12-03-12

ZOMERHAVEN

 

P1040326.JPG
Foto: Martin Pulaski, 2011.


Schrijf je dan maar neer dat hij hier zit, de onmogelijke duiveluitdrijver?
Noem hem een misplaatste engel met een bos tulpen en een paraplu.
Augustus vult hem op met stro, zijn hersens broeiend, niet groter dan een vlo.
Dat hij hier zit, met in zichzelf dat weinige dat stenen smelten doet.
Dat hij opkijkt: daar ligt de stad die kreunt onder de voeten van vrouwen.

En vervolgens voeg je toe:
Dat hij denkt: zoveel begeerte heeft deze schaduw van kerncentrales niet verdiend.
Maar de schepen van de haven heeft een wat afwijkende mening over die topic.
Kijk maar, dames en heren.
Poederdoosmeisjes stappen uit hun ondergoed, vlijen zich neer in mijn koelte.

Dat hij hier zo traag zit, een schim bezeten van tijd, onderworpen aan schaduwgroei.
Lang geleden gevlucht voor wat speels was onder de zon, leeuwen en leeuweriken.
In open plekken was dat in donkere bossen waar nu oorlog woedt.
Waar de wereld boete doet voor hij weet niet wat precies.
Waar de aarde bloedt tot ze geen longen meer heeft en de zon geen hart.
 

Schrijf tenslotte zijn slotsom neer:
Topic: het begrip kenobject stamt uit de kennistheorie en wetenschapsfilosofie.
Pas sinds Immanuel Kant (1724-1804) wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het kennend subject en de werkelijkheid als Ding an sich.
Oever 27 / 12 + 12 + 12 + 12 = 48

 

21-12-11

LAATSTE DAGEN

 

kiefer2.jpg

Het prozagedicht World’s End ontstond op 3 december 2011 tijdens een treinrit van Antwerpen naar Brussel. Ik had mijn radioprogramma Zéro de conduite aan dierenliederen gewijd en daarna vis gegeten in een Chinees restaurant. Als dessert had ik een Japanse saké gedronken. Ze hadden ook Chinese maar die was bijzonder sterk en werd mij afgeraden.  Waarom weet ik niet. Zag ik er dan werkelijk zo ziekelijk en zwak uit? Ik voelde me nochtans vrij fit. De saké was niet warm, niet lauw, eerder koud, en bevatte weinig alcohol. Toch heeft hij me aangevuurd. En die dierenliederen bleven in mijn hoofd spoken, vooral ‘Horses In My Dreams’ van PJ Harvey, uit haar elpee ‘Stories From The City, Stories From The Sea’. De zes witte hengsten komen uit een song van Gillian Welch, maar dat beeld is ouder dan de straat. Ik leen graag beelden, maar vind er even gaarne uit. Een vraag is of er nog onuitgevonden beelden kunnen ontstaan. Zoniet kun je alleen maar uit een voorraad putten. De oude Grieken hebben ons in dat opzicht wel verwend.

De trein reed zacht, niet zoals in mijn herinneringen, naar de hoofdstad.  Op dat zachte ritme schreef ik mijn woorden neer, in een klein Japans notitieboekje. Die boekjes schaf ik me aan bij Muji. Niet in Brussel: die winkel is al lang toe. Ik geloof dat de inwoners van deze stad niet erg geïnteresseerd zijn in mooie en nuttige dingen. Er ontstond een nogal moeilijk leesbaar gedicht. Nochtans had ik gedronken. Hoe kwam het dan dat mijn handen beefden?

De dagen die erop volgden heb ik het gedicht-in-wording (of niet), niet durven bekijken. Mijn stelregel is dat je niet moet schrijven als je gedronken hebt. Maar waar dienen stelregels voor? Op een avond ben ik er opnieuw aan begonnen. Wat er stond, stond me wel aan, maar niet in versregels. Versregels drongen er een vorm aan op, terwijl de paarden nog wild waren en droomachtig. Er ontbrak ook veel, over de wereld, over de mensen. Daar dacht ik over na, en zo kwam ik bij ‘ground zero’ terecht. Wat hebben wij als mensen aan de aarde gegeven? Verdienen wij het wel om hier te leven, om te genieten van deze grond? Ik dacht ook aan het ‘ademkristal’ van Paul Celan en aan zijn ‘Todesfuge’. Aan de verschrikkingen van de uitroeiingskampen en de zelfmoord van Paul Celan. Toen het gedicht voorlopig af was – in enigszins wilde prozavorm – vond ik de reproductie van Anselm Kiefer waarop hij naar Margarethe uit ‘Todesfuge’ verwijst. Dat werk is geen illustratie. Het moest erbij staan, het hoorde erbij, zoals de bomen van Gerhard Richter bij Cydia Pomonella ii.

