02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

20-10-14

WILLIAM EGGLESTON: DONKERE KANT VAN DE AMERIKAANSE DROOM

william eggleston3.jpg

Eind september bezocht ik de tentoonstelling ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ in het Parijse Fondation Henri Cartier-Bresson. Geen majestueus gebouw, eerder bescheiden, maar toch ook ruim en luchtig. Het werk van Eggleston komt goed tot zijn recht in de sobere ruimtes; door het schaarse publiek was het mogelijk om elk beeld aandachtig te bekijken. Bij sommige foto’s verdween ik uit Parijs en kwam ergens in Tennessee terecht, met mijn voeten op de warme Zuiderse grond in die staat, waarvan de naam mijn hart bijna altijd wat sneller doet kloppen. Memphis, Elvis, Graceland, de Sun studio, Stax, soul, Alex Chilton, Big Star, the Peabody Hotel, de Mississippi.

Zonder me ervan bewust te zijn heb ik het werk van William Eggleston voor het eerst gezien op elpeehoezen: de al genoemde Big Star en Alex Chilton maar ook Green On Red die in Memphis onder begeleiding van James Luther Dickinson in Memphis hun geweldige elpee ‘Here Come The Snakes’ opnamen. Het kan geen toeval zijn dat deze muziek net als de foto’s van Eggleston de tand des tijds heeft weten te trotseren. Het kan ook geen toeval zijn dat ik op de trein van Parijs terug naar Brussel vaststelde dat de foto op de hoes van Sid Selvidge’s ‘The Cold Of The Morning’ – uit 1976, nu pas op cd uitgebracht – van Eggleston is. Ik had de cd een dag eerder bij de fantastische platenwinkel Gibert Joseph aangeschaft.
william eggleston2.jpeg

William Egglestons pop art lijkt minder tijdsgebonden dan die van Andy Warhol. Beide kunstenaars zijn geïnteresseerd in wat doorgaans ‘het banale’ wordt genoemd. Bij Warhol onder meer  Brillo-dozen, Campbell-soep, Coca Cola, Marilyn Monroe, auto-ongevallen; bij Eggleston shopping malls, gloeilampen aan het plafond, diners, pompstations, afgelegen wegen, auto’s, gootstenen, gasfornuizen, koelkasten. Wellicht is fotografie een geschikter medium dan assemblages, zeefdrukken en dergelijke, om zulke objecten, ‘gewone’ voorwerpen, aan de tijd te ontrukken en ze voor een langere periode in een tijdloos nu te plaatsen. En niet de fotografie in het algemeen maar die van William Eggleston, met zijn specifieke standpunten, invalshoeken en uitsnedes (“crops”) in het bijzonder.

De foto’s van Eggleston zijn woorden, zinnen, paragrafen van een lange roman, een roman fleuve die de lotgevallen vertelt, niet van enkele personages, maar van voorwerpen, van alledaagse, banale dingen. De foto’s van deze kunstenaar lijken snapshots, en zijn het ook, maar tegelijk zijn ze veel meer dan dat, zeker als je ze in een reeks ziet, als je de interactie tussen de beelden ziet, als je beseft dat de objecten met elkaar omgaan als personages in een verhaal. En behalve de dagelijkse voorwerpen zijn er de ruimtes en landschappen, de bijna zinloze context waarbinnen de dingen zin zouden moeten krijgen; maar of ze die krijgen hangt van de toeschouwer af. Het zijn “visual metaphors of an alienated world” schrijft Thomas Weski in ‘The Tender-Cruel Camera’.
William-Eggleston-Near-the-River-at-Greenville,-Mississippi-1984-painting-artwork-print.jpeg

