29-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

barbara_ina.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

thomas-jefferson-.jpg

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

novemberrevolutie.jpg

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

tseliot.jpg

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

Arrow_Cross_Party.jpg

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

amos-gitai-.jpg

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

Gilles_Deleuze.jpg


4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele - volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ - teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ - en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: de zangeres Barbara; Thomas Jefferson; Duitse novemberrevolutie; TS Eliot; Hongaarse Pijlkruisers Partij; Bruce Springsteen, Born To Run; Amos Gitai; Gilles Deleuze; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.
...

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

13-03-13

EEN DROOM VAN WERNER HERZOG

zwerge3.jpg

De voorbije nacht heb ik opnieuw veel gedroomd; voor het ontbijt stond alles me nog duidelijk voor de geest, maar nu ben ik het meeste vergeten. Ik herinner me nog raadselachtige landschappen, wellicht beïnvloed door Werner Herzogs remake van ‘Nosferatu’ en van zijn ‘Herz aus Glas’.

De weg naar omhoog van Heraclitus: een modeltraject dat steeds weer herhaald wordt. Een gele Studebaker boven op een bergtop geparkeerd. Ik vraag voorbijgangers hoe hij daar terecht is kunnen komen, over dat smalle ezelspad. Niemand schijnt het te hebben gezien.  Nochtans zijn ogen scherper getuigen dan oren. Wat later drink ik een espresso in een slaperig café op het dorpsplein. Een oude man biedt me een sigaret aan. In die auto hebben ze een lijk vervoerd, zegt hij. Ik vraag hem hoe de wagen weer naar beneden kan. Langs hetzelfde pad, zegt hij.

Deze droom deed me inderdaad aan de wereld van de Duitse filmregisseur Werner Herzog denken. Herzog maakte in de jaren zeventig een voetreis door de kou, van München naar Parijs, omdat hij ervan overtuigd was dat hij op die manier Lotte Eisner, een Duitse filmcritica – ze schreef voorbeeldige werken over F.W. Murnau, Fritz Lang en de Duitse expressionistische film – van een ongeneeslijke ziekte te genezen. Herzogs films getuigen van dezelfde uitzonderlijkheid en van dezelfde bezetenheid.

Van in het begin ben ik een bijna onvoorwaardelijke bewonderaar van Werner Herzog. Sommige van zijn werken, zoals ‘Aguirre, der Zorn Gottes’ en ‘Herz aus Glas’ heb ik wel vijf keer of meer gezien. Herzog is een bezetene, een perfectionist, een visionair (wat een woord is dat ik niet graag gebruik, omdat er zoveel ruis op zit, zoals op ‘icoon’: ik heb me reeds afgevraagd of er iconische varkens bestaan).

Of toch niet van in het begin. De eerste films heb ik niet gezien: ik heb nooit de kans gehad. Nee, het is begonnen met ‘Auch Zwerge haben klein angefangen’ uit 1970. Een film over opstandige dwergen, grappig en grimmig. Nergens mee vergelijkbaar. Vandaag heb ik enkele foto’s uit die unieke film op internet gezocht - en gevonden. Ze hebben me, samen met de droom, veel zin gegeven om hem nog een keer te zien, te ondergaan. Of een andere film van de meester: ‘Woyzeck’ bijvoorbeeld, met Klaus Kinski en Eva Mattes?

zwergeherzog.jpg

zwerge.png

18-08-10

AAN DE WATERTOREN (PRENZLAUER BERG)

 wasserturm prenzlauer berg.jpg

Foto: Martin Pulaski


Met de stilte van stille panters en achtergrondgeweld. Moord en doodslag in de zo te horen diepe rust. Een stad die rust en roest en slaapt en een rollerskate leven leidt levert weinig stof voor nieuwe moordverhalen in de stijl van Raymond Chandler en ‘Total Destruction To Your Mind’.  James Cain misschien, afgezwakt door Joan Crawford, door haar quasi-perfecte tics. Afgunstig dat zij nooit een Gloria Grahame kon zijn of worden? Maar de postbode keert altijd terug, ook voor Mildred Pierce. Je moet je rekeningen betalen, ook als je honderd keer van adres verandert.

