15-02-16

CLARENCE WHITE EN ERIKSSON DELCROIX

ClarenceWhiteTuffStr.jpg


In het onvolprezen magazine Agenda (bij Brussel Deze Week) las ik in een interview met het ‘postcountryduo’ Eriksson Delcroix het volgende: “Met mijn vader speelde ik bluegrass, daarin vind je ook dat virtuoze, zoals bij de banjospeler Clarence White, maar op den duur deden we ook heel veel cajun.”
Muggenziften doe ik niet graag, maar soms kan ik het niet laten. Als je zoals Bjorn Eriksson in een country- en bluegrassband speelt zou je toch moeten weten dat Clarence White een gitaarspeler was, iemand die op zijn instrument een niveau haalde dat in populaire muziek bijzonder zeldzaam was en is. Vandaar dat hij door zijn tijdgenoten-muzikanten en door veel muziekliefhebbers zo bewonderd werd. Vandaar dat hij te horen is op ongeveer alle Americana-platen die er in laten jaren zestig, vroege jaren zeventig toe deden. En, niet onbelangrijk detail: Clarence White was gitarist van the Byrds van 1968 tot 1972, een periode waarin de groep uit Los Angeles een echte gitaarband werd. Wie ooit Clarence White en Roger McGuinn samen zag musiceren zal dat nooit maar dan ook nooit vergeten. Bovendien zijn er vijf studio-elpees die als bewijsmateriaal kunnen dienen. Rolling Stone-journalist David Fricke zei over de bijdrage van Clarence White aan the Byrds het volgende: “with his powerful, impeccable tone and melodic ingenuity, White did much to rebuild the creative reputation of The Byrds and define the road-hearty sound of the group at the turn of the '70s”.

Het kan ook zijn dat interviewer Tom Zondervan niet goed naar zijn opname heeft geluisterd, maar dat zou al even jammer zijn. Een (muziek)journalist moet weten wat hij schrijft. Agenda heeft als magazine een uitstekende reputatie hoog te houden. Wat ik nu verwacht is dat Tom Zondervan en Bjorn Eriksson de volgende weken alle platen beluisteren waarop Clarence White zijn snaren laat sprankelen en klateren en zingen. Een mooie straf, toch?
Clarence White -The_Byrds_(1970).jpg

Foto's: Boven: de jonge Clarence White; onder: the Byrds in 1970, Clarence White is tweede van rechts.

29-09-09

DE TWINTIGSTE EEUW: NOOIT MEER SLAPEN

 
“Lucide geeft Alvaro De Campos [heteroniem van Fernando Pessoa, MP] voor [het] collectieve nomadisme aan: het zich losrukken van het vertrouwde, van het gevestigd zijn. Dat is een diepzinnige en naar mijn mening juiste opmerking: wil het individu subject worden, dan moet het de vrees, de aangeboren afkeer van gevangenissen overwinnen, zeker, maar meer nog de angst elke identiteit kwijt te raken, beroofd te worden van de aan plaats en tijd gebonden sleur, van het ‘geregelde en overziene leven’.

Dat motief obsedeert de eeuw, die heel vaak wat zijn handelen en werken betreft een oproep tot moed is. Wat het individu verstart, wat zijn machteloosheid bepaald is de angst. Niet zozeer angst voor onderdrukking en smart als wel de angst niet langer het weinige te zijn dat men is, niet langer het weinige te hebben dat men heeft. De eerste daad die tot inlijving bij het collectivum en tot de creatieve transcendentie leidt, is niet langer bang te zijn.”

Toen ik deze zinnen van Alain Badiou, uit zijn ‘De twintigste eeuw’, vanavond in de metro op weg van mijn werk naar huis las, dacht ik, heb ik dat niet zelf geschreven, eens? Het lijken mijn woorden, mijn gedachten wel – en, vooral, het gaat over mijn angst, verstarring, machteloosheid. Badiou schrijft dit als lectuur van een lang gedicht van Alvaro De Campos, Ode Maritima, een gedicht dat ik zelf ook heb verslonden, wat de herkenning misschien verklaart. Maar er is meer. Zelf zou ik deze ideeën nooit hebben ontdekt bij de Portugese dichter, verblind en verlamd als ik ben door mijn angst en mijn manier van interpreteren die door die angst is bepaald.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Voornamelijk wat er staat, het citaat van Badiou, gebaseerd op Pessoa’s heteroniem (Alvaro De Campos), en de gedachte dat als ik nog ergens bij wil horen, als ik uit mijn ‘ik’ wil stappen en een ‘jij’ en een ‘wij’ worden – dat ik dan niet meer bang hoor te zijn. Waarom zou ik nog langer bang zijn? Waarom zou ik mijn angst niet schrappen?

