08-10-15

DE WEERBARSTIGE SCHOONHEID VAN LES RENDEZ-VOUS D’ANNA

rendezvous-anna5.jpg

Gisteravond, twee dagen na het overlijden van Chantal Akerman, “uit het leven gestapt”, zag ik na vele jaren opnieuw ‘Les rendez-vous d’Anna’, met Aurore Clément in de titelrol. Anna is het alter ego van Chantal Akerman. In de film is iedereen ongelukkig, de zwijgzame maar alles observerende en aanvoelende Anna misschien nog het meest van allemaal. De film is adembenemend mooi, op elk gebied: fotografie, acteursprestaties, licht, locaties, dialogen en monologen, geluid. Hoewel ‘Les rendez-vous d’Anna’ al in 1978 uitkwam, Chantal Akerman was toen 28, is er niets verouderd of gedateerd aan. De locaties zijn veranderd, maar dat heeft geen belang. Of toch wel: het maakt de droefheid die van de beelden uitgaat nog intenser. Wie heeft beslist om het schitterende gebouw dat het Brusselse Zuidstation was zo te verminken? Ik was vergeten hoe mooi het was. De lokettenzaal, de prachtige art-deco cafetaria… En de sfeervolle cafés als je buitenkwam… Allemaal weg. Nu staan er aan beide zijden van het station niets dan 21ste-eeuwse misbaksels. Wat verderop lijkt het alsof er een burgeroorlog heeft gewoed. Verwoesting, braakland wachtend op wild ondernemerschap, ontwikkelaars die er vluchtige bunkers neer zullen zetten, zeer tijdelijke ruimtes voor financiële transacties, het verkopen van niets aan niemand. “De bouw van bedrijfsruimten en winkels neemt de komende jaren fors toe.”

Er gaat veel droefheid uit van de film, zeker, maar de beelden bieden ook troost, omdat ze zo mooi zijn. Waarom zijn ze zo mooi? Wat maakt ze zo mooi? Dat valt moeilijk uit te leggen. Je kunt het alleen maar zo verwoorden: kijk zelf een keer, twee keer, drie keer. De beelden spreken hun eigen taal, die traag is, aandachtig, goed gearticuleerd, zonder opsmuk. Onder de beelden zit niets, een station is een station, een telefooncel een telefooncel, een hotelkamer een hotelkamer. Onder de beelden zit niets, zoals er onder de pullover en de rok van Aurore Clément ook niets zit. Ze draagt geen ondergoed, dat is nergens voor nodig in een vluchtig bestaan, onderweg van de ene kamer naar de andere, nergens thuis. Een man zou zeggen: waar ik mijn hoed leg ben ik thuis. Maar die man is natuurlijk ook nergens thuis.

Chantal Akermans beelden zijn essenties. In de werkelijkheid zien een station  en een hotelkamer er net zo uit als in ‘Les rendez-vous d’ Anna’, maar toch anders, aangetast door de dagen, geschonden door voetstappen en blikken, door huid, zweet, urine, sperma. In de film zijn die sporen net zo goed aanwezig, maar je hoeft ze niet te zien, je kunt je bijvoorbeeld concentreren op de ogen van Aurore Clément, hoe ze wegkijkt van iemand, of hoe ze iemand aankijkt, met tristesse, geconcentreerd, geïnteresseerd, wegdromend, nooit met afschuw of boosheid. Aan haar ogen zie je dat Anna alles hoort, ook als ze lijkt te dagdromen. Anna luistert. Ze neemt de waarheid waar. Dat is wat Chantal Akerman zelf ook doet: de waarheid waarnemen en die in beelden omzetten, beelden van een sublieme, weerbarstige schoonheid. Zo weerbarstig dat je er twee uur lang geen seconde naast kunt kijken.
rendezvous-anna7.jpg

 

01-12-14

IRIS DEMENT SINGS THE DELTA

iris dement,muziek,soul,gospel,south,vertellen,country,songs,missouri,arkansas,rivier,familie,mensen,empathie,mededogen,schoonheid
Gisteravond voor het slapengaan luisterde ik nog even naar ‘Sings the Delta’ van Iris DeMent. Ik was verbluft. De plaat ligt hier al een tweetal jaren – aangeschaft ergens in 2012 - en nu pas hoor ik wat een schitterende verzameling songs dat is. Honderd procent oprechte muziek, spiritueel en lichamelijk tegelijk, gezongen met passie én berusting in het lot, met compassie, met mededogen. In de teksten veel aandacht voor waar mensen vandaan komen, voor het land en het landschap, voor de eenvoudige dingen van het leven, voor wat de mensen ermee doe, voor de manieren waarop ze vechten tegen hun lot, hoe ze weigeren erin te berusten. Ze zingt over god, een belangrijk personage in het Zuiden van de Verenigde Staten; hoe begrijpelijk maar ook dwaas het is te bidden. Begrijpelijk omdat de mensen daar opgegroeid zijn in dat geloof en omdat ze vaak eenzaam zijn en zich met hun zorgen en spijt vaak tot niemand anders kunnen richten. Dwaas omdat hij toch niet luistert en van zich laten horen doet hij evenmin.

Iris DeMent verwijst naar de negro spiritual ‘I shall not be moved’: “Like a tree planted by the water, I shall not be moved.” Op de hoes prijkt een foto, gemaakt door haar dochter Dasha, waarop twee cipressen midden in  de rivier staan. Tussen de twee bomen door loopt de grens tussen de staten Missouri en Arkansas. De vader van Iris DeMent is van Missouri afkomstig en wel van het eilandje in de rivier dat je achter op de foto ziet. Haar moeder komt uit Arkansas, net niet zichtbaar op de foto. Op de andere beelden ziet Iris Dement er vermoeid uit en in zekere zin even verweerd als de witte houten deur waar ze met de rug tegen leunt. Al is ze nog niet zo oud. Ze zit op een houten vloer, niet aantrekkelijk, onderhevig aan de zwaartekracht en je ziet dat de hitte haar het bewegen bemoeilijkt. Ze heeft een soort witte trouwjurk aan, maar van ‘normale’ lengte, en helemaal nieuw is hij niet. De blik in haar ogen heeft iets verslagens, haar mondhoeken iets verbitterds, maar in haar wat omhooggestoken rechterbovenarm met de vingers die haar kaak lichtjes raken zie ik, hoewel de elleboog op haar linkerknie steunt, trots en bevalligheid. Iris DeMent is een aantrekkelijke onaantrekkelijke vrouw. Zoals ze daar zit, sloom, met een schoen uitgeschopt, ziet ze er sexy uit. Al die eigenschappen zijn ook aanwezig in haar stem, in de manier waarop ze zingt. En de band die haar begeleidt voelt haar zo goed aan dat je niet anders kan dan besluiten dat die begaafde muzikanten haar beste vrienden zijn.