Je ziet zeker niet altijd mensen op de foto’s van Eggleston. (Waar mijn voorkeur nochtans naar uitgaat.) Maar elk voorwerp, elk landschap is doordrongen van menselijke aanwezigheid. En de mensen die je wel ziet lijken bang, onzeker, vijandig, mogelijk gewelddadig, neurotisch. Vervreemd van hun omgeving, die zelf al erg vreemd is, ook al fotografeert Eggleston meestal in Tennessee, de staat waar hij als rijkeluiszoon is opgegroeid. Van die rijkdom is zijn fascinatie voor dure auto’s en een dandyachtige verschijning overgebleven. Vaak maakt hij foto’s vanuit een van zijn luxueuze auto’s. Niet zo verbazingwekkend dat personen die op die manier gefotografeerd worden er verontrust of schrikachtig uitzien. Maar rijke afkomst of niet: Eggleston noemt zijn stijl democratisch. Dat heeft onder meer met die standpunten en cadrages te maken. Het gaat bij hem om een democratie waar een broodrooster evenveel of even weinig waard is, evenveel of even weinig aandacht verdient als een man met een revolver. Als je dat beseft voel je je wat ongemakkelijk. Of bedreigd, zelfs. Dat had ik al in 1989 bij het bekijken van de hoes van ‘Here Come the Snakes’ van Green On Red. Degene die mij kan vertellen voor wat de bloederige bijl op de foto dient, trakteer ik een trappist in café Cirio. De hoesfoto van Alex Chilton’s ‘Like Flies On Sherbert’, een tegendraads voodoo-meesterwerk (1), is ook behoorlijk onheilspellend. In haar voorwoord bij de catalogus van de tentoonstelling heeft Agnès Sire het over die dreigende ondertonen: “Everything is silent, almost menacing. One sometimes senses danger just at the edge of the field; the color seems more realistic, more direct.”
william eggleston, parijs, tentoonstelling, fotografie, tennessee, memphis, voorlopger, baanbreker, fondation henri cartier-bresson, memphis, elpeehoezen, banaliteit, pop art, andy warhol, tijd, transcendentie, muziek, rock, alex chilton, big star, green on red, jim dickinson, sid selvidge, gibert joseph, chrome, objecten, voorwerpen, alledaags, gevaar, dreiging, techniek, roman, roman fleuve, auto's, rijkdom, democratische stijl, robert frank, the americans,

Een voorloper van William Eggleston was Robert Frank, vooral bekend van zijn ‘The Americans’, met het voorwoord van Jack Kerouac. Frank maakte eveneens foto’s van een ander Amerika, een Amerika waar armoede, alcoholisme, racisme, geweld en televisie het leven beheersten. Het waren snapshots, onderweg gemaakt, foto’s waar de gevestigde fotografen en curatoren op neerkeken.
Maar Eggleston kende het werk van Frank niet. In Tennessee vond je in de jaren vijftig en zestig geen fotoboeken. Naast Robert Frank en Eggleston waren er andere fotografen die in ongeveer dezelfde periode braken met het fotografisch classicisme en een nieuwe taal uitvonden: Diane Arbus, Lee Friedlander en Gary Winogrand. Weg met de conventies, weg met de objectiviteit, leken ze te zeggen. Gary Winogrand maakte foto’s om te zien hoe de dingen eruitzagen.

Wie de donkere kant van de Amerikaanse droom wil zien en van de films van David Lynch, PT Anderson (vooral ‘Hard Eight’) en Gus Van Sant houdt, raad ik een bezoek aan de tentoonstelling aan. De foto’s komen er zoveel meer tot hun recht dan in een boek of online. ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ loopt nog tot 21 december.

william-eggleston-theredlist.jpg

(1) Allmusic's David Cleary was van mening dat "sound quality is terrible, instrumental balances are careless and haphazard, and some selections even begin with recording start-up sound." En beschreef de elpee als "universally slipshod and boorish...sloppy and lackluster."
De illustere Stephen Thomas Erlewine was ervan overtuigd dat Sherbert "a front-runner for the worst album ever made” was.

  

17-11-11

VIA CHICAGO (NAAR NEW YORK)

 neworleans1992.jpg

New Orleans, September 1992. Foto: Laura S.

Ik reis voor de eerste keer in mijn leven naar New York.  De dagen van euforie en rhythm & blues in New Orleans en Memphis zijn achter de rug. Zinderende hitte aan de bruine Mississippi. Cajuns die kippen voeren aan bloeddorstige alligators. Straatmuzikanten die Hoochie Koochie Man spelen in Handy Park. Schwab’s, waar Elvis zijn hemden kocht. Flitsen uit een technicolor-droom.

Nu is de tijd gekomen voor de rauwe, gevaarlijke stad. Daar heeft iedereen me voor gewaarschuwd, dat New York de hel is.