 

We zitten hier in symbolisch zand en proberen stil te zijn, weer thuis, al doen we ons best om het te ontkennen. Zoals we de regen ontkennen, en alles wat met visie en spektakel en spiegels en voyeurisme te maken heeft. Het meest spectaculaire vandaag is het boek ‘La société du spectacle.’ De geest van de elektriciteit huilt bittere tranen bij elk woord in dat boek. Vaarwelkussen aan Guy Debord, de dronkaard, een Godard zonder gitaar, zonder camera. Je moet sterk zijn om buiten de wet te leven, niet? Om het allemaal anders te doen. Guy Debord was zwak, dronk zich dood – alles was toch al om zeep, en wat heb je aan zeep als je geen water hebt, alleen maar tequila en mezcal?

 

In Berlijn wordt het geweld naar het verleden verbannen alsof het al decennia lang vrede is in de wereld en tussen jou en mij. Alsof er geen parasieten zijn, en geen dronken waanzinnige geweldenaars, en bruten die president worden en de wereld willen veroveren vanwege absurde, eeuwen geleden verjaarde belangen. Alsof er altijd vrede was en iedereen iedereen bemint. Zoals in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen napalm een groot deel van onze wereld verwoestte. En toen iemand zong: ‘who is he and what is he to you’? En: ‘what’s going on’? Zelfs onder invloed van heel wat drugs. Alsof we toen van elkaar hielden. Alsof dit en dat en hier en daar.

 

Maar pils en donkere, bittere wind uit het Oosten brengen niet alleen algebraïsch leugenachtige koningen maar ook slecht nieuws naar het Westen. Van lucht ga je dood, als je niet voorzichtig de straat op gaat, met op zijn minst een masker op. Een, twee, drie. Je hoorde dat je zelfs geen voyeur meer kon zijn in Moskou. Een meter verder was er niets meer te zien dan donker giftig stof. Zo te sterven, met je vleugels van papier? Nee, toch?

 

Je zit kort bij een watertoren. Een watertoren waar de eerste moorden op woorden werden gepleegd. Men moest zwijgen of… De watertoren. De watertoren. Of als je gezicht onbemind was. Je gedicht niet werd begrepen. Vertel me leugens, of de watertoren. Het vaderland of de dood. Daar dronk je bier tot je erbij neerviel, of toch bijna. Omdat de watertoren zo mooi was. Je kon je het bloed niet voorstellen, het gegil, het gekreun, zo vroeg nog – het regime was net begonnen. De geschiedenis van Europa moest nog een definitieve naam krijgen. Moet ik hem noemen? Lieg maar tegen me, dan lieg ik tegen jou. En daarna gaan we naar zo’n nieuw hotel waar ze karaoke zingen, en dan zingen we karaoke. Wild thing, you make my heart sing, you make everything groovy. But I wanna know for sure.

29-06-10

SPANJE EN PORTUGAL

 fernando_pessoa

Ik hang uit het raam, maandagavond. Of is het al dinsdag? Ik weet niet wat met de tijd gebeurt, de tijd in mij en de tijd van de wereld. De tijd van wat is en zijn zal. Van het al. De Spanjaarden hebben gewonnen, dat weet ik, terwijl ik achter de Portugezen stond. Waarom? Omdat Portugal een klein land is, arm en mooi en sterk en intelligent. Geloof nu niet dat ik niet van Spanje houd. Ik heb er veel gereisd. Net als Wannes Vandevelde heb ik mijn hart verloren in Cadiz, een stadje waar niets gebeurt en niets te beleven valt, maar waar elke keer als je er door de straten dwaalt iets omineus je overvalt. Iets zoals wanneer je voor de eerste keer ‘Cinnamon Girl’ van Neil Young hoort. En in de kleine witte steden van Andalousië.

Net als in Portugal heb je vrienden in Spanje. Waarom dan toch tegen beter weten in achter Portugal gaan staan? Ik zei het al: het is een klein land, met kleine, mooie mensen, de mooiste mensen van Europa, denk ik, en degenen die zich het meest van Europa afkeren. Europa de rug toekeren. Dat zie je bijvoorbeeld in Lissabon, een stad die zich overgeeft aan de Atlantische Oceaan, aan de verte, aan de horizon in het Westen. Aan de andere kant is Pessoa wellicht de meest Europese dichter van ons allemaal. Een ingewikkeld land, zoals België, maar zonder de taalproblemen. Portugal had de dictatuur – wel een ietwat ernstiger probleem dan welke taal iemand spreekt.
Nu is Portugal naar huis gestuurd. Ik ben geen voetballiefhebber, maar ik wed graag op paarden – niet echt, zoals in Amerikaanse romans en films, maar bij wijze van spreken. Het paard waar ik nu op wed is Duitsland. Het is een mooi land en de ploeg weet hoe samen te spelen. Op een sportieve manier zullen zij de wereld veroveren. Dat is eens iets anders dan met tanks, vliegtuigen, maarschalken en uitroeiingskampen. Die tijd is lang voorbij. Duitsland is een ander land geworden. De nazi’s tref je nu in andere landen aan, in België bijvoorbeeld, meer bepaald in het Noordelijke gedeelte van het land.

