Zeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.

Miranda: Dat weet ik niet."

Shakespeare, Storm

...

Foto: Martin Pulaski, 2013. 

03-05-13

OUDE LIEDJES

vader en moeder.jpg

Mijn moeder en vader kort na de tweede wereldoorlog. Mijn moeder was negen jaar ouder dan mijn vader, maar dat zie je op deze foto niet zo. Mijn vader leek wat op Hank Williams, maar dat heeft hij nooit geweten. In Neerharen en omstreken kende niemand Hank Williams. Was dat erg? Natuurlijk niet, hoewel ik vind dat de liederen van Hank Williams en country in het algemeen goed passen bij de Maasvallei, zeker in die lang vervlogen dagen toen ik nog niet geboren was. En later, in de jaren vijftig en zestig ook nog. Ik herinner me nu cinema Eden in Lanaken, waar ik op zondagmiddag vaak twee films zag: toen ik jaren later naar ‘The Last Picture Show’ van Peter Bogdanovich zat te kijken herkende ik daarin meteen die hele sfeer, en dat kwam ook door de soundrack met veel songs van Hank Williams. Helaas waren dorpen als Rekem, Neerharen en Lanaken heel wat minder glamoureus dan de “small town” in Texas van regisseur Peter Bogdanovich en schrijver Larry McMurtry. Hoewel Cybil Shepherd mij aan sommige heel mooie meisjes in Eisden deed denken.

 

Mijn vader is gestorven op 12 mei 1993. Twintig jaar na zijn dood zal ik wakker worden in een klein hotel - Ipnos - onder de vulkaan in Catania. Overigens bewaar ik alles. Zo heb ik dozen vol oude en recente treinkaarten. Een half uur geleden opende ik nogal impulsief een oude 'Chinese' blikken doos, van mijn ouders geërfd: het eerste wat ik aantrof was een treinkaart van Brussel naar Genk en terug, vertrek op 15 mei 1993, terugkeer op 17 mei 1993.

30-04-13

WILDE DAGEN

4-29-2013_066.JPG

Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

Alles stroomt in mij en alles bruist. Elke nacht neem ik een duik in mijn eigen rivier, de rivier die ik ben, de rivier die mijn leven is, mijn verleden. Beelden dringen mijn slaperig maar wakker hoofd binnen, beelden en woorden. Woorden die uiteenvallen in letters, in klanken. Geschreeuw, gefluister, gemurmel, sensuele stemmen, het bars getier van wat veel mensen Barbaren noemen maar geen Barbaren zijn. Mijn verleden dringt zich als een immense chaos aan me op. Heb ik er binnenkort weer vat op? Kan ik het geweld van de taal in mij, en van het onzegbare in mij nog aan banden leggen, er vorm aan geven, er een mooi en integer geschenk voor jou van maken? Vooralsnog niet. Vooralsnog moet ik de chaos die ik ben aanvaarden, in de chaos vertoeven. Maar op een dag, niet te ver weg, moet ik zeggen dat het genoeg is geweest. Tijd om weer aan de slag te gaan. Het verlangen naar een zin ombuigen in werk. Want al deze dingen gebeuren in mij op weg naar een werk dat noodzakelijk is.

 

05-03-13

EMANATIES VAN EEN NAAM

contes_immoraux_1974_portrait_.jpg

Paloma Picasso als Elisabeth Báthory, in 'Contes Immoraux' van Walerian Borowczyk.

 Veronica Satory was het eerste meisje waar ik van hield. Ik was elf of twaalf en zij ongeveer even jong. Ik zat vanwege gezondheidsproblemen opgesloten in een kolonie in de dennenbossen van Limburg. ‘In the pines where the sun never shines’, maar zonder moord en doodslag. Vier lange jaren heb ik daar in god geloofd, ik ben er zelfs misdienaar geweest, dacht dat ik een roeping had. Misschien zou ik zelfs priester worden. Ik kende grote stukken uit de Evangeliën uit het hoofd. Ik leerde er van de natuur houden, van al het niet-menselijke dat mij omringde.  De meeste jongens en meisjes verbleven maar drie maanden in het Kinderdorp; ik werd na die vier jaar weggestuurd vanwege zondigheid, vooral onkuise gedachten. Op mijn dertiende was het gedaan met god, alleen de duivel bleef over. En iedereen weet dat de duivel in die dagen rock & roll danste. De mensen noemden hem Elvis en soms zelfs Little Richard.