Ik dacht ook aan gevallen engelen. Dat is meestal het geval als ik een werk van Anselm Kiefer zie. Elke mens is een gevallen engel, ook Margarethe. Een gevallen engel moet, net als een wild paard, zijn weg hier vinden. Een eigen haard. Goud waard, zeggen de mensen soms nog. Maar wie zal dat bevestigen? Voor de haard zag ik de smid staan, Hephaistos, man met sterke armen, dunne benen. Op het eiland Lemnos vond hij zijn smidse, deze uit de hemel verbannen man, vanwege een liefdesgeschiedenis van de goden, die hem niet liefhadden. Maar wel de mensen die zich verwarmden aan zijn vuur en zijn kunsten.

Wat een sombere, negatieve tekst was het geworden! Alle wegen leidden naar nergens, naar het eindpunt, naar daar waar niets meer te zien valt. World’s End bestaat echt, maar is toch vooral een imaginaire plek. Een vriendin van me had me al verteld dat in 2012 de wereld zou vergaan: wij zouden de Apocalyps nog meemaken, zo bevoorrecht zijn we. Overigens is ‘Apocalypse!’ de titel van Bill Callahans laatste plaat, waaruit ik het nummer ‘Drover’ (veehoeder) die avond had geselecteerd. In die ondergang sleepte ik heel Europa mee, een Europa dat uitgeput is en nergens meer naar verlangt, tenzij naar zijn algehele vernietiging.

Het schrijven zelf echter riep toekomst op, idyllisch bijna, en antiek. Een sprankel hoop weerklonk in de woorden, als ik ze luidop las. Opeens zag ik het spel, niet alleen het taalspel, maar het oude spel van de Homo Ludens, het ganzenbord, de holle wegen, het dwalen en dolen, het vinden zonder op zoek te gaan.  Ik zag het hoeden van de kudden. De zorg van mensen voor dieren. Het mededogen in ziekenhuizen en tijdens rampen. Het elkaar in bescherming nemen, zoals vader en zoon in ‘The Road’ van Cormac McCarthy. Het zingen voor elkaar, zoals in ‘The Time Of Our Singing’ van Richard Powers, om elkaar te troosten, om een zindering bij de andere teweeg te brengen. Het opstaan uit lethargie en onvermogen. Het verwerpen van de ondergangsstemming. Waren dit de laatste dagen? Opeens zag ik een opening in het bos. In mijn idyllische jeugd; maar ik zag ze ook in de toekomst, vol licht en beloftes. Ik zag de paarden draven in de richting van een open veld, een vruchtbare steppe. En om ons heen stonden de bomen niet langer als vijanden, als onverschilligen. Ik geloof niet langer dat het te laat is. Vandaag niet. Maar op 3 december had ik over al deze dingen nog niet nagedacht en verwachtte het ergste: World’s End.

world's end, apocalyps, dierenliederen, paarden, wilde paarden, radio, trein, antwerpen, brussel, muji, saké, schrijven, gedicht, proza, mythe, mythes, hephaistos, paul celan, pj harvey, bill callahan, gillian welch, beelden, verbeelding, anselm kiefer, ground zero, todesfuge, shulamith, margarethe, bomen, gerhard richter, engel,  hoop, homo ludens, zorg, mededogen, liefde, richard powers, cormac mccarthy, troost, zingen

30-09-11

ARCHAISCH GEVLOERD

Voor Lucebert.


Als van de luchtmens de adem gesnoerd

kent de engel alleen zijn adres

want weet hij niet af van de aanvang:

hoe zijn armen gestrekt, zijn handen gevouwen

in wat leek op een macaber gebed,

zijn alfa en omega belegen op de vloer?

De engel beheerst dezelfde woorden 

die hij beheerste, nadat hij ze bijviel -

tot barse stemmen ze kamen verwensen.

