09-04-17

UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg


“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.


Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

... 

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

22-04-15

VERSLAG VAN EEN WANDELING

herman claeys 001.jpg

Om wat gemoedsrust te vinden besluit ik een wandeling te maken. Links van mij de drukke steenweg, aan mijn rechterhand groene velden achter een prikkeldraadomheining. Een vriendelijke blonde jongen, echt het outdoor type, is mijn gids. Hij zal me tot aan een verkoelende veldweg leiden en nog een eindje verder. Onderweg vertelt hij me een en ander over zichzelf. Hij toont me zijn armen – allebei zijn ze gebroken geweest, aan de polsen. Nog niet helemaal geheeld. Een brutale medeleerling van hem heeft dat gedaan. Die had de jongen gewoon even krachtig bij de polsen gegrepen. In een oogwenk was het gebeurd. Eerst had hij geen pijn gevoeld, maar daarna, een minuut of vijf later!
“Gebruld dat ik heb!”
“Die gast moet zich dan wel schuldig gevoeld hebben, zeker?” vraag ik.
“Helemaal niet” zegt de jongen lachend, “die was er zelfs trots op…”
Zo’n echt fascistisch mannetje, denk ik bij mezelf en ik vermoed dat de jongen er net zo over denkt.
“Zie je daar recht voor je dat bordje. ‘Aurora’ staat er in Pruisisch blauwe letters op. Wel, daar moeten we rechts afslaan. Daar wordt het bijzonder fijn om te wandelen.”

We slenteren door zomerse velden. Idyllisch op het eerste zicht, maar er hangt iets dreigends in de lucht. Het verhaal van de jongeman laat me maar niet met rust. Een half uur laten komen we in een dorp aan. Was dit niet het doel van mijn korte reis? We nemen afscheid en ik begeef me naar de grote dorpsgelagzaal waar ‘Just A Gigolo’, een film van David Hemmings, wordt vertoond. Ik heb het gevoel dat ik binnenstap in een mij uit mijn kinderjaren vertrouwde omgeving. In de zaal doven de lichten.
De film begint.

In de eerste sequens zien we een ogenschijnlijk gewone misdadiger een trappenhal van een Berlijns herenhuis binnenkomen. Wij – of is het de camera? – bevinden ons op de eerste verdieping van het huis. We zien de wenteltrap met grillige Jugendstilleuning in metaal. Vervolgens beneden de man, die omhoog kijkt. Zijn gezicht is nog in schaduw gehuld. Daarna een close-up van zijn gezicht. Het is Hitler. Zijn ogen zwart omrand, een priemende, boosaardige blik. Een zwarte lok over zijn voorhoofd. Ik hoor een stem die ik van ergens ken vragen:
“Zou Hitler er zo uitgezien hebben?”
Zelf vraag ik me af hoe een acteur zo sterk op Hitler kan lijken.
Nu ben ik niet langer toeschouwer: ik ben in de ruimte van de film, van het verhaal zelf… Maar passief, niemand van de anderen kan me zien.
David Bowie, die de hoofdrol speelt, richt zich rechtstreeks tot het publiek.
“Wat je nu ziet,” zegt hij, “zijn mijn 32 Elvis Presley-films in één keer”.

De jongen die mijn gids was heeft zich in een klaslokaal van een naburige school teruggetrokken. Niet op zijn gemak, schichtig om zich heen kijkend, alleen. In een gebroken wit geverfde wand van het lokaal zie ik grote openingen die toegang geven tot een tweede klaslokaal. In het klaslokaal aan mijn linkerkant zitten de Nationalisten. Deze jongeren zien eruit als brave smeerlapjes: ze spreken en zingen in de Duitse taal, zoals die in de jaren dertig klonk. Ze verdedigen de fascistische ideologie van het Vaderland. In het andere lokaal zitten de Socialisten, die Italiaans spreken en zingen. Straatjochies, zo lijkt het wel. Duidelijk minder ernstig dan de Duitstaligen. In hun ogen blikkert dezelfde humor als die van de oude film ‘Zéro de conduite’. De jongen die mijn gids was moet kiezen tussen een van de twee klassen maar zou zich veel liever afzijdig houden. Wat gebeurt er daarna met de lieve jongen?

