23-02-16

DE GENIALE EN STIJLVOLLE GEDACHTEN VAN EEN DRONKAARD

polaroid 1983.jpg
‘Niets heeft meer weet van de dood’, ging hij door, ‘dan de zomerzon, het felle licht en de uitbundige natuur. Je ademt de lucht, je ruikt het bos, en je merkt dat bomen en planten zich niets van je aantrekken. Alles leeft en vergaat in zichzelf. De natuur is de dood…’

Cesare Pavese, De duivel op de heuvels

Gisteravond laat, voor het inslapen, herinnerde ik me weer de sfeer in Antwerpen in de jaren tachtig. Hele nachten in cafés, het buitensporig drinken, de vele lange gesprekken met vrienden, kennissen, onbekenden. Veel van wat ik zei als ik dronken was, was banaal, maar door de alcohol, door de roes kreeg het voor mij een diepere betekenis. Soms vond ik, geloof ik, mijn uitspraken haast geniaal. Terwijl ik ze uitsprak, niet daarna, als ze al neergedwarreld waren op een vochtige tafel of toog. En al helemaal niet als ik ontwaakte in de walgelijke bleke ochtend. Die eigendunk zal wel typisch zijn voor dronkaards die al eens een boek lezen of wat gestudeerd hebben. De drank heeft vooral mijn geheugen aangetast, besef ik al veel langer dan vandaag. Vandaar dat ik me die jaren tachtig in Antwerpen – en elders - ook maar vaag herinneren kan. Al die nachten ging ik op zoek naar iets, maar ik weet nog altijd niet wát.

Ik dacht terug aan de nostalgie van Cesare Pavese. Ook bij hem het nachtleven, maar zo verschillend van het mijne destijds, dat van hem zo bitterzoet en luchtig – en toch ook leeg, zinloos: er gebeurt niets in die nachten; het echte leven van zijn personages voltrekt zich overdag. Maar ook dan heeft het geen zin, geen toekomst. De gelukkige momenten zijn altijd al achter de rug en de herinneringen eraan bieden geen soelaas, integendeel ze maken de dagen zwaar. Veel beter is het te vergeten, te leven in een grenzeloos nu. Het verleden dien je zoveel mogelijk uit te wissen en je maakt best ook geen plannen voor de toekomst.

Ik benijdde Pavese om zijn stijl, om zijn eenvoud. Een stijl, een vorm die ik noodgedwongen moest missen, omdat ik voor ‘ander proza’ gekozen had. Of ‘ander proza’ had mij gekozen: het gebeurde immers onder druk van de tijdsgeest. Hoe de juiste vorm geven aan weemoed, vroeg ik me af, aan de lijdensweg van de uren in eenzaamheid doorgebracht, hunkerend naar iets dat je zou kunnen verlossen. Een kleinigheid of iets groots, dat wist je niet.
Je wist wel dat je het lijden niet mocht verheerlijken. Ondanks de mateloosheid van het experiment voelde je de noodzaak van soberheid, van naakte woorden en zinnen. Samuel Beckett, de late Sylvia Plath. Nostalgie, weemoed, melancholie mochten een rol spelen in je ‘teksten’, maar met mate. Bovendien: hoe kon je controle behouden over dergelijke stemmingen? Gingen zij niet telkens weer met je gedachten op de loop, en schreven zíj niet je gedichten en dromen van proza?

Toen je met schaamte terugdacht aan het belachelijk stukje dat je geschreven had naar aanleiding van de dood van Harper Lee en Umberto Eco viel je gelukkig in slaap. Maar niet voor lang.

 

agnes-didi-matti-patje.jpg

 

 

08-10-15

DE WEERBARSTIGE SCHOONHEID VAN LES RENDEZ-VOUS D’ANNA

rendezvous-anna5.jpg

Gisteravond, twee dagen na het overlijden van Chantal Akerman, “uit het leven gestapt”, zag ik na vele jaren opnieuw ‘Les rendez-vous d’Anna’, met Aurore Clément in de titelrol. Anna is het alter ego van Chantal Akerman. In de film is iedereen ongelukkig, de zwijgzame maar alles observerende en aanvoelende Anna misschien nog het meest van allemaal. De film is adembenemend mooi, op elk gebied: fotografie, acteursprestaties, licht, locaties, dialogen en monologen, geluid. Hoewel ‘Les rendez-vous d’Anna’ al in 1978 uitkwam, Chantal Akerman was toen 28, is er niets verouderd of gedateerd aan. De locaties zijn veranderd, maar dat heeft geen belang. Of toch wel: het maakt de droefheid die van de beelden uitgaat nog intenser. Wie heeft beslist om het schitterende gebouw dat het Brusselse Zuidstation was zo te verminken? Ik was vergeten hoe mooi het was. De lokettenzaal, de prachtige art-deco cafetaria… En de sfeervolle cafés als je buitenkwam… Allemaal weg. Nu staan er aan beide zijden van het station niets dan 21ste-eeuwse misbaksels. Wat verderop lijkt het alsof er een burgeroorlog heeft gewoed. Verwoesting, braakland wachtend op wild ondernemerschap, ontwikkelaars die er vluchtige bunkers neer zullen zetten, zeer tijdelijke ruimtes voor financiële transacties, het verkopen van niets aan niemand. “De bouw van bedrijfsruimten en winkels neemt de komende jaren fors toe.”