iris dement 3 001.jpg

iris dement 001.jpg

 

 

 

 

 

 

31-05-14

MIJN FIFTIES, ZONDER MUZIEK

Vol spanning wachtend op de tweede aflevering over mijn ontdekkingen in de wereld van muziek (en geluid) hieronder enkele familiefoto's uit die periode. Schrijven over die tijd is bijzonder moeilijk omdat mijn leven tot mijn achtste op elk gebied zo anders was dan alles wat daarop volgde. Alleen al omdat van de taal, of alleszins van de dialecten, die ik toen sprak niets overblijft zijn de overgebleven herinneringen eerder vaag. Ook de niet-talige geluiden dompelden mij vanaf de zomer van 1958 onder in een andere werkelijkheid. Toch span ik me in om wat ik me wel nog herinner, vooral van de populaire muziek die mij al vroeg in zijn greep kreeg, de volgende dagen zo duidelijk mogelijk te verwoorden.

fifties- met vader en françois.jpg

fifties -  met moeder en françois.jpg

fifties françois en ik.jpg

Foto's: met mijn broer François en mijn vader; met mijn broer en mijn moeder; met mijn broer. In Merksem (Antwerpen) in de tuin van het huis van mijn grootmoeder en mijn tantes Ellie en Georgette.

28-05-14

MANUSCRIPT GEVONDEN IN EEN WANDKAST

mods.jpg

Korte tijd geleden vond ik in een wandkast de chronologie die hieronder staat terug. Het lijkt me interessant om daar de volgende weken wat dieper op in te gaan. Mocht ik er de energie voor vinden, want de voorbije dagen hebben me zo uitgeput, ook al heb ik niets gedaan, werkelijk niets, zo weinig dat ik alleen nog maar zin heb om ergens, om het even waar, te gaan liggen en te slapen. Of eerst verschillende soorten bier, Gordon’s Finest Gold, Krusovice, gele Chimay, Cruzcampo, et cetera,  te drinken en dan te gaan liggen, ook al heb ik nog een dak boven het hoofd en dergelijke. Dus hier thuis kijken wat er nog in de koelkast zit en dat dan uitdrinken tot ik er bij neerval, wat ik in ‘normale omstandigheden’ nooit doe. Ik ga altijd liggen. En als ik niet kan gaan liggen dan speel ik drie akkoorden op m’n gitaar, slik een bromazepam en ga dan liggen. Dat lukt meestal wel. Maar een mens wordt altijd weer wakker. Soms zegt hij dan helaas, soms, hé wat goed, weer een nieuwe dag.

Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen de jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, en voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Mijn terugblik zal dan, anders dan het teruggevonden overzichtje, naar voor 1965 moeten gaan. Ik geloof dat ik min of meer bewust naar muziek ben gaan luisteren toen ik zes was, in 1956. Niet dat ik zo snel was: mijn broer François is zeven jaar ouder. Door hem ben ik in aanraking gekomen met rock & roll. Daarna zijn we vijanden geworden: hij had een afkeer van the Beatles, the Rolling Stones en vooral van lange haren. Heel belangrijk om wat ik de volgende dagen over mijn ‘muzikale ontwikkeling’ al dan niet ga schrijven te begrijpen. Of niet? Want het was een broederschap, maar tegelijk was het al een generatieclash, veel meer dan met mijn ouders.

De teruggevonden chronologie (dat is toch al een begin):

1965
Zomer: door scholen georganiseerde reis naar Zwitserland (Broc, Vevey, Lausanne). Eenzaam, gepest. Wegens allergie niet mee naar Le dent de Broc. Salut les copains. Bob Dylan, Barry McGuire. The Byrds. Jasjes en hemden.

1966
Parijs (schoolreis). Flipperkasten, the Rolling Stones, Michel Polnareff, Françoise Hardy, the Troggs, Jacques Dutronc. Gestreepte broeken.

1967
Londen (schoolreis). Sgt. Pepper’s in de etalages. Dronken van bier en gin. Jan De Pooter. Jimi Hendrix Experience. The Outsiders. Fluwelen jas, sjaaltjes, zonnebrillen, Roger McGuinn. John Lennon.

1968
Jazz Bilzen, Barbarella, Pink Floyd in het Pannenhuis, liefde. Garelli brommer. Gitaren. Antwerpen.

1969
Films, Henry Miller, Easy Rider, nieuwe vrienden, Brussel, Pink Floyd, Yes, Buck Owens, blote voeten. Incredible String Band, Fred Neil, John Hartford, Tim Hardin.

1970
Aken (popfestival). De politie tegen mijn meisje V. in microjurk, “haben sie eine Hose?” In slaap gevallen bij Pink Floyd. Een halve kilo shit onder onze slaapzak gevonden. Amsterdam. Neil Young. Gram Parsons.

1971 en 1972 ontbreken (huiselijk geluk).

1973
Geelzucht in augustus. ‘A la recherche’ gelezen.  Geen muziek, behalve Steely Dan’s ‘Countdown to Ecstasy’.
September: Hele maand in Villa den Uil in Oostduinkerke, met mijn vrouw, mijn zoon Jesse, Flor, Leo en Vera. We luisteren alleen maar naar ‘Pat Garrett & Billy the Kid’ en roken joints. Gesprekken over astrologie en politiek. Het verlangen naar een commune en seks met iedereen die ons bevalt.