In het vliegtuig van Chicago naar New York kunnen Laura en ik niet naast elkaar zitten. Ik krijg een zit naast een wat oudere, zwaarlijvige kerel met een vliegeniersbril. Een gezellige, wat cynische Vietnam-veteraan. Hij heeft de hele wereld gezien : in Montana gewoond, in Anchorage, in Guam, in Tokio. Zijn vrouw komt uit Texas. Nu wonen ze in New Hampshire. Werkt hij voor de CIA ?  Het zou wel eens kunnen. Zijn precieze beroep is mij alleszins niet duidelijk. In Japan heeft hij het liefst gewoond, zegt hij. Een paradijselijk land, vriendelijke bevolking. New York is vuil en gevaarlijk, zegt hij. Wees maar voorzichtig. Mijn zoon is er al twee keer overvallen, zeg hij. Een keer hebben ze hem toen hij op weg was naar zijn werk zijn walkman afgenomen. De dikke man zegt dat ik spreek als een Cajun. "At first I thought you were a cajun" zegt hij. Maar ik heb natuurlijk mijn t-shirt aan met in twee talen"let the good times roll".  Als ik uit het vliegtuig stap en de daarop volgende uren zie ik moordlust in de ogen van alle passanten. Bestelen zullen me zeker. Of erger. Al die crackverslaafden met hun knipmessen en Smith & Wessons. De dikke man heeft mijn verblijf in New York wel goed verknoeid, denk ik. Maar na twee uur, of eerder al, ontwaak ik uit mijn nachtmerrie. New York is de mooiste, de levendigste, de meest gastvrije stad van de wereld. Ik zal er nog vaak terugkeren.

SCHWABS1992.jpg

Schabs's, Beale Street, Memphis, 1992. Foto: Laura S.

10-03-08

IS ER LEVEN NA DE WITTE NACHT?

Zwart stapte al wat aangeschoten de Archiduc binnen. Wat hij zag waren mensen die stonden te drinken en praten. Achter de bar jongleerden twee barmannen met drankjes en glazen. Hij hoorde het gerinkel, het gelach, het geroezemoes, zag iemand betalen. 

In een ander café, de Mort Subite, had hij een pakje Amerikaanse sigaretten gevonden; het lag gewoon bovenop zijn jas, die opgevouwen op een stoel lag. Hij had met Venetiaanse studenten en hun leraar zitten praten.

Nu, na zevenentwintig jaar abstinentie, stak hij een Marlboro op. Hoe moest je zo’n sigaret vasthouden om jezelf niet belachelijk te maken? Gemakkelijk was het niet. Het kostte Zwart minder moeite om een stukje blues op zijn gitaar te spelen. Maar die had hij niet bij zich. Eerst was het wat donker geweest in de Archiduc maar nu was het al heel wat lichter. A clear well-lighted place, daar hield hij van. En van bier en rumoerige mensen, en nu ook van die sigaret. Naast hem aan de bar stond een jongeman, een mooi gezicht, lange zwarte lokken, expressieve ogen. Lijkt hij niet wat op Benicio Del Toro? Ik kan me vergissen. Zwart bood de jongen een sigaret aan, een glas bier. Ik ben geen homo, hoor, zei hij, ik ben gewoon goed gezind. Wat later rolde de jongen een joint. Zwart nam voorzichtig een trekje. Hij vreesde voor zijn longen, eerst een sigaret en nu dit. Maar het was goed. Er was geen reden voor angst of paniek. Het ging allemaal goed. De mooie jongen zei niet veel. Hij rolde liever joints. Beiden keken om zich heen naar de andere mensen in de bar. Iedereen zag er tevreden uit. De barmannen lachten, alsof ze een grappige, goed belichte scène speelden.

Een zwaargebouwde man met een groot rond, kaal hoofd kwam op Zwart toegestapt. Zag hij er niet boosaardig uit? Zwart was bang. Hij wilde niet nog een keer bloedend over straat rollen, zijn jas en hemd stukgescheurd. Een gebroken neus of erger. Nu stond de man met het ronde hoofd voor hem en leek hem dreigend aan te kijken. Is dit nu de hel? En ik die zonet nog dacht dat het de hemel was. Toen glimlachte de man met het ronde hoofd. Hij vroeg waarom Zwart zo geschrokken uit zijn ogen keek. Zwart zei dat hij had gedacht dat de man hem zou slaan. De man lachte. Ik zal je nooit slaan, zei hij. De man bestelde Zwart een drankje. Alle spanning viel van hem af. De wereld liet zich opnieuw van de goede kant zien. Goede mensen bestaan. Zwart werd euforisch, maakte plannen. Hij stelde de man met het ronde hoofd voor om samen festivals, feesten, verklede bals, poëzienachten te organiseren. Zwart zou ervoor zorgen dat de goede mensen binnen zouden komen, de man met het ronde hoofd zou de slechte mensen buiten houden. Zo zouden de taken worden verdeeld. Benicio Del Toro liet nog een jointje rondgaan. Elk ogenblik wordt het minder donker om me heen. Sta ik hier dan toch niet te sterven? Het leven en de dood gaan hand in hand. Van heel ver kwam de bebop jazz, blauwe wolken in het heldere licht. Je kunt je leven niet plannen. Je zegt, ik doe dit en je doet het andere. Is het toeval of is het noodlot? Je leeft er maar op los, als een insect, een eendagsvlieg, een vlinder, een mens.