Er gaat veel droefheid uit van de film, zeker, maar de beelden bieden ook troost, omdat ze zo mooi zijn. Waarom zijn ze zo mooi? Wat maakt ze zo mooi? Dat valt moeilijk uit te leggen. Je kunt het alleen maar zo verwoorden: kijk zelf een keer, twee keer, drie keer. De beelden spreken hun eigen taal, die traag is, aandachtig, goed gearticuleerd, zonder opsmuk. Onder de beelden zit niets, een station is een station, een telefooncel een telefooncel, een hotelkamer een hotelkamer. Onder de beelden zit niets, zoals er onder de pullover en de rok van Aurore Clément ook niets zit. Ze draagt geen ondergoed, dat is nergens voor nodig in een vluchtig bestaan, onderweg van de ene kamer naar de andere, nergens thuis. Een man zou zeggen: waar ik mijn hoed leg ben ik thuis. Maar die man is natuurlijk ook nergens thuis.

Chantal Akermans beelden zijn essenties. In de werkelijkheid zien een station  en een hotelkamer er net zo uit als in ‘Les rendez-vous d’ Anna’, maar toch anders, aangetast door de dagen, geschonden door voetstappen en blikken, door huid, zweet, urine, sperma. In de film zijn die sporen net zo goed aanwezig, maar je hoeft ze niet te zien, je kunt je bijvoorbeeld concentreren op de ogen van Aurore Clément, hoe ze wegkijkt van iemand, of hoe ze iemand aankijkt, met tristesse, geconcentreerd, geïnteresseerd, wegdromend, nooit met afschuw of boosheid. Aan haar ogen zie je dat Anna alles hoort, ook als ze lijkt te dagdromen. Anna luistert. Ze neemt de waarheid waar. Dat is wat Chantal Akerman zelf ook doet: de waarheid waarnemen en die in beelden omzetten, beelden van een sublieme, weerbarstige schoonheid. Zo weerbarstig dat je er twee uur lang geen seconde naast kunt kijken.
rendezvous-anna7.jpg

 

11-12-14

DE LAATSTE KEER

don't look now (2).jpg

De melancholie die je voelt als je eraan denkt dat je veel dingen die je nu nog doet ooit niet meer zal doen. Dat alles wat je doet een laatste keer kent. Alledaagse dingen zoals de afwas, maar ook uitzonderlijke zoals een diepgaand gesprek met een vriend of een verblijf in een oord dat je dierbaar is. Dat het de voorbije zomer misschien de laatste keer was dat je in Bagni di Lucca op een terrasje vlakbij het oude casino zat uit te kijken op de rivier de Lima en te mijmeren over de vele dichters en prinsessen die daar de kleine brug overstaken. Beroemdheden en vergeten bright stars, allemaal dood nu.

In ‘Exquisite Corpse’ beschrijft Robert Irwin dat elegische gevoel heel mooi: "There is a last time for meeting with and talking with everyone one knows, but one never knows when that last time will be. There will be a last time I go to Paris, a last visit to the cinema, a last breakfast, a last breath, but it is unlikely that I shall identify these 'lasts' for what they are."

Neen, je weet nooit of iets de laatste keer is, maar zeker bij reizen heb je een sterk vermoeden. Door deze straat zal ik wel nooit meer lopen, zeg je dan tegen je geliefde. Soms maakt het je zelfs al droef te denken aan de plaatsen waar je nooit geweest bent en ook nooit meer zal komen, zoals Anchorage, Sebastopol, Kyoto.

Het wordt zo vaak gezegd: het leven is kort, een moment, een flits, geniet ervan, pluk de dag. En geniet van de gelukkige herinneringen, want ze laten maar zelden van zich horen, drie of vier keer misschien, waarna ze voor altijd verdwijnen. Waar naartoe dat weten we niet. Opgeslagen in grote  ondoorzichtige glazen bokalen? In ontoegankelijke cellen, waar bloeddorstige cipiers, bereid tot foltering en doodslag, de wacht houden?