Af en toe steekt iemand van de ene klas zijn hoofd door een van de gaten in de gebroken wit geschilderde wand om met de andere klas mee te doen, ja, om zogenaamd te sympathiseren met het andere kamp. Ik span me in om te verstaan wat de Socialisten zeggen. Maar eenvoudig is dat niet – deze potpourri van klanken. En toch geeft het een mooi effect, al die talen door elkaar. Ik onderscheid nu zelfs Nederlandse woorden. Een oudere man houdt een aanvankelijk onverstaanbare redevoering. Geleidelijk aan gebruikt hij meer Nederlandse woorden. Na een poos hoor ik geen enkele andere taal meer.

Nu heb ik het door. Dankzij een of andere truc heb ik de ruimte van de film kunnen verlaten en ben ik weer een gewoon toeschouwer. Woedend wend ik me tot de uitbater.
“Dit is een groot bedrog. Wat hier vertoond wordt is een gedubde versie, er zijn immers geen ondertitels.”
"..."
“Ik wil mijn geld terug” zeg ik.
De man bekijkt me onderzoekend en weigert.
“U had buiten moeten aankondigen dat het geen oorspronkelijke versie is,” zeg ik.
“Ga dan maar eens kijken buiten” zegt hij.
Uitzinnig van woede loop ik naar de bar, waar een aantal dorpelingen staan te praten en te drinken.
“David Bowie heeft een prachtige stem!” roep ik uit.
Dit herhaal ik een keer of drie.
Niets dan apathie. Toch blijf ik hopen op de solidariteit van de aanwezigen. Waar is mijn jonge gids dan gebleven? Ik bestel een dubbele bourbon en drink hem snel leeg.
“Nog veel nationalistisch genot!” brul ik voor ik de deur van de grote dorpsgelagzaal achter me dichtsmak.

Enkele straten met niets dan verweerde huisjes en ik ben weg uit de dorpskom. Daarna terug langs de veldweg. De mist hangt dicht boven de velden.

22-10-14

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici - en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?
jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en - de door Eddy Du Perron bejubelde - Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg
Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal - vooral Franse en Italiaanse - fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d'Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.


Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

...

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d'Espagne

...

Illustraties: 
Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott's 'Shakespeare tijdgenoot'; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.

 

08-10-08

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces

The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now,
You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich

Afbeelding: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

20-05-08

ZO SCHITTERT DE WERELD

schrijven,denken,dichten,gedicht,holderlin,heidegger,lucebert,machine,droom

Hoe krijg je de machine weer op gang, even van de veronderstelling uitgaande dat het menselijk lichaam een machine is? Vorige zondag had ik het in een gesprek met vrienden over de begrippen ‘geest’, ‘psyche’, ‘ziel’, ‘verstand’, ‘gezond verstand’, en een aantal equivalenten in andere talen, zoals ‘Geist’, ‘Seele’, ‘Vernünft’, ‘esprit’, ‘common sense’, ‘soul’, ‘mind’,  ‘âme’, et cetera. We hebben er wel een warboel van gemaakt, Pinksteren is duidelijk geen overbodig feest. 

Maar die warboel is niet noodzakelijk een negatief gegeven: hij stelt ons met name in staat om met de woorden en met de taal te spelen, en om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Ik denk dan vaak aan de uitspraak: “wat blijft stichten de dichters”. De dichters leven moeilijke levens; eigenlijk leven en sterven ze voor niets anders dan voor het gedicht. Al de rest is bijzaak, ook als ze niet bezig zijn gedichten te schrijven is hun geest – wakker of slapend – met woorden bezig, met klanken, met vormen, met het oude en zeker ook met het nieuwe, datgene wat er nog niet is. Je zou kunnen zeggen dat de dichter subversief is en de taal ondermijnt, maar net zo goed is hij de behoeder en de ‘verzorger’ van de taal. De echte subversieve pervert is de reclamemaker, die de taal probeert te vernietigen door de woorden in dienst te stellen van de verkoop van nutteloze goederen, of van politiek en macht. Dat doet de dichter niet. Hij geeft de woorden aan de woorden terug, en laat zin geven aan zijn zinnen. Hij geeft zijn woorden ademruimte door ze aan te bieden aan lezers en toehoorders. De dichter is een vrije geest en hij is een dienaar.

