04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

17-06-13

SUICIDE, 23 MINUTES OVER BRUSSELS

Suicide-Band.jpg

Suicide (Alan Vega & Martin Rev).

Vorige zaterdag hield Luc Janssen in de AB een lezing met als thema ‘Suicide, 23 minutes over Brussels’, over het zogeheten legendarische concert van het New Yorkse duo Suicide in de Ancienne Belgique op 16 juni 1978 (als support van Elvis Costello). Wegens een aangename verplichting in Antwerpen kon ik er niet bij zijn. Heb ik veel gemist? Dat betwijfel ik. Op die bewuste Bloomsday in 1978, nu vijfendertig jaar geleden, was ik er wel bij. The real thing. Naar aanleiding daarvan publiceer ik vandaag een herwerkte versie van mijn ‘fictieve’ terugblik op het concert en op de periode waarin het plaatsvond – een tekst die ik voor het eerst in februari 2007 pulbiek maakte.

 

Those disco synthesizers,
those daily tranquilizers,
those body building prizes,
those bedroom alibis,
all this, but no surprises for this year's girl.

Elvis Costello, This Year’s Girl

 

Zwart dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar zag was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, waarvan hij de naam altijd vergat, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Phyllis zag er niet slecht uit maar ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen, hoewel hij grootste plannen had: hij zou detctives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler, Dashiel Hammett en Ross McDonald. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de toog bourbon zaten te drinken, maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Zo kon ze de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.

Dat was de laatste keer. Later had Zwart van Job gehoord dat het niet goed met haar ging. Ze had last van de lever en andere kwaaltjes en ze at nauwelijks. Ze dronk te veel, wat in die toestand om problemen vragen was, ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux, Actifed, iets met codeïne erin. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla Beaulieu niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

Zwart is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni – Bloomsday - 1978 in Brussel, met de New Yorkse band Suicide als opener. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in 'Johnny Teardrop'. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Elvis Costello aan de beurt. Een boze jonge man, boordevol alcohol en amfetamine. 'No Action'  zong hij. En 'All this and no surpises for this year's girl...' Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was buitegenwoon krachtig. Maar wat een arrogante kerel (vond Zwart toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de microfoon uit Alan Vega’s handen had gerukt, vanwege het minimalistische en agressieve concert van Costello, vanwege de drank en de drugs. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen doodkalm met zware microfoonstatieven op de voorste rijen van het razende publiek. Zwart had heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft zijn geliefde hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in een ziekenhuisbed beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Laura en Zwart hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag in Antwerpen verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de buurt van de Dageraadplaats een Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond in optima forma: hij draaide een uur lang heerlijke en luide rock & roll en rockabilly, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag, of misschien net wel, want er was zeker verwantschap. The Trashmen klonken heel nieuw en terzake, want de meeste vrienden en kennissen die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweedehandskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en Zwart was eerder zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

this years model.jpg

Elvis Costello - This Year's Model. Hoesontwerp: Charlie Bubbles

...

 

Noten

Het 'legendarische concert' van Suicide werd in 1998 op cd uitgebracht door het Blast First-label, als bonus-cd bij de cd-versie van de eerste lp (verschenen op het Red Star-label in 1978).

Van zowat alle platen van Elvis Costello komen ongeveer elk jaar nieuwe, lichtjes gewijzigde edities in alle mogelijke formaten uit. 

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

27-08-09

HELS LAWAAI VOOR DE DODEN


DODENDANS


Je zou wel eens wat anders willen, leeghoofdig met de leeghoofdigen, praatziek met de gezonden, verwonderd met de kinderen, gelukkig met degenen die hun huizen goed geadviseerd inrichten of hun kinderen over de kleuren en de sterren vertellen. Maar een zware last weegt op je schouders; uren, dagen van lood. Er is geen tijd, maar je kunt de tijd en zijn afloop niet uit je hoofd zetten. De koekoeksklok die koekoekt in je hoofd. Een hoofd overigens van boeken en films, niet meer van vlees en bloed. Een hoofd van carnavalmuziek en gemaskerde ruiters, van donker water waarop verdronken kinderen in hun kano’s pogen te vluchten voor de Apocalyps, voor de harde regen die zeker zal vallen, als het vandaag niet is, dan morgen.

Stilte.

De stilste stilte voor de doden.