Zo herinner ik me nu een moment van geluk in hotel Angelo op een nacht in Venetië, vijfendertig jaar geleden. Na een lange avond dansen en het gevaar opzoeken in een afgelegen buurt, ver weg van het Piazza San Marco, het Canal Grande en de Rialtobrug, komen er twee jongens naar ons toe die ons waarschuwen voor slechte mensen, gespuis dat ons wil beroven en erger, twee goede jongens zijn dit, want die zijn er ook altijd, ga daar niet heen met die ragazzi, zeggen ze, maak jullie uit de voeten, wat we dan ook doen, vliegensvlug een brugje over, een straatje in, een straatje uit, en vervolgens verdwalen we in de Venetiaanse doolhof. Dan meert een watertaxi aan. De chauffeur of hoe moet ik de bestuurder van het bootje noemen, is bereid ons mee te nemen, ook al hebben we geen geld op zak. In de buurt van het hotel stap ik uit en laat mijn vriendin als garantie in het vaartuig achter. In onze hotelkamer moet ik lires gaan halen, bijna op de tast zoek ik mijn weg door donkere steegjes. Wat zal er met haar gebeuren? Misschien is de man van de watertaxi ook een slechte mens, neemt hij mijn geliefde mee naar een kelder van een duister en vervallen palazzo? Of wat ook mogelijk is, want ik heb gedronken en Quaalude genomen, misschien vind ik de weg niet terug. Maar daar ben ik al met het geld, en wat later liggen we gloeiend van opwinding in elkaars armen.

Hoe vaak zal ik me dat voorval en al de andere gevaarlijke situaties die goed afliepen, waardoor het geluksgevoel des te heviger was, nog herinneren? Misschien is dit de laatste keer, wie zal het zeggen. Maar deze herinnering heb ik nu wikkend en wegend in zinnen vertaald. Vaak echter ontsnappen ze al meteen na het moment dat ze zich voordoen of terwijl je ze probeert neer te schrijven. Dikwijls zijn de woorden ontoereikend. Je denkt terug aan iets moois in het verleden, probeert je te herinneren hoe je je toen voelde, maar alles begint te dwarrelen en alleen leegte blijft over. Toch geef je het  gevecht tegen de bloeddorstige cipiers nog niet op. Straks misschien al doet zich een andere gelegenheid voor, of morgen, wie zal het zeggen, je hebt geen macht over die stroom en kunt niet binnen in de cellen of een blik werpen op de inhoud van de grote bokalen. Tenzij het een feestdag is in je gedachten.

melancholie, herinnering, geheugen, moment, herhaling, robert irwin, cadavre exquis, venetië, bagni di lucca, laatste keer, afscheid, terugkeren, pluk de dag, genieten, vita brevis, avontuur, geluk, geluksgevoel, liefde, schoonheid,


Afbeeldingen: Don't Look Now, Nicolas Roeg,1973; Venetië, Martin Pulaski, 25 8 2007. 



02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

05-11-14

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

03-03-14

TERUGKEER NAAR MARIENBAD

Last year at Marienbad8 (2).jpg

Alain Resnais is dood. Gisteren wilde ik een in memoriam schrijven, maar toen herinnerde ik me dat ik al een tijd geleden besloten heb dat nooit meer te doen. Er wordt te veel gestorven, niet alleen door beroemdheden en grote kunstenaars als Resnais, maar door mensen, dieren en planten in het algemeen. Het idee dat het doel van het leven de dood is, dat is zo absurd en, wat mij betreft, onaanvaardbaar. Van Alain Resnais zou je kunnen zeggen: mooie leeftijd, zo oud wil ik ook wel worden. Maar dat is onzin, alleen al omdat leeftijd relatief is. En zeker ook omdat tijd relatief is. Je zou zelfs kunnen beweren dat tijd niet bestaat, tenzij als instrument om de natuur aan ons te onderwerpen. De natuur om ons heen en de natuur in ons.

alain-resnais.jpg


Slechts op Facebook schreef ik iets korts om mijn respect voor Alain Resnais, voor zijn films, uit te drukken. Dat doe ik nu wel vaker als iemand overleden is die me in een of ander opzicht dierbaar is of belangrijk voor me is geweest. Dit waren mijn woorden:  “Een van mijn uitverkoren films*. De tijd, de bedrieglijkheid van het geheugen. Vanwege het 'Marienbad' in de titel ben ik ooit helemaal naar Mariánské Lázně gelift, nog voor de val van de muur en de fluwelen revolutie. De film is daar echter helemaal niet gedraaid. En ik kwam veel te laat, alles was er vervallen, lelijk zelfs. Nu lees ik over die stad in 'Austerlitz' van Sebald. De tijd staat niet stil, alles hangt samen, Alain Resnais is dood.”

