20-02-16

ORDE VAN DE DAG*

hail 1.jpg

Nu weer de oude vertrouwde onrustige slaap, met om het half uur wakker worden om te kijken of het nog geen half acht is. Het is nog maar drie uur, half vier, et cetera. Over dat patroon maak ik me minder zorgen dat over een lange, diepe slaap waaruit ik me maar met moeite los kan rukken. Mensen zijn vreemde wezens, niets menselijks is ons vreemd.

Een vriend liet me een onbekend lied van the Byrds horen. Het stond op een tape die uit een grote witte magical mystery box kwam. Daar zat nog ander materiaal in, onder meer palimpsesten, teksten die van achteren naar voor waren geschreven, mystieke traktaten, kosmische muziek. De song zelf was mooier dan om het even wat the Byrds ooit op plaat hebben gezet, mooier dan ‘Draft Morning’ en ‘Hickory Wind’. Hij klonk ook als een palimpsest, meerlagig, met zang en instrumenten die in sommige gedeeltes achterstevoren waren gemixt. Toch was het geluid helder, transparant (niet als glas maar als vleugels van grote witte vlinders in de zon). Het was de ‘typische’ sound van the Byrds, maar nog meer pastoraal, met nog meer hunker, met een duidelijk uitgesproken verlangen naar eenwording met de natuur, met het Al – en daar tegenover de melancholie die het gevolg is van de onmogelijkheid van zo’n eenwording. De verscheurdheid van de mens die alleen staat in de natuur, zoals een personage op een doek van Caspar David Friedrich. Een verscheurdheid die met veel schoonheid - tedere en etherische geluiden, harmonieuze zangpartijen – wordt uitgedrukt, niet met brutaliteit, niet met geluidsterreur. Het lukte me om hier en daar een woord van de achterstevoren geschreven tekst te ontcijferen. Ik besefte dat ik hier de sleutel kon vinden voor de deur naar een andere vorm van waarnemen en ervaren. Maar dan had ik geduld nodig en tijd.

0notorious.jpg

Het is erg mistig maar je voelt dat de zon er al door wil dringen. Nog even wachten voor ik de ramen open. Frisse lucht in deze kamers.

Het is niet goed als de patronen die je dagen bepalen een routine worden. De herhaling - van altijd dezelfde handelingen op dezelfde uren van de dag - is een kwelling, een koud vuur dat je opbrandt zonder dat je er erg in hebt. Herhaling en routine maken je oud en moe. Maar anderzijds heb je discipline nodig om te kunnen werken, om ‘geestelijk’** te kunnen leven. Chaos maakt je net zo goed kapot als orde. Is het mogelijk de ene dag chaotisch te leven en de andere gedisciplineerd, de ene dag als een anarchist de andere als een emotionele fascist (om eens een uitdrukking van Elvis Costello te gebruiken)?
0frances-mcdormand-as-c-c-calhoun.jpg

Na lang geaarzel en nietszeggende argumenten pro en contra dan toch naar de cinema. ‘Hail, Caesar!’ van de gebroeders Coen. Ik heb van al hun films genoten, van hun stijl, hun humor, hun dialogen, van alles. Het meest van al van ‘Fargo’, in mijn ogen een meesterwerk van zwarte humor. Soms doet het werk van de broers me wat aan dat van Mel Brooks denken. Maar heb ik destijds niet veel van Mel Brooks gehouden? De Coens doen het echter allemaal nog beter. Niet alleen de humor, de satire en pastiche maar ook en vooral het verbeelden (in beeld brengen) van de tijd, van specifieke tijdsperiodes. Van ruimte in de tijd, van locaties en personages. En er is bij hen niet alleen maar humor en satire maar ook drama, passie en zelfs tragedie. In ‘Hail, Caesar!’ sprak de eigenlijke intrige, het Christus-verhaal zal ik het maar noemen, mij meer aan dan de ‘fragmenten’ – elk in een specifiek genre, melodrama, musical, western, zwemfilm – die er zijn in ingebed. Het maakt mij niet uit of dat verhaal ernstig mag genomen worden of niet, voor mij is het een mooi voorbeeld van een kleine heroïsche strijd tegen corruptie, verleiding, bedrog, zelfverlies. Het is niet nodig om in Jezus, de duivel of god te geloven om geraakt te worden door een passiespel. De fragmenten, pastiches van Hollywoodgenres zoals die in het begin van de jaren vijftig werden gedraaid, vond ik bijwijlen minder geslaagd. Zeker de musical ‘No Dames!’ had beter gekund. Waarschijnlijk was het budget van de regisseur van de matrozenfilm wat te klein om zo’n dansnummer tot in de kleinste details te verzorgen. Het is zelfs mogelijk dat de gebroeders Coen het zo bedoeld hebben. Het meeste pret heb ik beleefd aan de vergadering met de geestelijken waarin over de aard van god en Jezus wordt geredetwist, aan de bijeenkomst van de communistische scenaristen en aan de stukjes met Scarlett Johansson (voor mij voor altijd het meisje uit ‘Lost In Translation’, nu wel erg grofgebekt), Tilda Swinton (voor altijd de echtgenote van David Bowie) en Frances McDormand (voor altijd een zwangere politieagente).
Ik ging ervan uit dat ‘Hail, Caesar!’ een film voor het zogeheten ‘grote publiek’ was. Maar gelukkig is dat niet het geval. Alleszins heb ik geen geur van popcorn opgesnoven.
0tilda-david3.jpg