Nee, de mens is geen machine. Hij is een luchtwezen, dat niet alleen leeft van brood en liefde, maar ook van licht, zuurstof en beelden van woorden. En, zoals Lucebert al wist, van uitstapjes langs de afgrond. De dichter wacht op zijn muze, maar verlangt naar een beeld van een vrouw en blijft zo in beweging, zoals alles altijd in beweging is. De mens kijkt niet alleen maar naar de maan en de sterren. Hij schittert soms, en niet alleen in zijn stoutste dromen. Dromen van proza en dromen van gedichten. Zo schittert de wereld.

10-01-08

SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel


Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt - te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde - ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die 'onschuldige' taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap - wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard - eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen - en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

21-09-05

LENNY'S VERJAARDAG


india song

Het was Lenny's verjaardag.

Natuurlijk dronken we die avond veel. Dat was niet ongewoon, we deden dat ook als we niets te vieren hadden. Nu hadden we twee belangrijke redenen: het was Lenny's verjaardag en ik had net vernomen dat ik vrijgesteld was van burgerdienst.

Laura lag in bed, aan de griep ten prooi gevallen.

Lenny en ik hadden elkaar veel te vertellen. Theoretische en praktische problemen, nieuwe inzichten van de voorbije weken, verwachtingen die we koesterden...

We bevinden ons in een impasse, zegt Lenny.
Ja, dat is goed mogelijk, zeg ik.
Welke mogelijkheden resten ons nog om eruit te geraken? zegt Lenny. Kunnen we iets bereiken met ons theaterproject?
Ik denk het eigenlijk niet, zeg ik, we zijn niet voldoende professioneel, en wat nog erger is, maar weinigen van ons zetten er zich met hart en ziel voor in. Zij schijnen niet te begrijpen hoeveel dit theater voor ons betekent. Zij schijnen niet in te zien dat het voor ons een middel is om het leven te veranderen. Ik denk dat we zullen mislukken.
Ik denk het niet, zegt Lenny.

Hij is enthousiast, zit vol plannen. Ja, het is zijn verjaardag vandaag.

Ons gesprek belandt bij Tsjernitsjevski, de Russische nihilist, uitvinder van de nieuwe mens. Die nieuwe mens heet Rachmetoff. "Dat is de nieuwe mens, edel, voornaam, sterk en ascetisch. Hij oefent zijn lichaamskracht en leeft met de schippers onder het volk aan de Volga. Straks gaat hij weer naar de hoofdstad, werkt grondig in de wetenschap, ontzegt zich alles wat het volk ook ontbeert, is ten strengste eenvoudig in leefwijze en kleding."
De nihilist oefent zich in lijden, zeg ik. Maar, zelfverzaking en zelfverbrijzeling, zijn dat onze idealen, vraag ik.
Ik geloof het niet, zegt Lenny.

We schenken de glazen nog eens vol. Het Is lekkere port.

We kunnen al onze problemen net zo goed herleiden tot de angst, zeg ik. Of niet soms? Kijk maar naar de films van Bergman, luister naar de songs van John Cale. Fear is a man’s best friend. Lees Kierkegaard en Heidegger. Alles komt voort uit de angst.
Dat is het laatste steunpunt van de burgerlijke moraal, zegt Lenny. De angst, bah.
Misschien heb je wel gelijk, zeg ik. Maar Heideggers angstbegrip is niet alleen maar burgerlijk. Er zijn bepaalde overeenkomsten met het zenboeddhisme. Misschien is Heideggers angst een equivalent van het satori-begrip.
Ach, zegt Lenny, ik vind die hele angst een modeverschijnsel. Typische Franse blah blah. Zoals dat boek van Hélène Cixous, dat heet ANGST. Het is verschenen bij éditions des femmes.
Maar de jonge mensen die gaan dansen, worden die niet gedreven door de angst, vraag ik. De angst jaagt hen de dansvloer op. Kijk maar eens als zij aan het dansen zijn: hun blik is naar binnen gekeerd. Zij keren zich af van de buitenwereld. Ze maken spastische armbewegingen en schudden het hoofd alsof ze van iets bezeten zijn.
Het is een vorm van gespletenheid, zegt Lenny. Ze keren zich af van wat er rondom hen gebeurt, maar tegelijk geven ze zich over aan het ritme dat buiten hen pulseert. Die gespletenheid uit zich ook in die merkwaardige houding van 'raak me aan/raak me niet aan'. Dat stel ik bij mezelf overigens ook vast.