Wat later besefte ik dat mijn eigen geheugen me bedrogen had. Mijn reis naar Mariánské Lázně in de zomer van 1989 kwam me opeens weer helder voor de geest. Ik had helemaal niet gelift. Uitgeput van langdurig astma ten gevolge van een combinatie van overvloedig stof in een ministeriekantoor en aanhoudende hitte was ik in het gezelschap van mijn geliefde, onzeker of ik mijn bestemming wel levend zou bereiken, in Brussel op de nachttrein naar Neurenberg gestapt. Daar vertrok al vroeg in de ochtend een trein naar Marienbad. Ik herinner me die treinrit nog levendig, vooral de taferelen die zich voordeden bij de halte in de grensstad Cheb – niets prettigs. De aankomst in Mariánské Lázně was een teleurstelling, maar had ook iets vrolijks. Van het Marienbad uit de film van Resnais was niets te zien, maar de stad was wel op een heerlijke manier vervallen, iets wat me in die dagen erg beviel. We mochten voor een spotprijs overnachten in een immens herenhuis uit de negentiende eeuw, in een ruim maar muf en ook al stofferig vertrek. Toch was ik, je zou het bijna miraculeus kunnen noemen, toen ik de volgende ochtend uit bed stapte helemaal genezen.
Het ooit zo luxueuze kuuroord leek in 1989 nog sterk op de beschrijving die het personage Austerlitz in ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald er van geeft, terwijl hij er toch al in augustus 1972 verbleef. Voor lezers die er meer over willen weten verwijs ik naar dit geweldige boek. Een beter beeld van de stad vind je nergens anders.

Wat heeft dit nu met de dood van Alain Resnais te maken? Gaat het alleen maar om de plaatsnaam? Toch niet. Er is ook het beleven van de tijd, het verleden dat heden wordt en het heden verleden, de tijd van het verval en het verval van de tijd. Er is de herinnering en hoe de herinnering je vaak bedriegt. Enigszins grappig en ook typisch is dat ik in 1989 de tijd die in de titel verstrijkt, heb genegeerd. Want het is toch vorig jaar in Marienbad, niet nu, in 1989? Mijn reis in de ruimte was dus zinloos, ik had in de tijd moeten reizen, naar vorig jaar in Marienbad.

resnaistoute-la-memoire-du-monde-1956-02-g.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Hiroshima mon amour’, Resnais’ eerste speelfilm, in samenwerking met Marguerite Duras, de vrouw van de herhaling. Wat is dat bij haar een mooi stijlmiddel, en in dit geval ook bij Resnais. En zeker de herhaling van de plaatsnamen, Hiroshima, Nevers, Hiroshima, Nevers. En wat is dit meesterwerk van Resnais een verbluffende weerlegging van de lineaire tijd. Daarna zag ik nog een documentaire over de film en over wat eraan voorafging, onder meer de indrukwekkende documentaire ‘Nuit et brouillard’ (1955) over Auschwitz, en ‘Toute la mémoire du monde’ (1956) over de Bibliothèque nationale de France. Een uurtje of zo later las ik nog wat in ‘Austerlitz’ (het is een boek dat je best traag leest). Het hoofdpersonage woont nu in Parijs. Eigenlijk zou het me niet meer mogen verbazen want het overkomt me zo vaak, maar toch verbaasde het me: een van de eerste tekstgedeelten – paragrafen zijn er niet – die ik las betreft die bibliotheek en alsof dat nog niet volstaat vermeldt Austerlitz, of de auteur, W.G. Sebald, de documentaire van Alain Resnais, ‘Toute la mémoire du monde’ en geeft er een korte beschrijving van.


Midden in de nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik aan mijn geliefde vertelde hoe bang ik als kind was geweest voor de oorlog. En terwijl ik in mijn droom over die angst vertelde had hij zich, zoals hij in mijn kinderjaren werkelijk was, met dezelfde gruwelijke intensiteit, gemanifesteerd.

... 

 

*Ik had het over ‘L’année dernière à Marienbad’.

11-12-13

FOTOGRAFIE EN HERINNERING

diane-arbus-self-portrait-in-mirror-1945.jpg

Nu ik het toch over herinneringen en fotografie heb… En wanneer heb ik het eigenlijk niet over herinneringen? Als de herinneringen als vanzelf op het witte blad verschijnen, dan niet, dan zijn het herinneringen. En over fotografie? Dat zou ik eens moeten onderzoeken. Alleszins is de afbeelding van toen ik nog een kleine jongen was tot vandaag er altijd geweest, een evidentie, zoals water of een wiel. Ik schrijf nu ‘afbeelding’, maar ‘beeld’ zou beter zijn.