 

rollingstones1.jpg

02-12-13

NUANCES OMTRENT HET GEZIN

one-flew-over-the-cuckoos-nest.jpg

Gisteren had ik het hier terloops over het ontspoorde gezin als steunpilaar van de maatschappij (“huis en auto’s moet afbetaald worden”), het huwelijk als dwangbuis en een vaak in gebreke blijvend onderwijs als negatieve elementen, hindernissen – of erger – op de levensweg van kinderen en adolescenten. Ik liet buiten beschouwing dat er uitzonderingen bestaan, goede ouders, degelijk onderwijs, en vooral alternatieven. Waar ik evenmin aandacht aan besteedde was de horror van de farmaceutische industrie, een  bepaald soort psychiatrie dat het ontwrichte gezin helpt in stand houden (daar heb ik in mijn leven al zoveel voorbeelden van gezien) en de geneeskunde in zoverre zij alleen winst nastreeft of dienstmaagd is van gigantische farmaceutische bedrijven. In deze grotere context is het gezin, het kerngezin (en zeker de liefdevolle band tussen moeder en kind, tussen vader en kind) eerder een beschermend cocon dan een instelling die ten koste van alles te bestrijden valt. Dat moest ik er nog aan toevoegen. Nuances zijn belangrijk. Liefde en vriendschap maken jonge mensen sterk en soms gelukkig. Zo kunnen zij opgroeien tot kritische enkelingen met voldoende gemeenschapszin, mannen en vrouwen die deze vermolmde, apocalyptische menselijke werkelijkheid, waar niemand meer tevreden schijnt te zijn, tegen alle verwachtingen in nog grondig zullen kunnen veranderen

Angelina-JolieGirl-Interrupted.jpg

Afbeeldingen:
1. One Flew Over The Cuckoo's Nest (1975), Milos Forman
2. Girl, Interrupted (1999), James Mangold. 

01-11-13

MIJN NAAM IS NIET MIJN NAAM

2013MATTI_JAC 001.jpg

 Tekening: Jan Van den Eynden 

Tijd voor echte genealogie, heel wat moeilijker en delicater om over te schrijven dan over ‘geestelijke verwantschappen’. Mijn naam is mijn naam niet. Ik heb het daar al eerder over gehad, niet in de zin van Rimbaud dat ik een ander(e) ben, of van Fernando Pessoa met zijn vele heteroniemen. Wat ik bedoel is dat ik - vaak - niet de naam van de ‘vader’ draag.  Voor een deel is mijn reële afstamming matrilineair: mijn vaders naam was niet de naam van zijn vader maar van zijn moeder. Mijn vader heette Mathieu Brouns, met zoals in Russische romans veel variaties op zijn voornaam. Brouns was de familienaam van zijn ongehuwde moeder. Ondanks veel navragen en opzoeken heb ik nooit kunnen achterhalen wie zijn vader - en mijn grootvader - was. Misschien een boer, misschien een soldaat, misschien een baron. Dat laatste is zeker een mogelijkheid omdat mijn grootmoeder – die al overleden was toen ik geboren ben – als dienstbode op een kasteel heeft gewerkt. Maar het kan net zo goed een stalknecht zijn geweest. Dat een man nooit weet of hij wel de echte vader van zijn kinderen is, was al een belangrijk thema in de toneelstukken van August Strindberg. Sindsdien is er inzake vaderschap wel een en ander veranderd.  


Aanvankelijk heette ik net zoals mijn vader Mathieu Brouns. Sinds de jaren des onderscheids heb ik het bijna altijd moeilijk gehad met zowel de voornaam als de familienaam. Waarom toch had ik dezelfde naam? Toen ik ontdekte dat mijn vader een ‘natuurlijk’ kind was, werd het voor mij nog ingewikkelder. Toch is er ook een korte periode geweest dat ik trots was op die afstamming, en wel in de periode dat ik een voorstander was van het matriarchaat, een feminist zo je wilt.

2013vader 001 (3).jpg
Kaart van krijgsgevangene van mijn vader, Mathieu Brouns.

De familienaam kon ik niet zomaar verwerpen; voor alles wat officieel is gebruik ik hem nog altijd. Mijn voornaam pasten mijn ouders zelf aan: al gauw gingen ze mij Mathi noemen in plaats van Mathieu, om toch een onderscheid te maken. Waarom hadden ze me dan niet meteen bij mijn geboorte een andere voornaam gegeven? Marcel, Arthur of Gustave, of iets dergelijks?
Ik was als kind wel al tevreden met die ‘nieuwe’ voornaam, maar omstreeks mijn vijftiende veranderde dat. Eerst ging ik me Matty noemen, omdat dat Engelser klonk – Engels, de taal waar ik verliefd op geworden was door de popmuziek, vooral door de teksten van Neil Sedaka en Bob Dylan. Later veranderde ik hem om mij nu onbekende redenen in Matti. Ik vermoed dat ik de y achteraan meer bij een hond vond passen – of hield het verband met mijn toenemende afkeer van wiskunde met de eeuwige x en y?  Maar Matti… Wat een originele voornaam, vond ik! De familienaam liet ik zoveel als mogelijk achterwege. Toen ik ongeveer twintig was ontmoette ik een Fin die ook Matti heette. In Finland heten alle mannen Matti, zei hij. Ik was een beetje teleurgesteld, maar treurde niet want in dezelfde periode ontdekte ik het stuk van Brecht, ‘Herr Puntilla und sein Knecht Matti’. Fijn dat ik een ‘held’ was, maar ik was nog liever een heer geweest dan een knecht. Later, op reis in Finland, stelde ik vast dat maar de helft van de mannelijke bevolking Matti heette. Er waren ook nogal wat Aki’s e Henri’s en dergelijke. Matti had me maar de halve waarheid verteld.

In 1995 na heel veel twijfel aan mezelf en zelfhaat (vervlochten met de afkeer van die vreselijke naam) koos ik resoluut voor een pseudoniem: Martin Pulaski. Het probleem was echter dat al mijn vrienden, kennissen en collega’s me als Matti Brouns kenden. Hoe kon ik hen ertoe brengen me voortaan als Martin Pulaski te begroeten? Onbegonnen werk.
Zo komt het dat ik sindsdien twee namen heb, een officiële en een ondergrondse – de eerste zoals ik al schreef toebehorend aan de bureaucratie, de tweede aan mijn verbeelding en aan alles wat artistiek is in mijn bestaan. Sinds internet en vooral de sociale netwerken, mijn blog, flickr, myspace, facebook en zo meer, is Martin Pulaski een openbaar bestaan gaan leiden, terwijl Brouns alleen nog maar voorkomt op allerlei documenten (belastingbrief, rekeninguittreksels, et cetera). Matti zonder meer ben ik voor mijn vrienden en dat zal nu wel nog een tijd zo blijven.