Alain Badiou gaat daarna in op berusting, lafheid en moed. Hij noemt de Amerikaanse kunstvorm bij uitstek, de western, een gedegen, modern genre, dat in die zin “een groot aantal meesterwerken heeft opgeleverd”. Het mooiste voorbeeld in dit opzicht (dat hij niet noemt) is natuurlijk ‘High Noon’ van Fred Zinneman.

Wat Alain Badiou niet vertelt, wellicht omdat hij het niet zo goed kent, is de Amerikaanse folk, die heel vaak tegen de bij uitstek Amerikaanse liberale, kapitalistische principes indruist. Ik denk aan Pete Seeger, Bob Dylan, Joan Baez, Phil Ochs, Green On Red, Nanci Griffith, Steve Earle, Townes Van Zandt en Hope Sandoval. En honderden anderen.  (De literatuur laat ik even buiten beschouwing. Een opsomming is ook maar een opsomming. In deze laatste paragraaf wilde ik eigenlijk alleen maar de naam Hope Sandoval laten vallen, of weer oprapen.)

HOPE

Voor de rest is het dansen in het maanlicht. Of wat dacht je? Ver weg van de gevaarlijke zon. Ver weg van zonnige insecten. Van lafaards, leugenaars, van hun stoffelijke resten. Als we vergingen van de honger zouden we hun vlees niet eens willen eten, hun bloed niet drinken. Maar op straat loop ik een onbekende gitarist tegen het lijf. Hier, zegt hij, en geeft me zijn gitaar door. Ik speel tot de snaren bloeden. Ik zing met een stem die de mijne niet is. Het is de zijne, het is de jouwe.

 

 

07-01-09

HET IS GENOEG GEWEEST


ronasheton

Ron Asheton, een uitzonderlijke elektrische gitarist, een eeuwige agressieve adolescent, ook al zag hij er al lang niet meer uit als een adolescent –  Ron Asheton, een van de eerste steenleggers van de pure vuilekontenrock, is dood. Maar ik heb er genoeg van. Ik wil niet meer schrijven over doden en de dood. Het is voldoende geweest. Gedaan met al die gedane zaken. Ik wil evenmin nog schrijven over oorlog, geweld en slechte mensen. Veel blijft er dan niet meer over om iets zinnigs over te vertellen, maar dat is dan maar zo. Ik wil geen slecht nieuws meer brengen. Het is niet eens nieuws: je leest het op elk scherm in elke kamer in elk stad, in elk dorp van elk ‘ontwikkeld’ land: slecht nieuws.

De liefde blijft nog over, zo verwant en verstrengeld met de dood. De liefde is mooi om over te schrijven. Maar liefde is blind en heel vaak maakt ze een lallende analfabeet van de mens. Een hijgend, brullend dier, dat met zichzelf geen weg weet. Een beest in een doolhof. Zal ik daarover schrijven? Of zal ik er het zwijgen toe doen?

 

Laten we vanavond de kou trotseren en naar die paar kleine, bijna vergeten kroegen trekken waar Ron Asheton niet vergeten is. We zullen er als eeuwige adolescenten wild dansen op ‘No Fun’, ‘1969’ en ‘I Wanna Be Your Dog’. Onze armen zullen willoos de gebaren van Ron Asheton imiteren. En daarna keren we terug naar huis en wachten er tot het lente is en een tijd van nieuwe woorden aanbreekt.

 

15-03-06

DE GEBROKEN HANDEN VAN DE GITARIST

terrence malick,film,segovia,gitarist,zelfmoord,peter biskind,improviseren,angst,madrid,phil spector

Andres Segovia

Als ik wat gitaar zit te spelen of, tijdens zeldzame momenten, zeldzamer dan het aantal keren dat wij de volle maan aanschouwen, wat improviserend zit te ‘zingen’, gebeurt het wel eens dat ik door een onbepaalde, bijna dierlijke – en waarschijnlijk onnodige - angst gedwongen word op te houden, zo al niet met gitaarspelen, dan toch zeker met zingen, als Laura toevallig de kamer binnenkomt.