Maar terzake. Jaak Geerts, een facebookvriend, bezorgde me een link naar een artikel over het geheugen en de fotografie. De stelling daarin is dat een gebeurtenis – of object, persoon - fotograferen min of meer gelijkstaat aan ze vergeten. In een museum gaan twee personen van ongeveer dezelfde leeftijd naar een kunstwerk kijken. De ene maakt er een foto van, de andere observeert alleen maar. Een dag later blijkt de ‘fotograaf’ zich heel wat minder details te herinneren dan degene die slechts aandachtig gekeken heeft. Het is een kort en wat oppervlakkig stukje, maar het klopt wel, denk ik. Alleszins was precies dat de reden waarom ik lange tijd geen* fototoestel meenam op reis, of waar dan ook. Ik wilde alles zien zoals het was, het in mij opnemen, er mocht niets tussen mij en de ‘werkelijkheid’ staan. Als je een foto maakt schakel je je zintuigen uit, je wordt een verlengstuk van het toestel (en vice versa, dat dan weer wel). Je ziet op dat ogenblik niets. In mijn jeugdige overmoed was ik er bovendien zeker van dat ik me later alles nauwkeurig zou kunnen herinneren.

Toen ik ouder werd begon ik aan dat laatste te twijfelen. Was het toch niet beter om beelden te hebben als ‘geheugensteun’, als triggers? Erger nog: ik ging het betreuren dat ik van zoveel mooie dingen en gebeurtenissen in mijn leven geen enkel beeld bezat. Op een ongetwijfeld narcistische wijze beklaagde ik mezelf dat ik geen foto’s had van mijn geliefde in bikini (of was het monokini?) op het strand van Cannes in 1976, of van de lege straten van Firenze datzelfde jaar, of van de sfeer die er hing op het feest van de communistische krant ‘L’Unità’ in het centrum van Rome in 1979 (we mochten er zoveel goedkope rode wijn drinken als we maar konden). Foto’s van de mooiste jaren van ons leven, toen we er op z’n best uitzagen, toen we bijzonder ‘cool’ waren. Daar heb ik nu geen bewijzen van, hoe cool ik was in de jaren zeventig, verdomme toch!


Tot 1980 maakte ik maar zeer sporadisch foto’s. Bijna altijd binnenskamers, bijna altijd van personen, van een vrouw, liefst erotisch. Steeds met de camera van iemand anders. Ik had er zelf geen. Bijna altijd slecht belicht. Maar mooie foto’s… Daarna was er een overgangsperiode. Ik geloof dat foto’s maken me helemaal niet meer interesseerde. Ik ging ook niet meer op reis. We zaten in de kroegen, gingen dansen, maakten plezier om het plezier. Op een dag, ik geloof in 1989, onderging ik zoals Gregor Samsa een gedaanteverwisseling: ik werd wakker als toerist. Als een bezetene ben ik alles maar dan ook alles gaan fotograferen, meer nog toen ik op digitaal ben overgeschakeld. Maar mooi vond ik mijn foto’s niet meer. Het was allemaal veel te realistisch wat ik zag en stond daarom de realiteit in de weg.

dianearbus.jpg

Ik ben gek op foto’s van anderen. Ik geloof dat ik vooral van afbeeldingen houd van een werkelijkheid die niet de mijne is, waar ik geen toegang toe heb. Zoals die van Diane Arbus, maar zeker niet alleen die van haar. Er moet iets mysterieus op of onder de beelden te zien zijn, iets magisch, iets onverklaarbaars. Ik houd ook zeer van erotische foto’s, maar ze moeten buitengewoon goed zijn en ‘anders’. Die van Bettina Rheims bijvoorbeeld. De meisjes die zij fotografeert zijn onbereikbaar in hun bereikbaarheid. Ook een wereld waar ik geen toegang toe heb, al lijkt hij toch heel dichtbij. Als ik buiten ga en ik loop wat verder, eerste straat links, tweede rechts, voilà, daar heb je zo’n mooie jonge vrouw. Even later zit ik al bij haar op haar kamer en schenkt ze me een glas lekkere rode wijn in. Veel betere dan die op het ‘Festa de l’Unità’.

bettina_rheims_14.jpg


... 

*Financiële en praktische overwegingen laat ik nu liever buiten beschouwing.

Foto: Boven: Diane Arbus (Self-Portrait). Midden: Diane Arbus. Onder: Bettina Rheims.

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

28-09-13

ELDERS, VANDAAG

IMG_3962.JPG

Ongeveer tien minuten lopen tot aan deze spoorweg die naar elders leidt, naar andere dromen, naar wonderlijke en nare avonturen, voor sommigen naar de dood* die ze willen ontvluchten.

Het ware leven is elders, las ik hier en daar, en als ik elders was - in Flagstaff, in Marrakech, in Salamanca, om het even waar - herinnerde ik mij meermaals die wrede woorden. En op al die plaatsen, in al dat elders,  was het ware leven toch ook weer elders. 

