15-02-16

CLARENCE WHITE EN ERIKSSON DELCROIX

ClarenceWhiteTuffStr.jpg


In het onvolprezen magazine Agenda (bij Brussel Deze Week) las ik in een interview met het ‘postcountryduo’ Eriksson Delcroix het volgende: “Met mijn vader speelde ik bluegrass, daarin vind je ook dat virtuoze, zoals bij de banjospeler Clarence White, maar op den duur deden we ook heel veel cajun.”
Muggenziften doe ik niet graag, maar soms kan ik het niet laten. Als je zoals Bjorn Eriksson in een country- en bluegrassband speelt zou je toch moeten weten dat Clarence White een gitaarspeler was, iemand die op zijn instrument een niveau haalde dat in populaire muziek bijzonder zeldzaam was en is. Vandaar dat hij door zijn tijdgenoten-muzikanten en door veel muziekliefhebbers zo bewonderd werd. Vandaar dat hij te horen is op ongeveer alle Americana-platen die er in laten jaren zestig, vroege jaren zeventig toe deden. En, niet onbelangrijk detail: Clarence White was gitarist van the Byrds van 1968 tot 1972, een periode waarin de groep uit Los Angeles een echte gitaarband werd. Wie ooit Clarence White en Roger McGuinn samen zag musiceren zal dat nooit maar dan ook nooit vergeten. Bovendien zijn er vijf studio-elpees die als bewijsmateriaal kunnen dienen. Rolling Stone-journalist David Fricke zei over de bijdrage van Clarence White aan the Byrds het volgende: “with his powerful, impeccable tone and melodic ingenuity, White did much to rebuild the creative reputation of The Byrds and define the road-hearty sound of the group at the turn of the '70s”.

Het kan ook zijn dat interviewer Tom Zondervan niet goed naar zijn opname heeft geluisterd, maar dat zou al even jammer zijn. Een (muziek)journalist moet weten wat hij schrijft. Agenda heeft als magazine een uitstekende reputatie hoog te houden. Wat ik nu verwacht is dat Tom Zondervan en Bjorn Eriksson de volgende weken alle platen beluisteren waarop Clarence White zijn snaren laat sprankelen en klateren en zingen. Een mooie straf, toch?
Clarence White -The_Byrds_(1970).jpg

Foto's: Boven: de jonge Clarence White; onder: the Byrds in 1970, Clarence White is tweede van rechts.

19-03-13

LA FORNARINA

themroc4.jpg

Ik zit met een vriend in de muziekkamer te praten over een scène in Themroc: Michel Piccoli gaat op jacht, vangt een politieagent en peuzelt hem op in zijn appartement, dat op de grot van een Neanderthaler lijkt.
Hoe de tijden veranderd zijn,  zegt mijn vriend. Dat gedrag zouden we nu niet meer goedkeuren; destijds juichten we het toe. Als we het gedurfd hadden, hadden we net zo radicaal geleefd.
Zeker, zeg ik, ik vond het bijvoorbeeld jammer dat ik geen jongere zus had om mee te neuken.
Is Claude Faraldo al dood, vraagt mijn vriend.
Ik zou het niet weten, zeg ik. Maar waarschijnlijk wel. Al onze helden van vroeger zijn dood, of op zijn minst ernstig ziek.

Op dat ogenblik komt een jonge vrouw de kamer binnen. Wat meteen opvalt is haar beate glimlach, zoals te zien is op Rafaello Sanzio’s ‘La Fornarina’. Deze onbekende, erg mooie, mysterieuze vrouw heeft echter een rode blouse aan. Fijn textiel, zijde waarschijnlijk, maar je ziet nauwelijks haar borsten. Ze neemt mijn gitaar, gaat op een stoel zitten en begint een melodie te spelen. De klanken die ze aan de snaren ontlokt heb ik nooit eerder gehoord; er bestaan geen woorden voor om ze te beschrijven. Hemels? Ga weg. Hoewel ik al weken niet meer gespeeld heb is het instrument perfect gestemd. En dan begint ze te zingen. ‘You’re No Longer A Sweetheart Of Mine’ zingt ze, mooier, intenser dan alle versies die ik al van het lied heb gehoord.
Ik zie dat mijn vriend wil meezingen, net als ik. Maar dat durven we niet, we zouden ons belachelijk maken met onze schorre, mateloze stemmen. Als het lied gedaan is zet La Fornarina de gitaar terug op de standaard en verlaat nog altijd glimlachend de muziekkamer.

Mijn vriend en ik drinken zwijgend onze kopjes thee leeg.

29-09-09

DE TWINTIGSTE EEUW: NOOIT MEER SLAPEN

 
“Lucide geeft Alvaro De Campos [heteroniem van Fernando Pessoa, MP] voor [het] collectieve nomadisme aan: het zich losrukken van het vertrouwde, van het gevestigd zijn. Dat is een diepzinnige en naar mijn mening juiste opmerking: wil het individu subject worden, dan moet het de vrees, de aangeboren afkeer van gevangenissen overwinnen, zeker, maar meer nog de angst elke identiteit kwijt te raken, beroofd te worden van de aan plaats en tijd gebonden sleur, van het ‘geregelde en overziene leven’.

Dat motief obsedeert de eeuw, die heel vaak wat zijn handelen en werken betreft een oproep tot moed is. Wat het individu verstart, wat zijn machteloosheid bepaald is de angst. Niet zozeer angst voor onderdrukking en smart als wel de angst niet langer het weinige te zijn dat men is, niet langer het weinige te hebben dat men heeft. De eerste daad die tot inlijving bij het collectivum en tot de creatieve transcendentie leidt, is niet langer bang te zijn.”

Toen ik deze zinnen van Alain Badiou, uit zijn ‘De twintigste eeuw’, vanavond in de metro op weg van mijn werk naar huis las, dacht ik, heb ik dat niet zelf geschreven, eens? Het lijken mijn woorden, mijn gedachten wel – en, vooral, het gaat over mijn angst, verstarring, machteloosheid. Badiou schrijft dit als lectuur van een lang gedicht van Alvaro De Campos, Ode Maritima, een gedicht dat ik zelf ook heb verslonden, wat de herkenning misschien verklaart. Maar er is meer. Zelf zou ik deze ideeën nooit hebben ontdekt bij de Portugese dichter, verblind en verlamd als ik ben door mijn angst en mijn manier van interpreteren die door die angst is bepaald.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Voornamelijk wat er staat, het citaat van Badiou, gebaseerd op Pessoa’s heteroniem (Alvaro De Campos), en de gedachte dat als ik nog ergens bij wil horen, als ik uit mijn ‘ik’ wil stappen en een ‘jij’ en een ‘wij’ worden – dat ik dan niet meer bang hoor te zijn. Waarom zou ik nog langer bang zijn? Waarom zou ik mijn angst niet schrappen?

