16-07-16

EEN MIDDAG IN CADIZ

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 054.JPG

Een middag en avond met A. en mijn vrienden Maria Jesus (Menchu), Carmen, Harvey en Juan. Menchu is een en al liefde, caritas, passie, ze is voor mij al sinds 1999 de ziel van Cadiz. Na zeventien jaar nog steeds dezelfde fonkelende ogen.
Zoveel woorden aan politiek verspild. Menchu, Carmen en A. houden zich wat dat betreft enigszins afzijdig. Vooral de mannen voeren het woord. De blijvende corruptie in Spanje… Maar is corruptie niet van alle tijden en woekert ze niet in de harten van miljoenen mensen? Maakt ze niet telkens weer hele samenlevingen kapot? Corruptie en afgunst, de twee grote kwalen. In Cadiz is Podemos aan de macht gekomen. Mijn vrienden vragen zich af of er nu iets veranderen zal. De Panama Papers geven aanleiding tot veel achterdocht en zelfs paranoia. Mijn vrienden zijn al bij al pessimistisch: de grote massa blijft voor de Partido Popular stemmen, zeggen ze.
Ik verneem dat er weinig moslims in Andalusië leven. Degenen die hier destijds zijn aangekomen – ik heb ooit een groot schip vol Afrikaanse vluchtelingen in Algeciras zien binnenvaren - zijn naar andere streken vertrokken, vooral naar Duitsland, België, Nederland. Nogal wat meisjes en jonge vrouwen belanden in de prostitutie in Madrid en Barcelona. Ik hoor de onuitgesproken vraag of West-Europa zoals Spanje in 711 veroverd zal worden door de Arabieren? Zo’n vaart zal het niet lopen, maar we kunnen de toekomst niet voorspellen. Ik heb geen problemen met moslims, zeg ik. (Dat lijkt bijna een racistische uitspraak. Als je geen problemen met de moslims hebt hoeft dat ook niet verwoord te worden. Maar we praten Engels en Spaans ‘zonder moeite’, dan druk je je niet bepaald subtiel uit.)
2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 225.JPG

Harvey, een Canadees die al tientallen jaren in Spanje woont, was in 1973 in onze hoofdstad. Je zou de stad niet herkennen, zeg ik. Zelf ben ik in Brussel in de herfst van 1969 aangekomen. Een groot dorp was het hier, of zo leek het toch. Hoewel de stad nog steeds, zoals in de tijd van Lautréamont, Baudelaire en Marx, een internationaal subversief bolwerk was: ik herinner me Living Theatre, Mothers Of Invention, Free Press Book Shop, et cetera. Harvey herinnert zich dan weer dat de Brusselse Vlamingen gastvrij en open van geest waren.
Juan en Menchu hebben weinig mogelijkheden om te reizen. Ze gaan graag naar Marokko, houden van de lekkere maghrebijnse keuken. Essaouira is hun droombestemming. Maar ze zijn ook trots op hun Andalucia, en in het bijzonder op Granada, die parel aan de Andalusische kroon. Menchu is met ziekteverlof geweest, een depressie door omstandigheden op het werk. Haar baas is een fundamentalistische katholiek. Ja, die bestaan ook. Ik kom niet te weten wat Juan doet. Hij is intelligent en spreekt veel beter Engels zonder moeite dan ik. Carmen, uit Barcelona afkomstig, schildert. Ze is vol lof over Rafael Alberti uit Malaga. Ik herinner me dat ik ooit een boekje van hem las, ‘De 8 namen van Picasso’, maar dat krijg ik moeilijk uitgelegd. Rafael Alberti was een goede vriend van Picasso, hoewel hij twintig jaar jonger was dan de grootmeester van het kubisme. En dan bestellen we nog een rondje en lachen nog wat en worden wat melancholisch. Inmiddels is het donker geworden. We werpen ongemakkelijke blikken op de openstaande deur en denken aan de wegen die elk van ons in eenzaamheid zal moeten begaan, aan de vragen waarop niemand van ons een antwoord zal vinden.