Binnenkort vertel ik over wat ik de voorbije maanden heb gedaan. Over mijn geluk, mijn ongeluk, mijn ziektes, mijn grote gezondheid, mijn liefde en mijn verdriet. Nu moet dit even volstaan. Het is te warm voor veel woorden.  

 

28-12-08

KERSENROOD GEZANG

 

Anna die dag op de trein uit Hamburg naar Keulen

Was de zon vroeg op in het winterlandschap

Om je tanden hun schittering en je huid het geschilderde

Uit te vroeg vermolmde visioenen te geven.

Maar nu in de bleke herfst, bleke winter: bleke woorden.

Echo van kersenrood gezang, was het Henriette,

Prinses van het Slot in het Noorden?

En ik danste, een castraat, op mijn teentoppen?

Om je handen, als een gebed om liefde te laten ontstaan,

Was de zon op, de maan onder, en ik in je blik zelfs

Maar of je me zag tussen de Duitsers die elkaar kusten

En gezond aten, niet dronken, vroeg weer naar bed?

’s Nachts was het Tiepolo, denk ik, in zwaluwdromen,

Mijn vochtige lakens, niet van verdriet of donkere driften

Maar van je naam met mijn speeksel besprenkeld -

Je naam, Anna, verzadigd en uitgespat, uitgeraasd

Als de wind in vier richtingen, je naam zonder sporen.

Tot stilstand gekomen in havens, hoofdsteden, stations,

Tot stilstand in mijn gedachten, in bleke woorden

En lange herfst, winter, als ik weer naar je op zoek ga.

15-09-08

DE POOLSE VRIENDIN


Na zoveel maanden, of waren het jaren, had ik niet meer verwacht haar nog terug te zien. Maar daar stond ze opeens voor mijn denkbeeldig raam: mijn Poolse vriendin A.
Het gaat niet goed met me, zei ze. Ik voel me depressief. Het grootste probleem is dat ik hier geen vrienden heb. De Denen zijn helemaal anders dan de Polen. Ik wil allerlei dingen doen, ik toon mijn emoties, mijn enthousiasme, maar zij zijn in zichzelf gekeerd, ze uiten zich niet.

Alle Denen zullen toch niet hetzelfde zijn, zei ik.
Nee, zei ze, maar op het werk is het vreselijk. Die mensen weten niet wat plezier is, of onderdrukken het.

Ik had me altijd voorgesteld dat Polen nogal in zichzelf gekeerd waren, dat ze weinig vreugde uitstraalden. Ik had mij dat beeld gevormd van de Polen door de films van Kieslowski, van Wajda en van de jonge Polanski, die van ‘Het mes in het water’. Zo zie je maar dat je nooit moet veralgemenen. Iedereen is anders. Er zijn geen Polen, geen Denen, er zijn zelfs geen Belgen. Overigens vond ik dat mijn Poolse vriendin nooit echt opgewekt was geweest. Een aura van melancholie had haar elke keer als ik haar gesproken had omgeven. En uit heel veel van wat ze me had verteld klonk een immense ontevredenheid met de werld rondom haar.

Hoe gaat het nog met jou, vroeg ze.

Ach, ik mag niet klagen, zei ik. Sinds vorige donderdagavond is mijn rechtervoet verlamd, maar die zal wel weer genezen. Mijn depressie neemt langzaam af, ik krijg weer meer zin in het leven. Ik neem een nieuw medicijn en dat schijnt beter te werken.

Je voet is verlamd, zei ze, hoe is dat gebeurd? En ik maar over mijn problemen zeuren.

Ik zat voor de zoveelste keer naar ‘Der Amerikanische Freund’ te kijken, zei ik, en ben halverwege in slaap gesukkeld. Toen ik wakker werd was de aftiteling bezig.

‘Der Amerikanische Freund’ van Wim, zei ze, wat gek!