Op televisie ging het over de uitverkoop van de Europese Unie, het bedriegen en uitpersen van de Belgische bevolking, vooral van degenen die het financieel of op ander gebied moeilijk hebben, de grote meerderheid dus, en over de gunsten, geschenken en privileges van ‘onze’ regering voor de superrijken. Walgelijk spektakel. Escapisme is een tijdelijke oplossing, maar wat meer en meer noodzakelijk wordt is actie. Dat we eindelijk op straat komen en onze woede uiten, dat we eindelijk deze verdomde regeringen naar huis sturen en mensen verkiezen die ons werkelijk en rechtstreeks vertegenwoordigen.

...


*Stemmingswisselingen iii
**’Geestelijk leven’, is er iemand die die uitdrukking nog gebruikt?
Afbeeldingen: Scarlett Johansson; The Notorious Byrd Brothers; Frances McDormand; Tilda Swinton & David Bowie.

 

09-01-14

WOLKEN

IMG_0073.JPG

Een blik door het raam deed mij de woorden waar ik naar op zoek was nog voor ik ze vond al vergeten. Is dat mogelijk? Dat moeilijk te begrijpen ogenblik tussen ontstaan en er zijn, hoe vat je dat? Ik weet het niet. Maar wat ik zag waren wolken, gewoon maar wat wolken, dichtbij heel donker, verder weg helder, wit als mijn scherm, maar zachter van licht, en recht voor me het begin van een zon, of het einde, want het was bijna vijf uur, dat wist ik zonder op de klok te kijken (ik was net beneden in de keuken een glas water gaan halen). In de dakgoot in het huis aan de overkant zag ik de reflectie van het wit in die lucht in het regenwater; ja, in die kleine spiegel, of eerder een bijna volmaakte scherf, ontwaarde ik een spiegelbeeld van iets groots. En dat grootse was toch ook weer heel klein in vergelijking met het nog veel grotere daarachter, daarboven, daaronder, overal (of bijna overal waar je kon denken als je nog kon denken in een situatie als deze, aangeraakt als je was door Apollo, zoals Hölderlin zegt).

Misschien was ‘ontwaren’ het woord dat ik zocht, want waarom schreef ik dat hier nu neer? Dat gebruikt toch geen mens meer, het is zo verheven, zo zweverig, zo helemaal niet van deze tijd vol ijverzucht en eigenbelang.

Kijk nu, rechts voor me staat een gebouw van de Anderlechtse Haard in brand, van de zon is dat, ook al is de zon niet meer zichtbaar. Een felle oranje gloed, bijna van menselijke makelij, maar zelfs Rothko zou dit niet kunnen en niet willen overtreffen, en daarboven een heel stuk aangetast wit. 

Geen winterse wolken zie ik. Het zijn stormwolken, het is een storm die voor mijn ogen vorm krijgt. Ik hoor echter geen enkel geluid. Sam Cooke heb ik het zwijgen opgelegd; ik geloof dat ik dat nooit eerder heb gedaan. ‘Touch the Hem Of His Garment’, zong hij. Was het een teken? Nee, dat denk ik niet, het is gewoon een lied. Mocht god bestaan had niemand Sam Cooke doodgeschoten in een ranzige motelkamer, mocht god bestaan zou ik ook niet verlangen naar jou maar naar hem. Nee, hij bestaat niet. Maar wel de wolken, nu stilaan een donkere, wat dreigende massa geworden.

...

Foto: Martin Pulaski, 21 april 2013 

05-03-13

EMANATIES VAN EEN NAAM

contes_immoraux_1974_portrait_.jpg

Paloma Picasso als Elisabeth Báthory, in 'Contes Immoraux' van Walerian Borowczyk.

 Veronica Satory was het eerste meisje waar ik van hield. Ik was elf of twaalf en zij ongeveer even jong. Ik zat vanwege gezondheidsproblemen opgesloten in een kolonie in de dennenbossen van Limburg. ‘In the pines where the sun never shines’, maar zonder moord en doodslag. Vier lange jaren heb ik daar in god geloofd, ik ben er zelfs misdienaar geweest, dacht dat ik een roeping had. Misschien zou ik zelfs priester worden. Ik kende grote stukken uit de Evangeliën uit het hoofd. Ik leerde er van de natuur houden, van al het niet-menselijke dat mij omringde.  De meeste jongens en meisjes verbleven maar drie maanden in het Kinderdorp; ik werd na die vier jaar weggestuurd vanwege zondigheid, vooral onkuise gedachten. Op mijn dertiende was het gedaan met god, alleen de duivel bleef over. En iedereen weet dat de duivel in die dagen rock & roll danste. De mensen noemden hem Elvis en soms zelfs Little Richard.