Alain Badiou gaat daarna in op berusting, lafheid en moed. Hij noemt de Amerikaanse kunstvorm bij uitstek, de western, een gedegen, modern genre, dat in die zin “een groot aantal meesterwerken heeft opgeleverd”. Het mooiste voorbeeld in dit opzicht (dat hij niet noemt) is natuurlijk ‘High Noon’ van Fred Zinneman.

Wat Alain Badiou niet vertelt, wellicht omdat hij het niet zo goed kent, is de Amerikaanse folk, die heel vaak tegen de bij uitstek Amerikaanse liberale, kapitalistische principes indruist. Ik denk aan Pete Seeger, Bob Dylan, Joan Baez, Phil Ochs, Green On Red, Nanci Griffith, Steve Earle, Townes Van Zandt en Hope Sandoval. En honderden anderen.  (De literatuur laat ik even buiten beschouwing. Een opsomming is ook maar een opsomming. In deze laatste paragraaf wilde ik eigenlijk alleen maar de naam Hope Sandoval laten vallen, of weer oprapen.)

HOPE

Voor de rest is het dansen in het maanlicht. Of wat dacht je? Ver weg van de gevaarlijke zon. Ver weg van zonnige insecten. Van lafaards, leugenaars, van hun stoffelijke resten. Als we vergingen van de honger zouden we hun vlees niet eens willen eten, hun bloed niet drinken. Maar op straat loop ik een onbekende gitarist tegen het lijf. Hier, zegt hij, en geeft me zijn gitaar door. Ik speel tot de snaren bloeden. Ik zing met een stem die de mijne niet is. Het is de zijne, het is de jouwe.

 

 

29-01-09

JOHN MARTYN: GEEN IN MEMORIAM




Op gedichtendag zwijgt voor altijd een van de dichterlijkste stemmen uit de populaire muziek. Maar ik laat de in memoriams aan anderen over. Dat was mijn voornemen: geen in memoriams meer. Daarom doe ik er het zwijgen toe en draai John Martyns beste platen.
De Engelstalige Wikipedia geeft je alle
informatie die je nodig hebt. De waarheid staat op zijn elpees.

01-10-08

IT'S ALL IN THE MIND, MAN

pop,vriendschap,droom,licht,autobiografie,cannabis,revolver,gitaar,elpees,rolling stones,wapen,the band,the beatles,nostalgia,led zeppelin,treinreis,1970,mondharmonica,1969,shangri-las,yellow submarine,der amerikanische freund,wim wenders,peter handke,voetnoot,middellandse zee,falsche bewegung,crosby stills nash   young

Blue Meanies.

Vorige nacht, ergens in een kleine stad aan de Middellandse Zee, zag ik E. terug, een oude vriend uit de tijd toen de Karmelietenstraat in Brussel nog niet was afgebroken. Hij deelde gedurende enkele maanden mijn kamer daar. We luisterden elke dag naar The Band, A Whole Lotte Love, Dèja Vu en Let It Bleed. We spraken niet veel, maar schreven gedichten. Als we toch iets zegden was het: It’s all in the mind, man. Dat kwam uit Yellow Submarine. In 1970 werd E. vanwege het schrijven over cannabis in de gevangenis gestopt. Toen hij weer vrij was, was hij zijn verstand kwijt. Kort nadien werd hij  in een instelling geplaatst. Terug in de ‘normale’ wereld heeft hij ons in 1977 van Brussel naar Antwerpen helpen verhuizen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht.

Ik herkende E. meteen. Hij was nog helemaal dezelfde: jong, speels, een beetje onbezonnen, onberekenbaar. Hij leefde in een krotwoning en stal zijn eten op de markt. Van een louche handelaar kocht ik twee revolvers, een alarmpistool en een Lüger. E. wilde die wapens graag een tijdje houden. Dan kreeg ik zijn gitaar.  Maar ik kon niet meteen afstand doen van die aantrekkelijke gebruiksvoorwerpen, die ik nog maar pas had aangeschaft.

We brachten enkele dagen samen door. Dagen van onbezorgdheid, honger en dorst. Voor we afscheid namen wisselden we adressen uit. Ik maakte me er zorgen over dat ik het zijne zou verliezen. Ik wilde mijn oude vriend niet nog eens kwijtraken.

Terug naar ‘huis’ stapte ik op de eerste trein die het station binnenreed Het kon me tegelijk niet en wel schelen of hij in de goede richting reed. Ik verlangde naar mijn gitaar en mijn mondharmonica thuis. Het was overvloedig licht in de trein. De reis mocht dagen, weken duren.

Daarna werd alles weer alledaags en onwerkelijk.

14-07-08

RAINER PTACEK: HET INTEGERE HART VAN DE MUZIEK

 

 
 


Ik dank Sezaar voor het ontdekken van deze clip. Het leek mij onmogelijk dat er van Rainer Ptacek degelijke beelden te vinden waren, ook niet op YouTube. Rainer Ptacek was een van de beste gitaristen die ik ooit heb gehoord, jammer genoeg nooit live. Samen met mijn vriend Pat ontdekte ik Rainers magische muziek in 1986 op de elpee 'Barefoot Rock With Rainer And Das Combo'.  Dat 'das' staat niet zomaar in de titel. Rainer Ptacek kwam oorspronkelijk uit Berllijn maar emigreerde op vijfjarige leeftijd met zijn ouders naar Chicago. Later vestigde hij zich in Tucson, waar hij bevriend raakte met Howe Gelb en in plaatselijke scene van zogeheten woestijnrockers werd opgenomen. Iedereen kent nu Giant Sand en Calexico, maar aanvankelijk waren dat undergroundfenomenen. Calexico was in het begin een hobbygroepje.