Het toeval wil dat mijn Poolse vriendin een groot bewonderaar is van Wim Wenders. Ze heeft zelfs een foto waar ze samen met de Duitse regisseur opstaat. Ze heeft al zijn films gezien.

Ja, zei ik. Ik wilde de televisie en de dvd-speler af zetten, maar ik struikelde meermaals. Er zat geen leven meer in mijn voet. Ik ben toch nog naar de slaapkamer kunnen strompelen. Ik dacht, morgen zal mijn voet wel weer in orde zijn. Maar dat was niet zo.

Je zal je wel zorgen gemaakt hebben, zei ze.

Aanvankelijk wel, zei ik. Mijn huisarts heeft me enigszins gerustgesteld. Hij denkt dat onder mijn rechterknie een zenuw gekneld zit, waardoor ik geen controle meer heb op bepaalde spieren in mijn voet. Dat zou vanzelf moeten genezen. In het ergste geval moet je bij een neuroloog langs en misschien geopereerd worden, zei hij. Maar dat zal niet. Elke dag komt er nu een verpleegster langs, om me een spuitje te zetten. Dat is weer eens iets nieuws.

Wat jij toch allemaal voorhebt, zei ze.

Ach, dat valt wel mee, zei ik. Wel jammer dat ik voorlopig niet meer naar tentoonstellingen kan.

Zelf kom ik ook nooit meer buiten, zei ze.

En lezen, je leest toch, vroeg ik.

Ik ben er opnieuw mee begonnen, maar ik heb een hele tijd niet gelezen, zei ze.

Je moet lezen, zei ik. Boeken brengen de wereld binnen. En ze spreken met je, dan ben je minder alleen. Ga je niet meer dansen?

Nooit, zei ze. Hier in dit verdomde gat is er alleen maar een shit disco.

Ja, dat begrijp ik, zei ik.

Ik kan wel naar Hamburg, zei ze, dat is gemakkelijker dan naar Kopenhagen.

Ik houd van Hamburg, van Duitsland, zei.

Ik houd van Berlijn, zei ik.

Ja, Berlijn, zei ze.

Nu moet ik gaan, zei ze, ik ga nog een stukje lopen.

Ciao!, zei ik, en strompelde terug naar de canapé.

29-08-08

HITLERS BUNKER, KLEISTS GRAF


Van de Potzdamerplatz liep je via de Leipziger Platz naar de Leipziger Strasse en sloeg vervolgens de Gertrude-Kolmar-strasse in. Hoewel er niet veel meer te zien was dan wat sociale woningblokken bleef je staan.

We zijn er, zei je.

Was het hier op deze plek, vroeg ze.

Nee, het was daar, waar die sociale woningenblok nu staat, denk ik, zei je.

Daar? Dat zou je niet zeggen, ze ze. Allemaal kleine flats, met geraniums op de balkons.

Maar ik zou er alvast niet willen wonen, boven zo’n akelige bunker.

Er is geen bunker meer, zei ik. De bunker werd opgeblazen. Het Rode Leger. Daarna, toen de blokken werden gebouwd, werden de overgebleven gaten met steenafval opgevuld.

De bunker bestaat nog wel in de herinnering van veel mensen, zei ze.

Ja, het idee van de bunker, zei je.

Je zweeg en probeerde je de bunker voor te stellen. Maar je zag alleen maar beelden die je op televisie en in films had gezien. Fictie heeft de werkelijkheid gevuld, zoals het steenafval de gaten van de opgeblazen bunker. Maar hier heeft Hitler (Bruno Ganz) een punt gezet achter het duizendjarige rijk. Hitler, Eva Braun, Goebbels en de ‘onschuldige’ kinderen. Wie was er nog aanwezig in de bunker? In de verre toekomst zal dat misschien even raadselachtig zijn als de kruisiging van Jezus Christus nu. Het is immers al vaak betwist wie er bij het kruis stond, toen Jezus Christus stierf. Jezus Christus…

Het is in iedere geval een duidelijke map, zei ze. De contouren van waar de Rijkskanselarij en de bunker zich bevonden zijn goed aangegeven.

Maar je ziet er niets meer van, zei je. Alsof je teleurgesteld was.