Ongetwijfeld is dit bijzonder interessant materiaal voor psychoanalytici en wellicht nog veel meer voor mensen die overal op zoek gaan naar onthullingen. Aangezien heel mijn leven in mist gehuld is en het - zoals vandaag in deze streken - altijd stormt om mij heen en overal waar ik kom de bliksem inslaat, aangezien ik overal waar ik vertrek verschroeide aarde achterlaat, aangezien ik toch ook meestal onzichtbaar ben, en aangezien zeker wat en wie ik ben voor velen een raadsel is, betekenen deze woorden weinig, en is er nog steeds even weinig onthuld. Of heb jij, lezer, geen geheimen dan?

long live the king 2.jpg

17-10-13

LEVEN EN DOOD IN DE VAN PRAETLEI

vanpraetlei1.jpg

In een van de huizen in de Van Praetlei werd je voor ’t eerst de geuren van een tuin gewaar. Van de aarde, nog net zo onbekend voor jou als een overleden man of vrouw. (Defunctus zou je later schrijven, een vreemd woord om de doden ver van je af te houden.) Van verwelkte rozen en rottend zaad en resten. Van vette, glimmende regenwormen. Je twee tantes – zusters van je moeder - zwegen er grimmig, dronken er thee, gingen elkaar soms te lijf, vanwege onenigheid over de smaak van hun confituur of slecht geschreven adressen. Hun gekrijs en de grijze kater die je kwetsbare vel openreet.


Op de harde parketvloer viel het Chinese porseleinen theekopje aan scherven. In kleine, glinsterende stukjes ontwaarde je nog exotische figuurtjes. Tante Georgette daarna met donkere ogen, en donkerder nog de ogen, donkere vijvers, van je tante Ellie.

Je moeder en vader dachten je met een klappertjespistool uit de speelgoedwinkel op de hoek en wat snoep te kunnen sussen als ze je bij de gezusters achterlieten, voor een huwelijk ergens. (Je dacht, daar gaan ze, naar weer een huis waar zeker de geur zal hangen van Elixer d’Anvers en sigaren van Willem II, van ossenstaartsoep en Limburgse vla.)

Grootmoeder had altijd in dezelfde gelige zetel gezeten. Twee grote oorlogen en treurnis vergetend, rustig als een vermoeide Oost-Indische vogel. Haar piepende adem, de astmasigaretten, haar kanten blouse. En dan opeens nog meer ademnood, dan opeens defunctus. Liep je in de lange begrafenisstoet door de Merksemse straten zo zwart als prikkeldraad in de nacht?

Na de begrafenis kreeg je zelf een astma-aanval, van de schimmel in de hoeken van de slaapkamer en het stof en de spinnenwebben, in weerwil van al het poetsen. Drie dagen en drie nachten in het hoge bed, bang dat je er uit zou vallen en je rug zou breken. Daar geen parket maar linoleum uit Krommenie, met zijn antropomorfe patronen die je koortsachtige verhalen over Marco Polo, Michael Strogoff en Ivan Ogareff influisterden. De ochtend van de genezing, de zon al hoog aan de genadige hemel, maakte je vader een foto van je, zittend in een rotan zetel, mager, onzeker van wat de rest van de dag en van het eindeloze leven zou brengen.

In een van de huizen in de Van Praetlei waaide Tante Georgette door de vale kamers in altijd ander tenue,  "naar de laatste mode". Tante Ellie slofte langs je in afgedragen zwart. Altijd was er die grote rode knobbel op tante Ellies neus. "Ge moet u laten opereren", zei je moeder telkenmale.  De ene een spilzieke vrouw, de andere, je meter, tante Ellie, een gierige pin.

De vele kwalen van Tante Georgette, meer dan ze kon verzinnen, tot er niets meer was om wat er niet was te vergeten, tot haar hoofd in de strop zat en omver geschopt de geduldige stoel.

Tante Ellie werd een bleek weeskind dat al gauw aan waanzin ten prooi viel. Haar donkere zwerftochten in het park en op het kerkhof. Werd ze niet uit huis verdreven? Om daarna lange jaren weg te kwijnen in Sint-Antonius-Brecht “waar de nonnen met haar opgespaarde geld aan de haal gingen”.

Vele jaren later in de Van Praetlei met je zoontje, “mijn god hoe groot hij al is”… Waar je een statige straat met grote villa's en naar pieren geurende tuinen verwacht tref je gekrompen huisjes aan en piepkleine voortuintjes. Je bent een reus geworden tussen nederzettingen voor dwergen. Is het een toeval dat je precies in die dagen ‘Gulliver’s Travels’ herleest?

Op het kerkhof ga je met je zoon op zoek naar de graven van je grootmoeder, van Tante Ellie, van Tante Georgette. Daarna eten jullie pannenkoeken met slagroom op de De Keyserlei en er is een film van Mel Brooks - en nu is het opeens dertig jaar later en is er ook van die wereld niets meer over dan wat vergeelde papieren (dagboeknotities, krantenknipsels) en wat oude namen (die niet meer zijn dan woorden).

...

Illustratie: de foto die mijn vader van me maakte in de rotanzetel is na al die jaren zoekgeraakt. De foto hierboven van mijn broer en mezelf is uit dezelfde periode, in het huis aan de Van Praetlei. 

31-07-13

STORM*

POIX 107.JPG

Op 25 januari 199. zat ik tijdens een treinrit tegenover mijn oude vriend Kowalski. We waren elkaar in het Centraal Station toevallig tegen het lijf gelopen. Bijna onmiddellijk hadden we vastgesteld dat er tussen ons nauwelijks iets was veranderd.

Buiten huilde de wind, donkere regen op de huizen en op de zwarte velden. Ergens onderweg stapten we uit de vuile trein; een klein, bijna vergeten station waar geen levende ziel te zien was. Wat verder een dorpscafé uit een oude Franse film, van Marcel Carné of Jean Renoir.

Kowalski en ik zijn van hetzelfde jaar. Nooit eerder hadden we zo’n hevige storm meegemaakt. Het leek wel de Toorn Gods. Of wilde een tellurisch opperwezen een historische ontmoeting bekrachtigen?

We zaten alleen in de kroeg en keken zwijgend toe hoe ingelijste reproducties van late werken van Van Gogh naar buiten vlogen. Wij observeerden hun grillige vlucht, tot er niets meer te zien was dan de schemerige dorpsstraat. Onwillekeurig greep ik me met beide handen vast aan de rand van de tafel opdat ik toch maar niet zelf ook naar buiten zou waaien, dokter Gachet en Joseph Roulin achterna.


Op één avond overbrugden we bijna vijftien verloren jaren van onze vriendschap. Toch kun je elkaar niet alles vertellen, ook al wil je dat wel; het is in de praktijk niet haalbaar. Er is geen tijd. Er is nooit tijd. ‘L'Atalante’, ‘Zéro de conduite’, ‘La maman et la putain’, ‘La Salamandre’ en ‘The French Connection’ bleken voor ons beiden nog steeds favoriete films. Dat wees voor mij, ondanks de verwijdering, op een diepe zielsverwantschap die was blijven bestaan. Films en popmuziek vormen de basis van een vriendschap, niet afkomst, milieu, maatschappelijk succes of gebrek daaraan.