’s Morgens vroeg bij zijn geliefde kroop Zwart op handen en voeten door de kamer en deed een leeuw na. Een leeuw met het begin van een kater. Wat later had hij zijn gitaar vast. Hij wilde een serenade spelen maar vond de snaren niet. En dan werd het weer donker. Het was het begin van een lange, donkere reis naar de volgende dag.

02-09-06

WERKEN IN DE MUZIEK


Over enkele uren vertrek ik weer naar Antwerpen voor mijn maandelijks radioprogramma. Alleen al het idee naar mijn geliefde geboortestad terug te keren stemt me vrolijk, ook al is ze zo erg besmet door het haat en negativisme predikende Vlaams Blok (waar niemand enig belang bij heeft). Die politieke situatie wil ik vandaag echter vergeten. Ik word er enkele uren lang mijn andere, opgewekte zelf, dat van dj op radio centraal, en ontmoet nog een keer mijn goede vrienden.
De schrik om bij terugkeer ’s avonds laat op de trein beroofd te worden zit er wel in, maar ik probeer er zo weinig mogelijk aan te denken. Ik ben wel alert. Wantrouwen heeft zich meester van me gemaakt. Je moet altijd op je zaken letten. Mijn identiteitskaart kan niet worden gestolen, want die heb ik nog niet. Ik neem ook zo weinig mogelijk mee. Een iPod kan niet meer, dat is veel te gevaarlijk. Ik heb het niet over schrik om overvallen te worden in Antwerpen. De fascisten zijn niet gevaarlijk op dat vlak, voorlopig toch nog niet. Ik heb het over de schrik bij mijn terugkeer in Brussel; de stations Brussel-Noord, Brussel-Centraal en Brussel-Zuid. Alledrie spuuglelijke stations overigens, maar ook die wil ik buiten beschouwing laten. In ieder geval is het een herademing in Antwerpen Centraal aan te komen. Die grote open hal is voor mij een symbool van gastvrijheid. Het is alsof de stad mij met open armen ontvangt.

Vandaag is mijn programma gewijd aan het thema werk en jobs. Doordat ik een voorkeur heb voor Amerikaanse populaire muziek (country, blues, r&b, soul, folk, enzovoort) zijn de beroepen ook nogal Amerikaans geaard. Wat betekent voor de doorsnee Europeaan een ‘state trooper’, een ‘brakeman’, ‘pick a bale of cotton’, een ‘moonshiner ‘of de ‘new york mining disaster 1941’? Sommigen kennen dat allemaal wel, door de muziek, of dankzij de film, maar het maakt mij niet uit. Ik wil gewoon een goed en goed samenhangend programma maken. Anderen zullen wel aandacht besteden aan typisch Europese, Belgische en Vlaamse verschijnselen. Ik ben zeer sterk gehecht aan de Europese cultuur (Parijs, Wenen, Berlijn), maar naast die Europese Dr. Jekyll ben ik ook een Amerikaanse Mr. Hyde; mijn ziel vloeit over van de americana, ook al verafschuwt zelfs de Mr. Hyde in mij de Amerikaanse president en zijn trawanten. Americana is de cultuur van de ‘gewone’ Amerikaanse mensen, bijna allemaal immigranten. Van al deze mensen hebben er maar weinig voor Bush gestemd. Klootzakken vind je natuurlijk overal, net zo goed in de Verenigde Staten als bij ons. Maar ik houd met hart en ziel van al die hybride muziekvormen die de Amerikaanse bevolking in haar korte geschiedenis heeft voortgebracht. Exemplarisch is de muziek van Bob Dylan, die eigenlijk een synthese is van al die verschillende vormen. Zijn Modern Times brengt dat hybride weer voortreffelijk ten gehore.
In Budapest hoorde ik nogmaals hoe Béla Bartok zijn composities baseerde op de volksmuziek van zijn land, van Transsylvanië, maar ook van Turkije (waar hij opnames maakte). Het maakt niet uit welke muziek een muzikant speelt, zegt Bartok, alleen moet hij het kunnen en het goed doen, anders brengt hij er niets van terecht, niet in de ‘klassieke’ muziek en niet in de ‘volksmuziek’. Zelf maak ik niet eens dat onderscheid. Is het nodig, moeten we categoriseren, hiërarchieën aanbrengen om de werkelijkheid te begrijpen? Of moeten we ons net tegen dergelijk indelingen – het hokjesdenken – verzetten? Stof om over na te denken, maar niet nu, want ik ben gehaast, ik zie de treinbestuurder al aanstalten maken om te vertrekken.