Je wilde overspoeld worden door de recente geschiedenis van Berlijn. Misschien omdat je je schuldig voelde over je liefde voor het huidige Berlijn. De volgende dag ging je naar de Wannsee. Het is een romantische buurt, ideaal om te wandelen, te fietsen, te lopen. Maar in een van de prachtige villa’s aan de Wannsee werd tijdens een conferentie op 20 januari 1942 over  de ‘Endlösung’ van het 'Joodse probleem' beslist. Je las het lange, taaie, saaie, zeer technische verslag van de vergadering. Het was moeilijk om je emoties onder controle te houden. Het was moeilijk om  niet in huilen uit te barsten. Het was moeilijk om niet luidkeels te gaan schreeuwen.

Je ging weer buiten en kwam al wandelend over een zandpad onder de dennenbomen weer wat tot rust. Op de terugweg naar het station maakte je een omweg voor het graf van Heinrich von Kleist. Deze geniale Duitse schrijver en toneelauteur ligt er begraven in een klein bosje, tussen dicht struikgewas. Alsof men zich schaamt voor zijn zelfmoord. Terwijl het verhaal van de uitroeiing van miljoenen mensen een bijna aangenaam tijdverdrijf is geworden. Je schaamde je ervoor dat je de villa van de Wannseeconferentie had bezocht en je besloot nooit een stap te zetten in een van die oorden van de verschrikking.

Je keerde terug naar de Auguststrasse, naar je hotel. Overal op de terrasjes zaten jonge mensen van het leven te houden. Je kon je niet voorstellen dat zij ooit een uniform zouden aantrekken. Je kon je niet voorstellen.


out in the street, the shiny happy people

27-08-08

EEN BLEKE ZOMER IN BERLIJN


De zomer nog niet begonnen of hij hoort

Die zelfgenoegzame zanger al met zijn lied

Dat hij meezong in negentienzevenzestig

Als hij nabij de rivier wandelde, droomde -

Een laat-romanticus op zoek naar een kus.

Maar veel later de zomer opgezocht in gidsen

Waarin gevlogen, gevaren, per trein gereisd

Via tunnels en vulkanische resten.

Via boeken, zinnen, woorden, histories.

In de hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger,

Perfecte verbindingen van A naar B

En lekker eten en drinken onder het maanlicht

Bij een Italiaan in de Auguststrasse.

Oude kunst gerestaureerd dwarrelt je voor de ogen

En boeken op de markt, van Fontane verzameld,

En de goede Herman Hesse in kleine letters.

Voor de verzamelaar insignes, verwijzingen.

Ook zegt de gids waar de wolf woonde

En waar hij onderdook. Daar stond zijn bunker.

Daar werd zijn gebeente gevonden,

Van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.

Alles brutaal verzameld in een verhaal

Over een totaalkamp, al nagenoeg een mythe.

Het vuurwerk gedoofd, het brandhout op,

Het probleem van de doden niet uitgewist.

Hun namen in bomen, in gele en blauwe stenen.

Op het Museumeiland ga je voorbij aan

Babylons rivieren, hun blanke maagden -

Maar herinner je! de psalm die pop werd

voor  mensen die elkaar zoeken gingen

met dolken, met poppers en pamfletten.

Je keert terug naar Anselm Kiefers Duitsland,

Zijn vocabulaire, zijn boeken, zijn sterren

En sperma. - Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen

Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!

Ga je op zoek in Berlijn naar wat vrome leugens.

Of hoe wil je de woorden noemen

Die je kinderen vertellen wat Anselm vertelt?

Hoe kun je zeggen wat waar is voor jou

En wat waar is voor de wereld?

Als je jezelf alleen maar omver ziet vallen.

Telkens weer omver ziet vallen.

29-07-08

UNTERTÄNIGST SCARDANELLI


Aan de dichters.

Met een zware last op de schouders loopt Scardanelli

Klerken en kannibalen tegemoet. Levenslang

Tegen het lijf, niet tegen het lijf, tegen de hersens.

(Je zag ze in een glazen pot in Berlijn. Dezelfde hersens.

Maar niet dezelfde.)  Scardanelli was namelijk zichzelf niet.

Hij nam niet deel aan de bleke herfst van Deutschland.

Hij nam niet deel. Hij bukte, boog trots het hoofd omhoog.

Onderdanig was de dichter op het onbeschofte af.

Altijd dank u mijnheer zo en zo, dank u mijnheer de bibliothecaris.

Ook als er een loodgieter langskwam, een bakker, een hulpje.

Moeder ik heb u zo gemist. Untertänigst Scardanelli.

Zuster, broeder schrijf me gauw want ik wil sterven.

Ik wil niet dood. De adem van koude lijken brengt mij aan het beven.