Mijn oude vriend had plannen voor een roman die ‘Gewond’ zou gaan heten. Hij zei dat ‘gewond zijn’ voor hem een metafoor was voor een eeuwig leven, maar dat begreep ik niet meteen. In ‘Gewond’ zou hij de tragiek van zijn familie (waanzin, zelfmoord, alcoholisme) fictionaliseren. Wat leek wat hij me over zijn familie vertelde op mijn eigen geschiedenis! Zoveel had hij me vijftien jaar tevoren nooit toevertrouwd. Alsof we allemaal personages in een roman van Ken Kesey zijn, dacht ik. Later zou hij het boek verfilmen, zei Kowalski. Ik vroeg hem of ik dan een figurant mocht zijn. Op zijn minst, Schwarz. En je krijgt je eigen chauffeur. Ik zei, zonder enige aanleiding, dat Wim Wenders, Tarkovski en Truffaut engelen zijn. Ik ben zelden origineel in mijn vereringen en ook niet in mijn verwensingen. Ja, zei hij, en als je cocaïne gebruikt is iedereen een engel. Zolang die fase duurt, zei ik, daarna worden ze duivels.

Terwijl we nog steeds op de trein wachtten, die misschien niet eens meer zou komen, spraken we ons verlangen uit naar een vaste woonplaats hier op aarde. In Italië of een ander kortstondig paradijs. Een vestiging. Een verlangen dat je overvalt wanneer de vergankelijkheid van alles wat je koestert of veracht je maar al te duidelijk wordt. Huiskamergeluk was ook iets waar mijn oude vriend, in zekere zin tegen mijn verwachtingen in, behoefte aan bleek te hebben.

Later, omstreeks middernacht, zat het treinverkeer nog helemaal in de knoop. Op de perrons van het kleine station stonden de reizigers elkaar nu in de weg. Ze zagen er tegelijk gelaten en rusteloos en ongeduldig uit. Niemand had veel zin om op een bank te gaan zitten, want dan gaf je misschien de indruk dat je niet naar huis wilde, dat het daar in Weerde eigenlijk ook wel goed was. 
...


*
"Miranda: Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet 
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?

Prospero: Zeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.

Miranda: Dat weet ik niet."

Shakespeare, Storm

...

Foto: Martin Pulaski, 2013. 

29-07-13

AFSCHEID

scarecrow.jpg

Al van in het begin kan ik geen afscheid nemen. Al van in het begin besef ik dat afscheid nemen erger is dan om het even wat ik me kan voorstellen. Afscheid nemen is doodgaan of, wat nog erger is, iemand van wie je houdt voor je ogen zien sterven. Je eigen angstschreeuw versmelt met die van hem of haar. Als ik afscheid moet nemen zink ik weg in mijn chaos, maar verdrinken doe ik niet. Als ik afscheid heb genomen kom ik altijd weer boven water.

Hoe is het toch mogelijk dat ik geen afscheid kan nemen, terwijl zoveel mensen daar zo goed in schijnen te zijn? Hoe doe je dat? Hoe komt het dat ik het niet kan?

Hoe neem je afscheid? Mijn personage Schwarz, dat al van in de jaren zeventig bestaat, begrijpt niets van de meedogenloosheid die bij een afscheid schijnt te horen. Afscheid nemen maakt hem tegelijk blind en extreem gevoelig. In de chaos die hem overrompelt begrijpt hij niets meer; niets heeft nog betekenis of zin. Hoe kan een mens wiens wereld instort iets begrijpen?

Een andere zaak is dit: sommige mensen zijn goed in afscheid nemen, uit ervaring, of omdat het in hun aard ligt. Misschien genieten sommigen er zelfs van. Afscheid als een vorm van ‘in de steek laten’, reddeloos achterlaten; sommigen noemen het dan: verraden.  Anderen, zoals Schwarz, kunnen het niet en leren het nooit.  In mijn geval misschien – paradoxaal genoeg - omdat ik zo vaak gedwongen ben geweest om afscheid te nemen. Van mijn ouders op het schip, van mijn broer als hij voor drie maanden naar het internaat vertrok en we niet meer samen konden spelen, van mijn grootmoeder en tantes in Merksem, van mijn vrienden in de dorpen en steden en havens en op school. Uit al die droevige en soms traumatiserende ervaringen heb ik niets geleerd. Waar ik aan 'lijd' wordt verlatingsangst of verlatingsneurose genoemd. De angst om in de steek gelaten te worden. Uitentreuren heb ik daarover geschreven - en gepraat met vrienden, drinkebroers en -zusters en therapeuten (van wie ik uiteindelijk ook altijd weer afscheid moest nemen). Misschien is het een van mijn belangrijkste thema’s. Ik kan geen afscheid nemen, hoewel het vaak niet anders kan.

Lang geleden – van 1975 tot 1991 - had ik een heel goede vriend. Ik beschouwde hem als een 'ander zelf'. Als wij op café gingen, zaten we daar twee dagen lang, tot we letterlijk omver vielen of op zijn minst op elkaars schoenen braakten. Hij is gestorven zonder dat ik afscheid van hem heb kunnen nemen. Ik liep op het strand van Cadiz toen hij zich het leven benam. Bij mijn terugkeer vernam ik het vreselijke nieuws van een wederzijdse kennis. Mijn vriend was toen al in rook opgegaan.

Wat ik nu doe, en dat is niet goed vermoed ik, is me isoleren;  ik vermijd ontmoetingen, zodat ik ook geen afscheid moet nemen. Zodat ik toch maar geen afscheid moet nemen. 

Meer hierover later, na deze hete zomer, waar ik ook weer afscheid van zal moeten nemen. Maar gelukkig komt er dan de herfst en daarna de lange winter.

...

Foto: Zelfportret, 7 februari 2006 

03-05-13

OUDE LIEDJES

vader en moeder.jpg

Mijn moeder en vader kort na de tweede wereldoorlog. Mijn moeder was negen jaar ouder dan mijn vader, maar dat zie je op deze foto niet zo. Mijn vader leek wat op Hank Williams, maar dat heeft hij nooit geweten. In Neerharen en omstreken kende niemand Hank Williams. Was dat erg? Natuurlijk niet, hoewel ik vind dat de liederen van Hank Williams en country in het algemeen goed passen bij de Maasvallei, zeker in die lang vervlogen dagen toen ik nog niet geboren was. En later, in de jaren vijftig en zestig ook nog. Ik herinner me nu cinema Eden in Lanaken, waar ik op zondagmiddag vaak twee films zag: toen ik jaren later naar ‘The Last Picture Show’ van Peter Bogdanovich zat te kijken herkende ik daarin meteen die hele sfeer, en dat kwam ook door de soundrack met veel songs van Hank Williams. Helaas waren dorpen als Rekem, Neerharen en Lanaken heel wat minder glamoureus dan de “small town” in Texas van regisseur Peter Bogdanovich en schrijver Larry McMurtry. Hoewel Cybil Shepherd mij aan sommige heel mooie meisjes in Eisden deed denken.