Maar ik wilde het over mijn eerste prille liefde hebben, Veronica. Zoals bijna al mijn andere vriendjes daar heb ik ook Veronica maar drie maanden gekend. Drie intense maanden. Wat een troost bracht zij in dat eenzame bestaan, ver weg van vader, moeder en broer. Meer troost dan god en al zijn engelen, hoe gelovig ik ook was. Of was Veronica zelf een engel, misschien? Mijn herinneringen aan haar zijn vaag. Altijd al een slecht geheugen gehad, tenzij voor namen en woorden. Als ik aan haar denk zie ik haar zoals ze op de foto staat, maar dan in kleuren, met een blauwe pull en rok aan. Ik herinner me de zachtheid van haar hand, en dat ik wegsmolt, even snel als flinterdun ijs zodra de dooi inzet, als ik die even aan mocht raken. Mijn eerste meisje heeft mij voor altijd betoverd, heeft mij, ondanks mijn verlegenheid, altijd toenadering doen zoeken tot meisjes, tot vrouwen. En altijd heb ik het gezelschap van vrouwen boven dat van mannen verkozen, wat me vaak heeft doen lijden, omdat de gevoelens, de aantrekkingskracht lang niet altijd wederzijds waren.

Het is mogelijk dat ik verliefd was op haar naam: Veronica Satory. Wat zit daar niet allemaal in… Alleen al die klankrijke opeenvolging van klinkers; de u uitgezonderd komen ze er allemaal in voor, in een perfecte volgorde, mooier zelfs dan in de gedichten van Guido Gezelle en Gerard Manley Hopkins, toevallig of niet beiden priesters. De naam die ik voor mezelf heb gekozen, Martin Pulaski, is zelfs niet zo rijk aan klanken. Er komt e noch o in voor: o de mooiste letter, en e de elegantste en de lekkerste. Zo lekker dat ze zelf alles graag op wil eten. Wat een slechte keuze heb ik gemaakt. In Veronica Satory’s naam is – hoe kan het anders - o de mooiste letter. Doch wat houd ik eveneens van de y, waar je limonade of heel fris water uit kunt drinken, water uit de beek daar diep in het bos.

Veronica is Vera Icona, het ware beeld. Vero. Ze is onirisch: daardoor heb ik zo vaak van haar gedroomd, ook in mijn wakend leven. In dromen is ze altijd heel dichtbij, terwijl ze toch vaak zo ver is – zoals haar voornaam al aangeeft. Even ver als de etende e uit mijn kinderjaren en het Konika-fototoestel, eerst op de markt gebracht door apotheker Rokusaburo Sugiura, dat ik mij niet kon veroorloven: ik kon slechts een foto van haar maken met de meest eenvoudige en goedkope boxcamera van Kodak. Veronica brengt harmonie in de wereld en als ze zingt als de engel die ze is begeleidt ze zichzelf op een zilveren mondharmonica.

Satory – een sater zou je zeggen, maar dat is ze niet. Ze is ook geen duivelin, ze heeft niets met rock & roll. Haar gezang lijkt eerder op rembetika, of Ierse volksliederen, of Hongaarse (zoals je ze hoort in de ‘Rode Psalm’ van  Miklós Jancsó). Nee geen sater is Veronica Satory. En ze heeft niets gemeen met Elisabeth Báthory, de adellijke massamoordenaar uit de 17de eeuw – nochtans mooi in beeld gebracht door Walerian Borowczyk in zijn ‘Contes Immoraux’. Bij nader inzien heeft Veronica misschien toch wel iets gemeenschappelijk met de filmische Elisabeth Báthory, het erotische, het perverse, maar dat is in het beste geval alleen maar latent aanwezig.

Veeleer is ze iemand die je satori schenkt, de eerste stap naar verlichting. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik elf jaar was. Pas tien jaar later las ik Jack Kerouacs ‘Satori In Paris’ (uit 1966). Kerouac omschrijft ‘satori’ als volgt: “the Japanese word for “sudden illumination”, “sudden awakening” or simply “kick in the eye”.” En zo wil ik het onthouden. Zo wil ik haar onthouden, zo heb ik haar ontmoet: als een plotse verlichting, een licht in mijn donkere gelovige ziel.

Als ik haar naam geschreven zie staan denk ik heel vaak aan nog een ander boek, niet vanwege het verhaal, maar vanwege de fascinatie van de schrijver voor klanken en lettergrepen: ‘Lolita’, van Vladimir Nabokov. Hoe schitterend dat boek begint: “LOLITA, LIGHT OF MY life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three on the teeth. Lo. Lee. Ta.”