01-08-06

REIS NAAR HET BEGIN VAN DE DAG

anderlecht,martin pulaski,foto,inge v,lucca,italie,charleroi,taxi,snelheid,gevaar,vertraging,pisa

Foto: Inge Vande Walle

Ik ben weer thuis, oud en vertrouwd, zij het met een nieuwe bril. Mijn wonden heb ik gelikt. Niet dat ze genezen zijn. Later vertel ik over de mooie dingen die ik gezien heb en de fijne mensen met wie ik heb gereisd. Vriendschap is het hoogste goed. Nu ben ik nog moe. Dat is bij mij meestal het geval, dat ik moe terugkeer van een reis. Of ziek. Nu ben ik niet ziek. Ik voel me zelfs enigszins genezen. Maar de zin om de hoofdstad in te gaan en feest te vieren, - hé, jongens, ik ben weer thuis -, dat heb ik niet meer. Ik blijf weg uit de stad. Zodra ik mij een bodyguard kan veroorloven, dan keer ik misschien terug naar mijn vertrouwde plekken. Voorlopig houd ik het veilig. Ik moet natuurlijk wel gaan werken, en dat is ook in diezelfde schrikbarende stad. 

Ryanair was de laatste keer. Dat was de enige negatieve ervaring van mijn reis. De vlucht naar Pisa kost echt weinig. Terugkeren is al wat duurder. Ze weten dat je wel terug moet, dus kunnen ze dat doen. Een ritje met de taxi van Charleroi naar Brussel kost echter 90 euro. Ongeveer evenveel als de prijs van de gehele vlucht. Er zijn wel shuttles naar Brussel Zuid, dertig per dag zeggen ze, maar niet als het vliegtuig vertraging heeft. Ik had geen zin om een nachtje in Charleroi door te brengen, een wellicht nog gevaarlijker stad dan ‘my hometown’. Dat vertelde de taxichauffeur mij althans. Er zitten geregeld gewapende mannen in zijn wagen. Hij houdt dat stil, geen politie, te gevaarlijk, represailles. Bloedende mensen op straat blijven liggen tot ene toevallige en onverschrokken voorbijganger ze vindt. Dat is het eerste verhaal dat je hoort als je terug in België bent! Drugdealers, bendes, afrekeningen, omerta. Terwijl we aan 167 km over de autosnelweg rijden. Die helse rit maakte me niet eens bang. Dat zal wel normaal zijn als je twee weken tevoren de dood in de ogen hebt gekeken. Van de luchthaven van Charleroi (“Brussels South”) tot in Anderlecht aan het stadspark in 20 minuten. Ik denk dat de taxichauffeur zowat alle verkeersregels heeft overtreden. Zeker weet ik het niet, want ik heb geen auto en ken de verkeersregels niet. Ik denk dat je in een zone 60 maar 60 mag rijden en geen 149. Maar ik was vroeg thuis, en tevreden, zij het blut. Om 2 uur had ik mijn koffer al uitgepakt. Om 3 uur lag ik in bed. Ja, Ryanair is een klant kwijt. Maar Lucca krijgt een verlenging. En mijn reisgezellinen ook, zulke charmante en begripvolle dames bestaan er niet veel meer, denk ik. Hun gezelschap is ongetwijfeld zeer heilzaam voor me geweest.