 

Mijn vader is gestorven op 12 mei 1993. Twintig jaar na zijn dood zal ik wakker worden in een klein hotel - Ipnos - onder de vulkaan in Catania. Overigens bewaar ik alles. Zo heb ik dozen vol oude en recente treinkaarten. Een half uur geleden opende ik nogal impulsief een oude 'Chinese' blikken doos, van mijn ouders geërfd: het eerste wat ik aantrof was een treinkaart van Brussel naar Genk en terug, vertrek op 15 mei 1993, terugkeer op 17 mei 1993.

22-04-13

DE LACHENDE JONGEN

mitzietc.jpg

"'Zie je nu wel, dat ik niet weet waar ik thuis hoor. Daarom ben ik maar weggegaan."
'Blijf bij ons, meneer d'Arrast, ik van jou houden.'
'Ik zou wel willen, Socrates, maar ik kan niet dansen.'"
Albert Camus, De steen, in: Koninkrijk en ballingschap, 1957. 

Ergens in Limburg tijdens een lange hete zomer op het einde van de jaren vijftig. Wie heeft de foto gemaakt? Mijn vader wellicht. Het zal in de periode geweest zijn toen hij pas zijn eerste auto had gekocht, een Ford Consul. We zullen een van die schaarse uitstapjes hebben gemaakt. Schaars, want mijn vader verafschuwde uitstapjes. Maar dit was er een. Hoewel ik het mij niet meer kan herinneren weet ik dat ik op die dag bijzonder gelukkig was. Ik geloof dat er niet een foto van mij bestaat, als kind, jongere, of volwassene, waar ik zo stralend lach. Een geluk heeft zich helemaal meester van me gemaakt.

Op de foto ben ik in het gezelschap van wat ik in die periode als mijn tweede moeder beschouwde: Mitzi, die uit Hongarije kwam en mij door haar verhalen en haar kookkunst veel liefde voor dat zo mysterieuze land heeft bijgebracht. Naast Mitzi knielt haar dochter Brigitta neer, misschien om bloemen te plukken voor mijn broer, hoewel bloemen plukken niet echt iets was voor iemand die zo door en door rock & roll was. En dan, de reden van mijn geluk, de appel van mijn toenmalige ogen, Henriette, de jongste, beeldschone dochter van Mitzi. Voor ‘echte’ liefde waren we nog te jong, en toch was ik smoorverliefd op haar. Zij heeft me niet alleen leren beminnen (op een deugdzame manier, hoewel mijn fantasieën wellicht al niet meer zo deugdzaam waren) maar door haar heb ik ook geleerd wat liefdesverdriet is. Dat was op de dag dat zij samen met haar ouders verhuisde naar een dorp ver weg, ergens aan het einde van de wereld; alleszins buiten de provincie Limburg.

Hoe mooi een dag ook is: er zit altijd melancholie in opgeborgen.

Ruim vijftig jaar later nu, en de wereld op die foto is al onherkenbaar, zelfs voor degenen zoals ik die daar geleefd, liefgehad en getreurd hebben. Maar zijn we niet blij en tevreden dan dat we nog hebben mogen vertoeven in dat koninkrijk, ook al wonen we nu al zo lang in ballingschap?

16-04-13

WILDWECHSEL

wildwechsel-eva mattes.jpg

Eva Mattes in 'Wildwechsel'

 “…also dass eigentlich der Mensch etwas Zartes oder Zärtliches ist und dass das, was er sagt oder denkt, das Schreckliche ist - und nicht, dass er das ist.”
Rainer Werner Fassbinder
 

 

‘Wildwechsel’ is een film van Rainer Werner Fassbinder uit 1973 met Eva Mattes en Harry Baer. Was de regisseur, in mijn ogen nog steeds een genie, in die periode misschien onder de indruk van bepaalde Japanse films? Net als bij onder meer Yasujiro Ozu wordt het leven van de protagonisten in dit verhaal – gebaseerd op een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz - bepaald door het burgerlijke gezin. Er is geen liefde mogelijk: de familiebanden zijn zo sterk dat ze alle andere gevoelens verlammen of doen ontsporen. 

In Fassbinders werk zie je vaak een combinatie van liefde, geweld en noodlot. Hier is de vrouw – de veertienjarige Hanni - de belichaming van het noodlot. Haar geliefde, de negentienjarige Franz, is de uitvoerder.  Het fatalisme weerklinkt in het door alle personages gebruikte ‘weil es doch’. Elke verklaring, elke rechtvaardiging begint met zo’n ‘weil es doch’. Door de herhaling verliest de uitdrukking aan betekenis -  die ze in het begin misschien ook al niet bezat. De tekens van het noodlot schijnen geen betekenis te hebben. Er is geen geschiedenis; de tijd schenkt de woorden geen nuances, de kleuren geen tinten. ‘Verschuivingen’ zijn niet mogelijk, alles ligt vast. De kinderen herhalen het  tragische spel  van hun ouders.

01-09-09

GIN HOUSE BLUES


meisjes in archiduc2


Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds - mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d
 
Foto's: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

24-03-09

EEN ONDERGRONDS BESTAAN



another life (1973)

In die dagen leefden we een vreemd leven. Maar het leven dat ik nu leef lijkt me soms veel vreemder. Niet slechter, niet beter, vreemder. Hoewel ik nu weet waar ik naartoe ga, waar ik ben, waar ik vandaan kom, ben ik toch ook meer onzeker, twijfel ik meer, en moet ik vooral veel meer inspanningen doen om te zijn wie ik wil zijn. In die dagen klonk ik nooit als een muis, nu wel... Maar als ik er wat langer over nadenk: wat is er mis met een muis? Sommige muizen kunnen heel goed dansen, andere zingen de hele nacht door, of chatten er lustig op los alsof hun leven er niet van af hangt. Er bestaan zelfs muizen die niet eens bang zijn voor Virginia Woolf.