Toen Pat en ik die elpee voor de eerste keer hoorden, waren we met verstomming geslagen. In de jaren '80 kreeg je niet vaak muziek van de duivel te horen, maar hier was hij dan... De duivel hoorde je zowel in Rainers stem als in zijn gitaarspel. Zijn covers van Robert Johnsons 'If I Had Possession over Judgment Day' en 'Last Fair Deal' waren bijna even intens als die van de meester. Ik gebruik het woord 'duivel' natuurlijk als een metafoor. Duivelse muziek is vurig, maar de mens Ptacek had meer van een engel dan van Satan, daar twijfel ik niet aan. Dat engelachtige kun je trouwens op al zijn latere platen horen, waarop hij vaak alleen en soms met 'das combo' te horen was. Een zeer menselijke engel, met een hevig brandend innerlijk vuur, dat was Rainer. Platen als 'Nocturnes', 'Alpaca Lips' en 'Live At the Performance Center' worden hier nog vaak uit het rek genomen.
Overigens valt het ook op dat Howe Gelb zijn oude vriend niet vergeet, geregeld neemt hij nog songs van hem op. 
Rainer Ptacek was net als ik een tweeling (ik weet niet waarom ik dat vermeld, want ik geloof niet in astrologie), een jaar jonger dan ik. Hij stierf in 1997. Kort voor Rainers dood verscheen een mooie tribute-cd, 'The Inner Flame', met bijdragen van onder meer PJ Harvey, Robert Plant, Evan Dando, Emmylou Harris, Victoria Williams en Mark Olson.
Bekijk vooral deze buitengewoon ontroerende performance uit 1993.

22-05-08

JOHNNY JENKINS / DUANE ALLMAN: TON-TON MACOUTE

 

Mensen die me lang geleden goed of minder goed hebben gekend zeggen bijna allemaal dat ik een hippie was. Zelfs mijn beste vrienden zeggen het. Telkens voel ik me dan min of meer gedwongen om die bewering te ontkennen. Nee, ik ben nooit een hippie geweest. Jawel, zeggen ze dan, een echte hippie. Als ze met ‘hippie’ iemand met lange haren bedoelen, dan klopt het. Maar ik bedoel met ‘hippie’ iets helemaal anders. Mensen die ‘hippie’ werden en worden genoemd gaven alles op en gingen buiten de maatschappij leven. Ze ontkenden alles wat met de gevestigde orde te maken had. Ik heb niets tegen hippies, ik vind dat ze een aantal goede dingen in gang hebben gezet, vooral op ecologisch gebied. Met zulke echte hippiezaken heb ik me nooit ingelaten.  Maar ik heb dit allemaal al eens uit de doeken gedaan, zodat ik het hierbij laat.

Johnny-Jenkins


Ik wilde het eigenlijk over een elpee van Johnny Jenkins hebben, de unieke verzameling songs die ‘Ton-Ton Macoute’ heet. In mijn zogenaamde hippieperiode was ik een tijdlang een grote fan van Derek& the Dominoes, vooral de dubbelelpee ‘Layla And Other Assorted Love Songs’ (1970) vond ik geweldig, en aanbad ik the Allman Brothers Band, in het bijzonder de gitarist Duane Allman. Via ‘Layla’, waar Duane Allman op meespeelde, was ik bij de blues- en rockband uit Georgia terechtgekomen. In interviews vertelde Eric Clapton wat voor schitterende gitarist Duane Allman wel niet was. Hij speelde op talloze soulplaten, waarvan ik er veel kende, zonder echter te weten wie die funky gitarist was. Na het verschijnen van ‘Layla And Other Assorted Love Songs’, die ik al spoedig voor weinig geld op het Vossenplein aantrof, ging ik op zoek naar alles waar Duane Allman op meespeelde (en wat ik  kon betalen). Daardoor kwam het dat ik op een dag met ‘Ton-Ton Macoute’ naar huis ging (zeker wel drie Allman Brothers stonden op de hoes als sessiemuzikanten vermeld). Op bus 95 naar Watermaal-Bosvoorde, de mooie gemeente waar ik toen woonde, bekeek ik de donkere hoes, met de expressieve foto van Johnny Jenkins. Ik las de titels, de namen van de muzikanten, las de bijna magische naam van het platenlabel, ‘Capricorn’. Het was duidelijk dat de elpee iets met voodoo had. Na de zenuwslopende rit met de bus – aan die ritten kwam nooit een eind, zeker niet als ik nieuwsgierig was naar nieuwe muziek – legde ik de langspeelplaat meteen op mijn Lenco en ging in mijn knusse zelfgemaakte hippiecanapé zitten. Die canapé bestond uit een aantal houten kratten, met een plank op, en daarover een Perzisch tapijt gedrapeerd. Het leek een beetje op de interieurs in de film ‘Performance’ (1968), zij het minder duur en chic. Was mijn toenmalige vrouw ook een hippie? Ze had hennahaar, droeg korte doorzichtige jurkjes en had best een kleine rol kunnen spelen in die paddenstoelenfilm van Donald Cammell en Nicholas Roeg. Ze maakte heerlijke jasmijnthee.

anita pallenberg

Anita Pallenberg in 'Performance'.

Maar ik had het over Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins… De elpee komt meteen op gang met  ‘I Walk On Guilded Splinters’ van Doctor John the Night Tripper. De originele versie die al buitengewoon indrukwekkend en spooky is, staat op Gris-Gris, het eigenlijk debuut van de goede doctor. Doctor John maakte in de jaren vijftig en begin zestig ook al plaatjes in New Orleans. Onder zijn echte naam, Mac Rebennack bracht hij het gedenkwaardige ‘Storm Warning’ uit en als lid van Morgus and the Ghouls was hij verantwoordelijk voor ‘Morgus the Magnificent’, allebei verschenen op het nu nog weinig bekende Ace-label van Johnny Vincent. Dr. John schreef in samenwerking met Jack Rummel een hilarische autobiografie, getiteld ‘Under A Hoodoo Moon – The Life of the Night Tripper’.

grisgris


Ik kende ‘I Walk On Guilded Splinters’ ook van op weide van Jazz Bilzen in 1969 waar Humble Pie het uitvoerde met de bezwerende achtergrondzang van Marsha Hunt. Ik kende het eveneens van op een feestje voor mijn achttiende verjaardag – maar dat is stof voor een ander verhaal. (Doctor Johns ‘Gris-Gris’ zorgde toen wel voor een natural high, met wat gin gemengd. Een uitstekend cocktail, als je het met mate tot je neemt.)
Deze Johnny Jenkins was echter uit nog veel donkerder voodoo-hout gesneden dan Mac Rebennack, en ik heb het vooral niet over zijn huidskleur, want die speelt geen rol. Dit was muziek van een bezwerende, angstaanjagende schoonheid. Als je je ogen sloot waande je je meteen in de swamps van Louisiana. De dreigende stem van Jenkins, het bezwerende achtergrondgezang van Southern Comfort, de opzwepende drumpartij van Butch Trucks, ook een brother, en de subtiele dobro van Duane Allman. Je zag de bomen met hun stammen in het water staan, overal mos aan de kruinen. In het bruine water dreigden alligators. In kleine, donkere vissersbootjes passeerden cajuns op weg naar een fais-dodo. Exotische vogels zongen en krijsten. De zwarte Indianen dansten in hun veelkleurige uitrusting op Congo Square, tot de zon opkwam… En bij zonsopgang begon de volgende  song, ‘Leaving Trunk’, oorspronkelijk van Sleepy John Estes, maar bekend dank zij de geïnspireerde versie van Taj Mahal, ook een van de grootmeesters van de ‘ontspoorde’ blues. Je opent je ogen en krijgt zin om te dansen, ook al is de tekst niet bepaald opgewekt.