Elllie Greenwich. Jim Dickinson. Larry Knechtel. Bescheiden en weinig bekende helden die je jeugd opvrolijkten met hun da doo ron ron, hun blauwe vogels, hun rauwe impressies van een intens genot, van een genoeglijk drama, botsauto’s die eeuwige jeugd de verdoemenis in reden, lachend, gierend, Jack Kerouac achterna, de vijfde Beatle en de zesde Rolling Stone.

Ellie Greenwich was een diepe rivier, een hoge berg, een blond tienermeisje met een zilveren hart.

Jim Dickinson was een Rolling Stone. Een Ryland Cooder. Een blanke blues. Met zijn ruige kop en zijn dikke lange vingers. Zijn gretige en absurde wijsheid.

Larry Knechtel was een mama en een papa, een beach boy, een lid van wrecking crew (voor eeuwig en een dag). Larry Knechtel was Phil Spector. Larry Knechtel was geen survivor.  Wie heeft nood aan survivors?

Willy, zing nog eens een lied, wil je, want nu hebben we echt wat Party Girls nodig.

Stilte voor de doden.

Stilte voor de de doden van de zomer van de doden. Degenen die ik vandaag niet noem, gisteren niet noemde.

Zou het niet teveel zijn, zoveel elegieën? Mijn huid spat uiteen van de onuitgesproken woorden. Pathetisch? Terwijl de anderen sterven verlang je het leven, adem, huid, gefluisterde woorden van dichters en vrouwen. Terwijl de oude en jonge doden worden begraven wil jij diep genot bij alle mooie vrouwen naar wie je ooit verlangde en naar wie je verlangt. Jij gaat nooit dood. Jij likt het zout van hun huid. Het zout van het eeuwige leven.

Stilte voor de doden.

Voor de kinderen in de woestijn, op het water. Voor de naamlozen. Voor degenen die door mensen als jij en ik worden doodgeklopt, gewurgd, verminkt, levend begraven. Voor degenen die wij niet willen kennen. Voor al degenen die onze paden niet kruisen, en geen weg vinden in onze letters, in onze woorden.

Stilte voor de doden.

Jazeker, opnieuw vul ik mijn hoofd met carnavalmuziek, muziek van de opstand, van de woede, van de zinsverbijstering, van de ontregeling van alle waarden, vals of niet vals, opnieuw zoek ik je op, fluister ik in je oor, roep ik het uit: vergeet de doden, herinner je de dagen van het leven, leef, heb lief. Ik heb je lief. Ik wil met je leven, lachen. Ik wil met je dansen. Wij zijn allemaal goden. Sterven? Laat me niet lachen

Lawaai voor de doden.

Hels lawaai voor de doden.

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

18-07-08

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM


tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  'Cul-de-sac' heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

joe strummer

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch - dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat 'Rosemary’s Baby' daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog - zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem 'mijn vriend' noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je 'Splish Splash' en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

tim simple

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:

Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)

Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin' Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins 'You've Got A Reputation' een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun 'Sweetheart Of the Radio', maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie 'Hang On To A Dream', een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

tim hardin dream

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto een afbeelding van 'The Best Of Tim Hardin', de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De 'figurante' komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

07-05-08

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren - wie weet waar de tijd heengaat? - zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie


Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. 'Music From Big Pink' was er bijvoorbeeld ook een, en 'Electric Ladyland', en 'John Wesley Harding' en 'The Notorious Byrd Brothers'. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

14-12-07

SIN CITY


gilded palace of sin

Telkens als ik ‘Christine’s Tune’ (“her number always turns up in your pocket / whenever you are looking for a dime”) en ‘Sin City’ hoor, of eigenlijk om het even welk ander nummer uit ‘The Gilded Palace Of Sin’ van The Flying Burrito Brothers ben ik weer negentien, aan boord van het schip van mijn ouders, de Rocco. De plaats van handeling is Neerharen, nu een deelgemeente van Lanaken, een grensgemeente met veel drugsproblemen. Mijn schoonzus is er al een hele tijd geleden gestorven van een overdosis Rohypnol. Mijn broer heeft haar op een zondagochtend dood aangetroffen op de keukenvloer.


Op de achtergrond zie ik een groot wit huis, waar de uit het verre Antwerpen afkomstige sluismeester woont, op wiens dochter Henriette ik als kleinere jongen zo verliefd was.