Weet je wat: play that fast thing one more time. Ooit vertel ik de geschiedenis van deze foto en van veel andere van mijn foto's. Maar mijn tijd is er nog niet rijp voor. Ik heb er de juiste woorden nog niet voor gevonden. Ik ben er nog niet voldoende gelukkig voor. Ik moet nog een tijdje door de vallei van de schaduw van de dood gaan, en elders, waar het nog donkerder is. Omdat het anders nooit voldoende helder wordt. Het is een weg naar het licht, maar zonder enige religieuze connotatie.


Foto: Martin Pulaski, 1973, Watermaal-Bosvoorde.

02-03-09

BLOEDTRANSFUSIE BLUES


Ik had een vriend in Antwerpen die reed met de tram.

Ik had een vriend in Antwerpen die reed met de tram.

De ene dag is hij je vriend, de volgende is hij dood.

Ik had een vader die graag whisky dronk met hoeren.

Ik had een vader die graag whisky dronk met hoeren.

Wat was ik graag bij hem geweest, weg van het werk.


Ik had een moeder die bij mij waakte want ik zou sterven.

Ik had een moeder die bij me waakte want ik zou sterven.

Weet je wat, ik leef nog altijd, ik was toch zo sterk.

Ik had een broer die onbezonnen trouwde met zijn liefje.

Ik had een broer die onbezonnen trouwde met zijn liefje.

Hoe gek zij mij maakte, ik trouwde bijna met haar zus.

Mijn tante Georgette was slimmer en trouwde nooit niet.

Mijn tante Georgette was slimmer en trouwde nooit niet.

Zij viel van een hoge trap en brak haar slanke nek.


Je kunt de hele wijde wereld rond reizen, jongen.

Je kunt de hele wijde wereld rond reizen, jongen.

En nog verklaren ze onder ede, je bent een grote gek.

Hoorde je het nieuws op de radio, ze zeggen, ik ben gek.

 

 

09-12-08

ONSCHULDIGE DAGEN


neerharen 1965

Onschuldige dagen in Neerharen, toen nog geen deelgemeente van Lanaken. Arthur Penn moest Bonnie and Clyde nog maken.
Links op de foto mijn toenmalige schoonzus Astrid, rechts mijn al lang uit het oog verloren beste vriend Jean-Pierre. De wapens waren van mij. Ik had me nog niet tot flower power bekeerd: het was 1965, het jaar dat mijn leven grondig door elkaar werd geschud door the Byrds en Bob Dylan.

26-09-08

HET ZELF EN MIJN POPULAIRE MUZIEK


In verband met mijn vorige twee stukjes, niet veel meer dan lijsten eigenlijk, en de interessante commentaren daarop wil ik een aantal dingen verduidelijken.

Richard Rorty wijdt in ’Contingentie, ironie en solidariteit’ een hoofdstuk aan wat hij noemt de contingentie van het zelf. Ik wil hier niet de hele argumentatie herhalen; Nietzsche en Freud zijn wat dit betreft zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Hij sluit het hoofdstuk af met deze woorden:


“We zullen de bewuste behoefte van de sterke dichter om te demonstreren dat hij geen kopie of replica is zien als louter een speciale vorm van een onbewuste behoefte om te leren leven met de onzichtbare afdruk die het toeval hem heeft gegeven, om voor zichzelf een zelf te maken door het opnieuw te beschrijven van die afdruk in bewoordingen die, misschien slechts marginaal, de zijne zijn.”

Ik haal dit hier aan omdat ik evenmin aanneem dat wij onszelf hebben gemaakt, noch dat we alles wat we op dit ogenblik boeiend, interessant, mooi vinden, zelf hebben gekozen. Dat is gewoonweg niet zo. Wat wellicht wel mogelijk is, is dat we met wat het toeval ons heeft gegeven een nieuwe combinatie maken en indien mogelijk en wenselijk ‘ons zelf’ heruitvinden.

Om wat ik wil verduidelijken heb ik een jaar nodig, want er komt zoveel bij kijken dat ik er op zijn minst een boek aan zou moeten wijden. Maar ik zal het kort proberen te houden. En daarna zien we dan wel weer.

Ik ben opgegroeid, eerst op een binnenvaartschip, later in internaten en oubollige scholen in een nog grotendeels godvrezend Limburg. Mijn ouders waren zoals dat wordt genoemd eenvoudige mensen. Ze hadden niet eens de basisschool kunnen beëindigen. Toch sprak en schreef mijn moeder voortreffelijk Frans en was ze geïnteresseerd in boeken. Zij heeft me leren lezen toen ik vijf was. Toen ik nog jong was kon mijn vader heel goed en boeiend vertellen. Dat had hij tijdens de oorlog geleerd, in krijgsgevangenschap en daarna in het verzet. Beiden hielden van eenvoudige liedjes, ik herinner me vooral ‘J’attendrais’ (het enige liedje dat mijn vader op zijn mooie gele accordeon kon spelen), Dalida, Mario Lanza, Edith Piaf, Bobbejaan Schoepen, en zo meer. Zulke liedjes, minderwaardig dan chansons, hoorde je ook wel op de radio. Al dat brave en sentimentele gekweel heeft mijn jonge oortjes geteisterd en gevleid. Wat ik mij er nu nog van herinner is de sfeer, het gevoel – iets zachts, fluweligs, eigenschappen die David Lynch in ‘Blue Velvet’ binnenstebuiten keert. Zo was toevallig een basis gelegd voor mijn latere muzikale smaak. Sentimenteel vermaak, tranerig gekweel. Ik bedoel dit geenszins negatief. Op  de lagere school werden zulke schlagers afkeurend straatliedjes genoemd. Vreemd, want ze waren zo onschuldig. Hoewel ze bij Fassbinder iets zeer subversiefs krijgen. Maar Fassbinder kende ik toen natuurlijk nog niet. De man had zelfs nog geen films gemaakt.