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 218.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Cadiz, april 2016

07-03-16

DE BRIEVEN VAN NANNE TEPPER

tussen mes en keel 001.jpg

“Er is geen betekenis. Het leven is toevallig en het lot is wreed. Structuur is er niet in te vinden. Het was onzinnig naar een verklaring te zoeken voor mijn ongeluk, of voor de desertie (of dood) van een geliefde. De dingen dragen geen betekenis; en alle betekenis die wij eraan toe willen kennen is misleiding, of kinderspel.”
Geerten Meijsing, Tussen mes en keel

In Muntpunt, de hoofdstedelijke openbare bibliotheek, ging ik op zoek naar een boek van Ilja Leonard Pfeijffer. Dat kwam door het erg boeiende gesprek dat Piet Piryns met hem had; ik wilde dringend proza van De Grote Vriendelijke Reus lezen. Niet zozeer omdat Pfeijffer een grote drinker was, zestien cocktails per avond beweert hij, maar vooral omdat hij geweldig kan vertellen en ondanks dat drinken zeer heldere gedachten op een even heldere manier formuleert en bovendien nog geestig is. Maar dat drinken: zestien cocktails en nooit een kater! Toen ik – occasioneel - nog veel dronk had ik altijd katers die op z’n minst twee dagen duurden. Ik dronk dan zeker geen zestien cocktails: mocht ik dat hebben gedaan lag ik al lang onder de zoden. Six feet deep, zoals in de liedjes. Misschien was dat wel beter geweest. Nee, het beste is nooit geboren te worden. Dat staat in de bijbel, dat beweerden de Griekse tragedieschrijvers, dat verkondigden romantici als Shelley. Het tweede beste is er zo spoedig mogelijk naar terug te keren. Naar waar? Naar de plek van voor je geboorte: het niets. Als ik nu op een avond twee trappisten of drie glazen wijn drink heb ik de volgende dag steevast hoofdpijn.
Maar goed. In de bibliotheek vond ik niets van Pfeiffer. Wel een brievenboek van Nanne Tepper, een in België zo goed als onbekende schrijver (ten minste, dat denk ik) – zelf had ik tot vorig jaar evenmin van hem gehoord. Daar is verandering in gekomen sinds de publicatie van een brievenboek van Geerten Meijsing bevattende Meijsings deel van de correspondentie tussen hemzelf en Nanne Tepper. Tussen 1995 en 2000 schreven Meijsing en Tepper elkaar meer dan 250 brieven. De verzameling van Geerten Meijsings brieven, waar ik erg nieuwsgierig naar ben, heb ik nog niet kunnen lezen: in de boekwinkel is het boek niet te vinden. Bovendien vermoed ik dat het voor een arme man onbetaalbaar is. In ‘De kunst is mijn slagveld’, 750 bladzijden, van Nanne Tepper heb ik al wat zitten lezen. Teppers stijl beviel mij aanvankelijk niet. Ik vond hem nogal puberaal, van Giphart maakt hij Gifhart, van Sigmund Freud Siggi Mondieu, en dergelijke meer. Bovendien was de man allergisch voor Jim Jarmusch, een van de weinige hedendaagse regisseurs die nog geloofwaardige films maken. Ook de pretentie waarmee Tepper andere schrijvers, waaronder Mulisch en Lucebert, de grond inboort stoorde mij zeer. Maar een dag later, bij het lezen van de brieven aan Geerten Meijsing, nam mijn weerzin af. In het puberale, clownachtige, in de misplaatste geestigheid zag ik nu een maskerade, waarachter een groot en zelfzeker talent schuilgaat. Die zelfzekerheid echter wordt aangevreten door twijfels. Hoewel zijn roman ‘De eeuwige jachtvelden’ de literaire sensatie van 1995 werd en de Anton Wachterprijs te beurt viel, maakte het de schrijver niet gelukkig, integendeel. De brieven puilen uit van de verwijzingen naar schrijvers en componisten, wat ook als een ‘symptoom’ van onzekerheid kan worden beschouwd. Teppers liefde voor literatuur en muziek is immens. Met de grootste schrijfkunstenaars moet hij zich meten: Flaubert, Joyce, Nabokov, Faulkner. Is dat geen onbegonnen werk? Zijn kennis van en inzicht in literatuur en stijl zie je in de brieven groeien. Nanne Tepper schrijft niet alleen, hij is ook muzikant, en hij weet wat muziek is, hij kan luisteren en over wat hij hoort kan hij prachtig schrijven. Wat hij – schijnbaar achteloos - over Mahler, Mozart, Frank Zappa schrijft is grandioos… Zodoende ga ik de volgende dagen ‘De kunst is mijn slagveld’ van begin tot einde lezen – zonder mij nog aan wat dan ook te ergeren. En benevens dat van Pfeijffer zal ik nu ook het proza van Nanne Tepper moeten gaan lezen. Zal ik ooit aan ‘Oorlog en vrede’ kunnen beginnen?