Het is inmiddels 1969, midzomer, ik ben met enkele elpees uit Maastricht teruggekeerd, waaronder deze vreemde ‘Gilded Palace Of Sin’. Vreemd omdat ik ze in het bakje ‘underground’ heb gevonden in platenwinkel ‘De Harp’, de plek in Maastricht waar ik me meestal ga bevoorraden. Dat gebeurt niet zo vaak, omdat mijn budget beperkt is, en een elpee kost 19,90 Nederlandse gulden wat, als ik met nog goed herinner ongeveer overeenkwam met 299 Belgische franken. Ik spaar wat geld door ’s zaterdags autostop te doen van Tongeren, waar ik op internaat zit, tot Neerharen, ongeveer dertig frank toch telkens. Soms stop ik muntstukken in de jukebox in een kroeg in Tongeren, om naar the Bee Gees, the Equals of Julie Driscoll te luisteren. Op ‘Massachussetts’ kon je heerlijk slowen. ‘This Wheel’s On Fire’ was niet alleen van Bob Dylan, maar ook ongelofelijk psychedelisch en zeer aanstekelijk om op te grooven.


De busrit van Maastricht naar Lanaken is goedkoop. Het loont de moeite niet om er met de fiets naartoe te rijden, want die moet je ergens in een fietsenstelling onderbrengen, en dat kost zelfs meer. Het goedkoopste is te voet, dat is ongeveer een uur lopen. Maar we zijn ongeduldig, we willen onze nieuwe aanwinsten horen.


Ik zet mijn draagbare, geelkleurige Philips platenspeler buiten en ik haal de plaat zeer voorzichtig uit de prachtige hoes – nu, in 2007, nog altijd een van mooiste hoezen die ik ken – en leg ze op het ‘draaitafeltje’. Het volume zet ik vanzelfsprekend op maximum. Dat moet zo van Jimmy Miller, de producer van the Rolling Stones. En dan weerklinkt wat in België nooit eerder geklonken heeft, weerklinkt over het kanaal en de oever en de weide en de populieren daarachter, en tot aan de legerbrug, dan weerklinkt in Neerharen, dan weerklinkt voor iedereen die het horen wilt in dat stukje Maasvallei de allermooiste muziek die op het einde van de jaren zestig werd gemaakt, de ‘Cosmic American Music’ van the Flying Burrito Brothers, met de ongeëvenaarde samenzang van Chris Hillman en Gram Parsons.

schippers,the gilded palace of sin,bob dylan,neerharen,tongeren,zuid-willemsvaart,drinken,drugs,bus,truckers,zakgeld,flyiing burrito brothers,gram parsons,chris hillman,the byrds,lanaken,maastricht,limburg,kanaal,sluismeester,adolescentie,the band,music from big pink,sweetheart of the radio,platenspeler,fietsen,liften,verkrachting,guldens,geld,franks,dood,overdosis,schoonzus,broer,farmaceutica,grens,foto,popcultuur,scheepvaart,country,pop,martin pulaski,familie

Ik had de elpee gekocht omdat ik een grote fan van the Byrds was en met name van Chris Hillman. Hillman was tot voor kort de bassist van the Byrds geweest - zijn muzikale rol op ‘The Notorious Byrds Brothers’ kan niet voldoende benadrukt worden - en schreef tevens een aantal van hun mooiste songs, waaronder ‘Time Between’. Gram Parsons kende ik nog niet zo goed. Hij had the Byrds pas vervoegd ten tijde van ‘Sweetheart Of the Rodeo’, ook een baanbrekende elpee die in 1968 verscheen. In een bespreking had ik gelezen dat hij Roger McGuinn, de ‘leider’ van the Byrds, in de richting van de ‘country and western’ muziek had gestuurd, terwijl ze kort daarvoor nog space rock en psychedelische pop speelden en de hipste groep van de VS waren. Wie wilde er niet uitzien zoals McGuinn met zijn space age-brilletje? Zelfs John Lennon had de mode overgenomen, en na een tijd herkende je in elke vreemde stad waar je kwam je ‘soortgenoten’ niet alleen aan hun haardracht maar ook aan de vorm van hun bril. Maar ‘country & western’? Dat was toch iets voor het klootjesvolk, zoals Armand de gewone mensen noemde, en de gewone mensen waren degenen die gewoonweg niet blowden zoals hij. Zowat iedereen die dacht niet tot het klootjesvolk te behoren noemde het klootjesvolk toen nog het klootjesvolk, dat was politiek correct. Nu kan dat niet meer. Ik hield niet van country, ik had er een afkeer van. Maar die zonnige avond in Neerharen weerklonk ‘The Gilded Palace Of Sin’ over het kanaal en over de velden en de weiden en drong door tot in mijn hart, tot in mijn ziel – en ik was bekeerd. Voortaan zou ik het woord verkondigen: country is de echte rock, is de echte soul, is de echte blues. Ik overdreef een beetje in mijn bekeringsijver, maar in zekere zin komt het daar wel op neer. 