En ik heb niets, lege handen, niemand kan van mij iets erven.

Vergeef me!  Untertänigst Scardanelli.

Gebukt loop hij door de zomer en nog vlugger staat hij voor de deur

Van de herfst. Een deur die hij al lange tijd geopend had.

De poorten van een asgrijze winter en nog akeliger het ontkiemen

In de lente als de vogels zingen, en groene asperges staan op het veld.

Daarna weer moe en moedeloos de zomer in waar de boer sterft

Aan een verdriet maar eerst nog op de dag des heren

Het land verkent, zijn akkers, zijn gewassen waarop het onweer

Genadevol te keer ging. Alles groen, zoals ik dacht, zo kan ik sterven.

Scardanelli zweet en zwijgt en kijkt de hemel in. De zon toch weer

En mijn wandelstok en mijn hoed. De Grieken waren heilig in hun heuvels

Waar in elke struik een raadsel sluimerde. Voor elke ziekte

Een gewas, een kruid. Maar de woeste hitte van Bordeaux stuurt hem

Al naar het vaderland terug, aan de Neckar, waar de wijn zachter is,

En de meisjes klaterend lachen. Een bootje vaart wat wankel

Naar de horizon. Het wordt donker in mijn hoofd. In mijn hoofd

Wordt het helemaal donker. Pallaksch, pallaksch.

Untertänigst Scardanelli.

 

26-06-08

JOHN CALE: VUILEKONTENROCKANDROLL IN HET PALEIS

 

muziek,concert,lou reed,champagne,pop,bier,punk,duitsland,rock,popcultuur,live,verbeelding,turkije,rock and roll,ab,paleis,ambtenaren,bar,drummer,gitaren,seventies,punkrock,avant-garde,john cale,840,paul dujardin,paleis voor schone kunsten,shaketown,ravenstein


Vorige week zag ik Paul Auster in zaal Henry Le Boeuf  van het Paleis voor Schone Kunsten ( ik weiger de kinderachtige naam Bozar te gebruiken).  Gisteravond keerde ik er terug om een concert van John Cale bij te wonen. Ook al heb ik kritiek op de naam van de instelling en het overwegend Franstalig aanbod van boeken en dvd’s in de artshop, moet ik toegeven dat de bar heerlijk is. Wat een verschil met bijvoorbeeld die van de AB! Je krijgt er je drankjes in echte glazen, de wijn is er lekker en niet te duur. Een pils kost er maar twee euro. Maar foto’s maken mag je er niet. Daarom moet je zelf maar eens gaan kijken.

Wat  verwachtte ik van het concert? Een eigenzinnige vorm van melancholische akoestisch-elektronische kamermuziek, enigszins storend, maar toch passend bij de beau monde van de beaux arts. Oh la la! Et une coupe de champagne, please. Ik zou dat mooi hebben gevonden, denk ik. Ik zou geen kippenvel hebben gekregen, koud noch warm hebben gezweet, maar ik zou hebben genoten van die zoete, wat verwrongen melodieën die alleen John Cale kan bedenken.