Zelden ben je waar je moet zijn, waar je hoort te zijn of waar het goed is voor je. In een hoek met een boek misschien, of in een rode kamer met een geheimzinnige, zinnelijke vrouw, of in een winters bos als het bar koud is en de lucht diepblauw.
Zeker keer je nooit naar 1972 terug, naar Watermaal-Bosvoorde, naar het huis waar je in woonde en gelukkig was. Nooit meer zal je de jasmijnen die je daar uit een van de voortuintjes plukte – ze groeiden overvloedig, je was arm, je richtte geen schade aan – opnieuw plukken, nooit meer die zelfde zoete geur opsnuiven, nooit meer de euforie voelen die je als je daar met je kind wandelen ging voelde.

Gisterochtend, nadat ik door de mist gelopen had en in de metro en in bus 13 gezeten, dacht ik aan die dagen terug, die gelukkige dagen. Ik zat met je te praten, vertelde je over hoe het was om zo jong al vader te zijn, om voor ons kind te zorgen, en over de verrukking die zich in mij voltrok, een jaar eerder, toen mijn vrouw zwanger was en straalde als het heilig meisje dat ze was, hoe aards en aan het dagelijks leven gebonden ook… Hoe verrukkelijk ze was!
En ik vertelde je over de straat die naar beneden liep, de straat met de jasmijnen, over de geur daar in de maand mei, de lucht zoet en zwaar en licht en vol van mogelijkheden en toekomst.  En ik begon te huilen** als het kind dat ik nooit geweest ben, maar wel nog altijd ben. En ik verlangde ernaar door jou getroost te worden, verlangde ernaar dat je even door mijn haren streelde, maar dat deed je niet, omdat het niet mag.

Ja, heel even was ik daar waar ik altijd had willen blijven, in die mooie dagen, in wat nooit lijkt te zijn geweest en misschien ook nooit was. Omdat ook daar en toen het ware leven elders was. En daarom loop ik naar de spoorweg en zie de treinen vertrekken of wandel tot aan de sluis van Anderlecht waar de schepen moeten wachten tot ze weer verder kunnen varen naar elders, waar ze nooit aan zullen komen. Want elders is altijd elders voor altijd en vandaag is altijd vandaag.

*   Ja, denk hierbij maar aan Isfahan, denk aan ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck.
** "Un Ennui, désolé par les cruels espoirs, /Croit encore à l’adieu suprême des mouchoirs !" (Mallarmé, Brise Marine)

...
Foto: Martin Pulaski, 4 september 2013 

21-08-13

WAS VROEGER ALLES BETER?

valdez léal.jpg

Mijn vriend R. heeft een scherpe blik op de tijd en de maatschappij waar wij in leven. Maar zodra hij beweert dat het leven vroeger ‘beter’ was ga ik twijfelen, niet aan zijn oordeelskracht in het algemeen, maar aan die ene heel specifieke bewering (die je wel vaker hoort, en niet zelden uit de mond van intelligente en sensitieve mensen). Of het leven - en alles wat dat woord omvat - vroeger beter was weet ik hoegenaamd niet: ik ben helaas al wat te oud om me nog helder te herinneren hoe ellendig het werkelijk was toen ik jong en wild was, en vol hoge verwachtingen en verwarde verlangens door het leven stapte. Of hoe werkelijk ellendig het was. Of nog anders uitgedrukt: een mens herinnert zich vooral graag de mooiste en kleurrijkste momenten.

Ik heb in al die jaren veel geleerd, hoe vaak ik ook denk dat het maar bitter weinig is. Wellicht is een van de belangrijkste (en meest voor de hand liggende) inzichten die ik heb verworven dit: dat alles komt en gaat, zoals eb en vloed, zoals de volle maan, zoals de vier seizoenen. Dat heeft het dagelijks leven mij geleerd, maar zeker ook alle noemenswaardige kunst, literatuur en muziek.

Ja, er bestaat ongetwijfeld waardevolle kunst, literatuur, muziek, noem maar op. Ars longa, maar niets van wat wij mensen maken is hier voor eeuwig. We weten niet eens wat eeuwigheid betekent. Niets is hier eeuwig voorhanden en weinig is van blijvende waarde. Maar wat van blijvende waarde is komt zeker terug, ook al vergeten we dat graag, op zoek als we zijn naar het ‘altijd nieuwe’. Het nieuwe dat toch ook zo vlug gaat vervelen, zoals dat bij kinderen -  en kinderlijke volwassenen -  met hun speeltjes gaat. Waarschijnlijk gaat het ‘altijd nieuwe’ gauw tegensteken omdat het niet van blijvende waarde is. Misschien is het ‘altijd nieuwe’ al uitgehold, betekenisloos en zinloos, als het op de markt wordt aangeboden.