“I went upstairs to pack my leavin' trunk

I ain't see no blues, whiskey made me sloppy drunk

I ain't never seen no whiskey, the blues made me sloppy drunk

I'm going back to Memphis babe, where I'll have much better luck.”

Het volgende nummer is weer voor de nacht, het gaat immers over blinde vleermuizen en moerasratten. Daarna volgt een weergaloze versie van ‘Rollin’ Stone’, waarbij Jenkins de meester zelf, Muddy Waters, overtreft. Met een glansrol voor Duane Allman op slidegitaar.

Kant twee opent met een typisch New Orleans-nummer, ‘Sick And Tired’, vooral bekend van Fats Domino en Chris Kenner, waarna Jenkins zich ‘Down Along the Cove’ (uit ‘John Wesley Harding’) geheel eigen maakt. ‘Bad News’, is een countrynummer van John D. Loudermilk, vooral bekend in de uitvoering van Johnny Cash en ook op ‘Ton-Ton Macoute’ zeer aanstekelijk. De elpee eindigt enigszins in mineur met John Lee Hookers ‘Dimples’ en nog een voodoo-song, ‘Voodoo in You’. Later heb ik de cd-versie gekocht, waar twee nogal overbodige bonustracks toegevoegd zijn. Voor geen geld van de wereld doe ik mijn vinyl-versie van de hand. De plaat is uitstekend geproduceerd door Johnny Sandlin en Duane Allman: ze klinkt alsof ze morgen nog moet worden gemaakt. Wat ‘Ton-Ton Macoute’ betekent moet je zelf maar opzoeken. Ik raad je ten stelligste aan om daarna ‘I Walked With a Zombie’ van Jacques Tourneur te bekijken, een nogal bizarre maar genadeloos mooie film, die zich in Haïti afspeelt.

duanaallman


Duane Allman

Na aanschaf van ‘Ton-Ton Macoute’ ben ik zoek gegaan naar meer informatie. Johnny Jenkins was in het begin van de jaren zestig de leider van een band die The Pallbearers heette. Otis Redding was hun chauffeur, die af en toe een stukje zong. Johnny Jenkins speelde gitaar op Reddings eerste succesnummer, de emotioneel geladen ballad ‘These Arms Of Mine’. Volgens een aantal publicisten zou Jenkins nogal wat invloed uitgeoefend hebben op de gitaartechniek van Jimi Hendrix. Johnny Jenkins stierf in 2006 in Macon, waar hij geboren was. Macon, Georgia is een gedenkwaardig oord voor de popcultuur: niet alleen de Allman Brothers en de platenbaas van Capricorn Records Phil Walden, maar ook Emmett Miller, Little Richard, Otis Redding en de helft van R.E.M. kwamen of komen uit die stad in het diepe Zuiden.

macon, georgia

 Als toemaatje de tekst van ‘I Washed My Hands in Muddy Waters’, waarin Macon, Georgia wordt vermeld. Ik heb altijd gedacht dat het van Charlie Rich was. Maar ja, wat denk ik niet allemaal. Ik denk zelfs dat ik geen hippie ben geweest… ‘Hipster’ vind ik een beter woord, maar het duidt net zo goed een hokje aan, een term waarmee mensen kunnen ingedeeld worden en van elkaar verwijderd.

I Washed My Hands in Muddy Water
(words & music by Joe Babcock)

I was born in Macon Georgia
They kept my daddy over in Macon jail
He told me if you keep your hands clean
You won't hear them bloodhounds on your trail

Well I fell in with bad companions
Robbed a man, oh up in Tennessee
They caught me way up in Nashville
They locked me up and threw away the key

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Well I asked the judge now when's my time up
He said son, oh you know we won't forget
If you try just to keep your hands clean
We might just make a good man of you yet

Oh I couldn't wait to get my time up
I broke out, broke out of Nashville jail
I just crossed the state-line of Georgia
Well I can hear those bloodhounds on my trail

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream


Voor de geïnteresseerden: Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins werd in 1997 door PolyGram op cd uitgebracht en dit jaar verscheen de cd op het Acadia-label.

16-01-08

TIM BUCKLEY'S HAPPY TIME

pop,troubadour,happy time,stem,verheven,subliem,tim buckley,coming home to stay,schoonheid,folk,gitaar,poezie,popcultuur,clip


Happy Time

Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay
Ah, lord, it's just the same old story
Something about love for glory
A nickel and a dime a dozen
Fame
Ah, it's such a shame
Ah, the way they use your name
Ah, you know it's such a shame
When it's only mine to sing a song
Hoping that you'd cross along my way
Before I have to move along
Ah, now move along
Ah, but I'll be back again
Ooh back again
Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay
Sleep late now mama
Let the mornin' sun warm your bed
While I'm away
While I'm away

26-12-07

EENZAAMHEID, ETCETERA

“’Een zweetdruppel van een boer die neervalt op het veld in de zomer...’, is dat een goede zin", vraagt hij.

“Het is niet helemaal duidelijk of de boer of de zweetdruppel neervalt op het veld”, zegt zij.

“Ja, dat dacht ik ook al, maar als ik schrijf ‘Een zweetdruppel die neervalt in de zomer van een boer op het veld’ is er ook iets mis, vind ik”, zei hij.

“Nee, dat is ook niet goed…”, zegt zij, “literaire zinnen bouwen lijkt me geen lachertje”.

“Je moet maar iets anders bedenken”, vervolgt ze, “het is nu toch geen zomer, waarom schrijf je niets over kerstmis?”