Met deze historische woorden, lettergrepen, verlaat ik het pijnboombos, het bos van smarten, neem ik afscheid, misschien voor altijd, van Veronica Satory. Haar beeld is nu gered: voor eeuwig zal het rondzwerven in de cyberwereld.


dooddanstrockenroll.jpg

Uitgeleend aan Guillaume Bijl voor een tentoonstelling in Plan K. Boeken uitlenen is geen goed idee, tenzij je een bibliotheek bent. 

03-12-12

HET WARE BEELD VAN DE HEER*

ware beeld.jpg
Martin Pulaski, Via Dolorosa, Guimarães, 12 november 2012. 
"Jezus wordt van zijn kleren beroofd."

Voorlopige stuur ik je gedachtensnippers, flarden van denkbeeldige gesprekken met jou. Je antwoordt me niet, wat ik begrijp: antwoorden is een kwestie van tijd en temperament. Om van die conversaties geen monologen te maken verzin ik je reacties. Waarom ben je het over alles wat ik beweer met me eens? Of vergis ik me in wat ik verzin?


Zo kort duurt mijn verblijf in Guimarães dat het lijkt op een droom die ik ergens tussen vijf voor zeven en zeven uur ’s ochtends had. Deze oorspronkelijke hoofdstad in het Noorden van Portugal is een mooie, relatief klein en proper, vergelijkbaar met Brugge maar dan op zijn Portugees. Geen Minnewater maar groene, glooiende heuvels rondom. Veel pleinen en terrassen waar bijna geen mens te zien is. Het is maandag, de musea en andere bezienswaardigheden zijn gesloten. Een ideale dag om hier te lanterfanten. 

Waarom lijkt alles veel duurder dan in Porto, dan in Lissabon? Waarschijnlijk omdat het de culturele hoofdstad van Europa is… Maar volgend jaar dan? Blijft alles dan net zo duur als nu? Gelukkig geldt dat niet voor de sardienen… Die zullen wel altijd goedkoop zijn.

’s Avonds, opnieuw aan tafel, in Porto, vroeg ik mijn vriend José of het normaal is dat er zoveel helder bloed in die vissen zit. Terwijl ik daar in dat oude Guimarães aan die sardienen zat te wriemelen vreesde ik even dat de kok mij wilde vergiftigen. Zulke dingen gebeuren in zulke stadjes. Misschien kwam die gedachte ook wel bij me op door de Vinho Verde die mij werd uitgeschonken. Ik houd van zowat alle Portugese wijnen, alleen de Vinho Verde smaakt me niet. Ja, zei José, dat heldere bloed wijst erop dat de sardienen vers waren. Prijs jezelf gelukkig, vriend.

Niet alleen in Porto is iedereen vriendelijk tegen me, ook in Guimarães is dat het geval. Zelfs de garçon die me Vinho Verde brengt is vriendelijk. En nog ongewoner: het meisje in het toeristisch informatiecentrum is vriendelijk. Ze is vriendelijk en schuchter en lijkt op een Portugese heilige – een bevallige combinatie, hoewel ik een voorkeur heb voor zondaars. Een vriend van me, overleden in 1991, schreef me ooit uit Lissabon – in de zomer van de grote brand - dat de Portugezen een ‘onbeschoft volkje’ waren. Onzin, maar dat wist ik toen niet. Ik ben al vaak in Portugal geweest en heb nog maar een onbeschofte Portugees ontmoet. Dat was in het toeristisch informatiecentrum van Sagres, van god en bijna alle mensen verlaten stadje.  Mocht er toch een god bestaan, hij zou die man streng straffen. Ja, zijn lijden zou misschien vergelijkbaar zijn met wat ik zag op afbeeldingen van de veertien staties van de via dolorosa, in de buurt van Lagos.

Wat later, mijn glas rode wijn was leeg, vertelde ik José, nogal enthousiast denk ik, over de staties die ik in Guimarães aandachtig bekeken had, in het bijzonder over statie zes, “Veronica droogt het aangezicht van Jezus af”. Maar wie is toch die Veronica, ik heb al zoveel over haar gehoord, zei hij. Veronica, zei ik, is het ware beeld van de heer, Vera Icona… Moest ik nu echter die hele geschiedenis weer uit de doeken doen, vroeg ik me af. Ach nee, vervolgde ik, Veronica, dat was mijn eerste liefje. Mijn Portugese vriend lachten hartelijk, wat waarschijnlijk mijn bedoeling was; toch was ik zelden zo ernstig geweest.

Meer snippers volgen later misschien. Als ik minder overhoop lig met de tijd en met mijn temperament. Als je het in mijn monologen met jou wat minder met me eens bent. En zeker als ik snippers van jou ontvang. Snippers van je dagelijks geluk en je dagelijks afzien. Snippers van je denkbeeldige gesprekken.


*Bewerking van een notie van 30 november 2012. Gepubliceerd op 3-12-2012.

04-11-11

WEER EEN NIEUWE WEERLEGGING VAN DE TIJD?