Wat is dat toch met die korte zinnetjes in kranten en tijdschriften? Kunnen Vlaamse schrijvers en publicisten geen volzinnen meer bouwen? Ik hoop dat ik, ten gevolge van onbewuste imitatie, nog geen mededader ben geworden.
Tepper.jpg

‘Ik ben op geen enkele wijze in staat tot fatsoenlijk sociaal verkeer, en ik weet dat ik mensen daarmee kwets, ik weet in ieder geval dat ik jullie daarmee kwets. Vandaar dat ik maar beter met het laatste beetje waardigheid dat ik mezelf toeschrijf afscheid van jullie nemen kan. Van mij toch enkel stilte of een heel enkele keer wat somber gezeur; ik wil het niemand meer aandoen.’
Nanne Tepper aan Jack Van der Weide en Wilma Siccama

01-03-16

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.
Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk - in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, - nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.
mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

29-02-16

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.
P1020340.JPG

Foto's: Martin Pulaski (in Brussel)

 

23-02-16

DE GENIALE EN STIJLVOLLE GEDACHTEN VAN EEN DRONKAARD

polaroid 1983.jpg
‘Niets heeft meer weet van de dood’, ging hij door, ‘dan de zomerzon, het felle licht en de uitbundige natuur. Je ademt de lucht, je ruikt het bos, en je merkt dat bomen en planten zich niets van je aantrekken. Alles leeft en vergaat in zichzelf. De natuur is de dood…’

Cesare Pavese, De duivel op de heuvels

Gisteravond laat, voor het inslapen, herinnerde ik me weer de sfeer in Antwerpen in de jaren tachtig. Hele nachten in cafés, het buitensporig drinken, de vele lange gesprekken met vrienden, kennissen, onbekenden. Veel van wat ik zei als ik dronken was, was banaal, maar door de alcohol, door de roes kreeg het voor mij een diepere betekenis. Soms vond ik, geloof ik, mijn uitspraken haast geniaal. Terwijl ik ze uitsprak, niet daarna, als ze al neergedwarreld waren op een vochtige tafel of toog. En al helemaal niet als ik ontwaakte in de walgelijke bleke ochtend. Die eigendunk zal wel typisch zijn voor dronkaards die al eens een boek lezen of wat gestudeerd hebben. De drank heeft vooral mijn geheugen aangetast, besef ik al veel langer dan vandaag. Vandaar dat ik me die jaren tachtig in Antwerpen – en elders - ook maar vaag herinneren kan. Al die nachten ging ik op zoek naar iets, maar ik weet nog altijd niet wát.

Ik dacht terug aan de nostalgie van Cesare Pavese. Ook bij hem het nachtleven, maar zo verschillend van het mijne destijds, dat van hem zo bitterzoet en luchtig – en toch ook leeg, zinloos: er gebeurt niets in die nachten; het echte leven van zijn personages voltrekt zich overdag. Maar ook dan heeft het geen zin, geen toekomst. De gelukkige momenten zijn altijd al achter de rug en de herinneringen eraan bieden geen soelaas, integendeel ze maken de dagen zwaar. Veel beter is het te vergeten, te leven in een grenzeloos nu. Het verleden dien je zoveel mogelijk uit te wissen en je maakt best ook geen plannen voor de toekomst.