Zelfs 'genade' viel in slechte aarde,

alles archaïsch van generlei waarde.

...

Hoe heet je, vroeg hij, voor wie ik dit schrijf?

Deze parabel van bloed en tranen

waaruit purperen gif komt gevloeid

en de ziel voor altijd verbannen

naar een strafkolonie van dwazen.

Hoe heet je dan, duivel en engel?

Duizend namen genoemd, een blijft

in de kou liggen tussen de resten

van wat werd gekoesterd en nodig gehad.

Tussen wat niet langer gemist.

Smeulende asse in modder, in vuil.

 

(Al wat van goud is wordt verkwist.

Met parels tooien zich pooiers en dieven.)

06-08-10

LAURIERROOS

droom,verlangen,romantiek,surrealisme,psychoanalyse,begeerte,drift,rimbaud,bob dylan,hendrik marsman,engel

Je stak de straat over net nadat de arbeiders van de vuilnisdienst hun werk hadden gedaan. De riempjes van je schoenen glinsterden nog, zoals de sterren op het water van de Schelde, toen  je mijn droom binnenstapte. Je onthulde mij het geheim van de laurierroos, een giftige bloem die ik je onnadenkend had geschonken, omdat ik ze in verband had gebracht met Laurier. Voortaan noem ik je niet langer Laurier, ook niet in mijn dromen (hoewel ik dat laatste niet kan beloven).

 

Als mijn geheugen me niet in de steek laat, en terwijl ik deze woorden neerschrijf gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Arthur Rimbaud en Bob Dylan, twee boezemvrienden, dan stapte ik enkele dagen later een houten huis binnen. Vierentwintig kamers waren er eerst, maar geleidelijk aan ontdekte ik er meer. Een van de kamers was een heel bijzondere bibliotheek: in de rekken stonden bloemen, planten, groenten. Een gids noemde hun namen, vertelde over hun eigenschappen, hun geur en smaak, hun geneeskundige krachten, en in sommige gevallen ook hun giftigheid. Want veel van wat wij mooi vinden en lekker is giftig, soms dodelijk. Je weet maar al te goed dat de Blauwe Bloem Novalis een jonge dood schonk. Maar over jong gestorven dichters en muzikanten had de gids het niet. Hij was iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven – en uit alles wat hij vertelde bleek dat hij net als ik wist dat je er maar een hebt. Hendrik Marsman schreef het al zo overtuigend in zijn gedicht ‘Lex Barbarorum’: “ik erken maar een wet: / leven.”

Ik nam afscheid van de vriendelijke gids en ging de andere kamers verkennen. Ze waren even geheimzinnig, aantrekkelijk, geurig als de bloemen. En in hun kleuren, vormen en afmetingen verschilden ze heel sterk, net zoals bloemen en planten dat doen, denk aan een myosotis en een zonnebloem. In sommige kamers dansten vrouwen, mannen, kinderen, in andere werd er gegeten en gedronken, in weer andere werd aan action painting gedaan. In een ruime, lichte kamer, met azulejos betegeld, zag ik je baden in een bad dat op een schelp leek, het schuim op dat van de zee toen Venus werd geboren. Elders werden aan kinderen met blauwe mutsen op sprookjes verteld. In een grote ruimte zaten mannen en vrouwen in lange gewaden naar klassieke Indische muziek te luisteren. Ik herkende sommige melancholische melodieën.

 

Je stond nog nat van het baden in stralend licht en zei: “ik erken maar een wet, en dat is leven”.  Ik dacht aan Hiroshima, aan de vreselijke dingen van vandaag, maar desondanks kon ik je geen ongelijk geven. Desondanks sprak ik als antwoord ongeveer dezelfde woorden uit: ”leven, dat is de enige wet die ik erken.” Zoals je daar stond in dat stralende licht, als een warm geworden boodschapster van de vreugde, kon ik je alleen nog maar omhelzen. Een engel omhels je niet, tenzij in een droom.

 

Inmiddels was het donker geworden en het weer tropisch. Je gaf me een vlinderachtige kus en verliet het huis. Ik keek door het raam. Beneden stond een koor bestaande uit Noordzeevissers te zingen. La Paloma, zongen ze, een lied dat iedereen kent. Je was naakt, vanwege de hitte. Niemand raakte je aan, je stralend lichaam. Niemand raakt een engel aan. Een engel verzengt. Ik sloot de ramen, vanwege de muggen, en sloeg mijn boek open en las je verhaal.