 

borges_1921.jpg

De jonge Jorge Luis Borges, een momentopname.

Ik hecht veel meer waarde aan de commentaren van zoveel lieve en tedere en aandachtige mensen (op flickr) dan aan mijn eigen foto's. Daarom, ik herhaal het, heb ik die zo vluchtige reacties op een foto uit 1968 in de tekst van 1-11-11 even aan de vergetelheid willen onttrekken. Het gaat echt niet, in zoverre ik dat kan weten, om een narcistisch oprakelen van een voor mij idyllische tijd. Ik ben niet die jongen op de foto. Ik ben een andere, en dat moment is voor goed vervlogen. Evenmin was het een idyllische tijd. Ik geloof dat niemand ongelukkiger is dan een tiener, een jongen of een meisje van zeventien. En ik geloof nu dat in 1968 alle jongeren ongelukkig en ontevreden waren. Vandaar zoveel onrust, opstandigheid, escapisme. De beste mensen van mijn generatie gingen aan wanhoop en frustatie ten onder, om even Allen Ginsberg te parafraseren.

Woorden van waardering en liefde worden gauw vergeten. Ze aan de vergetelheid onttrekken? Onbegonnen werk, misschien, net zoals Borges' 'Nieuwe weerlegging van de tijd'. Bij Borges heb je vaak die tegenstelling tussen het vergankelijke en de eeuwigheid, de tijd die duurt, en doordat hij duurt ook vloeit en voorbijgaat, en het moment dat eeuwig lijkt, omdat het niet duurt, niet vloeit, omdat het stilstaat. 

Wij denken niet graag na over onze vergankelijkheid, kunnen ons niet voorstellen dat we er op een dag niet meer zullen zijn. We blijven plannen maken, al gauw is onze agenda voor een heel jaar ondergesneeuwd. Reizen, ontmoetingen, afspraken waarvan je zeker lijkt te zijn, maar die als drijfzand zijn, als onmogelijk te tellen zandkorrels op een vertrouwd strand. Nee, zandkorrels worden niet geteld, evenmin als haren. Zandkorrels nemen de golven mee naar niet vertrouwde streken, haren worden grijs en vallen uit. Om de tijd te trotseren draag je dan nog even een hoed. Of je wist de wilde dagen uit met wat plastische chirurgie. In een erger geval met niet-plastische chirurgie. Het zand raakt ondergesneeuw, onze agenda's vergelen in het zonlicht. Wij ademen de maan in en de sterren, maar ook dat duurt niet lang. Elk moment heeft zijn tijd en wat gebeurt en gebeurd is valt niet te weerleggen.

Wat een dom idee om mooie woorden, wensen en gedachten te willen onttrekken aan de tijd, de tijd die met zijn momenten de eeuwigheid nabootst.

22-06-09

RITUELEN


Queen_Christina

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

23-07-08

BURN THE LOUVRE?


“Burn the Louvre,” the mechanic says, “and wipe your ass with the Mona Lisa. This way at least, God would know our names.”

Deze uitspraak komt uit ‘Fight Club’ (1996), de eerste roman van de Amerikaanse auteur Chuck Palahniuk. Als ik me nog goed herinner is de  ‘mechanic’ hetzelfde personage als Tyler Durden, die op zijn beurt een afsplitsing is van de verteller, die soms Joe wordt genoemd. In de gelijknamige film (1999) van David Fincher speelt Brad Pitt de rol van Tyler Durden. Hij doet min of meer dezelfde uitspraak als in het boek.

‘Fight Club’ is een bijzonder fascinerend verhaal; de film echter sleept je nog meer mee in een donkere, absurde wereld, waar niets is wat het lijkt. Fincher is daar een meester in, denk maar zijn andere succesfilm, ‘Seven’.

fight-club


Het is niet mijn bedoeling het oorspronkelijke verhaal hier uit de doeken te doen. Je kunt het boek lezen, de film bekijken, en materiaal opzoeken op andere websites. Gisteren werd ik toevallig opnieuw met deze uitspraak geconfronteerd toen ik nog eens ging kijken op de flickr-pagina van Kathy Slamen, alias Hellophotokitty, een fotografe die ik fascinerend vind en al lang volg. Maar dat volstond voor mij nog niet om dieper op de uitspraak in te gaan.