Ik benijdde Pavese om zijn stijl, om zijn eenvoud. Een stijl, een vorm die ik noodgedwongen moest missen, omdat ik voor ‘ander proza’ gekozen had. Of ‘ander proza’ had mij gekozen: het gebeurde immers onder druk van de tijdsgeest. Hoe de juiste vorm geven aan weemoed, vroeg ik me af, aan de lijdensweg van de uren in eenzaamheid doorgebracht, hunkerend naar iets dat je zou kunnen verlossen. Een kleinigheid of iets groots, dat wist je niet.
Je wist wel dat je het lijden niet mocht verheerlijken. Ondanks de mateloosheid van het experiment voelde je de noodzaak van soberheid, van naakte woorden en zinnen. Samuel Beckett, de late Sylvia Plath. Nostalgie, weemoed, melancholie mochten een rol spelen in je ‘teksten’, maar met mate. Bovendien: hoe kon je controle behouden over dergelijke stemmingen? Gingen zij niet telkens weer met je gedachten op de loop, en schreven zíj niet je gedichten en dromen van proza?

Toen je met schaamte terugdacht aan het belachelijk stukje dat je geschreven had naar aanleiding van de dood van Harper Lee en Umberto Eco viel je gelukkig in slaap. Maar niet voor lang.

 

agnes-didi-matti-patje.jpg

 

 

02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

01-11-14

ZERO DE CONDUITE: BARFLIES

bettie-page.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

patsy cline4.jpg

Vanavond begeven we ons naar de bars, om er bourbon, scotch en tequila te drinken, te jiven, muntjes in de juke box te stoppen, te dansen met de vrouwen en mannen aan de bar, te boppen en te rocken, te slowen en te zoenen, nog meer te drinken, tot we de hik krijgen. Op een klein podium voor een roodfluwelen gordijn doen Ruby en Ida een striptease. Op straat onder het gelige lantaarnlicht vechten twee jongens, ze worden gevaarlijk, halen de stiletto’s boven, de blondines, brunettes, de rood- en zwartharige meisjes juichen hun toe of gaan met hun zachtaardigere vriendjes naar een andere club. Zware jongens met een hart van peperkoek, lichte meisjes op de rand van een inzinking. Allemaal dansen ze op de waanzinnige rockabilly van Johnny & Dorsey Burnette, met Paul Burlison op gitaar. Jeani laat de afwas voor wat hij is en komt meedansen. Ze is hier elke nacht. Juke Box Mama kiest voor A1: There Is A Light That Never Goes Out. In de bar waar we nu zijn aanbeland bestaat de tijd niet langer. Daar buiten is er geen leven meer. Hier is het te doen. We staan hier nu al vier nachten te drinken. Hoe houden we het vol? Nog wat amfetamine jongens! Dan schrijf ik gauw nog een ode aan de man daar helemaal op het einde van de bar, de eenzame jongen die niets zegt. En ik kom hier al zo vaak dat je best een drankje naar mij mag noemen, beste barman. Ik heb toch eigenlijk alleen maar in bars geleefd. De zevende hemel. Ik heb er gesprekken gevoerd met consuls en circusartiesten, met frontsoldaten en secretarissen-generaal, met playboys en playgirls, die denken dat ze over de wereld heersen. Dat denken ze, ja. Maar kijk ons hier, hier heersen wij, met onze honky tonk music, onze blues en onze rock & roll.
hank williams 001 (2).jpg

Let's Go Boppin' Tonight - Al Ferrier - The  Goldband Records Story - 1956         

Honky Tonkin' - Townes Van Zandt - The Late Great Townes Van Zandt - 1972

Honky Tonk Blues - Hank Williams - Let's Turn Back The Years - 1951

Let The Jukebox Keep On Playing - Carl Perkins - The Real Rock Master - 1957

Gambling Bar Room Blues - Jimmie Rodgers - Jimmie Rodgers 1932 : No Hard Times - 1932

Honky Tonk Merry Go Round - Patsy Cline - Patsy Cline's 50 Golden Greats: Complete Early Years - 1955

I'm A Honky Tonk Girl - Loretta Lynn – Gold - 1960

Sittin' At The Bar - Little Junior's Blue Flames -Sun Records The Blues Years 1950-1958

Gettin' Drunk Johnny "Guitar" Watson - Space Guitar - 1954

Rock 'n' Roll Ruby - Warren Smith - Real Raw Rockabilly - 1956

Honky Tonk Hiccups - Neko Case & Her Boyfriends - The Virginian - 1997

Dirty Dishes - Jeani Mack - Rockin' From Coast To Coast Volume 1 - 1958

Juke Joint Boogie - Freddie Hart - Juke Joint Boogie –  s.d.