 

 

09-02-10

VROEGER IS NU


Twombly_wilder shores of love


Als stro zijn de dagen, ook al zie je geen velden, geen heuvels, geen vuren branden. Je ruikt een korte, felle brand, en daarna, terwijl je een glas bier drinkt, het smeulen. Je zit op een krat te piekeren over de voorbije weken en maanden. Is alles echt gebeurd? Heb je geleefd tijdens die maanden, of was het maar een droom? Was je werkelijk in Umbrië, in Rome, in Berlijn, in Wenen, in Porto, in Lissabon, in Barcelona? Zag je er alles wat je gezien hebt. De heuvels van Spoleto, het drukke verkeer, de oudste kerk van Rome door het raam van je hotelkamer, liep je opnieuw over de Auguststrasse en in Prenzlauerberg? Werd je uitgenodigd voor een Vietnamees etentje ergens in Kreuzberg en werd je zo dronken van de wodka dat je er scheel van zag? ’s Anderendaags op het vliegtuig. Het lijkt op een droom.

Ook in Porto. Je vrienden, de nachten, de kunstgaleries, de sterren van José, het museum waar Cristina jullie de weg wijst, waar A. ten val komt, de lekkere Portugese wijn in café Guarany, en aan de oceaan waar de golven wild te keer gaan. Wat blijft nog over van Wenen? Altijd maar dat MuseumQuartier, een hele week lang, vaak in de regen. Waar je Cy Twombly ontdekt, een kunstenaar van wie je alleen de naam maar kende en die je nu verheerlijkt, op een even hoog niveau plaatst als Anselm Kiefer.

En Ray Johnson, haast vergeten, de wanhoop van Jesper Just, de indrukwekkende tentoonstelling ‘Silences’, bijeengebracht door Marin Karmitz, in Lissabon. De nieuwe kennismaking met het werk van Tadeusz Kantor. Het onzichtbare dansen boven je hoofd in een Berlijnse kunsthal – een installatie van Allora & Calzadilla.

En van al de vrienden die je ontmoette. De geliefden. De omarmingen. De dode broer. De dode helden. De wandelingen door de stad, de terrassen van leven en dood. Waarom kus je elkaar? Heb je elkaar dan niet innig lief? In de zomer of in de koude cafés van de winter, als een profeet met blijde getijden welkom zou zijn, zo net na een vreselijke aardbeving.

Nachten van waanzin en euforie in Antwerpen, in Gent op het huwelijk van je vriendin I., lezingen, concerten van Bob Dylan en the Duke & the King, de cafés in Brussel... Back to the starting point. Gesprekken met arbeiders over hout, centrale verwarming, sleutels… Taxichauffeurs die je behoeden voor het gevaar. Met hun verhalen en hun scherpzinnig ogen.

De stad puilt uit van liefde en haat, maar je zoekt slechts liefde. Omdat zo de wereld opnieuw ontstaat. Je moet puzzels ontwarren, als waren het knopen in lange, weelderige haren. Wat betekent dit allemaal, een nachtmerrie kan het niet zijn, als er trompetgeschal bij weerklinkt en beelden van engelen je gezicht vertroebelen. Je gelooft niet in het bovennatuurlijke, nee. Maar een engel is een mens. Dat weet je van Rilke en van Wim Wenders. Engelen, en jij met je hoofd in de voor een keer niet giftige wolken.

Maar nu heb je hoge koorts en moet je weer gaan rusten. Niet alleen taxichauffeurs beschermen je tegen het gevaar. Niet alleen engelen. Je moet jezelf ook in bescherming nemen. Je moet zien dat je overleeft, het positieve accentueren.

Afbeelding: Cy Twombly, Wilder Shores Of Love, copyright Cy Twombly.

 

21-09-09

IK ZEI 'JA' AL HEEL VROEG

 

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Deze wereld is jullie makelij.

Niet die van mij.

Ik ben maar een passagier.

Een niemendal.

Een strijkijzer op een operatietafel.

Ik ben geen dit en geen dat.

Een aasgier ben ik niet.

Ik heb geen naam.

Met de ene rug het beest.