“Toch niet over de herders? Of de stal? Die staat al op de Grote Markt, daar moet ik niet meer over schrijven. En herders zou ik ver moeten gaan zoeken”, zegt hij.

“Je zou je in de leefwereld van een dakloze kunnen verplaatsen”, zegt zij.

“Aan zoiets naturalistisch begin ik niet”, zegt hij, “bovendien staat het allemaal al in de Humo”.

“Kun je dat kerstverhaal uit ‘Smoke’ niet navertellen en doen alsof het van jou is”, zegt zij, “dat is toch al iedereen vergeten.”

“Welk kerstverhaal bedoel je”, vraagt hij.

“Dat van Augie Wren”, zegt zij.

“Van Paul Auster steel ik niets”, zegt hij, “die is te bekend. Bovendien kan ik me het verhaal niet goed herinneren. Ging het niet over een fototoestel?”

“Er kwam een fototoestel in voor, maar daar ging het niet over”, zegt zij.

“Waarover dan wel”, vraagt hij.

“Over de eenzaamheid geloof ik, maar ik weet het ook niet meer zeker”, zegt zij.

“Goed, ik zal dan maar iets over de eenzaamheid schrijven”, zegt hij.


En hij gaat voor zijn computer zitten en begint te schrijven.

‘Nodig eens een eenzame uit’, schrijft hij.

‘Nodig eens twee eenzamen uit’, schrijft hij.

‘Etcetera’, schrijft hij.

flying burrito brothers

Foto: Martin Pulaski, 24 december 2007

29-05-07

LOST WEEKEND IN GENT EN BRUSSEL

feest,nachtleven,ontmoetingen,brussel,gent,blackout,euforie,drinken,roken,edgar allen poe,usher,gitaar,bob dylan,ierland,monk,le coq,alcohol

Familiefeest, Gent. Martin Pulaski.

Je kijkt met grote verwachtingen uit naar een lang weekend. Er zullen vele dingen gebeuren. Boeken zullen worden gelezen, films bekeken, mensen ontmoet, wijn en bier gedronken. Er zal feest worden gevierd. Dat is wat voorafgaat. Zaterdag doe je boodschappen en knap je wat klussen op. Je leest iets over de sixties, en in Murakami’s A Wild Sheep Chase. Je boekt een vlucht naar Italië. Je stippelt een traject uit: Treviso – Trieste – Padoua – Ferrara - Venetië.

’s Avonds kijk je nog een keer naar Performance. Mick Jagger in al zijn androgyne schoonheid. Anita Pallenberg in al haar androgyne schoonheid. Het mooiste stel uit het einde van de jaren zestig? Alvast op pellicule. Maar een zeer kortstondig stel. Keith Richards zat buiten in de auto op Anita Pallenberg ongeduldig en jaloers te wachten. Anita was een echt Rolling Stones-meisje. 

Dan komt de euforie van zondag. In Gent zie je je familieleden terug, je praat, wordt vrolijk van de drank, wil het feest zolang mogelijk rekken. Later in de trein naar Brussel praat je met een onbekende, een interessante man. Het was een vluchtig gesprek, de drank speelde in je hoofd. Je weet niet meer waar jullie het over hadden. 
 Terug in Brussel ga je naar de cafés, eerst De Dolle Mol, maar die legendarische kroeg gaat pas weer op 1 juni open, daags voor je verjaardag.

Daarna naar de Monk. In de Monk ga je, volledig tegen je gewoonte in, bij onbekenden aan een tafeltje zitten. Het zijn jonge mensen, ze hebben geen bezwaar tegen je aanwezigheid. Het is een delegatie uit verschillende nationaliteiten samengesteld. Dat is heerlijk aan Brussel, dat je hier aan één tafel zes verschillende nationaliteiten kunt aantreffen. Het spijtige is dat de alcohol je geheugen wist, dat je je van alle mooie dingen die werden gezegd, misschien wel van plannen die werden gesmeed, afspraken die werden gemaakt, niets meer herinnert. Je herinnert je alleen een meisje uit Ierland, Jean. Dat weet je nog omdat ze jou haar kaartje heeft gegeven. Met haar had je het over Galway, Doolin, Roundstone en de Aran-eilanden, hoe je van die streek houdt. Het lieflijkste landschap dat je ooit zag. En van de muziek, van de vriendelijke Ierse mensen, van de pubs en de Guinness.

Je nam afscheid van de delegatie, er kwamen andere mensen aan ‘jouw’ tafel zitten, echte jongeren, met lange haren, zoals de zoon van je schoonbroer,  de ‘kroonprins’ noemt zijn vader hem. Wat zullen ze gedacht hebben? Wat zit die oude kerel hier te doen? Waarschijnlijk niet. Ze zagen er zachtaardig uit.  

Vervolgens
begaf je je naar Le Coq, waar veel dronkaards zitten. Je nam plaats naast een oude man met een baard. Je weet nog dat je hem vroeg wat hij daar deed. Drinken, antwoordde hij. Hij was niet bepaald communicatief. Een superopgewekte jongen met een rastakapsel kwam samen met een andere man aan jouw tafeltje zitten. Er was ook een meisje tegen wie je zei dat je haar al eerder had gezien. Of dat je dat dacht. Ze was er met haar vriend: een verliefd stelletje. Af en toe raakte je haar voet aan, per ongeluk, denk je, je hebt nogal rusteloze voeten. Een andere man, met lange zwarte haren, een Indiaans type, waarschuwde je en zei je dat je je voeten thuis moest houden. Je verontschuldigde je, want je wilde geen pak slaag. Dat is al te vaak gebeurd. Het meisje zelf had echter niets gezegd. Ze wond zich niet op over je rusteloze voeten.  De man die bij de jongen met het rastakapsel was had een gitaar. Je vroeg of je een stukje mocht spelen. Ga je gang, zei hij. De muziek in het café werd stiller gezet. Je speelde een eigenzinnige versie van It Takes A Lot To Laugh It Takes A Train To Cry van Bob Dylan en nog wat impromptus, zoals Usher die moet hebben gespeeld in het verhaal The Fall Of the House Of Usher. Je ging flink tekeer op de gitaar; een e-snaar brak. (Ik gebruik het woord ‘eigenzinnig’, wat in dit geval ook vals of wat dan ook kan betekenen. Ik kan gewoonweg niet zo goed gitaar spelen.)  

