31-10-13

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.
PESSOA1.jpg

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak - was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig - en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.”

In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter. 
PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

a brasileiro.jpg

Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.

...

*Fragment uit: 'Sigarenwinkel',  Alvaro de Campos

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

10-04-09

IN TROEBEL WATER (ZELFPORTRET ZONDER ZELF II)


Je zwemt in troebel water.

Je bent geen vis, niet zuiver op de graat.

Auto’s gaan slippen als je praat.

Je schrijft met onzichtbare inkt.

Je leest geen woorden, geen zinnen.

Je leest organen, rook, melkwegen.

Je leest gelach, schrik, weefsels.

Je bent geen Beatles; geen Michael Stipe.

Je gelooft niet in karma.

Je gelooft niet in het lot.

Je gelooft niet in hele avonden in cafés.

Je gaat neerliggen in negatieve velden.

Maar je gelooft in begin noch slot.

(De dode zon van Ray Charles

Op een gesolariseerde foto,

Op een flou artistique van een Naams danseresje

Schijnt.)

Bergen papieren om je heen.

Je moet nog leren klimmen.

Springen van klip tot klip.

Herinner je je Kevin Coyne’s False Friends?

Hoeveel plezier je daar aan beleefde.

Toch dacht je aan je vrienden

Die niet eens vals waren.

Een berg mieren, en de bekende stier

Die je naar bodega’s lokken wil.

Als je nog eens blokrijdt naar het Zuiden.

Weggeknipt uit een film.

Was je geen extra, immers.

Extraterrestriaal, magistraal, onwetend.

Moet er niet wat structuur worden aangebracht?

De logica zoek?

Ach, de hoofdletters vanzelf aan het begin van

Elke regel: dat kan volstaan als verklaring

In het troebel water, waar niet wordt gevist

En niet gevangen - of vang je ze al?

Tot slot nog wat dansen aan de rand.

Een calypso, ‘n bossa nova, met Olive Oyl -

En Check Mister Popeye in de gevarenzone.

Dansen in een open plek in het woud

Tussen de bomen en ver van steenvlaktes

Waar dwergen vuurtje stoken en zo.

Nee, je valse vrienden gingen niet op de loop

Met je idee van geluk.

Ze waren niet eens vals.

Gesteld dat ze in andere tijden leefden.

Terwijl jij zweefvliegde en zwom in troebel water.

12-09-08

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


mb 1968


Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging - in plaats van filosofie te studeren - leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! 
moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Foto: copyright Martin Pulaski.

11-07-08

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

 

Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

16-06-08

BLOOMSDAY

bloomsday,terugblik,poezie,gedichten,voorbeelden,james joyce,leven,tijd,modernisme,ulysses

Vandaag is het Bloomsday. Als we toch feest willen vieren, waarom dan niet op de dag die uit de verbeelding van een schrijver is ontstaan?  Een retorische vraag, natuurlijk. Maar ik ben niet in een feeststemming. Er is bijna een half jaar voorbij, een half jaar waarin niets is gebeurd, om Iggy Pop te parafraseren. Ik heb wat door het raam gekeken, ben enkele zaterdagen in Antwerpen geweest, heb twee films gezien en ben naar twee of drie concerten geweest. Er was een korte reis naar Porto, waar het gezelschap van  jonge vrienden en kunstenaars me wat nieuwe energie heeft gegeven, hoewel ze snel weer wegsmelt als ik hier zonder voornemens of plannen op de avond zit te wachten. Ik moet gedichten schrijven, verhalen, een tegengewicht bieden tegen de mediocriteit van deze tijd. Ik moet mezelf heruitvinden, een nieuwe mens worden. Maar de ademruimte ontbreekt me, de zin, de echte goesting.

Soms, zoals de voorbije dagen, ontstaat er wel opeens een gedicht, en dan voel ik me verwant met Rilke en Hölderlin, hoewel ik niet weet of mijn werk even hoog staat. Ik denk het niet. Maar ik schrijf al gedichten sinds 1965, daarom denk ik dat niet alles wat ik schrijf waardeloos is. Je moet wel gek zijn om op rotzooi zitten te zwoegen in plaats van naar de kroeg te gaan of achter de vrouwen aan te zitten. Nu ja, mijn echte leven speelt zich in sommige van mijn gedichten af. Dat is toch ook al iets. Laten we het daar bij houden voor vandaag. De opsommingen zijn voor straks of morgen (want ik vind dat ik gedurende die zes maanden vreemde aankopen heb gedaan, en daar wil ik het toch wel even over hebben, in deze tijd van absoluut consumentisme). En nu denk ik aan nog iets anders: wat is het goed dat grote voorbeelden als Bob Dylan, Neil Young, Tom Waits en Patti Smith niet alleen nog in leven maar zeer actief zijn en belangrijke werken maken. Laten we daar dan maar op drinken, vanavond. En op de nagedachtenis van James Joyce en de talloze andere grote schrijvers en dichters van het modernisme. Salud!