Wankel in de winkelstraten

Met jullie merkwinkels

Waar al het lelijke wordt verhandeld.

Al het lelijke van de wereld.

Al het overbodige.

Aan mij heb je een lastige klant.

Een armoedzaaier.

Zie me zaaien: zint het je niet?”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Klimmen naar de top van de ijsberg

Is niet mijn sterkste kant.

Ik keek van boven naar beneden

En zag tinnen soldaten bloed vergieten

Voor een emmer vloeibaar goud.

Of voor een emmer stront.

Dat maakte niet uit.

Het kwam op winnen aan.

En een naam in de annalen gegrift.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Van beneden naar boven keek ik

En ik zag laarzen, modieuze schoenen

Me schoppen waar het pijn deed.

Vrienden beten in het stof:

Ze kozen de zachte dood.

Alles liever dan door jullie

Uitgehongerd, uitgelachen, uitgerangeerd

Te worden.

Met woorden uit het leven uitgesloten

Te worden.

Alsof ze geen geestdriftige mensen waren

Met hun ogen glinsterend van de plannen.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Ik had een schorre stem.

Ik sprak niet.

Ik zei ‘I don’t care anymore’.

Je weet maar nooit

Wie je vijanden zijn.

Maar als je naar beneden gaat,

Naar de vallei,

Dan weet je het al snel,

Wie je vrienden zijn.

Als je honger lijdt

En iemand geeft je brood

En wijn en woorden.

Ook al heb je een schorre stem

Geeft toch een vrouw je liefde.

En haar kus

Is de proef op de som.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.

Maar niet voor lang.

Morgen dans ik weer, een derwisj,

Morgen dans ik in de armen van sjamaan.

Morgen omhelst me mijn geliefde.

Morgen geef ik je kussen.

De kleuren en de geuren van de wereld.

Morgen ben ik er voor jou.

En voor jou.

Come rain or come shine.

Ik val voor je neer, met onbedekt hoofd

Als voor de bliksem.

Ik ben je geliefde, je bruidegom in de avond.

Je hebt vele namen, maar blijft onbekend

Als een god die nog niet is ontsluierd

Een bloem die moet ontluiken

In heel veel toekomst.
Ik ben je donker dier.

Je mededogen ben ik en jij dat van mij.

Ik ben je tijger.

Ik ben je lekkere kip.

Maar smaak ik ook goed?

Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Laten we nu dansen schat,

Naar de zijkant van de wereld.

Laten we dansen voor de doden

En voor degenen die nog leven

Met een vonk in hun ogen.

Eerlijke leugenaars, valse vrienden,

Bedriegers die talloos veel

kwalen helen.
Laten we nu dansen schat,

En de nacht, de dag vergeten –

Alsof zij even niet bestaan.

Evenmin als de klootzakken

Die je hart, je zenuwen verzuren.

Laten we nu dansen en bidden

Voor wat nog rest

Van het vuur in ons, het vonkje.”

 

01-02-09

VERGEET NIETS, VERGEET NIEMAND


Je staat open in het veld van de taal en wacht tot iets groters, iets hogers, iets anders je aanspreekt. Er zijn dagen waarop je jezelf wilt verliezen in een niemendalletje, in een niets, in een leegte. Er zijn dagen waarop je weet dat het spel is gespeeld, dat er niets is, dat niets op je toekomt. Er zijn dagen waarop je niet eens meer huilt maar doodeenvoudig je nagels knipt. Alsof er niets aan de hand is.

Je staat onder een donkere hemel, met wolken van staal en uitgedoofde sterren, de maan een sikkel in de hand van een waanzinnige dronkaard. Je loopt over een duistere landweg, alleen, op weg naar de mogelijkheid van een feest. Je loopt naar een mogelijkheid. Je mond vol leugens op zoek naar een waarheid en bevestiging. Je loopt naar het licht, naar het water, naar een volmaakte verstrengeling met iets, iemand.

Het volmaakte is verstrengeld, vastgehecht aan de fossielen van het kwaad. De grond is met doornen bedekt, met grauwe krantenknipsels, met waardeloos geworden geld. De grond onder je voeten is vuil. Je raakt verstrikt in de braamstruiken van je geschiedenis. Je roeit echter je geschiedenis niet uit.