De eigenaar van de gitaar zette zijn zonnebril op en zag er opeens heel cool uit. Hij vroeg of je wat wilde roken. Je zei hem dat je astma hebt, maar een trekje wilde je wel eens proberen, voegde je eraan toe. De uitbater zei dat jullie buiten moesten gaan. Hier binnen wordt geen cannabis gerookt. Jullie gingen buiten zitten, je nam een trekje en inhaleerde en de realiteit veranderde bijna volledig. Het was ongeveer twintig jaar geleden dat je nog gerookt had, cannabis, tabak of wat dan ook. Twee vreemde mannen zaten op het trottoir te lachen als oude gekken, de ene met een zonnebril op, de andere met een ‘gewone’ bril. Nu kreeg je nog meer zin om gitaar te spelen, maar dat ging niet meer vanwege die gebroken snaar.

De jongen met het rastakapsel was in slaap gevallen. Je wekte hem en zei hem dat hij voorzichtig moest zijn, niet iedereen in Brussel is even vriendelijk en vredelievend. Je herinnerde je de lelijkheid en het gevaar. Het was tijd voor een taxi. In de wagen telde je je geld en schrok toen je vaststelde dat je niet voldoende had voor het ritje. Je hoopte dat Laura, die al lang thuis was, nog wat geld zou hebben, 5 euro zou volstaan. Het was maandagochtend, de zon kwam op.

20-04-07

GIMME SHELTER

“Bagdad ligt maar één centimeter ver”, schreef Evy in een reactie hieronder. Ik dacht meteen aan Gimme Shelter van the Rolling Stones. In dat lied, waarin nog sporen aanwezig zijn van de summer of love, wordt de keuze gelaten tussen oorlog, “just a shot away”, en liefde, “just a kiss away”.


Oh, a storm is threatning
My very life today
If I dont get some shelter
Oh yeah, Im gonna fade away

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
War, children, its just a shot away
Its just a shot away

Ooh, see the fire is sweepin
Our very street today
Burns like a red coal carpet
Mad bull lost its way

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
War, children, its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

The floods is threatning
My very life today
Gimme, gimme shelter
Or Im gonna fade away

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away

I tell you love, sister, its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Kiss away, kiss away.

Gimme Shelter is naar mijn mening een van de beste songs van the Rolling Stones en is terug te vinden op hun beste elpee, Let It Bleed. Nu is er ook een uitstekende versie van het lied op de nieuwe cd van Patti Smith, met Tom Verlaine die de slidegitaarpartij van Mick Taylor voor zijn rekening neemt. Meesterlijke uitvoering, maar even goed als het origineel?

04-04-07

BOB DYLAN: NOG TWEE NACHTEN SLAPELOOSHEID

bob dylan,gitaar,1965,pop,muziek

Bob Dylan in 1965.

11-04-06

HET ACTIEVE LEVEN

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Shari Eubank

Wat deed ik de voorbije vier of vijf dagen om de tijd te verdrijven en, vooral, om mijn plaats hier op aarde te rechtvaardigen? Want wie denken we wel dat we zijn, dat we hier zo maar mogen verblijven, zonder meer? Ik dacht veel aan de dood, niet mijn dood maar die van anderen, die toevallig of niet de geest gaven. Ik heb er af en toe en hier en daar iets over geschreven: Ivor Cutler, Gene Pitney en Gerard Reve. Ivor Cutler en Gerard Reve waren oude, zieke mannen. Het uitblazen van de laatste adem moet voor hen een verlossing zijn geweest. Gene Pitney was nog te jong. Hij is tijdens een zoveelste toernee in zijn slaap gestorven. 

Donderdag en vrijdag heb ik thuis gewerkt, dossiers behandeld. Dat gaat thuis veel beter dan op kantoor, omdat ik me dan beter kan concentreren. Op kantoor zitten we sinds oktober met z’n allen samen in een grote ruimte. Dat is nog steeds wennen. Thuis werk ik sneller, maar ik neem soms een pauze om eens door het raam te kijken naar de bomen, of de planten water te geven. Ik drink veel water, weinig koffie. ’s Avonds ga ik boodschappen doen en naar de apotheek, voor mijn vrouw, die ziek is. Dit staat in de tegenwoordige tijd, maar behoort tot het verleden. Ze is niet langer ziek wil ik zeggen.

Donderdagavond heb ik, zoals ik hier al liet verstaan, veel naar Gene Pitney geluisterd. Ik was bijna vergeten hoe goed hij was, wat voor een verbluffende zanger, met zoveel inventiviteit in zijn songs, in de arrangementen, maar ook in de keuzes die hij maakte. Ik heb daarna niet naar Hello Mary Loy geluisterd. Ik heb naar Bullit zitten kijken, van Peter Yates, met Steve McQueen, Robert Vaughn en Jacqueline Bisset. De eerste zestig minuten van Bullit overrompelden me door het camerawerk, de posities van de camera, de belichting en de soundtrack. Maar niet door het vrij vervelende verhaal. Ik ben in slaap gevallen en daarna, weer wat uitgerust, heb ik nog wat liggen lezen in het boek van Geert Mak.

Vrijdag was ongeveer hetzelfde scenario, niet als Bullit, maar als de rest van mijn dagen. ’s Avonds ben ik nog laat helemaal alleen naar de heropening van de oude KVS gegaan. Toen ik er aan kwam, buiten adem van het rennen, was ongeveer alles gedaan, de toespraken, het gratis drinken… De mooiste acteurs en actrices waren al vertrokken. Alleen mijn jonge vriend B. stond er nog aan de toog met zijn vriendin, klaar om ook te vertrekken. Ze gaven me nog even respijt om een paar vrolijke verhalen te vertellen over dronkenschap en wreedheid. Dan was ik weer alleen. Wat te doen vroeg ik mij af, zoals de Russische nihilist Tchernichevski. Ik heb het gebouw bezocht, de volledig nieuwe, imposante binnenkant, de bol, een grote zaal, maar toch intiem.

Later heb ik aan een tafeltje in de bar boven naar een enthousiaste jonge man zitten luisteren. Hij kende me van zien en wilde me duidelijk maken wat de jeugd zoal nodig heeft en hoe zij verschilt van de oudere generatie. Voor de generatie van zijn ouders is het hoogste geluk het verwerven van bezit, zegt hij. Ik ben ouder dan zijn vader en bezit niets. Jij bent anders, zegt hij. Niet representatief voor jouw generatie. Jij bent meer zoals wij, een wat oudere versie, ha ha. We praten lang over die verschillen, over de 'revolutie' en het 'behoudsgezinde', zijn vriendin wordt er moe van, haar ogen vallen toe, ze raakt zelfs haar wijn niet meer aan.