Omdat wat van blijvende waarde is ooit terugkeert, zelfs als wij er niet meer zijn, wanhoop ik niet. Zolang er mensen zijn zullen sommigen van hen, van ons, zich door die hoogtepunten laten beïnvloeden. Een klein aantal mensen zal nieuwe hoogtepunten blijven creëren. Als ik de zaken op deze manier beschouw kan ik onmogelijk beweren dat het vroeger beter was. Maar was het daarom slechter? Dat weet ik evenmin.

En wie in de toekomst dat kleine aantal exemplarische individuen – een elite die geen elite is - zal ontdekken is een vraag die me op dit ogenblik niet bezighoudt. Toch ben ik treurig telkens als ik eraan denk dat een deel van dat al kleine aantal definitief vergeten wordt. Een klein aantal? Niet echt; ze zijn al met velen: bezielde kunstenaars van alle slag - die niet voor het geld of de roem werken, maar omdat ze niet anders kunnen – die weinig of helemaal geen bijval, erkenning en waardering krijgen. Als ik eraan denk dat zovelen al vergeten zijn; dat ze niet terugkeren, zoals eb en vloed, de seizoenen, zoals de volle maan.



Beeld:  
Juan de Valdés Leal, In ictu oculi, 1672.

08-07-13

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen - las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren. 

05-06-13

VERSO

coney island september 2002.jpg
Coney Island, september 2002. Foto: Inge Van de Walle.


Een verso ontsnapt aan mijn 'brein' per versies van niet alleen thema's maar ook alledaagse gebeurtenissen zoals het voetbal, de aankoop van boeken (Euripides, Georges Simenon, Thomas Bernhard,...) het lezen van Peter Sloterdijks ‘Het kristalpaleis’ (over de 'ontdekkingsreizen' en de 'verovering van de globe', enzovoort), het luisteren naar ‘Coney Island Baby’ van Lou Reed, een bezoek aan Coney Island in New York, het wachten in het hoofdpostkantoor van Brussel, waar ik mij soms aan filatelie ga bezondigen, het nuttigen van zongedroogde tomaten, et cetera.

 

22-04-13

DE LACHENDE JONGEN

mitzietc.jpg

"'Zie je nu wel, dat ik niet weet waar ik thuis hoor. Daarom ben ik maar weggegaan."
'Blijf bij ons, meneer d'Arrast, ik van jou houden.'
'Ik zou wel willen, Socrates, maar ik kan niet dansen.'"
Albert Camus, De steen, in: Koninkrijk en ballingschap, 1957. 

Ergens in Limburg tijdens een lange hete zomer op het einde van de jaren vijftig. Wie heeft de foto gemaakt? Mijn vader wellicht. Het zal in de periode geweest zijn toen hij pas zijn eerste auto had gekocht, een Ford Consul. We zullen een van die schaarse uitstapjes hebben gemaakt. Schaars, want mijn vader verafschuwde uitstapjes. Maar dit was er een. Hoewel ik het mij niet meer kan herinneren weet ik dat ik op die dag bijzonder gelukkig was. Ik geloof dat er niet een foto van mij bestaat, als kind, jongere, of volwassene, waar ik zo stralend lach. Een geluk heeft zich helemaal meester van me gemaakt.

Op de foto ben ik in het gezelschap van wat ik in die periode als mijn tweede moeder beschouwde: Mitzi, die uit Hongarije kwam en mij door haar verhalen en haar kookkunst veel liefde voor dat zo mysterieuze land heeft bijgebracht. Naast Mitzi knielt haar dochter Brigitta neer, misschien om bloemen te plukken voor mijn broer, hoewel bloemen plukken niet echt iets was voor iemand die zo door en door rock & roll was. En dan, de reden van mijn geluk, de appel van mijn toenmalige ogen, Henriette, de jongste, beeldschone dochter van Mitzi. Voor ‘echte’ liefde waren we nog te jong, en toch was ik smoorverliefd op haar. Zij heeft me niet alleen leren beminnen (op een deugdzame manier, hoewel mijn fantasieën wellicht al niet meer zo deugdzaam waren) maar door haar heb ik ook geleerd wat liefdesverdriet is. Dat was op de dag dat zij samen met haar ouders verhuisde naar een dorp ver weg, ergens aan het einde van de wereld; alleszins buiten de provincie Limburg.

Hoe mooi een dag ook is: er zit altijd melancholie in opgeborgen.

Ruim vijftig jaar later nu, en de wereld op die foto is al onherkenbaar, zelfs voor degenen zoals ik die daar geleefd, liefgehad en getreurd hebben. Maar zijn we niet blij en tevreden dan dat we nog hebben mogen vertoeven in dat koninkrijk, ook al wonen we nu al zo lang in ballingschap?

03-04-13

IN DIE GOUDEN TIJD

herinnering,1970,brussel,geluk,eenvoud,goedkoop,sober,mooi,meubelen,appartement,wonen,interieur,dagelijks leven,ecologie


Foto: Martin Pulaski, Brussel 1970.