schippers,the gilded palace of sin,bob dylan,neerharen,tongeren,zuid-willemsvaart,drinken,drugs,bus,truckers,zakgeld,flyiing burrito brothers,gram parsons,chris hillman,the byrds,lanaken,maastricht,limburg,kanaal,sluismeester,adolescentie,the band,music from big pink,sweetheart of the radio,platenspeler,fietsen,liften,verkrachting,guldens,geld,franks,dood,overdosis,schoonzus,broer,farmaceutica,grens,foto,popcultuur,scheepvaart,country,pop,martin pulaski,familie

Een week later ben ik een elpee van Hank Williams gaan kopen en toen begreep ik het helemaal. Dit was de blues voor arme blanke mensen, ook voor schippers en hun kinderen. Dat was geen racistisch idee, maar het genre was gewoon anders, niet beter en niet slechter, dan de zwarte blues – waar ik overigens al jaren tevoren voor gewonnen was. Ray Charles was in mijn kinderjaren een van mijn helden, maar ja, hij heeft ook country opgenomen, en van de allerbeste. Ik denk aan ‘Born To Lose’, ‘Crying Time’ en ‘I Can’t Stop Loving You’.  Gram Parsons en Chris Hillman raakten echter nog iets in mij wat Hank Williams en Ray Charles niet deden: ze spraken niet alleen mijn gevoelens, mijn ‘ziel’ aan, maar ook mijn intellect. Zij vertelden verhalen waar ik me in kon herkennen, en naarmate ik ouder werd nam die herkenning toe. Drugs, vrouwen, religie, domme hippies, noem maar op. Al de kwalen van de wereld, zelfs de oorlog, kwamen aan bod. In ‘My Uncle’ riepen ze de Amerikaanse jongens op om naar Vancouver uit te wijken; in die Canadese stad zouden ze niet naar Vietnam worden gestuurd.

Toen ik ‘The Gilded Palace Of Sin’ terug in de hoes stak, was ik een andere jongen. Waren de Rolling Stones nog wel mijn helden? Brian Jones? Was ‘Beggar’s Banquet’ echt zo origineel? Ik wist het niet meer. En dan was er bovendien ‘Nashville Skyline’ van Bob Dylan die dezelfde richting uitging als Parsons en Hillman: Nashville. What the fuck was happening? Ik kon niet meer volgen. Was al die ‘underground’-muziek dan voor niets geweest? ‘Music From Big Pink’! Ik bezat nog niet veel elpees, maar ik had aan wat ik bezat toch al wel een fortuintje uitgegeven, en in die periode honderden keren gelift van Tongeren naar Neerharen. Gelukkig was ik nooit verkracht door een naar country luisterende trucker of zo. Waren die nu allemaal waardeloos geworden? Cream, Fleetwood Mac, HP Lovecraft, Blue Cheer?

The ‘Gilded Palace Of Sin’ liet me onder meer – al liftend - in Amsterdam belanden, waar ik the Flying Burrito Brothers zag optreden in het prestigieuze Concertgebouw (waar ongeveer iedereen zat te blowen), helaas een paar weken nadat Gram Parsons de band had verlaten. We logeerden bij een student die zware ruzie had met zijn vriendin. De gesprekken – de volgende dag - gingen vooral over de censuur in België, die toen woedde ‘dank zij’ een ‘socialistische’ minister van cultuur (hier moet ik veel ironietekens gebruiken). Wij waren al op straat gekomen in Brussel, waar ik inmiddels was gaan samenwonen met mijn vriendin, om te betogen tegen allerlei repressieve maatregelen van de Belgische staat. Onder meer hadden we een Amerikaanse legertank bezet die tentoongesteld stond, als was het een kunstwerk van een omgekeerd seniele Panamarenko, op het De Brouckèreplein (wat toen nog een echt plein was). Het is de enige keer in mijn leven geweest, totnogtoe, dat een flik mij met een matrak heeft weten te raken.  