Na het afscheid ben ik op dreef en ga ik op zoek naar ander gezelschap. Ik maak geheel toevallig kennis met een zielsverwant, alsof de bliksem mij treft; maar dan wel een ongevaarlijke bliksem. P., zo heet hij, en ik praten over the Byrds, the Flying Burrito Brothers, Gram Parsons, Sneaky Pete en zijn steelgitaar, Elliott Murphy’s eerste langspeelplaten, Aquashow, Diamonds By The Yard en Just A Story From America. Sneaky Pete als begeleider van Commander Cody toen die op de Grote Markt in Brussel optrad in 1976 in het voorprogramma van Elliott Murphy.
P. legt me uit hoe je op een luie manier toch behoorlijk gitaar kunt spelen. Je moet dan de duim gebruiken, dan hoef je geen barrées te nemen. Mijn nieuwe zielsverwant is zelf een gitarist en vooral een begenadigd steelgitarist. Ik heb hem al live aan het werk gezien. Nu bejubelt hij het gitaarspel van AP Carter, James Burton, Cliff Gallup, David Gilmour. We houden allebei van de elpee ‘More’. Gene Pitney, komt ter sprake, waarna er een stilte valt. Muddy Waters, Champion Jack Dupree. Waar is M. toch? Voorzichtig geworden? Wat had ik hem graag gezien, nu op deze feestelijke avond. Hij heeft me deze plek leren kennen. Met hem ben ik hier naar stukken van Hugo Claus komen kijken, in het begin van de jaren zeventig. Ik heb in die periode bij de KVS gesolliciteerd als machinist. Maar ik was waarschijnlijk niet sterk genoeg, ik woog maar vijfenvijftig kilo. Niet dat ze mij daar gewogen hebben.
Steel gitaar, het mooiste instrument voor mij, zegt P.. Het motel waar Gram Parsons is gestorven. Bij Humo werkt iemand die daar, in dat Bed heeft geslapen, zegt hij. Neen, zeg ik, dat heb ik nooit gedaan. Dat zou ik niet willen. Dat is mij wat te morbide. Isn’t that my girl, and isn’t that my best friend? Gene Pitney. We bevelen elkaar boeken aan, geen literatuur, boeken over muzikanten. Ray Charles. Mijn eerste single was ‘I Can’t Stop Loving You’. ‘Modern Sounds In Country & Western’, daar zat steel gitaar op, naar de achtergrond gemixt. Erg goede steel gitaar, zegt P.. Bill Monroe, Flatt & Scruggs. Rednecks. We hebben niet alleen over muziek gepraat, we hebben ook veel gelachen. Dat is nog het beste, dat lachen. We probeerden elkaar niet te overtroeven met onze kennis, we wilden elkaar ons enthousiasme meedelen. Heerlijk.

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Gene Vincent & his Blue Caps


Zaterdag was ik tot niet veel in staat. Ik heb wel veel uitzinnig plezier beleefd aan een kitschfilm die ik van Arte had opgenomen, ‘Supervixens’, van Russ Meyer, met de fantastiche Shari Eubank (in de rollen van Super Angel en Super Vixen). De film is niet helemaal vermakelijk, er komt ook heel wat geweld in, vooral ten aanzien van vrouwen. Maar dat geweld wordt ‘afgekeurd’, en de vrouwen in de film zijn sterk, veel sterker dan de mannen. En loontje komt om zijn boontje. Russ Meyer is zeer geliefd in het rockmilieu. Heel wat rockgroepen hebben hun naam bij hem gevonden, of de titel van een song of een album. De meeste van die rockgroepen hebben weinig te vertellen. Waarom vinden ze niet zelf iets uit? Nou ja, iedereen heeft altijd wel ergens iets van iemand anders. Zo heb ik 'hoochiekoochie' van Muddy Waters, zij het anders gespeld. Die bluesconnotatie voor een 'literaire' weblog sprak me wel aan. Die verwijzing naar neuken en zuipen, om het maar eens te zeggen zoals het is. Twee bezigheden die mij volkomen vreemd zijn.

De voorbije dagen deed ik ook andere dingen, waar ik geen woorden voor heb gevonden, of indien wel bewaar ik ze voor later.

19-12-05

WHEN THE MUSIC'S OVER...


SteveWynn


‘Boys don’t cry’ zongen de jongens vroeger, en dat is nog altijd het geval in wat wij de wereld noemen. Een wereld beheerst door George W. Bush, Arnold Schwarzenegger en andere gore helden. Kerels die zelf niet huilen, maar veeleer anderen willen doen huilen; het lijkt er zelfs op dat dergelijke sterke mannen de wereld willen vernietigen, met alle softies, dierenliefhebbers, asielzoekers, arabieren, kortom met alle mogelijke categorieën van ellendigheid die zij zich kunnen voorstellen erbij.
Ik heb gisteren urenlang gehuild, bijna de hele dag. Er waren vele redenen voor. Een reden was de toestand van de wereld, zoals hierboven al duidelijk werd. Een andere reden was dat ik mijn computer miste, dat dierbaar wezen (waar ik maandenlang mijn emoties in had geïnvesteerd). De dag voordien was mijn vriend B het wezentje komen halen om het naar Antwerpen te brengen, waar B’s vriend het zal proberen te herstellen. Het heeft een nieuwe ziel nodig, en misschien een nieuw hart. Zijn (of haar) geheugen is nog goed. Hoe lang dat zal duren weet alleen god, maar daar geloof ik niet in. Agata gelooft wel in god, maar ik niet. Ik geloof dat alleen Polen nog in God geloven, ik ben echter geen echte Pool. Ik doe maar alsof.

Bij het betreden van mijn kamer, zondagochtend, werd het mij droef te moede, om eens een oude uitdrukking te gebruiken. Ik dacht, ik zal wat lieflijke muziek opleggen, bij wijze van troost. Ik had onlangs speciaal een compilatie gemaakt van melancholische liederen, met dat doel – van troost in troosteloze dagen - voor ogen. Het derde lied was There’s Too Much On My Mind, van The Kinks, hier beneden, voorafgaand aan 'Het Nieuwe Leven' (een tekst die kennelijk te lang is, beweert een zekere Marlon, die overigens in 'Het Nieuwe Leven' zelf opduikt), aangehaald. Toen ik Ray Davies ‘there’s too much on my mind and there’s nothing i can say about it, there’s too much on my mind and there’s nothing i can do about it ’ hoorde zingen, werd het mij teveel. De tranen rolden over mijn wangen. En ik schaamde me niet. George W. en Schwarzenegger hadden mij gerust voor een keer mogen begluren.
Er zijn nog andere redenen, en ze zijn van zeer ernstige aard. Sommige kan ik onmogelijk onthullen, omdat ik het vertrouwen van mensen die me dierbaar zijn niet wil schenden. Vandaar ook die identificatie met het lied van Ray Davies: ik kan er niet over spreken. Eigenlijk denk ik dat ik er wel iets over zou kunnen zeggen, maar daarvoor heb ik tijd nodig, en die heb ik niet, aangezien ik thuis niet kan werken. Dit schrijf ik snel tijdens een vrij moment op het werk.