Gisteravond was ik bijzonder onrustig. Ik overliep mijn honderden dvd’s en kon maar niet beslissen welke film ik zou bekijken. Waarom weet ik niet, maar uiteindelijk koos ik voor ‘Butterfly Kiss’ (1995) van de uitstekende regisseur Michael Winterbottom (zijn ‘I Want You’ vind ik een meesterwerk). ‘Butterfly Kiss’ is een roadmovie over een godsdienstwaanzinnig meisje, Eunice, dat door Noord-Engeland trekt, op zoek naar de mysterieuze Judith en een lied dat niemand schijnt te herkennen. Eunice is bijzonder gewelddadig, moordlustig zelfs. Ze is zelf de bijbelse Judith die Holofernes onthoofd. We zijn vertrouwd met haar beeld door de werken van Boticelli, Veronese en Caravaggio. Het verschil tussen Eu(nice) en Judith is de herhaling: Eu blijft de moord op Holofernes herhalen.
Ze betrekt bij haar wanhoopsdaden, want dat zijn het, het naïeve, lesbische meisje Miriam. Natuurlijk is ook de oorspronkelijke Miriam een bijbels personage. Zij componeert onder meer een lied als het leger van de Farao verdrinkt in de Rode Zee. Miriam is zo ongeveer het enige personage in ‘Butterfly Kiss’ dat niet wordt vermoord. Waarom niet? Eunice / Judith is een godsdienstwaanzinnige. Ik gebruik dit woord niet graag, maar ik vind geen ander. De waanzin van Eunice, hoe vreselijk ook, is namelijk bijzonder oprecht en wreed en zuiver. Goorheid, verschrikking en zuiverheid gaan meestal hand in hand. Eunice gaat gebukt onder een diep schuldgevoel. Ze kastijdt zichzelf. Eunice zoekt god. Maar god laat niet van zich horen. Als ik het ergste doe wat een mens kan doen, dan zal god me horen en zien, denkt ze. Maar god blijft zwijgen. En Eunice zet haar bloedige tocht verder, het ene na het andere slachtoffer kruist haar weg, en Miriam volgt haar en wist de bloedsporen uit. Miriam is niet op zoek naar god, zij wil alleen maar begrijpen, liefde geven. Haar god is de liefde. Als Eunice ervan overtuigd raakt dat, wat ze ook doet, god zich nooit zal laten zien, vraag ze Miriam haar te doden. Miriam verdrinkt Eunice in de zee.

Boticelli-Judith


De film was gedaan. Ik zat in stilte in mijn kamer. Daar was die zin van Chuck Palahniuk weer. Ik dacht niet aan onnozelheden als plagiaat. ‘Le plagiat est nécessaire’, schreef Lautréamont in zijn ‘Poésies II’. Ik dacht aan Goebbels, aan de nazi’s, aan de ‘Entartete Kunst’. Burn the Louvre! “Als ik het woord cultuur hoor grijp ik naar mijn revolver”, is de vaak geciteerde uitspraak van Goebbels. “Wipe your ass with the Mona Lisa…” Jongens toch… Ik kreeg het er moeilijk mee. Uiteraard wist ik dat het zeer waarschijnlijk niet de mening van de auteur was, maar van een van zijn personages. En toch… Ik herinnerde me het bijna ondraaglijk mooie lied van Bob Dylan, ‘Visions Of Johanna’, met daarin die onvergetelijke regels:

‘Mona Lisa must have had the highway blues
You can tell by the way she smiles…”

Wat een verschil. Bob Dylan noch Robert Zimmerman veegt zijn gat af aan de Mona Lisa, ook al gaf Duchamp haar een snor. Maar nog altijd liever een Mona Lisa met een snor, en zeker een die de highway blues heeft, dan een die stront in plaats van make-up op het glimlachende aangezicht heeft. Nee, dacht ik, ‘Fight Club’, is mijn wereld niet. (Gek is dat in Finchers ‘Seven’ ook een hoofd wordt afgehakt, een heel mooi hoofd trouwens.) Overigens denk ik niet dat een god, als hij zou bestaan en schepper zou zijn van de mens, er wakker van zou liggen dat het Louvre zou worden afgebrand, of de Mona Lisa besmeurd. Maar een god die toestaat dat een mens wordt vermoord bestaat niet, kan niet bestaan.

En waar de absolute, van god verlaten eenzaamheid toe leidt zag ik in ‘Butterfly Kiss’. Die wereld ken ik beter. Ik begrijp hem beter. Eunice zal nooit de Mona Lisa met haar excrementen besmeuren. Het is de eenzaamheid die haar tot haar wrede daden leidt. De afzondering. Het geloof in een genadige god, de hoop dat die haar zal troosten, haar zal zien. Terwijl ze alleen van de mensen heil kan verwachten. Alleen de verschrikkelijke mensen kunnen haar redden. Het geloof heeft haar blind gemaakt voor de genade van de mensen, de troost van vreemden.

 

11-07-08

DE LATE HYMNEN

 


De late hymnen spoelen niet aan op een verlaten strand

Na een elektronische Apocalyps. Na een doodgewone schipbreuk evenmin.

Als je alleen op een strand staat onder het maanlicht

Snelt geen atoomduikboot of enige ander vaartuig op je toe

Om je broze huid, je leergierige ogen te redden.

De late hymnen? Niets van dat gedoe raakt koude kleren.

Liever verkleumt men in Alaska als ultieme avonturier

Dan het woord ‘Zeit’, het woord ‘Aber’, te lezen

En nog minder om er een berg bij te bedenken en een tweede berg.

De berg, namelijk van het denken, en die van de mythologie.