Door ‘The Gilded Palace of Sin’ raakte ik bevriend met Jos, die weliswaar ook van the Eagles hield (die ik verafschuwde) – maar voor wie Gram Parsons en Neil Young echt wel de allergrootsten waren. De synthetische klanken van de jaren tachtig heeft hij niet overleefd. Hij is door de onbewuste bemiddeling van Gram Parsons tot aan zijn dood mijn beste vriend gebleven. Met mijn andere vriend uit de jaren zeventig, Marc D., die ik op de filmschool in Brussel had ontmoet, discussieerde ik  tijdens wandelingen in het Zoniënwoud over CSNY (waar hij zielsveel van hield), the Band, Gram Parsons en Creedence Clearwater Revival aan de ene kant en Soft Machine, Kevin Ayers, Silver Apples en United States Of America aan de andere kant. Over het verschil tussen ‘echte’ rock & roll en ‘underground’ muziek. Ik kon moeilijk een keuze maken, ik hield van de twee kanten van de medaille. Altijd heb ik een verzoener willen zijn. Pas op vrij late leeftijd heb ik begrepen dat je dan de meeste vijanden maakt. Je moet kiezen voor het ene of het andere, wordt gezegd. Ik ben anders. Ik hield van ‘The Gilded Palace Of Sin’ en van ‘White Light, White Heat’. En zo ben ik nog steeds. Further along we’ll understand why. En Lou Reed (the Velvet Underground, Loaded) is dan fel gemaquilleerd op het podium gestapt met ‘Rock and Roll’. Werd op dat ogenblik niet alles duidelijk?


Voilà, hier stop ik, om het kort te houden. Want wij hebben niet meer het geduld om ons lang met één ding bezig te houden. De wereld zit propvol ‘amusement’ en je moet alles een keer proberen. Zo is het, helaas en zelf heb ik ook geen geduld meer. Wat me nog van het hart moet is dat ik aanvankelijk als een paria beschouwd werd toen ik met ‘The Gilded Palace Of Sin’ op de proppen kwam. Jongen, dat was toch geen ‘underground’, dat waren allemaal smartlappen! Hetzelfde had ik eerder meegemaakt met ‘White Light White Heat’. Als ik die plaat oplegde was na vijf minuten iedereen de deur uit. Ik heb zelden zulke hatelijke gezichten gezien als toen ‘Sister Ray’ die mensen hun oortrommeltjes raakte.  Maar daarover – of over iets anders leuks – een volgende keer.

 

the white house in neerharen

Foto's:
Boven - de jonge Martin Pulaski dansend op 'Christine's Tune' uit 'The Gilded Palace Of Sin'. Het schip ligt aangemeerd aan de kleine kade in Neerharen.
Onder: het huis van de sluismeester, waar Henriette woonde.

12-12-07

ORANGE SKIES

love,da capo,popcultuur,schippers,schipperskinderen,drugs,alcohol,elpees,favoriete songs,daantje,ouders,kinderen,flower power,1967,elektra,doors,jazz,anderlecht,antwerpen,ekeren,limburg,an,dialect,eisden,macao,films,psychedelica,pat,schippersbeurs,shangri la,radio centraal,arthur lee,bryan mclean,lone justice,halfbroer,sixties,maria mckee,jim morrison,donovan,hemel,vrienden,namibie,westen,pop,martin pulaski,foto,charleroi

‘Orange Skies’, dat delicate liedje van Love uit ‘Da Capo’, hun tweede elpee, schreef Bryan MacLean, in tegenstelling tot de meeste andere Love-songs - die uit het muzikale hoofd van de betreurde misfit Arthur Lee kwamen. Beiden zijn jong gestorven, Bryan MacLean enkele jaren voor Arthur Lee. In de jaren tachtig werd MacLeans naam soms nog wel eens genoemd omdat hij de halfbroer was van Maria McKee, bekend van Lone Justice en van haar eerste soloplaten. Nu is ze in de koopjesbakken van de Fnac terug te vinden.

Mijn zoon was gek op haar, voor Maria McKee had hij een moord kunnen plegen, en mijn vriend Pat, met wie ik in die dagen een radioprogramma maakte – dat Shangri La heette -  net hetzelfde. Ik vond Maria McKee wel goed, maar een beetje te theatraal, een soort verlangen naar divaschap lag er nogal dik op. En ze zwetste bovendien teveel over religie. Haar halfbroer hoorde bij een of andere sekte. Ik zocht het nooit op of vergat het omdat die biografische details mij eigenlijk niet echt interesseren.

Maar Love verdient wel aandacht. De band was een van de belangrijkste van de jaren zestig, hij had alleszins de meest originele sound van alle rockgroepen uit Los Angeles. En Love was bij de eersten die een contract kregen bij Elektra, nog voor the Doors.