Net achter de horizon klinkt een mondharmonica, een fluitje, hinnikende paarden. Bliksem raakt een eenzame es. Zie je de engel op je schouder zitten? Hij fluistert je nieuwe woorden in. Ik ben een vrouw, zegt hij. Ik ben een engel. Niets heeft me gestuurd, niemand verwacht me. Jaag me nu niet meteen weg. Wacht, blinde jager, vergeet je warme jas niet, vergeet je verdriet niet, je vertrouwen, je trouw aan jezelf. Vergeet niets.

14-07-08

RAINER PTACEK: HET INTEGERE HART VAN DE MUZIEK

 

 
 


Ik dank Sezaar voor het ontdekken van deze clip. Het leek mij onmogelijk dat er van Rainer Ptacek degelijke beelden te vinden waren, ook niet op YouTube. Rainer Ptacek was een van de beste gitaristen die ik ooit heb gehoord, jammer genoeg nooit live. Samen met mijn vriend Pat ontdekte ik Rainers magische muziek in 1986 op de elpee 'Barefoot Rock With Rainer And Das Combo'.  Dat 'das' staat niet zomaar in de titel. Rainer Ptacek kwam oorspronkelijk uit Berllijn maar emigreerde op vijfjarige leeftijd met zijn ouders naar Chicago. Later vestigde hij zich in Tucson, waar hij bevriend raakte met Howe Gelb en in plaatselijke scene van zogeheten woestijnrockers werd opgenomen. Iedereen kent nu Giant Sand en Calexico, maar aanvankelijk waren dat undergroundfenomenen. Calexico was in het begin een hobbygroepje.

Toen Pat en ik die elpee voor de eerste keer hoorden, waren we met verstomming geslagen. In de jaren '80 kreeg je niet vaak muziek van de duivel te horen, maar hier was hij dan... De duivel hoorde je zowel in Rainers stem als in zijn gitaarspel. Zijn covers van Robert Johnsons 'If I Had Possession over Judgment Day' en 'Last Fair Deal' waren bijna even intens als die van de meester. Ik gebruik het woord 'duivel' natuurlijk als een metafoor. Duivelse muziek is vurig, maar de mens Ptacek had meer van een engel dan van Satan, daar twijfel ik niet aan. Dat engelachtige kun je trouwens op al zijn latere platen horen, waarop hij vaak alleen en soms met 'das combo' te horen was. Een zeer menselijke engel, met een hevig brandend innerlijk vuur, dat was Rainer. Platen als 'Nocturnes', 'Alpaca Lips' en 'Live At the Performance Center' worden hier nog vaak uit het rek genomen.
Overigens valt het ook op dat Howe Gelb zijn oude vriend niet vergeet, geregeld neemt hij nog songs van hem op. 
Rainer Ptacek was net als ik een tweeling (ik weet niet waarom ik dat vermeld, want ik geloof niet in astrologie), een jaar jonger dan ik. Hij stierf in 1997. Kort voor Rainers dood verscheen een mooie tribute-cd, 'The Inner Flame', met bijdragen van onder meer PJ Harvey, Robert Plant, Evan Dando, Emmylou Harris, Victoria Williams en Mark Olson.
Bekijk vooral deze buitengewoon ontroerende performance uit 1993.

29-04-07

ECLIPS


Ik herinner me nu de eclips van 1999. Die vond plaats op een woensdag in augustus. In mijn straat en in de straten in de buurt was het opvallend stil. Het was een rust die tot de verbeelding sprak, helemaal anders dan de zondagsrust. Wolken, waardoorheen heldere zon, om halfelf, op weg naar het Bracops ziekenhuis, hier vlakbij. Ik moest bij de tandarts zijn. Ook daar hing een andere sfeer dan op andere dagen; het was er vooral ongedwongen. Ik kwam zelfs een kwartier vroeger dan voorzien aan de beurt.