Maar ik wilde het over mijn eerste prille liefde hebben, Veronica. Zoals bijna al mijn andere vriendjes daar heb ik ook Veronica maar drie maanden gekend. Drie intense maanden. Wat een troost bracht zij in dat eenzame bestaan, ver weg van vader, moeder en broer. Meer troost dan god en al zijn engelen, hoe gelovig ik ook was. Of was Veronica zelf een engel, misschien? Mijn herinneringen aan haar zijn vaag. Altijd al een slecht geheugen gehad, tenzij voor namen en woorden. Als ik aan haar denk zie ik haar zoals ze op de foto staat, maar dan in kleuren, met een blauwe pull en rok aan. Ik herinner me de zachtheid van haar hand, en dat ik wegsmolt, even snel als flinterdun ijs zodra de dooi inzet, als ik die even aan mocht raken. Mijn eerste meisje heeft mij voor altijd betoverd, heeft mij, ondanks mijn verlegenheid, altijd toenadering doen zoeken tot meisjes, tot vrouwen. En altijd heb ik het gezelschap van vrouwen boven dat van mannen verkozen, wat me vaak heeft doen lijden, omdat de gevoelens, de aantrekkingskracht lang niet altijd wederzijds waren.

Het is mogelijk dat ik verliefd was op haar naam: Veronica Satory. Wat zit daar niet allemaal in… Alleen al die klankrijke opeenvolging van klinkers; de u uitgezonderd komen ze er allemaal in voor, in een perfecte volgorde, mooier zelfs dan in de gedichten van Guido Gezelle en Gerard Manley Hopkins, toevallig of niet beiden priesters. De naam die ik voor mezelf heb gekozen, Martin Pulaski, is zelfs niet zo rijk aan klanken. Er komt e noch o in voor: o de mooiste letter, en e de elegantste en de lekkerste. Zo lekker dat ze zelf alles graag op wil eten. Wat een slechte keuze heb ik gemaakt. In Veronica Satory’s naam is – hoe kan het anders - o de mooiste letter. Doch wat houd ik eveneens van de y, waar je limonade of heel fris water uit kunt drinken, water uit de beek daar diep in het bos.

Veronica is Vera Icona, het ware beeld. Vero. Ze is onirisch: daardoor heb ik zo vaak van haar gedroomd, ook in mijn wakend leven. In dromen is ze altijd heel dichtbij, terwijl ze toch vaak zo ver is – zoals haar voornaam al aangeeft. Even ver als de etende e uit mijn kinderjaren en het Konika-fototoestel, eerst op de markt gebracht door apotheker Rokusaburo Sugiura, dat ik mij niet kon veroorloven: ik kon slechts een foto van haar maken met de meest eenvoudige en goedkope boxcamera van Kodak. Veronica brengt harmonie in de wereld en als ze zingt als de engel die ze is begeleidt ze zichzelf op een zilveren mondharmonica.

Satory – een sater zou je zeggen, maar dat is ze niet. Ze is ook geen duivelin, ze heeft niets met rock & roll. Haar gezang lijkt eerder op rembetika, of Ierse volksliederen, of Hongaarse (zoals je ze hoort in de ‘Rode Psalm’ van  Miklós Jancsó). Nee geen sater is Veronica Satory. En ze heeft niets gemeen met Elisabeth Báthory, de adellijke massamoordenaar uit de 17de eeuw – nochtans mooi in beeld gebracht door Walerian Borowczyk in zijn ‘Contes Immoraux’. Bij nader inzien heeft Veronica misschien toch wel iets gemeenschappelijk met de filmische Elisabeth Báthory, het erotische, het perverse, maar dat is in het beste geval alleen maar latent aanwezig.

Veeleer is ze iemand die je satori schenkt, de eerste stap naar verlichting. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik elf jaar was. Pas tien jaar later las ik Jack Kerouacs ‘Satori In Paris’ (uit 1966). Kerouac omschrijft ‘satori’ als volgt: “the Japanese word for “sudden illumination”, “sudden awakening” or simply “kick in the eye”.” En zo wil ik het onthouden. Zo wil ik haar onthouden, zo heb ik haar ontmoet: als een plotse verlichting, een licht in mijn donkere gelovige ziel.

Als ik haar naam geschreven zie staan denk ik heel vaak aan nog een ander boek, niet vanwege het verhaal, maar vanwege de fascinatie van de schrijver voor klanken en lettergrepen: ‘Lolita’, van Vladimir Nabokov. Hoe schitterend dat boek begint: “LOLITA, LIGHT OF MY life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three on the teeth. Lo. Lee. Ta.”

Met deze historische woorden, lettergrepen, verlaat ik het pijnboombos, het bos van smarten, neem ik afscheid, misschien voor altijd, van Veronica Satory. Haar beeld is nu gered: voor eeuwig zal het rondzwerven in de cyberwereld.


dooddanstrockenroll.jpg

Uitgeleend aan Guillaume Bijl voor een tentoonstelling in Plan K. Boeken uitlenen is geen goed idee, tenzij je een bibliotheek bent.