Als ik ‘Orange Skies’ hoor denk ik altijd terug aan de tijd dat ik nog ‘onschuldig’ was, ik had zo goed als nooit alcohol gedronken, geen drugs genomen, niets. De echte trip was het luisteren naar het lied: die delicate gitaar, bijna jazz; de tekst heeft iets van een bossa nova van Antonio Carlos Jobim. “Yeah, you make me happy”, klinkt zo eerlijk ook, alsof die magische woorden voor de eerste keer worden uitgesproken. Dan komt de fluitsolo, die meteen beelden oproept van love-ins in 1967 en de summer of love aan de West-Coast. Een afkooksel van die muziek komt voor in veel films uit die tijd, waarvan de meeste nu vergeten zijn. “And I love you too, you know I do…”


Als ik aan ‘Orange Skies’ denk, denk ik aan Daantje, een schipperszoontje waar ik bevriend mee was en – waarschijnlijk omdat hij drie jaar jonger was dan ik – die alles bewonderde wat ik bewonderde. Hij was het zoontje van Stef en Mariette, een bevriend echtpaar van mijn ouders. Stef was zeer mager en in zichzelf gekeerd, maar tevens sterk, met veel wilskracht, terwijl Mariette meer aan de ‘forse’ kant was en altijd het woord voerde. Het was duidelijk dat zij de broek droeg in dat huishouden. Beiden spraken met een Kempens accent, dat is me altijd bijgebleven, misschien door die oranje hemel, die je in de Kempen soms wel eens ziet. Mijn vader was een Limburger, uit de Maasvallei afkomstig, maar had het Boomse dialect van mijn moeder overgenomen. Het was geen verfijnde taal; voor ik naar school ging was er echter niets anders. Eens op school leerde ik Algemeen Nederlands spreken. Jongens toch, veertig jaar later hoort iedereen nog altijd dat ik uit Limburg kom, terwijl ik in Ekeren (Antwerpen) ben geboren, en mij in die stad het meest thuis voel. Ook boven de Schelde zie je soms dat oranje licht, dat je verlangen naar ik weet niet waar kan aanwakkeren. Dat licht geeft je zin om te vertrekken naar een exotische plaats, Macao denk ik nu, omdat dat de titel is van een film die ooit veel indruk op me maakte. Maar het kan net zo goed Japan zijn, of Namibië, waar twee van mijn beste vrienden lang hebben gewoond. Als er maar mooie, wulpse vrouwen heupwiegen, en je er whisky kunt drinken en sigaren roken…


Als schipperskinderen waren wij hoe dan ook al veel onderweg, maar we reisden nooit echt ver. De jongeren aan de wal leken ons avontuurlijk leven echter te benijden. Daardoor vond ik hier en daar wel een vriend, maar altijd maar slechts voor enkele dagen. Daarna waren we weer weg. Ongeveer een jaar lang was Daantje er altijd bij, omdat zijn ouders en mijn ouders dezelfde vrachten vervoerden naar dezelfde plaatsen en vervolgens met hun lege schepen terugkeerden naar Eisden, waar de schippersbeurs van Limburg gevestigd was. Soms stoorde mij Daantje’s aanwezigheid, omdat hij nog zo jong was, en misschien ook vanwege dat vreemde dialect. Ik sprak toen immers een vorm van Algemeen Nederlands! Daantje was een goede jongen, en stond open voor de nieuwe wereld van de psychedelica. Als we drugs hadden gehad, zou hij er zeker mee hebben gebruikt. We zouden op een kanaaloever hebben gezeten tussen de struiken, hier en daar een muskusrat, en de ene joint na de andere hebben gerookt. Maar het enige wat we deden, soms, was een klein glaasje Gordon’s gin drinken. Dat gaf een ontzaglijke kick, je zag er sterren van. En dan legde ik ‘Da Capo’ op, met al die onvergetelijke melodieën. We kickten het hevigst op het 18 minuten durende ‘Revelation’; dat was typisch voor die tijd, freak outs, noemden we dat, het waren jams, improvisaties, gebaseerd op de blues, maar met Oosterse invloeden, raga’s. Als we dan gingen slapen bleef ‘Orange Skies’ in mijn hoofd nazinderen, die ongewone melodie en die mooie beelden.


Ik had een vriendin – Helena - in Istanbul, waar ik later meer over zal vertellen (en in het verleden misschien al heb gedaan), waar ik elke zondag een brief van tien bladzijden naar schreef. Vaak voegde ik daar poëzie van mezelf aan toe, schamele imitaties van Marsman en Gorter, en heel vaak geïnspireerd door Jim Morrison, Donovan, en door ‘Orange Skies’ van Love.