Ik was pas om negen uur uit bed gestapt, nogal in de war. Na het ontbijt raakte ik nog meer in de war doordat een van de luidsprekers van een nieuwe micro stereoketen het al niet meer deed en ik kon hem niet hersteld krijgen. Terwijl ik met de kabeltjes van de aansluiting bezig was rinkelde de telefoon. Het was mijn moeder. Ik vroeg me af hoe zij wist dat ik thuis was. Ach, wellicht wist ze niet eens meer dat ik in normale omstandigheden nu op mijn werk zou zijn geweest. Zou ze me vaak hier thuis bellen als ik op mijn werk ben, vroeg ik me af. Aan mijn moeder zelf kon ik het niet meer vragen, ze herinnerde zich niet eens wat ze een minuut eerder gedaan had.
Het moment nadert, zei ze, het is bijna zover.
Welk moment, vroeg ik, hoewel ik dacht te begrijpen dat ze het over de eclips had.
Ja, welk moment was dat nu weer, ging ze verder.
Van dat atoom of zo, voegde ze er aarzelend aan toe.
Ja, de zonne-eclips, bevestigde ik.
In mijn woorden klonk het heel wat banaler dan in de hare. Bij mijn moeder leek het over de Apocalyps te gaan.

Op weg naar het Bracops ziekenhuis, in de hierboven al beschreven serene sfeer, zag ik vier witte figuren een in goud gehuld lichaam dragen. Iemand die pijn heeft, een stervende mens misschien, maar heel even zag wat ik zag eruit als een zinnenbeeld van verheven schoonheid.

Later op weg naar het Poelaertplein om daar de 99%-eclips te gaan bekijken, ontwaarde ik, terwijl ik door de regen liep, boven de Regentschapsstraat een engel in dezelfde gouden kleur. Je zou kunnen opwerpen dat het gewoon maar een bespottelijke schepping was van een of andere kitschartiest, maar ook nu weer was het de echte engel die ik zag, in het stralende licht dat door de donkere wolken priemde. De ene kant van de stad was helemaal zwart, de andere kant helder, met een blauwe hemel erboven. Het was enige minuten over twaalf.

Een half uur eerder had ik op de Anspachlaan vrouwen zien lopen die zich van niets bijzonders bewust leken te zijn. Ze waren niet opgewonden, haastten zich nergens heen. Het was voor hen een dag als een ander. Voor de meesten was dat echter niet het geval. Ze voelden een leegte in zichzelf en hoopten in Virton of op een andere plek waar de duisternis die dag zich zou voltrekken getuige te zijn van een wonder, opdat er in hen toch weer iets zou gaan zinderen. Een vonkje moest toch ergens te vinden zijn, iets wat hen zou verbinden met de anderen en met de wereld. Althans, dat schenen ze te denken of op zijn minst te vermoeden. De zon moest hen aan elkaar en aan het geheel vastlassen, al was het maar een heel klein beetje. Vandaar die lasbrillen wellicht. Ja, sommigen maakten gebruik van echte lasbrillen om de zonne-eclips te bekijken.
Ik was blij dat ik ook dat verlangen in mijn voelde bruisen. Dat ik wat dat betreft niet anders dan de anderen was. Dat ik die leegte ook met iets onbekends en ongelofelijks wilde vullen.

Het mooiste moment van het natuurverschijnsel vond ik om kwart over elf ongeveer, toen de maan voor de zon kwam, een klein stukje nog maar, ik was toen beneden in mijn straat, twee oude mensen liepen me voorbij, ik zette mijn brilletje op om even te kijken, zette het weer af, en zag de vrouw vriendelijk glimlachen. Hoewel ze zelf niet echt veel belangstelling leken te hebben vonden ze het toch niet bespottelijk wat ik deed. Op dat moment kwam tram 56 aangereden en ik moest een heel stuk teruglopen. Want ik had me bedacht, beter de tram nemen, boven de grond, zodat ik getuige kon zijn van het fenomeen, ook al was er weinig te zien, dan de metro, onder de grond, waar ik vast het gevoel zou hebben iets unieks te missen. En natuurlijk was het op een bepaalde manier een bijzondere rit. Er was bijna geen verkeer, er zaten weinig mensen in de tram. Een vader met zijn vrouw en hun drie kinderen. Opgewonden kinderen, ze maakten opmerkingen over alle gewone dingen die ze zagen en die voor hen blijkbaar heel ongewoon waren.