17-07-06

BRUSSEL IS EEN GEVAARLIJKE STAD

brussel,gevaar,misdaad,dieven,zinloos geweld,levenslust,boeven,valse vrienden,donkere terrassen,pooiers,bont en blauw,schoppen,taxi,politie,aasgieren,middernacht,middernacht van de ziel,ex-schoonbroer,dronkaards,zatlappen,gebroken ribben,ademnood,haat,geweld,frustratie,onverschilligheid

Brussel is een gevaarlijke stad. Je leest het in de krant, soms zie je het eens een keer op televisie. Je beleeft het al eens aan den lijve. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Na middernacht, maar soms ook veel vroeger, komen naast de goede mensen die feest willen vieren en gelukkig zijn, de lage mensen buiten, de aasgieren zullen we maar zeggen. Voor 20 euro snijden ze een zwakke feestvierder de keel over. Je mag al zeer tevreden zijn als het ongedierte - een veel te mooi woord en beledigend voor het werkelijke ongedierte, maar ik vind geen alternatief - je alleen maar bont en blauw schopt. Je mag al zeer tevreden zijn als je levend en nog enigszins intact de nachtelijke Brusselse straten achter je kunt laten, de ruige kroegen, de donkere terrassen, het gejank van de ambulances, de ziekenhuizen, de geweldenaars met hun vuisten, stevige schoenen en messen, met hun dure auto's, de onverschilligen, de politiekantoren (met hun onbeschoft en zeer humaan personeel). Je mag al zeer tevreden zijn als je na een lange en bange taxirit troost kan vinden in de armen van je geliefde. 


Brussel is een gevaarlijke stad. Meer kan ik er op dit ogenblik niet over zeggen. Mijn vakantie is begonnen.

20-07-05

EEN AANTAL SPOREN


CINEMA2


Als ik niets te vertellen heb, kan ik ook niets bedenken. Ik heb geen fantasie en kan niet liegen. Als ik niets te vertellen heb zijn er drie mogelijkheden:

1.Ik geef je helemaal niets.
2.Ik geef je oude verzinsels.
3.Ik laat in mijn kaarten kijken (sporen).

Liefde

Liefde als een bron van groot moreel gevaar, “door haar partijdigheid en de ermee gepaard gaande extreme kwetsbaarheid, die de koppeling met jaloezie en woede vrijwel onontkoombaar maken.” Dat las ik tot mijn grote schrik in ‘Oplevingen van het denken’ van Martha Nussbaum.

Teleurstelling

“Het streven van gisteren gold voor het ik van gisteren en niet voor dat van vandaag. Wij zijn teleurgesteld dat datgene wat wij zo graag bereikt noemen, zo nietig blijkt te zijn.” Toen Samuel Beckett dit schreef in verband met Marcel Proust vertelde hij niets nieuws. Dit idee vinden we reeds bij Kant terug en, nog meer uitgewerkt, bij Schopenhauer. “Zodra we iets krijgen waarnaar we hebben verlangd ontdekken we dat het niets voorstelt, en leven we alweer in de hoop op iets beters, hoewel we tegelijkertijd ook vol spijt verlangen naar wat voorbij is. Met het heden nemen we maar voorlopig genoegen, en we beschouwen het alleen als de weg naar het doel.” Dat schrijft Schopenhauer in ‘Over de nietigheid van het bestaan.’Onze dorst naar bezit is onlesbaar, ongeacht het object van ons verlangen.

Dichtkunst

“De goede dichters van epen danken al die mooie poëzie niet aan vakmanschap, de oorzaak is dat zij van god vervuld en bezeten raken. Hetzelfde doet zich bij de goede lyrici voor. Zoals de korybantenvolgers als hun geest helder is niet kunnen dansen, zo maken de lyrici die mooie liederen niet als hun geest helder is. Maar wanneer ze onder invloed komen van harmonie en ritme, ontstijgen ze zichzelf en raken ze bezeten. Zoals de Bacchanten die honing en melk uit de rivieren scheppen wanneer ze bezeten zijn, maar dit nalaten wanneer hun geest helder is – zo werkt ook de ziel van de lyrici, naar ze zelf verklaren.
Want de dichters zeggen ons, dunkt me, dat hun zoete liederen die ze ons brengen, eerst uit de van zoete honing overvloeiende bronnen in zekere tuinen en dalen van de Muzen gepuurd hebben. De bijen gelijk – en vliegen kunnen zij ook al. Ze spreken de waarheid: een licht gevleugeld en heilig ding is de dichter, die niet kan scheppen eer hij vol van god en leeg van zinnen raakt, zijn verstand hem niet meer hindert. Zolang hij nog over zijn verstand beschikt, is geen mens in staat te dichten en te profeteren.” Plato, Ion.