20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

08-09-14

NAAKTE LUNCH

goya- saturn_1000.jpg

‘Saturnus verzwelgt een van zijn zonen’, een beeld van Goya als illustere voetnoot bij mijn tekst over het kannibalisme in Canto XXXIII van Dante’s ‘Inferno’. Een reproductie van dit werk siert ook de kaft van de eerste Nederlandse uitgave van William Burroughs’ ‘Naakte Lunch’. Een roman, als je dat werk zo kunt noemen, die destijds veel indruk op me heeft gemaakt, en nog altijd blijft nazinderen, zij het meer en meer latent. De voortreffelijke vertaling was van Joyce & Co., een groepje verfijnde literatuurminnaars dat bestond uit Erwin Garden en Keith Snell. In 1972, toen die vertaling verscheen, had ik geen idee wie die heren waren.

Drie jaar later, ik werkte toen in Boekhandel / Librairie Corman te Brussel, kwam daar verandering in. Zoals Saturnus zijn zoon verzwelgt, verslond ik elk woord waaruit de roman ‘Erwin’ van het schrijverscollectief was opgetrokken. Net als de naakte lunch was het een trage maaltijd, vanwege de moeilijkheidsgraad, met name de taalregisters waar ik als niet-classicus weinig of niet vertrouwd mee was. En net als ‘Naked Lunch’ zou ‘Erwin’ me bijblijven; samen met ‘The Romantic Agony’ van Mario Praz gold het als een introductie tot de zwarte romantiek.

Niet veel later bleek dat ‘Erwin’ vooral het geesteskind was van Geerten Meijsing. Tot op vandaag blijft hij voor mij een van de grootste Nederlandstalige schrijvers. Ooit wilde ik worden als hij, wat me niet is gelukt – uiteindelijk een goede zaak, want in deze Lage Landen is maar plaats voor één prins. Een van de volgende dagen (of weken, met mij ben je nooit zeker) vertel ik over onze ‘historische ontmoeting’ (zijn woorden) in Syracuse in mei 2013. Geerten Meijsing zal in mijn relaas verschijnen als een hedendaagse Charles Baudelaire – Geerten heeft ‘Pauvre Belgique vertaald - in ballingschap, ikzelf als een hoestende, naar liefde hunkerende Edgar Allan Poe. Een fototoestel had ik niet bij me, gelukkig: zo zie ik Geerten Meijsing nu weer helder voor me als hij zegt “ik ga hier niets drinken, ik wil alleen maar even naar dat meisje kijken...” of als hij zich luidop afvraagt wanneer ik eindelijk eens wat dichtersbloed ga ophoesten. Ja, en zoveel andere dingen herinner ik me, hier in mijn eigen House Of Usher.

 

“Toen wij in de winter van ’67 op ’68  met een koffertje vol boeken naar Calci (Pisa) liften om in de boekbinderij van het kartuizerklooster aldaar onze lievelingsboeken, in navolging van Des Esseintes uit A Rebours, in leren bandjes met gouden lettertjes te binden, was Naked Lunch één van die boeken.” (Uit het nawoord van Geerten Meijsing en Kees Snell bij de vertaling van ‘Naked Lunch’)

saturnus, goya, william burroughs, naked lunch, naakte lunch, voetnoot, dante, inferno, vertaling, joyce & co, geerten meijsing, erwin, italië, sicilië, syracuse, ontmoeting, charles baudelaire, edgar allen poe

12-01-09

HET VERRADERLIJKE HART

verdriet,emoties,gevoelens,eros,thanatos,vietnam,bob dylan,palestina,wanhoop,polen,vlaanderen,leugens,lautreamont,postmodernisme,oceanen,edgar allen poe,chantal akerman

De Venus van Urbino, Titiaan.