Drinking Wine, Spo-Dee-O-Dee - Johnny Burnette -Johnny Burnette And The Rock 'n' Roll Trio - 1956

One Bourbon, One Scotch, One Beer - John Lee Hooker - Chill Out - 1995

Country Honk - The Rolling Stones - Let It Bleed - 1969

Juke Box Mama - Link Wray - Link Wray - 1971

Jockey Full Of Bourbon - Tom Waits - Rain Dogs - 1985

The Fourth Night of My Drinking - Drive-By Truckers - The Big To-Do - 2010

Outside This Bar -American Music Club - Engine - 1987

Ode to the Man at the End of the Bar - Moby Grape - 20 Granite Creek - 1971

N.S.U – Cream - Fresh Cream – 1966 - In memory of Jack Bruce

Barstool Blues - Neil Young - Zuma - 1975

I Want To See The Bright Lights Tonight - Richard & Linda Thompson - Want To See The Bright Lights Tonight - 1974

There Is A Light That Never Goes Out - The Smiths - The Queen is Dead - 1986

Dancing With The Women At The Bar - Whiskeytown - Strangers Almanac - 1997

One Drink Down - Gerry Rafferty - Can I Have My Money Back? - 1971

Barroom Girls - Gillian Welch - Revival - 1996

Lived In Bars - Cat Power - The Greatest - 2006

Yes I Guess They Oughta Name A Drink After You - John Prine - Diamonds In The Rough - 1972

What Made Milwaukee Famous - Rod Stewart – Single B-side - 1972

He'll Have To Go - Jim Reeves - Golden Age Of American Rock & Rol: Vol 10 - 1959

Bartender Blues (with Trisha Yearwood) - George Jones - Bradley Barn Sessions - 1994

Honky Tonk Masquerade - Joe Ely - Honky Tonk Masquerade - 1978

It Won't Hurt - Dwight Yoakam - Guitars, Cadillacs, Etc., Etc. - 1986

Close Up The Honky Tonks (Early Version) - Buck Owens - Buck 'Em: The Music Of Buck Owens - 1964

Dim Lights - The Flying Burrito Brothers - Sleepless Nights - 1970

Honky Tonk Downstairs – Poco - Poco - 1970

Hey Mister, That's Me Up On The Jukebox - James Taylor- Mud Slide Slim And The Blue Horizon - 1971

neko case 2.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski.
Foto's: Bettie Page, Patsy Cline, Hank Williams, Neko Case.

11-12-13

DE VOGELS VAN CADAQUÉS

1934511673_2835f86cb6_o.jpg

De vogels van Cadaqués herinner ik me alsof ik er gisteren nog door verrast werd. Het was tijdens een eenzame maar bijzonder aangename wandeling over een rotsig pad net buiten het centrum van Cadaqués, waar mijn geliefde en ik in de jaren negentig meermaals verbleven. Opeens werd ik uit mijn gepeins opgeschrikt door die immense vlucht vogels, hoewel 'opgeschrikt' niet het juiste woord is, daarvoor was de ervaring bijna te sacraal, alleszins te ontzagwekkend. En ik had ook helemaal geen schrik. In die dagen was ik nog niet gewoon geraakt aan buitenshuis en op reis te fotograferen. Ik was daar eigenlijk tegen gekant. Fotograferen en reizen, dat ging moeilijk samen: een foto maken stond de rechtstreekse ervaring in de weg. Toch kon ik er niet aan weerstaan om dit ogenblik vast te leggen. De foto stelt technisch niets voor, maar het is een bewijs dat ik ik daar toen was, dat ik het gezien heb. Ik twijfel er evenwel niet aan dat ik me dit beeld ook zonder de afbeelding nog erg goed zou herinneren. Misschien zelfs beter. Maar dat weet ik nu niet, omdat de foto er is, en zelfs al vernietig ik hem, dan blijft er toch altijd nog de herinnering aan. Vervloekte foto!