Terrence Malicks broer heeft zijn eigen handen gebroken. Hij was een leerling van de gitarist Andres Segovia, zeer waarschijnlijk had hij nogal wat talent, maar hij vond zijn gitaarspel toch niet goed genoeg. Een perfectionist, die uiteindelijk zelfmoord pleegde. Zijn broer de regisseur is overigens ook een soort van perfectionist; hij maakte in meer dan dertig jaar tijd slechts vier films: Badlands (1973), Days of Heaven (1978), The Thin Red Line (1998) en nu The New World (onder meer over Pocahontas).

Het verhaal over Terence Malick’s broer wordt uitgebreid verteld in ‘Easy Riders, Raging Bulls’ van Peter Biskind. Dat is een uitstekend en erg meeslepend boek over een aantal belangrijke Amerikaanse regisseurs die hun hoogtepunt kenden in de jaren ‘zeventig: Bogdanovich, Scorsese, Coppola, Ashby, Friedkin, Rafelson, Lucas, Spielberg, Hopper. Ik las het boek enkele jaren geleden in een hotel in Madrid. Ons hotel, op de Gran Via, was ingepakt in immense reclame-affiches voor Todo sobre mi madre.

Ik las ergens dat Segovia goed bevriend was met onze koningin Elizabeth en met Prins Chigi van Siena.

En nu luister ik naar ‘A Love Like Yours’ van Ike & Tina Turner, geproduceerd door Phil Spector. Mijn nacht kan niet meer stuk.

05-12-05

IN MEMORIAM LINK WRAY

 

link wray,ab,rock and roll,rock,pop,popcultuur,robert gordon,dood,gitarist,gitaar,pulp fiction

Zanger en gitarist Link Wray overleed begin november in Kopenhagen. Dat is precies een maand geleden. En ongeveer even lang ben ik op de hoogte van zijn dood. Waarom heb ik er dan met geen woord over gerept, terwijl ik zijn muziek bijna dagelijks op mijn iPod hoor? Ik weet het niet, ik moet het antwoord schuldig blijven. Link Wray was zeker geen muzikaal genie, maar hij was origineel en echt. Het door velen geprezen instrumentale ‘Rumble’ (ook te horen in Pulp Fiction) heeft mij nooit zo kunnen bekoren, maar ik ben wel gek op de platen die Link Wray in het begin van de jaren negentienzeventig heeft opgenomen, voor het grootste deel in een schuur. Link Wray was een halfbloed Shawnee Indiaan. Zulke mensen krijgen altijd minder kansen dan anderen en wellicht heeft hij om die reden zijn toevlucht moeten zoeken tot een dergelijke minimalistische studio. 

Muziekliefhebbers die geïnteresseerd zijn in stevige gitaarrock met country- en gospelinvloeden (of americana) raad ik de volgende elpees aan: LINK WRAY (1971), MORDICAI JONES (1971), BEANS AND FATBACK (1973), BE WHAT YOU WANT TO (1973), THE LINK WRAY RUMBLE (1974) en de twee platen die hij samen met Robert Gordon opnam, ROBERT GORDON WITH LINK WRAY (1977) en FRESH FISH SPECIAL (1977). Allemaal zeer de moeite waard.

 

link wray,ab,rock and roll,rock,pop,popcultuur,robert gordon,dood,gitarist,gitaar,pulp fiction

In de periode dat Link Wray met de wat overroepen Robert Gordon samenwerkte heb ik hem ook live aan het werk gezien in de AB. Dat was een van de meest intense concerten die ik ooit heb bijgewoond. Ik ben er met nogal zware koorts naartoe gegaan, op de vooravond van mijn verjaardag, aan het begin van de zomer, en als een genezen jongeman heb ik de AB toen verlaten. Miraculeuze genezing! Natuulijk had ik wel behoorlijk wat Jim Beam gedronken, want dat hoorde bij die muziek en bij de wijze waarop ik toen leefde, en die drank helpt ook tegen griepjes wordt beweerd. Om te weten in welk jaar dat precies was, zou ik mijn dagboeken moeten gaan uitpluizen, maar het zal waarschijnlijk in 1979 zijn geweest, de tijd van the Clash, the Jam en the Slits (waar ik toen ook nog van hield, dat is nu veel minder het geval).
Link Wray was een man naar mijn hart. Niemand speelde gitaar zoals hij. Om je er een idee van te vormen, mocht je hem niet kennen, raad ik je aan om te beginnen met I’m So Glad op Beans And Fatback, terug te vinden op de compilatie-CD Guitar Preacher - The Polydor Years.
Link Wray werd geboren op 2 mei 1929 en stierf op 5 november 2005: voor een rock & roller kan dat tellen.