In die gouden tijd, hoewel toen ook de oorlog in Vietnam woedde en op tientallen plaatsen studenten en arbeiders – soms bloedig – onderdrukt werden, was het leven eenvoudig. Toen ik in 1970 samen met mijn vriendin in een appartement aan de Naamsepoort ging wonen richtten we dat in met meubels die we voor een habbekrats aanschaften bij Het Leger des Heils en bij Spullenhulp-Les petits riens. Een bed in massief hout kostte vijftig frank, een fijn afgewerkte stoel, met gevlochten rug en zitting, een tiende van die prijs. Soms waren we zo gek om op die ambachtelijk gemaakte meubelen een laag oranje of gele verf te zetten: ze deden ons te zeer aan het verleden denken, aan de manier waarop onze ouders en grootouders hadden geleefd. Van ons bed zaagde ik het hoofd- en voeteinde af, met liefde vervaardigd handwerk; ik wilde een eenvoudig bed, geen oude poespas. Een appartement of een huis huren was niet duur, als je niet al te hoge eisen stelde. Op auto’s keken we neer, tenzij ze voorkwamen in films zoals ‘Bullitt’ en ‘The French Connection’. In Brussel werd een metro aangelegd, een lijn was al in gebruik genomen (als pre-metro). Er reden bussen en trams. Maar meestal gingen we overal te voet naartoe. Niemand van onze vrienden had telefoon. Er werden geen afspraken gemaakt. Als we bij iemand op visite wilden gaan, liepen we er gewoon naartoe. Waren de vrienden niet thuis, was dat ook niet erg; dan lieten we een briefje achter en wandelden nog wat rond of gingen ergens een thee of een koffie drinken.

Het leven was eenvoudig en goedkoop. Onze verlangens waren waarschijnlijk even ingewikkeld als ze nu nog zijn, maar onze behoeften waren beperkt. Zonder al erg ecologisch bewust te zijn leefden we toch al op die manier. We waren geen verstokte consumenten, aten geen vlees, dronken weinig alcohol, reisden bijna nooit, en als we het toch deden staken we de duim op. De maan en de sterren waren voor ons belangrijker dan televisie en ander spektakel. Zelf gaf ik alleen geld uit aan muziek en boeken. En af en toe kocht ik een paar schoenen of een jeans. Ja, ons leven was eenvoudig in die dagen. En mooi, zoals in een droom waaruit je liever niet al te gauw zou ontwaken. Maar kijk waar we nu zijn. Waar zijn we nu eigenlijk?

27-03-13

SUZY

suzie2.jpg

Met Suzy op de Garelli, in Neerharen. Mijn broer François maakte de foto.


Suzy was mijn tweede hond. Mijn eerste hond had mijn vader toen ik ongeveer elf was doodgeschoten. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniel, was altijd een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een vijftal minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open, een vieze smurrie maakte vlekken op het tapijt. Aangezien ik op internaat zat heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar. Mijn vader was bang voor artsen. Als ik ziek was, wat nogal vaak het geval was, moest er soms een dokter komen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Zelf bezocht hij nooit een arts. Als hij hevige tandpijn had, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij zelf een tand uit. Zo ging het ook met Jimpy. Geen dierenarts, maar het karabijn.


Veel later, ik weet niet meer goed hou oud ik was, kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals destijds Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste honden werd ons gezegd. De beste en de trouwste. Na enkele weken reeds waren ze braaf en gewillig. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel heftiger. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Meermaals viel ik in slaap op de grond, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. En wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik er mee wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld. Maar dat is nu lang geleden. De laatste keer was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer, maar hij woonde bij mijn ouders. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd.

Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broers verbeelding is ondoorgrondelijk. Als hij al verbeelding heeft, met al dat drinken. Maar van Suzy weet ik het nog goed. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op, ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we de hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, zei mijn moeder. Nee, dat kan niet, zei ik. Er is maar een Jimpy, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Susie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd bijzonder mooi. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Ik kon haar ongeveer alles vertellen. Maar we maakten ook veel ruzie. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen. Maar dat deed ik toch. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een goede naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

17-02-13

VITA BREVIS

P1010305.jpg

Terugdenkend aan de slaapwandelaar die met zijn hond voorbijstrompelde. Aan de sterren van dronken woorden die de hele nacht richting Venus van de grond om ons heen opstegen. Bloemen die nooit konden verwelken, alleen thuis in een romantisch gedicht. Keats, Gérard de Nerval. Terwijl toch menige oorlog woedde en soortgenoten werden gefolterd. Bloed, vuur en tranen... Maar wat stond geluk in de weg? Welke god beval ons onze oneindige kus te staken?

Hoewel Seneca beweert dat het niet waar, is het wel waar: het leven is kort.