13-07-06

PERFORMANCE IN DE MUZIEKDOOS


M


Geen tijd voor nieuwe zaken vandaag. Syd Barretts dood neemt mijn gevoelens nog in beslag. De onzin die over de man werd en wordt geschreven! Op de voorpagina van het vodje dat Metro heet bijvoorbeeld.
Iets geheel anders is mijn optreden vanavond. Plankenkoorts, onzekerheid; twijfel of ik er wel goed aan doe nog eens in de ‘openbaarheid’ te komen. Voor iets nieuws is er geen tijd, geen geestelijke ruimte. Er is nochtans veel te zeggen, onder andere over die kleine polemiek naar aanleiding van mijn stukje over Slavoj Zizek. Maar niet nu.

Lezers van Hoochiekoochie die naar me willen komen luisteren: ik lees vanavond om 8 uuur voor uit ‘eigen werk’ in café de Muziekdoos, Verschansingstraat 63, in Antwerpen-Zuid. Een muziekdoos maakt normalerwijs muziek. Dat zal vanavond niet anders zijn.

Foto: Peter Lorre in M van Fritz Lang.

10-07-06

MUIZENISSEN IN VERBAND MET SLAVOJ ZIZEK

zizek,jan temmerman,selectie,kick,antwerpen,voorlezen,poezie,uitstel,gedichten,voorbereiden

Jan Van Veen en ik. 

Ik beloof dat ik spoedig wat meer vertel over mijn lectuur van ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’ van Slavoj Zizek en over het gesprek met hem in Magazine Littéraire. Ik weet dat ik al vaker zulke dingen heb beloofd, en het dan niet heb gedaan (ik ben goed in iets niet kunnen afwerken of beëindigen), maar nu zal ik me aan mijn belofte houden. Eerst heb ik echter andere dingen aan mijn hoofd. Volgende donderdag 13 juli lees ik voor in de Muzeval in Antwerpen. Voorlezen heb ik al een hele tijd niet gedaan. Het is een uitdaging waar ik een heilige schrik voor heb. Zodra ik op het ‘podium’ sta valt die plankenkoorts gelukkig van me af. Het zijn vooral de dagen en uren die eraan voorafgaan die me parten spelen. Het voorlezen zelf geeft me meestal een kick. Nu moet ik teksten selecteren die thematisch en stilistisch enigszins samenhangen en dat is een hele klus. Niets is zo erg als je oude werk herlezen. Je weet dat jij het hebt geschreven, maar het is in heel veel opzichten niet meer van jou. Je bent iemand anders geworden. 

Na de ultieme selectie moet ik ze luidop leren lezen. Ik mag niet over de woorden struikelen, ik mag niet te veel zingen, ik mag niet mompelen, enzovoort. Wat mag ik eigenlijk wel? Zulke praktische beslommeringen zitten een kleine beschouwing, enkele woorden maar, over Zizek in de weg. Ik kan alvast zeggen dat hij een filosoof naar mijn hart is: hij is tegendraads en hij houdt van westerns – en van film in het algemeen – en heeft er boeiende en zinnige dingen over te zeggen. Dingen die je bij een Jan Temmerman nooit zult lezen. Maar wie is Jan Temmerman?

28-06-05

PROJECT VOOR EEN REEKS GEDICHTEN OVER 'MONSTERS'


1. Mary Shelley's Frankenstein
2. Johnny Peru (David Lynch)
3. Het monster van Isabelle Adjani
4. Het monster onder het bed
5. King Kong (lief monster, ruwe bolster...)
6. Opgepast, Gevaarlijke Hond !
7. Truly Fine Citizen (hoesfoto Moby Grape)
8. De man met de vijf hoeden
9. Pinochet
10.Robespierre
11.De Japanner uit de jaren '50 in Hollywood
12.De geest in de fles
13.Het nummer van het beest
14.De dubbelganger van Polanski
15.De man zonder schaduw
16.Dracula en Ceaucescu
17.Marylin Monroe na de autopsie
18.Hitler
19.Mrs. Thatcher in de modder
20.Lt. Calley thuis
21.De olifantenman
22.De vrouw zonder hoofd
23.The incredible shrinking man
24.Charlie Starkweather
25.De ghostwriter van George Bush
25.Erzsébet Báthory
26.Jeffrey Dahmer