MARIAO LANZA


Toevallig had ik niet alleen ouders maar ook nog een zes jaar oudere broer, die al gauw in de ban raakte van de muziek van de duivel: rock and roll. Ik was zes toen ik Elvis Presley ontdekte, en met Elvis Presley alle Verenigde Staten. Dat had ik aan mijn opstandige broer te danken. Een nozem, zo werd luidkeels gefluisterd. Het zou nooit goed komen met hem. En dan die rock and roll, dat vreselijk lawaai. Elvis, Fats Domino, Little Richard, Wanda Jackson en Brenda Lee. Al begreep ik niets van de seksualiteit van die nieuwe muziekcultuur, toch was ik er van in de ban. Ik hield ook veel van de twist, bij ons bekend geworden dankzij Chubby Checker, die veel braver was dan Hank Ballard, de man die de twist had ‘uitgevonden’. Er ontstond een hele nieuwe cultuur van rock and roll, expo 58, broodroosters, milkshakes, honden die Laïka werden genoemd, jukeboxen, elke maand een andere dansrage, ‘scoobidoo’ en ‘hoola hoop’. Toen Elvis naar het leger moest, Chuck Berry in de gevangenis zat en Little Richard een predikant was geworden, was het einde van de rock and roll in zicht. Brylcreemkoppen als Fabian, Bobby Vee en Frankie Avalon werden nu populair. Bij ons had je vele Franse sterretjes die Amerikaanse songs in het Frans vertaalden, onder meer Johnny Hallyday en Richard Anthony.

LITTLE RICHARD 2

Vanaf mijn twaalfde beschouwde ik mezelf als een volwassene. Ik droeg een lange broek en had een polshorloge. Af en toe rookte ik stiekem een sigaret van het merk Peter Stuyvesant. Met mijn ouders en broer mocht ik zaterdags mee naar de ‘dancings’, de Orchidee en de Congo Bar. Ik kreeg dan repen chocolade of dronk Coca Cola. In een van die dansgelegenheden hoorde ik ‘Twist And Shout’ van The Beatles. Dat het een nummer van de zwarte Isley Brothers was, heb ik pas veel later ontdekt, en zelfs dat is niet de originele versie. Maar ‘Twist And Shout’ van the Beatles! Dat was mijn Damascus. De adrenaline als elektrische stroom door mijn jonge lijf. Die overrompelende stemmen, vooral die van John Lennon. Dit was niet langer de muziek van mijn broer, dit was mijn muziek.

BEATLES TWIST AND SHOUT

Een van de volgende dagen ging ik naar de plaatselijke platenzaak (ze verkochten er vooral stofzuigers en radio’s) en vond er de single ‘She Loves You’. Dat nummer heb ik wel duizend keer gedraaid. Ik veranderde mijn haarstijl, ging me anders kleden. Vooral de schoenen waren belangrijk. Nog wat later hoorde ik op onze transistorradio ‘Tell Me’ van the Rolling Stones. Dat was het! De heilige graal. Dat geluid, dat ritme, die gitaren, die stem gingen voor mij nog veel verder dan die liedjes van The Beatles. Hoe dat kwam kan ik niet verklaren, maar ik werd er veel dieper door geraakt. Ik kan het alleen maar euforie noemen. Zo begon mijn zelf zich af te tekenen door wat ik toevallig hoorde, en waaruit ik dan een keuze maakte. Zo werd mijn toekomst voor een groot deel bepaald. In 1965 gaf Bob Dylan met ‘Like A Rolling Stone’ mij volledige zekerheid dat ik had gevonden wat van mij was.

LIKE A ROLLING STONE 2

Daardoor luister ik nu nog steeds naar Engelstalige, vaak op blues gebaseerde muziek, vooral rock & roll en alles wat daar mee verwant is, of eraan is vooraf gegaan, zoals blues, rhythm and blues en country. En daardoor heb ik weinig affiniteit met klassieke muziek of muziek uit Azië, Afrika en de Slavische landen. Soms hoor ik iets in een film, zoals in het meesterwerk ‘De Muziekkamer’ van Satyajit Ray, en word ik diep ontroerd. Maar daarna grijp ik toch weer terug naar Bob Dylan of Lucinda Williams.

 

Over de crisis van de rock en de Westerse populaire muziek wil ik het in een volgend stukje hebben. Ik zal daarin mijn 'liefde' voor de Amerikaanse cultuur en subculteren onder de loep nemen.

 
OUT OF OUR HEADS

17-08-08

WAAR JE VANDAAN KOMT


mother, aunt georgette, françois & me

Mijn moeder, haar zuster tante Georgette (die iedereen tante Jos noemde en zelf haar leven beëindigde toen ik dertien was), mijn broer en mijn kleinere zelf. In Antwerpen omstreeks 1960. Waar je vandaan komt. Mijn moeder is eenennegentig geworden. Maar wat heb je aan zo'n lang leven?

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

15-06-08

ALS DAS KIND KIND WAR

 

Wie betaalt het gelach van de vissers als ze ontwaken uit de nacht van het vissen en het licht zien?

Wandelde hij niet op het water op een zondagochtend, daar in Neerharen,
of hadden die lelijke vrouwen je maar wat op de mouw gespeld?

Het troebele water van de Zuid-Willemsvaart.
Het mythische, stille water op zondagochtend.
De zon scheen en je zag het zomergras en rook de geur in de stem van Aretha Franklin.
My cup runneth over, oh zuster.
Moeder, vader, waar zijn jullie, nu in mijn uur van nood?
Nee, hij wandelt er niet, hij is er niet, hij heeft ons verlaten.
Het geluid van Amerika ver weg, als een donderende stem, een regenboog, en jongens met banjo’s.
Broer, kom wat dichter en vertel me dat verhaal over Buffalo Bill.
Vertel me dat verhaal over Geronimo.
De tijd staat niet stil.
Overal om je heen vallen doden en hij is er niet.
Er is niemand.
De tijd is muziek, geld betekent niets.
Kom je me bezoeken, zuster?
De koele wijn staat klaar, de glazen, ik in het wit.
Met mijn Panama op het hoofd.

Een donkerblauw hoofd schommelt op je romp, de mond aan de trompet.
Je ogen op vergeelde kolommen heiligenlevens.
Allemaal in de vergeetput geworpen, als rot vlees.
Maar heiligenlevens willen niet rotten, verpulveren.
Alle heiligen in de ether zijn samengekomen vandaag.
Zingen Amazing Grace.
De kerken zijn leeg, de vissers vissen niet en ik geloof nergens een woord van.
Ik ben braaf maar zou net zo goed kunnen moorden.
In die tijd was ik werkelijk. In die dagen zag ik niet dat het goed was.
Nu, buiten mezelf, zie ik dat het goed was en dat het slecht is.

Ik hoor het gelach van de vissers en haal de fles bourbon uit de kast.
Vissers zingen alleen maar in stilte.
En kijk, ook vandaag ben ik niet geworden wie ik ben.
Maar dat geeft niet want wat je ook zegt, ik zal blijven worden.




Titel: naar een gedicht van Peter Handke
.
Muziek: Aretha Franklin, Amazing Grace - The Complete Recordings.