Thelonious zwijgt, geen spoor van God vandaag.

En morgen, morgen misschien? Morgen nog minder sporen.

Beter nog sta je voor het voetlicht en zing je een schunnig lied

Dan zo de lege stilte te gedogen en nooit een woord in te schakelen

Om de afwezige terecht te wijzen. Want sprak hij niet over zijn terugkeer

In die tijd toen de mensen hun hoofden in hun handen hielden

En het water zoet uit de oceanen het land in stroomde vol donkere

En lichte vissen en de schepen met vlaggen waren versierd

Alsof zij de boodschap van iets hogers verkondigden en niet alleen maar

Dat er vandaag verse vis was en misschien ook wel een vissersvrouw

Of twee en enkele bedgeheimen om op voort te bouwen?

11-10-06

MUZIEK: JE MOET ZELF MAAR KIEZEN WAT JE MOOI VINDT


De website Last-fm laat mij elke week zien welke mijn favoriete muzikanten, elpees en songs zijn. Het is is een soort van alternatief marktontderzoek van mijn ‘onbewuste’ muziekkeuze. Maar houd ik echt zoveel van Vashti Bunyan? Helemaal niet. Ik zou zelfs niet één titel van een lied van deze zangeres kunnen noemen. Dat noemen van titels en namen wordt trouwens hoe langer hoe moeilijker. Think! Maar ik weet weliswaar dat ik van the Rolling Stones, Bob Dylan, the Who, Fairport Convention, Hank Williams en Aretha Franklin nog altijd zonder nadenken tientallen titels zou kunnen noemen.

Ik zit nu na te denken over een bewuste en noodzakelijke – noodlottige - lijst van favoriete platen in plaats van een onbewuste en toevallige. Maar het hangt toch altijd allemaal af van het moment, van het seizoen, van de stand van de sterren en de maan, van de armen van je geliefde en van de inhoud van je glas. Niets is definitief. (Zelfs god is ooit gestorven. Niemand schijnt daar nog wakker van te liggen, maar in de 19de eeuw was dat pagina één-nieuws. Nu hebben we Tom Boonen en Bush.)

Daarnet hoorde ik Shine van Daniel Lanois. Ik kreeg er geen kippenvel van, maar volgende week behoort Lanois wellicht bij mijn select clubje. Te mooi om waar te zijn. Wat me wel tot tranen toe ontroerde vanavond was Innocent When You Dream van Tom Waits, zoals het lied ‘gebruikt’ wordt in Wayne Wangs en Paul Austers morele fabel Smoke. Te waar om mooi te zijn. Tom Waits? Ja. Wayne Wang? Ja. Paul Auster? Ja. Met deze lofbetuiging en deze droom zeg ik u tot ziens, mesdames et messieurs.

08-07-06

VERLANGEN

psychoanalyse,god,justine henin,zizek,freud,lacan,verlangen,gesprek,magazine litteraire

Vandaag las ik in Magazine Littéraire een interessant interview met Slavoj Zizek. Omdat het thema van de maand van het tijdschrift ‘het verlangen’ is, gaat het gesprek daar ook voornamelijk over. Zizek heeft een bijzonder originele kijk op de maatschappij waarin wij leven, die vaak als een ‘consumptiemaatschappij’ wordt aangeduid. Ook over Freud en Lacan heeft hij ongewone en vooral boeiende dingen te vertellen. De filosoof verwijst in het interview meermaals naar zijn boek ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’, een werk dat diepe indruk op me heeft gemaakt, en waarschijnlijk ook sporen heeft achtergelaten in mijn teksten. Ik ben nu echter te moe om mijn bedenkingen bij het gesprek nog neer te schrijven. Ik heb geen zin in gewauwel.


Er werd nochtans veel bij me wakker geschud, omdat het verlangen en de psychoanalyse thema’s zijn die me nauw aan het hart liggen (en niet alleen theoretisch) . We zijn echter maar splinters in de vinger van god, bij wijze van spreken. Waarmee ik wil zeggen – want ik geloof in geen enkele god - dat we niet sterker kunnen zijn dan we zijn en niet meer kunnen doen dan we doen. Ik denk in dit verband meteen aan Justine Henin, die vandaag alles heeft gegeven wat ze kon, maar toch het onderspit moest delven, omdat haar tegenstreefster sterker en, waarschijnlijk, minder moe was. Ik heb vol bewondering naar haar spel – en natuurlijk ook dat van Mauresmo – zitten kijken, of ze nu aan de winnende of aan de verliezende hand was.


Luister, ik kan vandaag het veld niet op. Morgen of maandag kom ik hier echter op terug. It seems like a mighty long time. Maar zo is het leven.