De radio staat aan. Een oude, rasperige stem neuzelt op melancholische toon:
You never found me
You never found me
You never found me

De mensen gaan niet langer dansen om elkaar te ontmoeten, zegt Lenny. Ze willen elkaar ontlopen. Ze zijn bang voor elkaar, daarom houden ze zich op een afstand. Raak me niet aan. Waarom bekijk je me zo? Toch blijft hun verlangen hen parten spelen. Raak me aan. Bekijk me. Wat drukken hun gebaren eigenlijk uit? Het is een taal, dat is duidelijk. Maar wie zal ze ontcijferen. Een moeilijke klus. Het is een taal die niet begrepen wil worden. Vandaar haar proteïsche aard. Elke dag is ze wel weer wat veranderd. Als je een half jaar weg bent geweest en je gaat nog eens kijken dan begrijp je er niets meer van. Volledig veranderd.
Dat klopt, zeg ik, je ziet dat heel goed in disco's. Elke week wordt er een andere dans uitgevonden, al gaat het soms maar om een kleine variatie op die van vorige week.
Zouden er bij de mieren ook zulke transformaties plaatsvinden, vraagt Lenny.

Ik herinner mij deze dialoog nog goed. Maar als een geheel. Eigenlijk weet ik niet meer echt wie wat zei. We werden één met onze woorden, we leken personages in een roman van Virgina Woolf. The Waves. De zinnen knoopten zich aan elkaar, het was alsof ze los van onze lippen en onze hersencellen onstonden.

De gebaren van degenen die dansen maken deel uit van een taal die er alles voor doet om iets te verbergen, zegt Lenny.
Maar wat wil zij dan toch verbergen, vraag ik. Misschien zoeken wij er te veel achter. We vermoeden iets ontzettends dat schuil gaat achter die dansende taal, een ongeneeslijke ziekte, of erger. Maar wat als het nu alleen maar gewoon dansen is, plezier, extase. Misschien lezen we teveel, interpreteren we teveel. Misschien leven we te weinig.

"You never found me..."

De oude man gaat maar door met zijn monotoon, bezwerend lied. We worden er stil van. Wat is dit toch? Dit klinkt eeuwen oud. Je zou haast zeggen: niet van deze wereld. Wie is het? Waarschijnlijk zullen we het nooit te weten komen. Zo is de kans ook erg klein dat ik nog ooit de muziek van S.D. Burman, uit de Indische film "Kaagaz Ze Phool" (Papieren bloemen), uit 1959 van de regisseur Guru Dutt, te horen zal krijgen.

Intussen is de fles porto leeg en schenken en drinken we de laatste druppels jenever.

Het nieuws gaat over de Katangese Gendarmes. Wat gebeurt er eigenlijk in Zaïre? In Tchatchatcha? En wie zijn die verdomde Katangese Gendarmes? Ik begrijp er niets van. Weet jij wat dat nog betekent, tegenwoordig, huurlingen? Ik niet.
We worden nihilisten, zegt Lenny. We willen de wereld veranderen. Maar we kunnen hem niet veranderen. Il n'y rien à faire.

De fles graanjenever Vieux Système is nu helemaal leeg. Gelukkig voor ons is er nog een drankwinkeltje op de hoek van de Artanstraat. Dat blijft de hele nacht open. Voor versomberen worden spoeden we ons erheen. Eens in de nachtwinkel kunnen we moeilijk beslissen wat het zal worden. Vodka, pernod, tequila? Na lang aarzelen kiezen we voor de grappa, de tequila is te duur. Nu we toch in de buurt zijn besluiten we even op visite te gaan bij Jacques en Sylvia. Als we aanbellen is er eerst geen reactie, maar na een minuut wachten - we kennen het ritueel - gaat er boven een raam open en verschijnt een blonde krullenkop in de opening. Het duurt even eer ze ons herkent, maar dan werpt ze ons de sleutel toe.

Het is intussen al lang na middernacht. We drinken grappa in de vroege ochtend. Sylvia houdt ons gezelschap, Jacques is niet thuis. We drinken en vertellen onzin. Het klaart op. De vogels zien er groot uit en slaken onheilspellende kreten.