Wat kregen we echter? Dirty Ass Rock And Roll, ladies and gentlemen! Echte laagbijdegrondse vuilekontenrockandroll. Maar werd John Cale ooit een asshole genoemd? Never! Dit was een concert waar jonge kereltjes – als ze er al bij waren geweest – veel genoegen aan hadden kunnen beleven en bovendien hadden ze er nog iets van kunnen opsteken. Bijvoorbeeld: hoe speel ik een power chord, hoe speel ik een riff, zonder banaal of volstrekt overbodig te klinken. John Cale ging tegen de geest van de beaux arts in, het paleis dat verkondigt dat het niet alleen maar rock and roll is. (John Cale trad op in het kader van ‘It’s NOT only rock and roll’.) Wel, beste Paul Dujardin, het is wel only rock and roll. Als je het over rock and roll wilt hebben en je nodigt John Cale uit dan kun je zulke dingen verwachten: the real thing, sex and drugs and rock and roll. Alles wat je lichaam nodig heeft, om het nog niet te hebben over je geest. De schitterende gitaarduetten die naar de seventies verwezen (denk daarbij aan the Allman Brothers) van John Cale met zijn - mij onbekende - gitarist gingen nooit zweven dank zij het uitstekende laagbijdegrondse en toch hoogvliegende gedrum van, ja, van de drummer natuurlijk. De basspeler hield zich wat op de achtergrond, maar hij verloor het ritme en de plots opduikende tempowisselingen niet uit het oor. Ergens links op het podium zat iemand de klanken te behandelen. John Cale greep vooral terug naar zijn composities uit zijn beginperiode, nadat hij de Velvet Underground had verlaten: 'Helen Of Troy', 'Gun', 'Paris 1919', 'Pablo Picasso' (van Jonathan Richman , of: John Cale speelt Modern Lovers die Velvet Underground spelen ), 'Fear Is A Man’s Best Friend', 'Ship Of Fools', 'Big White Cloud' (voor mij het hoogtepunt), 'The Ballad Of Cable Hogue' – allemaal even mooi en ontroerend. Vanop plaats D17 in de corbeille zag ik de Welshman plotseling heel jong worden. Hij zong en speelde 'Things', een recentere compositie, uit HoboSapiens (“the things you do in Denver when you’re dead”, een mooie hommage aan Warren Zevon). Daar stond hij, zeventien of achttien, met een elektrische gitaar, voor altijd jong, zich lavend aan Belgisch water, water uit Spa. Het beste water van de wereld voor de meest verrassende avant-garde rock and roll componist van de wereld. Ik vraag me af wat de champagneheren en –dames gevoeld hebben bij deze reëel bestaande punkrock.  En de ‘fans’ die nog altijd denken dat Cale zijn hoogtepunt bereikte met zijn postmoderne versie van Elvis’ ‘Heartbreak Hotel’, dat gisteravond als openingsnummer werd vermorzeld.
Toen John Cale en zijn band terugkwamen voor een encore dacht ik heel even dat zij de hele set opnieuw zouden spelen, en daarna nog eens en zo 840 keer.

Oh, wat ben ik blij dat ik bij dit concert aanwezig was, en dat ik me goed voelde. Ik had mijn lichtgrijs pak aangetrokken. Maar ik zag veel mannen in jeans. Onze kansen zijn nog niet verkeken. De verbeelding heeft nog wat in de pap te brokken. Hier en daar zie ik zelfs een gek het gekkenhuis besturen.

Later zaten we met Mister Koen en Mister Shaketown en nog enkele van hun vrienden in de Ravenstein, die vroeger aan de ambtenaren toebehoorde, maar nu een soort niemandsland is geworden, een plaats waar niemand zich echt thuis voelt, maar die wel uitnodigt om jezelf te worden, om je aanwezigheid bekend te maken aan de ruimte. We dronken er koud bier, zagen verloren gelopen ‘punks’ voorbijstrompelen en stelden vast dat de Turken van de Duitsers hadden verloren. En we vroegen ons af welke plaat van John Cale de beste is, ‘Paris 1919’ of ‘Music For a New Society’? De wedstrijd John Cale-Lou Reed bleef onbeslist.

18-06-07

LAND VAN BELOFTE II


Het jaar is 1975. We lopen door de Brusselse straten, op verkenning in de stad, en op verkenning in elkaar. Je ziel is nog een donker pad. Wie zijn we, waar gaan we naartoe? Er is veel duisternis in ons leven, ondanks je overrompelende schoonheid. Als je passeert houdt iedereen zijn adem in. Een nu al lang afgebroken buurtcinema vertoont Andrej Wajda’s Het land van de grote belofte (Ziemia obiecana). We blijven staan en bekijken de foto’s. Jij kijkt met je allerdiepste blik naar een mij nog onbekende verte. De verhalen moeten nog verzonnen worden. Reizen, avonturen, dwalingen, armoede en geluk. Momenten van vriendschap, vernederingen en verwensingen, nieuwe werelden die opengaan, honger en ziekte, geboortes, de wreedheid van het lot, gestorven familieleden en vrienden. Huwelijken. Hoe vaak zag je de volle maan? Raadsels, mysteries en sprookjes. Ambiguïteiten. Rafels, parels, harde rotsen, de wijnrode zee. Jaren van eenzaamheid en ontmoeting. Razernijen. Witte jurken en witte kostuums met het bloed van dansende idioten bespat. Jarenlang dansten wij in de straten van de stad aan de rivier. In glimmende trucks doorgebrachte dagen. Dwars door Duitsland, het zwarte woud, en verder tot waar Hölderlin woonde. Sigaretten, bier en schuimende wijn. Alle dagen muziek, woorden van troost en gemeenschap. Je huid die geen einde kent en geen begin. Duizenden dagen in je nabijheid. Het jaar was 1975. Het jaar is 2007. Het regent niet langer. Het lijkt wel een feestdag.