27-02-06

SCHOONHEID VAN BOUWWERVEN

stad,steden,architectuur,paradijs,bijbel,adam,doodsdrift,psychoanalyse,verlangen,sneeuw,foto,god,psychose,bouwwerf,martin pulaski,berlijn,einstein

De tegenstelling natuur/cultuur. Michelangelo in de Sixtijnse kapel: God schenkt leven en ziel aan Adam. Adam ontstaat uit de natuur, uit de grond, als een bloem, is nog natuur, moet zich eruit losrukken. Dat lukt door de ziel die God hem inblaast. Die ziel is niets anders dan de cultuur, het inzicht, het project van de toekomst, het vooruitzicht, de taal - dat alles geeft aan de mens Adam de mogelijkheid zich los te scheuren van het natuurlijke en onschuldige leven.Dat natuurlijke en onschuldige leven in de natuur is de paradijselijke toestand. Het is de toestand voor de mens zich bewust is van zijn bestaan, van het lijden, van de arbeid, van de sterfelijkheid. Alles is dan nog ongedifferentieerd. Naar deze toestand blijft elke mens bewust of onbewust verlangen. Het beste is nooit geboren te zijn: in hoeveel teksten klinkt geen variatie op dit thema door... Kunnen we dat verlangen gelijkstellen aan de doodsdrift? 


De val uit het paradijs begint op het ogenblik dat God Adem een ziel inblaast. Dit is natuurlijk een metafoor. De val begint met de cultuur, de zorg, het ontwerpen van een toekomst. Het bouwen van een stad. Waar de natuur was is nu de stad. Het verlangen naar de terugkeer - naar de natuurlijke staat - wordt bij de mens in evenwicht gehouden met een ander verlangen, een verlangen naar een betere toekomst, een menselijk-ideale samenleving, een schitterende stad of staat. Dat is de utopie. Ook hier weer bewust of onbewust (want niet iedereen weet waar hij naar streeft) en met gradaties: het evenwicht kan worden verstoord. Doodsdrift kan de overhand krijgen, of de euforie kan de overhand krijgen, een soort van manische psychose kan zich voordoen.

Als ik een bouwwerf zie ben ik tevreden. Zolang er gebouwd wordt kan ik niet ontstemd worden. Maar het resultaat kan me vaak zeer ontmoedigen. De meeste gebouwen storen me uitermate. Wat hier vroeger stond, was mooier, zeg ik dan. Want meestal stond er vroeger iets anders. Of de natuur die verwoest is om plaats te maken voor dit gedrocht was mooier. Dit zeg ik nooit wanneer ik mensen zie bouwen. Dat is dan een duidelijk spoor van mijn behagen in de cultuur. Het wordt allemaal beter, denk ik vaak. Er staan ons nog mooie dingen te wachten. Maar de momenten van melancholie en walging worden talrijker en heviger. Zal ik de twee polen in evenwicht kunnen houden? Zoals die zo schitterend in evenwicht worden gehouden in het kunstwerk van Michelangelo?

De sneeuw die door de mensen wordt vertrappeld. Dat kan mij enorm storen en bedroeven. Als vogels door de sneeuw trippelen laten ze een spoor na dat bij de sneeuw hoort, dat het tapijt zelfs verfraait. Maar onze voetstappen zijn altijd een verstoring. Wij zijn een ziekte van de aarde, een wanklank. Wij horen hier niet. Zo denk ik dan. En zit dit gevoel niet geworteld in de menselijke geschiedenis? Want waarom zouden wij anders ooit zover zijn kunnen komen in het uitvinden en verbeteren van vernietigingswapens? Toch omdat wij als mensen onszelf teveel vinden op deze wereld, ongepast.

08-06-05

TROOSTENDE ENGEL


jonathan donahue


Een heel goede vriendin was boos op me omdat ik me zaterdagnacht doelbewust in een onveilige situatie had begeven.
Ze zegt dat ik zoals de hindoes moet vertrouwen op God maar wel een paraplu meenemen. Voor een atheïst als ik, zegt ze, komt dat neer op vertrouwen op het leven maar niet dansen op dun ijs. Ze heeft natuurlijk gelijk en nog belangrijker is dat ik me getroost voel door haar bezorgdheid, die volkomen in tegenspraak is met wat ik schreef over het egoïsme van de mensen. Er zijn toch nog lievelingen in deze hel die wij zelf maken. Mensen die we graag engelen zouden noemen en lang in onze armen houden om hun warme te voelen, het vibreren van hun ziel. Toch zou ik nog altijd de vrijheid willen hebben om te kunnen dansen wanneer ik dat wil, ijs of geen ijs. En als je geen risico's neemt verandert er ook niets en blus je na een tijdje uit. Dat dreigt nu te zullen gebeuren. Wat aanbreekt is een periode van aangename zomeravonden met vrienden, thuis of op terrassen, een gezellige babbel, een paar glazen wijn en dan naar bed. Gedaan met onverwachte ontmoetingen en 'the kindness of strangers'. Maar wie bepaalt ons lot en hoe weten wij waar wij naartoe gaan? Waar zijn wij eigenlijk? En wie zijn wij?

Foto: Jonathan Donahue (Mercury Rev).