Ik bleef alleen achter in Sylvia's salon. Lenny was vertrokken zonder dat ik het had gemerkt. Ook Sylvia was nergens te bespeuren. Ik was waarschijnlijk even ingedommeld. Misschien was zij gaan slapen, of zat ze in de badkamer. Een scherpe geur van grappa hing in de kamer. Een aangename geur is dat niet. Urine lijkt het wel. En toch heeft hij ook iets aangenaams.Omstreeks negen uur kwam Jacques thuis, net op tijd om me naar het stempellokaal te voeren. Daarna moesten we zonodig wat gaan rondslenteren in het Shopping Center van Woluwe. Sylvia heeft er een wekker gekocht. Ze zag er bijzonder bleek uit. Ze zei dat ze het koud had.

Omstreeks twee uur 's middags werd ik - weer thuis - uit mijn bed gebeld. Ik was nog helemaal niet uitgerust van het verjaardagsfeestje, een lange nacht zuipen en praten en zuipen en door de straten lopen en gek worden.

Maar ik kan dat niet, iemand voor de deur laten staan. En daardoor begon alles weer van voren af aan. Het waren Louis en Boris. Ze hadden een fles jenever meegebracht, Blankenheym & Nolet, dubbel gebeid, erg lekker na die verduivelde grappa.

Laura is intussen genezen en doet zich tegoed aan de jenever. Als de fles leeg is begeven we ons naar het biologisch restaurant Le Romarin, waar de keuken eenvoudig is, maar uitstekend, en waar de wijn fris is en goed om de de dorst te lessen. Voor arme mensen als wij zijn dit dagen van overvloed.

Zo was het leven in 1977.

Foto: uit India Song van Marguérite Duras.

25-08-05

BEREKENENDE APEN


hussserl

Twee dagen geleden vermelde ik hier terloops mijn weerzin voor het boekhouden. Ik schreef ook dat ik geen sympathie heb voor de rekenende en berekenende mens. Ik bedoelde daarmee natuurlijk niet de wiskundigen en natuurwetenschappers. Daar heb ik net grote bewondering voor (ook al vind ik de materie vaak moeilijk, omdat mijn kennis van de wiskunde zo klein is). Op een mooie zomeravond, een tweetal weken geleden, heb ik nog vol ontzag zitten kijken en luisteren naar een alweer zeer geslaagde aflevering van Zomergasten met Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Zulke wetenschappers deel ik zeker niet in bij de berekenende en rekenende mensen. Ik dacht toen ik zo oneerbiedig over dat rekenen schreef aan het ‘berekenende denken’ van Martin Heidegger, dat hij als filosoof afkeurt. Bij hem gaat het natuurlijk heel wat verder dan vervelende apen die wat zitten te rekenen. Ik ben zelf helaas nog maar weinig met filosofie bezig. Ik weet dan ook niet hoe het nu gesteld is met de tegenstelling tussen wetenschap en filosofie. Bij Heidegger was dat ongetwijfeld een zeer belangrijk thema, net zoals de techniek dat was. Heidegger was van oordeel dat de filosofie werd achtervolgd door de vrees aan aanzien en zeggenschap te verliezen als ze geen wetenschap zou zijn. Dat zou dan gelden als een gebrek dat wordt gelijkgesteld met onwetenschappelijkheid. “In de technische interpretatie van het denken is het zijn als element van het denken prijsgegeven”, aldus Heidegger. Mijn gebrek aan sympathie voor de berekenaar en de technocraat plaats ik voor het gemak even in deze filosofische context. (Een belangrijke filosoof voor het verband tussen wetenschap en filosofie was natuurlijk ook Edmund Husserl, die daar dieper op in ging in onder meer Philosophie als strenge Wissenschaft).

Verwacht van mij nu niet dat deze notities er voortaan als filosofische beschouwingen zullen gaan uitzien. Ik blijf mijn grillige weg volgen, waarbij ik me vooral laat leiden door het toeval en waarbij ik zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag uitbreng van wat in mij omgaat, van wat mij aanspreekt, van wat mij zegt wat ik moet zeggen. So don’t turn your back on me, baby, want ik blijf tot het einde mijner dagen lid van sergeant pepper’s lonely hearts club.

22-06-05

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.

 

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed - van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken). 
 
Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.
 
En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.
 
Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.