Als je stil staat ga je niet vooruit. Er gebeurt niets. Je maakt geen onnodige gebaren. Je kunt fluisteren, roepen, schreeuwen, gillen, maar je zwijgt. Je bootst geen Amerikaan na, geen kanarie, geen panda, geen ratelslang, je zwijgt. Onnodige gebaren? Gebarentaal laat je eveneens achterwege, er is niemand die je ziet. Zelf kijk je ook niet, je bent in jezelf gekeerd. Omdat je wakker werd uit een prinsessendroom: je moest ontbijten met prikkeldraad om je heen. Daarom ontbeet je niet. Er was geen krant. Er was niets of niemand. Je bleef in de keuken staan, met je blote voeten op de oude, koude lichtbruine tegels. Je bleef urenlang in de keuken staan. Je dacht aan een rendez-vous met Anna, maar spoedig vergat je dat weer, en passeerden er alleen zinloze beelden in je hoofd. Lang duurde het niet eer je de betekenissen vergat van woorden en namen. Anna? Een heilige die je achtstevoren kunt lezen? Wie was de regisseur ook weer? Een vrouw met blauwe ogen? Korenbloemenblauwe ogen? Een Poolse, een Vlaamse? Waarom werd er om haar gevochten? Vlaanderen was opeens verder weg dan Vietnam. Op de maan dansten muzikanten, muziek speelden ze niet. Die moest nog worden uitgevonden. Ze dansten op het geluid van hun jaloezie, op het geluid van hun verraderlijke hart. Als een klok op de bodem van een waterput. Elk tiktak belooft eeuwige jeugd. Maar je moet niets zeggen, geen gebaar maken, niet bewegen om met zekerheid te weten dat je waar je ook kwam te lang bent gebleven. Jij staat stil, maar de tijd niet, ook al duren de uren soms een eeuwigheid, al lijken ze op golven van geluk en verdriet, op het schreien en het sterven van oceanen.

Je liegt als je zegt dat de wereld niet alles is wat het geval is. Je liegt als je zegt dat de liefde je koud laat. Je liegt als je zegt dat voor jou de tijd van gevoelens voorbij is. Want je weet dat er maar een ding is dat je uit die verstarring kan los maken: een omhelzing. Niet die van Botticelli’s maar toch van een pas geboren Venus met alles erop en eraan en zingend als een Sirene: leef, man, leef, kom in mijn armen!

29-05-07

LOST WEEKEND IN GENT EN BRUSSEL

feest,nachtleven,ontmoetingen,brussel,gent,blackout,euforie,drinken,roken,edgar allen poe,usher,gitaar,bob dylan,ierland,monk,le coq,alcohol

Familiefeest, Gent. Martin Pulaski.

Je kijkt met grote verwachtingen uit naar een lang weekend. Er zullen vele dingen gebeuren. Boeken zullen worden gelezen, films bekeken, mensen ontmoet, wijn en bier gedronken. Er zal feest worden gevierd. Dat is wat voorafgaat. Zaterdag doe je boodschappen en knap je wat klussen op. Je leest iets over de sixties, en in Murakami’s A Wild Sheep Chase. Je boekt een vlucht naar Italië. Je stippelt een traject uit: Treviso – Trieste – Padoua – Ferrara - Venetië.

’s Avonds kijk je nog een keer naar Performance. Mick Jagger in al zijn androgyne schoonheid. Anita Pallenberg in al haar androgyne schoonheid. Het mooiste stel uit het einde van de jaren zestig? Alvast op pellicule. Maar een zeer kortstondig stel. Keith Richards zat buiten in de auto op Anita Pallenberg ongeduldig en jaloers te wachten. Anita was een echt Rolling Stones-meisje. 

Dan komt de euforie van zondag. In Gent zie je je familieleden terug, je praat, wordt vrolijk van de drank, wil het feest zolang mogelijk rekken. Later in de trein naar Brussel praat je met een onbekende, een interessante man. Het was een vluchtig gesprek, de drank speelde in je hoofd. Je weet niet meer waar jullie het over hadden. 
 Terug in Brussel ga je naar de cafés, eerst De Dolle Mol, maar die legendarische kroeg gaat pas weer op 1 juni open, daags voor je verjaardag.