03-10-06

ALS DE GODEN ZWIJGEN MOETEN WIJ DE VREDE STICHTEN

oorlog,muziek,wapens,schieten,vijanden,woii,vader,chaos,oostenrijk,rock and roll,texas,familie,blues,pop,country,liefde,duitsland,extremisme,verbroedering,vijand,wereld,doden,fabien collin,goden

T-Bone Walker


Elke keer als je uit je bed komt ’s morgens (of op een ander moment van de dag) stap je in een vreemde, chaotische wereld. Wetenschappers en filosofen hebben er logica en orde proberen aan op te leggen, maar je kan je alleen maar afvragen of ze daar enigszins in zijn geslaagd. Ze hebben zich vaak volledig ingezet, elk voor hun project, vaak in dialoog met andere wetenschappers en filosofen, maar de wereld is een chaos gebleven. Ook de wetgeving, waarover zo lang is nagedacht, door zoveel deskundigen, stelt weinig voor. Iemand stapt ’s morgens uit zijn bed, koopt een geweer en kogels, rijdt naar een school, en schiet er een tiental kinderen neer. Waarom? Hoe kan dat gebeuren? Waarom zijn er geweren? Hoe komt het dat je zomaar kogels kunt kopen? Hoe komt het dat mensen liever wapens hanteren dan muziekinstrumenten? Omdat het gemakkelijker is een mens te doden dan een lied te spelen? Waarom verandert een land van kameraden, zoals Joegoslavië, van de weeromstuit in een land van aartsvijanden? (Ik weet dat ik simplificeer, maar toch komt het daar op neer.) Wat is een vaderland? Moet je dat vaderland – de democratie, de vrijheid van meningsuiting, enzovoort – toch verdedigen, ook als je geweten bezwaren aantekent tegen het gebruik van wapens? Of moet je je familie en vrienden laten vermoorden, verkrachten en folteren door de vijand? Waarom is er überhaupt een vijand? Waarom ben ik zo boos op het Vlaams Blok? Waarom zijn Vlaams Blokkers zo boos op meisjes met hoofddoekjes op en bepaalde mannen met baarden. Weet jij het? Heb jij antwoorden? Waarom is er iets en niet niets? 

Geef me water, geef me brood, geef me liefde, anders ga ik dood. Ik droomde de vorige nacht van tedere omhelzingen. Ik zwierf door Istanbul met twee van de mooiste meisjes van de wereld. Ik zag slangenbezweerders, grote diamanten, vervallen paleizen. Ik liep op een houten brug over een overstroomd kerkhof, waar tientallen lijken lagen te rotten. De tweede wereldoorlog heeft aan 25 miljoen inwoners van de Sovjet-Unie het leven gekost. Vijf miljoen Duitsers zijn omgekomen. Om maar iets te zeggen. Ik houd van Duitsland. Maar tijdens de tweede wereldoorlog was de mof de vijand van mijn vader. Mijn vader heeft tegen de Duitsers gevochten. Zij hebben hem gevangen genomen en op een boerderij in Oostenrijk doen werken. Daarna kwamen de Amerikanen chocolade uitdelen. Ik ontwaakte met hun rock & roll. Nog steeds luister ik bijna uitsluitend naar Amerikaanse muziek. Veel Texaanse blues, country en soul. T-Bone Walker, Janis Joplin, Townes Van Zandt. In Texas wonen bijzonder veel immigranten uit Duitsland afkomstig. Doug Sahm, veel te jong gestorven, een van mijn geliefde muzikanten, had Duitse wortels. Zie je, ik kom altijd bij de muziek terecht. Zo ben ik. Maar ik ben ook anders. Ik ben met zovelen. Probeer dat maar eens uit te leggen. Je est un autre. Et maintenant?

Afbeelding: Shirin Neshat.

18-05-05

WEEFSELS VAN HET HART


1968


Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.
 
Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”
 
Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone - de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.
 
Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.
 
“Tingeltangelzangeres.”
 
Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten - alle deuren stonden open - was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.
 
Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”
 
Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.
 
Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.
 
Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.
 
In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?
 
In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandelen waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar 'The Color Purple' te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.
 
Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.
 
Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.
 
Treinreizen.
 
Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.
 
In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.
 
Vliegtuig. Boot.
 
Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.
 
Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).
 
Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.
 
Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.