Op het Poelaertplein, in de schaduw van het Justitiepaleis, was er een man met een hond. Dat geblaf klonk ook weer helemaal anders dan op doordeweekse dagen. Het was een geblaf dat ik kon verdragen, een geblaf waarin verwondering, verbazing doorklonk. Op het Poelaertplein voelde ik mij niet eenzaam, maar ik was toch alleen. Door mijn brilletje zag ik lange tijd niets. Er waren te veel donkere wolken. Een jonge man naast me vroeg me of ik iets zag. Nee, zei ik, ik zie niets. Rien du tout?, vroeg hij. Non, rien du tout, zei ik. Waarschijnlijk vroeg hij zich net als ik af of zijn brilletje wel deugde. Je hoefde echter maar om je heen te kijken om vast te stellen dat niemand iets kon zien. Met het blote oog natuurlijk wel. Maar dan kon je slechts een seconde kijken (waar ik veel later nog altijd pijn van aan de ogen had). Het werd wat donkerder, maar echte duisternis was het niet.
Na een paar minuten was iedereen tevreden: eindelijk konden we onze brilletjes gebruiken en zagen we het stukje zon achter de maan uitsteken. Dat stelde echter niet veel voor. Alles was zwart en daarin een geel sikkeltje, meer niet. De hele sfeer die eraan vooraf ging, dat was voor mij ‘de eclips’, hoe de mensen zich gedroegen, het feit dat ze de steden verlieten, dat ze ergens in velden gingen zitten wachten op Iets.

Om twintig voor één ben ik met tegenzin weggegaan. Af en toe ben ik blijven staan om toch nog een blik te werpen op het natuurfenomeen. Intussen waren de wolken weggetrokken en nu kon ik mijn brilletje naar hartenlust gebruiken. Maar ik durfde niet lang kijken. Stel je voor dat het ding toch niet voldoende bescherming bood. Even later stapte ik de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Zavel binnen. Na de eclips was dat een beetje een anti-climax, vooral omdat ik er een week eerder ook al was binnengegaan en toen was de kerk overspoeld geweest door licht. Hoe dan ook nam ik me voor er vaker een bezoek te brengen, maar zeker niet om er te gaan bidden voor de god van Clothilde – en van Clovis, herinnerde ik me nog, terwijl ik de geschiedenisleraar weer voor me zag staan, met zijn perkamenten vingers naar het bord wijzend.

Die avond ging ik met pijn aan de ogen en hoofdpijn naar bed. Maar ik was gelukkig. Ik had iets bijzonders meegemaakt. Ik was een deel van de wereld geweest.

05-05-06

DE ZIEL VAN TACANDA



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Op 25 april maakte ik een wandeling in Tacanda, een gehucht van El Paso. Er staan goed onderhouden boerderijen; achter de natuurstenen muren aan beide kanten van de weg liggen boomgaarden met amandelbomen. Overal bloemen in bloei. In sommige weiden staan zachtmoedige paarden. Nochtans is het niet El Paso in Texas, maar op La Palma. Toch vermoed ik dat ook hier wat paardenfluisteraars rondhangen. Overigens is het een gemakkelijke wandeling, zelfs als je je zwak voelt. De meeste andere wandelingen op La Palma waren nu te moeilijk voor me. (Ik heb veel gerust, geslapen, wat boeken gelezen en naar de oceaan zitten kijken. Soms naar de sterren, als het niet te fris was ’s avonds.)

Daar in Tacanda is op 26 april 1628 de ziel van Ana Gonzalez verschenen. Nu wordt zij de ziel van Tacanda genoemd. Deze Ana Gonzalez – of haar ziel - had een ontmoeting gehad met een engel. In Tacanda sprak ze de priester Juan Montiel aan. Deze man was een nieuwsgierige kerel. Hij wilde heel graag de naam van die engel kennen. Maar de ziel van Ana Gonzalez was schrander. Waarom zou ze de naam van de engel zo maar prijsgeven aan deze Juan Montiel? Eerst zei ze alleen maar dat de naam uit vijf letters bestond. De priester bleef aandringen. Uiteindelijk zwichtte Ana Gonzalez en biechtte de naam op, maar wel in het Latijn.
Spoedig deden allerlei geruchten over de ziel van Ana Gonzalez en haar ontmoeting met de engel de ronde in Tacanda. Nu wilden de dorpelingen, net als de nieuwsgierige priester Juan Montiel, op hun beurt de naam van de engel kennen. Maar de man was bang voor de inquisitie. Hij zou wel eens beschuldigd kunnen worden van ketterij, want de naam bestond immers uit vijf letters. Misschien had hij wel een gesprek gehad met een ziel die de gevallen engel Satan had ontmoet.