Daarna naar de Monk. In de Monk ga je, volledig tegen je gewoonte in, bij onbekenden aan een tafeltje zitten. Het zijn jonge mensen, ze hebben geen bezwaar tegen je aanwezigheid. Het is een delegatie uit verschillende nationaliteiten samengesteld. Dat is heerlijk aan Brussel, dat je hier aan één tafel zes verschillende nationaliteiten kunt aantreffen. Het spijtige is dat de alcohol je geheugen wist, dat je je van alle mooie dingen die werden gezegd, misschien wel van plannen die werden gesmeed, afspraken die werden gemaakt, niets meer herinnert. Je herinnert je alleen een meisje uit Ierland, Jean. Dat weet je nog omdat ze jou haar kaartje heeft gegeven. Met haar had je het over Galway, Doolin, Roundstone en de Aran-eilanden, hoe je van die streek houdt. Het lieflijkste landschap dat je ooit zag. En van de muziek, van de vriendelijke Ierse mensen, van de pubs en de Guinness.

Je nam afscheid van de delegatie, er kwamen andere mensen aan ‘jouw’ tafel zitten, echte jongeren, met lange haren, zoals de zoon van je schoonbroer,  de ‘kroonprins’ noemt zijn vader hem. Wat zullen ze gedacht hebben? Wat zit die oude kerel hier te doen? Waarschijnlijk niet. Ze zagen er zachtaardig uit.  

Vervolgens
begaf je je naar Le Coq, waar veel dronkaards zitten. Je nam plaats naast een oude man met een baard. Je weet nog dat je hem vroeg wat hij daar deed. Drinken, antwoordde hij. Hij was niet bepaald communicatief. Een superopgewekte jongen met een rastakapsel kwam samen met een andere man aan jouw tafeltje zitten. Er was ook een meisje tegen wie je zei dat je haar al eerder had gezien. Of dat je dat dacht. Ze was er met haar vriend: een verliefd stelletje. Af en toe raakte je haar voet aan, per ongeluk, denk je, je hebt nogal rusteloze voeten. Een andere man, met lange zwarte haren, een Indiaans type, waarschuwde je en zei je dat je je voeten thuis moest houden. Je verontschuldigde je, want je wilde geen pak slaag. Dat is al te vaak gebeurd. Het meisje zelf had echter niets gezegd. Ze wond zich niet op over je rusteloze voeten.  De man die bij de jongen met het rastakapsel was had een gitaar. Je vroeg of je een stukje mocht spelen. Ga je gang, zei hij. De muziek in het café werd stiller gezet. Je speelde een eigenzinnige versie van It Takes A Lot To Laugh It Takes A Train To Cry van Bob Dylan en nog wat impromptus, zoals Usher die moet hebben gespeeld in het verhaal The Fall Of the House Of Usher. Je ging flink tekeer op de gitaar; een e-snaar brak. (Ik gebruik het woord ‘eigenzinnig’, wat in dit geval ook vals of wat dan ook kan betekenen. Ik kan gewoonweg niet zo goed gitaar spelen.)  

De eigenaar van de gitaar zette zijn zonnebril op en zag er opeens heel cool uit. Hij vroeg of je wat wilde roken. Je zei hem dat je astma hebt, maar een trekje wilde je wel eens proberen, voegde je eraan toe. De uitbater zei dat jullie buiten moesten gaan. Hier binnen wordt geen cannabis gerookt. Jullie gingen buiten zitten, je nam een trekje en inhaleerde en de realiteit veranderde bijna volledig. Het was ongeveer twintig jaar geleden dat je nog gerookt had, cannabis, tabak of wat dan ook. Twee vreemde mannen zaten op het trottoir te lachen als oude gekken, de ene met een zonnebril op, de andere met een ‘gewone’ bril. Nu kreeg je nog meer zin om gitaar te spelen, maar dat ging niet meer vanwege die gebroken snaar.