En als ik nu hier in Anderlecht in de lente of de zomer ’s avonds naar de hemel kijk zie ik soms nog die oranje lucht in het Westen, als de zon ondergaat, en denk ik, wat is er met mijn leven gebeurd?

mon patrie 2

Op de foto: Daantje links, MP rechts. Let op mijn Pink Floyd jas.

28-08-07

VERVELING, LEEGTE, MOEDELOOSHEID

moedeloos,depressief,leegte,uitzichtloosheid,eighties,drugs,foto,martin pulaski,pj harvey,geloof

Laura door Martin Pulaski, 1980


Ik maakte een onvergetelijke reis naar Noord-Italië, een van mijn mooiste reizen ooit. Maar sinds ik weer thuis ben, ben ik ten prooi gevallen aan verveling, leegte, moedeloosheid. Niets kan me in beweging brengen, niets ontroert me of raakt me. Ik heb nergens zin in. Uit pure nostalgie staat hierboven een foto uit mooiere dagen. Hij is gemaakt in het begin van de jaren ’80, met het fototoestel van mijn broer, waarover ik enkele dagen kon beschikken. Het was een tijd van intens leven, dansen, elke dag een meesterwerk lezen. Veel gedichten – die nooit het daglicht zagen – werden toen geschreven.

 

“Speak to me of heroin and speed
Of genocide and suicide, of syphilis and greed
Speak to me the language of love
The language of violence, the language of the heart
This isn't the first time I've asked for money or love
Heaven and earth don't ever mean enough
Speak to me of heroin and speed
Just give me something I can believe.”

 

PJ Harvey, The Whores Hustle And The Hustlers Whore

26-05-07

SUMMER OF LOVE 1967 IN HET WHITNEY MUSEUM


Jimi Hendrix door Martin Sharp, copyright Martin Sharp

Wie deze zomer naar New York reist kan in het Whitney Museum of American Art terecht voor een tentoonstelling getiteld Summer of Love: Art of the Psychedelic Era.  In de New York Times van gisteren las ik de volgende omschrijving van de tentoonstelling: “Tear gas, pot and patchouli were the scents of the 1960s. You can almost detect the last two, spicy and pungent, wafting through “Summer of Love: Art of the Psychedelic Era” at the Whitney Museum of American Art.” (Holland Cotter).  De tentoonstelling is te zien tot 16 september.

Afbeelding: "Explosion (Jimi Hendrix), 1967." Copyright: Martin Sharp.

 

18-02-07

EDIE SEDGWICK : FACTORY GIRL

 

manhattan,drugs,pop art,andy warhol,edie sedgwick,bob dylan,just like a woman,popcultuur,amfetamine,jean stein,pop

Edie Sedgwick zat nooit stil. Een mooie, unieke jonge vrouw, die nooit zal worden vergeten. Net zomin als haar uitzinnig en tragisch leven. Lees het boek “Edie. An American Biography” van Jean Stein. Bob Dylan schreef wellicht I Want You en zeker Just Like A Woman voor haar:

"Nobody has to guess
That Baby can't be blessed
Till she sees finally that she's like all the rest
With her fog, her amphetamine and her pearls."

manhattan,drugs,pop art,andy warhol,edie sedgwick,bob dylan,just like a woman,popcultuur,amfetamine,jean stein,pop

12-02-07

IS ALLES IJDELHEID?

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave


“All these people that you mention
Yes, I know them, they're quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name.”

Bob Dylan, Desolation Row.

Hij dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar had gezien was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Zij zag er niet slecht uit maar toch ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen. Hij had wel grootste plannen: hij zou detectives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de bar whisky zaten te drinken maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Ze kon bijvoorbeeld de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.


Dat was de laatste keer dat hij haar heeft gezien. Later had hij van Job wel gehoord dat het niet zo goed met haar ging. Ze had last van de lever en zo en ze at veel te weinig. Ze dronk veel, wat in haar toestand om problemen vragen was, en ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux of iets dergelijks. Het belangrijkste was dat er codeïne in zat. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave

Hij is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni 1978 in Brussel, met de New Yorkse groep Suicide in het voorprogramma. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met het optreden van Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in 'Johnny Teardrop'. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Costello aan de beurt. Een boos kereltje boordevol drank en amfetamine. 'No Action' zong hij. En 'All this and no surpises for this year's girl...' Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was wel heel krachtig. Maar wat een arrogant mannetje (vond hij toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de micro had gestolen, vanwege het minimale concert van Costello. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen met microfoonstaanders op de voorste rijen van het razende publiek. Zelf had hij heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft Angelina hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in het hospitaal beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Hij en Angelina hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de Dolfijnstraat hun Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond heel goed : hij heeft een uur lang heerlijke rock & roll gedraaid, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag. The Trashmen klonken echt heel nieuw en terzake, want de meesten die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweede handskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en hij was zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

13-10-06

ADIOS SEÑOR


Droomt de jongen met z’n kattenogen
van wat ik zelf zie glinsteren
over the rainbow? Maar niet licht
is de nevel die om zijn verblijf speelt
en spookt in zijn rokerig leven.

Door een gat in de wall of sound
fluister ik zijn linkerslaap toe : ik kom
je nacht binnen. Schiet eerst en stel
daarna wat vragen. De valse tijd
die ons nekt zal ik de nek breken.

Mijn retoriek - valt van zijn kaken.
Zijn ziel? Een kolonie die moet knielen
en bloeden bloedt noch knielt. Maar
haar schatten zijn van mij en nemen mij
zolang ik duur - mijn zwarte slaap.

Ik ben hier en ik ben hier niet langer.
Adios señor. Dat ik mijn masker opzet
en vertrek : hij ziet het. Heroïne
zuigt het hart van zijn stad leeg,
slappe klaprozen - haar minnaars.

07-12-05

BERGMANESK, ETCETERA


zevende zegel
 

STILTE 1.

Heel stil ben ik en toch wordt wat ik niet zeg nog gehoord. Misschien wil ik wel dat mijn zwijgen wordt afgeluisterd, zoals de seriemoordenaar ernaar verlangt te worden gepakt (zegt het cliché). Zwijgen als de dood. Of van de dood een deugd maken? Dit klinkt allemaal wel Bergmanesk.

VRIJE WIL.

Het is mijn wens om vrij te zijn.Maar ik weet het niet. Ik voel me gebonden, opgesloten in een gevangenis van stilte en vergetelheid. "Free at last, free at last", maar toch werd hij doodgeschoten. Martin Luther King. Ik weet het echt niet of wij vrij kunnen zijn. Vaak citeer ik dan maar iemand, als ik het niet weet. Bob Dylan bijvoorbeeld:

“Life is sad
Life is a bust
All ya can do is do what you must.
You do what you must do and ya do it well,
I'll do it for you, honey baby,
Can't you tell?"
(Uit Buckets of Rain, op Blood On the Tracks)

SCHIMMEN.

Een schim is maar een woord. Maar een woord. Maar een woord kan diepe lagen aanboren, in de psyche, in het lichaam, in de wereld. Het woord schim is een pijl recht naar het hart. Het woord legt zenuwen bloot, haalt de grond onder de voeten weg. De schim waarover ik het onlangs had, was geen echte schim, geen visioen of hallucinatie, het was een woord, een metafoor, maar met een reële stem, met een duidelijk traceerbaar accent. Ik gebruik geen drugs en ben geen alcoholist.

VERONTWAARDIGING.

Ik ben met niets tevreden en heb niet echt iets. Niets om over naar huis te schrijven. Soms is er een kleinigheid, soms is er helemaal niets. Zelfs geen grond onder je voeten. Zelfs geen schim. Zelfs geen stem. Misschien heb je wel veel als je met alles tevreden bent, als je berust in je lot. Maar dat is dan ook weer niet goed. Gisteren las ik in de krant het woord 'verontwaardiging'. Dario Fo wil burgemeester van Milaan worden en zegt dat we te weinig verontwaardigd zijn over allerlei onaanvaardbare gedragingen en toestanden. Ik denk dat hij gelijk heeft en dan kun je natuurlijk niet berusten in je lot en met alles tevreden zijn.

STILTE 2.

Ik heb me stil gehouden. Door de ramen van de wereld gekeken tot ik erbij neerviel. Tegen die ramen gesproken, als er zich schimmen lieten zien. Naar de schimmen achter die ramen heb ik geluisterd. Vooral geluisterd, ja. Me stil gehouden. Nu ben ik op van de zenuwen, zoals men zegt. Schimmen. Woorden. Kon ik maar aan mezelf ontsnappen in een mooie, grote auto met een goedgeklede en zwijgzame chauffeur, om het even waar naartoe als het maar weg is van de wereld (zoals Baudelaire het wenste). Maar je weet dat ik dat niet kan, mijn lief, net zomin als ik een Bergman kan zijn.