Mijn schoonbroer woonde in een klein dorp, op Mykonos, al een tiental jaren. Het is een goede kerel. Hij zou geen vlieg kwaad doen, zoals de mensen zeggen. Zowat een maand geleden heeft iemand hem in dat lieflijke dorp de kop ingeslagen. Schedelbreuk, twee weken coma. Mijn schoonbroer was met niets in orde. Ook niet met het ziekenhonds. Met de helikopter van Mykonos naar een beter ziekenhuis in Athene werd hij gevoerd. Maar was het een goed ziekenhuis? We betwijfelen het. Vervolgens werd hij met een speciaal vliegtuig van Athene naar Sint-Pieters hier in Brussel overgebracht. Dat gaat veel geld kosten aan de familie. Maar veel erger is zijn toestand. Kan er nog iets, of is het een stand die toe is? Zal hij ooit nog kunnen praten, lachen, lopen? We maken ons daar veel zorgen over. We zijn van streek. A, die zo al zelden echt gelukkig is – waarom weet niemand, waarom zijn sommige mensen toch zo ongelukkig? – is van streek. Het ongeluk heeft haar familie eens te meer getroffen. Een Griekse tragedie.

Gisteravond tegen wil en dank naar Steve Wynn & the Miracle 3. We hadden vrijdagavond al kaartjes voor Julius C. van Dood Paard in de la laten liggen. Ik dacht echter dat die muziek ons zou opbeuren, een mooiere wereld voor ons zou openen. Dat was ook mogelijk geweest, omdat Steve Wynn daartoe in staat is, met zijn aanstekelijke songs, met zijn opgewekte, dynamische melodieën, met zijn jong-dylaneske stem en vloeiende gitaarlijnen. Met zijn positieve punk attitude. Is dat laatste een tegenspraak? Voor mij althans niet. Zoals te verwachten was heeft de muziek ons niet opgebeurd. A’s gevoelens hebben het begeven, haar zenuwen hebben het begeven, haar gezond verstand heeft het begeven. Haar vermogen om plezier te maken is omgeslagen in afschuw en haat. The horror! In grote droefheid, misnoegdheid en verontwaardiging zijn we huiswaarts gekeerd. Vreemden voor elkaar, niet in staat elkaar te troosten, elkaar het onzegbare te zeggen. Niet in staat om lief te hebben. Nooit in mijn leven heb ik zo verlangd naar een machine als gisteravond na dat concert. Maar wat had ik met die machine kunnen doen? Ik was verblind door het leven, sprakeloos, verlamd. Zou ik ooit nog kunnen spreken? En was dat van enig belang.

05-12-05

IN MEMORIAM LINK WRAY

 

link wray,ab,rock and roll,rock,pop,popcultuur,robert gordon,dood,gitarist,gitaar,pulp fiction

Zanger en gitarist Link Wray overleed begin november in Kopenhagen. Dat is precies een maand geleden. En ongeveer even lang ben ik op de hoogte van zijn dood. Waarom heb ik er dan met geen woord over gerept, terwijl ik zijn muziek bijna dagelijks op mijn iPod hoor? Ik weet het niet, ik moet het antwoord schuldig blijven. Link Wray was zeker geen muzikaal genie, maar hij was origineel en echt. Het door velen geprezen instrumentale ‘Rumble’ (ook te horen in Pulp Fiction) heeft mij nooit zo kunnen bekoren, maar ik ben wel gek op de platen die Link Wray in het begin van de jaren negentienzeventig heeft opgenomen, voor het grootste deel in een schuur. Link Wray was een halfbloed Shawnee Indiaan. Zulke mensen krijgen altijd minder kansen dan anderen en wellicht heeft hij om die reden zijn toevlucht moeten zoeken tot een dergelijke minimalistische studio. 

Muziekliefhebbers die geïnteresseerd zijn in stevige gitaarrock met country- en gospelinvloeden (of americana) raad ik de volgende elpees aan: LINK WRAY (1971), MORDICAI JONES (1971), BEANS AND FATBACK (1973), BE WHAT YOU WANT TO (1973), THE LINK WRAY RUMBLE (1974) en de twee platen die hij samen met Robert Gordon opnam, ROBERT GORDON WITH LINK WRAY (1977) en FRESH FISH SPECIAL (1977). Allemaal zeer de moeite waard.

 

link wray,ab,rock and roll,rock,pop,popcultuur,robert gordon,dood,gitarist,gitaar,pulp fiction

In de periode dat Link Wray met de wat overroepen Robert Gordon samenwerkte heb ik hem ook live aan het werk gezien in de AB. Dat was een van de meest intense concerten die ik ooit heb bijgewoond. Ik ben er met nogal zware koorts naartoe gegaan, op de vooravond van mijn verjaardag, aan het begin van de zomer, en als een genezen jongeman heb ik de AB toen verlaten. Miraculeuze genezing! Natuulijk had ik wel behoorlijk wat Jim Beam gedronken, want dat hoorde bij die muziek en bij de wijze waarop ik toen leefde, en die drank helpt ook tegen griepjes wordt beweerd. Om te weten in welk jaar dat precies was, zou ik mijn dagboeken moeten gaan uitpluizen, maar het zal waarschijnlijk in 1979 zijn geweest, de tijd van the Clash, the Jam en the Slits (waar ik toen ook nog van hield, dat is nu veel minder het geval).
Link Wray was een man naar mijn hart. Niemand speelde gitaar zoals hij. Om je er een idee van te vormen, mocht je hem niet kennen, raad ik je aan om te beginnen met I’m So Glad op Beans And Fatback, terug te vinden op de compilatie-CD Guitar Preacher - The Polydor Years.
Link Wray werd geboren op 2 mei 1929 en stierf op 5 november 2005: voor een rock & roller kan dat tellen.