De jongen met het rastakapsel was in slaap gevallen. Je wekte hem en zei hem dat hij voorzichtig moest zijn, niet iedereen in Brussel is even vriendelijk en vredelievend. Je herinnerde je de lelijkheid en het gevaar. Het was tijd voor een taxi. In de wagen telde je je geld en schrok toen je vaststelde dat je niet voldoende had voor het ritje. Je hoopte dat Laura, die al lang thuis was, nog wat geld zou hebben, 5 euro zou volstaan. Het was maandagochtend, de zon kwam op.

25-08-05

DE WITTE REGELING IS VAN KRACHT


RODE TREIN 2


Gisteren nog eens gelachen. We stonden al een tijdje te wachten op de metro naar huis terug in station Brussel Centraal, na een avondje Finse dans tijdens het zeer kleinschalige en sympathieke Brigittinenfestival. Geduldig wachten doe je dan; je spant je in om je niet te ergeren aan het oponthoud; je praat wat over Edgar Allen Poe of leest een stukje in The Purloined Letter en verbaast je over de beschaafde conversatie in de 19de eeuw (toen was het nog “good heavens!”, nu is het “fucking shit” of iets dergelijks). Na een tiental minuten onderdrukte ergernis viel de stemmige muziek stil (Roxy Music) en kwam er een Officiële Stem uit de luidsprekers. Eerst in het Frans, daarna zelfs in keurig Nederlands volgde deze mededeling “beste klanten, gelieve er rekening mee te houden dat tot 29 augustus de witte regeling van kracht is op de lijnen 1A en 1B! Dank u voor het begrip!” Jongens toch, gelachen dat we hebben! We waren duidelijk teruggekeerd in het kleine rijk van het surrealisme. De witte regeling is van kracht. Wat zou een Japanse of Griekse bezoeker daar dan bij denken (er van uitgaande dat hij of zij de Brusselse variant van het Frans machtig is)? Of zelfs een Fransman? Zelf vond ik het een slecht gekozen symboliek. Als je zo lang op een metro moet wachten, betekent dat voor mij eerder dat de zwarte regeling van kracht is. Gelukkig was er nog Roxy Music. Dat heb ik in Berlijn niet gehoord in de stations. Maar daar heb je natuurlijk ook geen tijd om naar muziek te luisteren. Je hoeft er helemaal niet te wachten.

In de Brigittinenkapel zijn we gaan kijken naar een voorstelling van de Finse dansgroep Nomadi. Ik had het stuk gekozen vanwege de titel ‘Lucid Dreaming’, en misschien ook wel voor de naam van het gezelschap. Ik heb een nomadische familiegeschiedenis. En alles wat met dromen te maken heeft wekt bij mij verwachtingen. In dit geval had ik droomachtig dansen verwacht, op droomachtige muziek, met veel helder licht, zodat je de droomsituaties goed kunt zien. Niets van dat alles, tenzij het felle licht. Eeen mooi voorbeeld van wat ik droomachtige muziek noem is terug te vinden op de nieuwe cd van Brian Eno, Another Day On Earth. Lucid Dream echter was gewoonweg de slechtste voorstelling die ik ooit heb gezien. Zelfs als het een schoolvoorstelling was geweest had ik ze slecht gevonden. Het enige plezier dat we aan de avond hebben beleefd was de ‘nabespreking’. Wat kan het toch een fijn gevoel geven iets tot op de grond af te breken, vooral als niemand het hoort en je er niemand mee kwetst. Nu breng ik het natuurlijk wel in de openbaarheid, maar ik vermoed dat de Nomadi uit Finland mijn stukjes niet lezen. Bovendien moeten ze als ze het lef hebben om met zulke ondingen voor het voetlicht treden bereid zijn bekritiseerd te worden. Neen, ik heb nog een tweede plezier beleefd aan de avond: het heerlijke Belgische bier. In de Brigitinnenkapel kost een tripel van Westmalle maar 2,2 €.

Hier thuis is vandaag de rode regeling van kracht.


Foto: Martin Pulaski