Cadaqués was toen mooi en overdag erg rustig. Het huis van Dalí was er natuurlijk al, maar het was nog geen museum. Als je een kater had kon je naakt op de rotsen in de zon liggen bekomen. Overigens was het niet zo moeilijk om daar een kater te hebben. Er was een geweldige club, waar de hippies en de bohémiens kwamen, en nog een beetje 'beau monde' (want Mick Jagger en Dalí zelf en hun entourage hadden er rondgehangen) en er werd bijzondere dansbare pop en rock uit de sixties gedraaid, tot zonsopgang. Whisky en tequila kostten er nagenoeg niets. Toch verkoos ik de vogels van Cadaqués boven de bars en de nachtclubs. Zo gaat dat in het leven.

...

Foto: De vogels van Cadaqués, circa 30 juni 1995.

04-11-13

WINTER IN ANTWERPEN

brassai8.jpg

Januari 1980.

Vrijdagnacht bij J. op visite. Nu hij niet meer alleen is zien we elkaar niet meer zo vaak. Toch geloof ik niet dat onze vriendschap zal bekoelen. Althans: ik kan het me niet voorstellen. IJskoude straten; een diep donker lijkt alle voorwerpen, mensen en dieren de grond in te willen drukken. Maar ik laat me niet ontmoedigen: ik kijk uit naar weer een vurig gesprek met mijn boezemvriend.

J. neemt zich al een tijdje voor niet meer te drinken – maar hij houdt het niet uit. Zenuwkoorts, existentiële angst. We lopen naar de kroeg op de hoek, een van zijn stamcafés. De waard kent hem, hij kan er op zijn pantoffels naartoe. Zijn vriendin is thuis gebleven.
Soms ontgaat het mij hoe snel hij zijn eerste en tweede glas bier leegdrinkt… En ik, hoewel drie jaar ouder, lijk wel zijn spiegelbeeld, al is hij een veel mooiere man. We praten over prettige dingen, films die we hebben gezien (Bertolucci, Herzog), boeken die we hebben gelezen (Schopenhauer, Musil, Knut Hamsun, Noa Noa, Patrizio Canaponi, Bukowski) en muziek die we graag horen (Tom Petty, George Jones, Kevin Coyne, en altijd weer Neil Young), maar ook over de miserie die onze levens zo kan vergallen, familieproblemen, frustraties, schuldgevoelens. J. zegt dat hij nooit een echte vader heeft gehad, hij leek altijd zo afwezig. Opnieuw elkaars spiegelbeeld, elkaars dubbelganger. Waarom, bijvoorbeeld, heeft mijn vader me nooit geleerd met de auto te rijden, dat zou toch het minste zijn geweest, niet?

We drinken meer Duvel, slikken een pilletje, de nacht raast voorbij als een trein van de Santa Fe-lijn. De klandizie in J.’s stamcafé bestaat voornamelijk uit doofstommen. Tussen twee songs in – er staat een Wurlitzer - is het erg stil, een stilte die geaccentueerd wordt door het opeens luide geratel van de flipperkasten. Dan weer luidruchtige consumptiepop, ‘We Belong To the Night’ van Ellen Foley maar toch ook af en toe een parel als ‘Way Back Home’ van Junior Walker & the All Stars.
De cafébaas wordt moe, we krijgen nog een laatste Duvel en dan is het ophoepelen. We kopen nog maar wat flesjes, die in een bruine papieren zak worden gestopt, zoals bij de schooiers in de boeken van Jack Kerouac en Bukowski en de songs van Tom Waits. Bij J. thuis gaan we door met drinken en luisteren naar Derek & the Dominos, Bobby ‘Blue’ Bland, Neil Young en the Flying Burrito Brothers. Staan we er wat zielig bij te dansen? Helemaal niet. Muziek maakt ons altijd euforisch.

J’.s vriendin ligt in bed, en kijkt toe en glimlacht om ons jongensachtig gedoe. Nu wordt J. zomaar opeens heel erg moe. Hij wil in bed en zegt dat ik bij hem en zijn vriendin moet komen liggen want buiten is het aan het vriezen. Onmogelijk dat ik me door die kou waag, dat overleef ik niet. Na een kwartier - ik had het werkelijk koud, ik was dronken en zelf ook moe - sta ik weer op. Zulke situaties lopen altijd uit de hand. Ik trek mijn te dunne jas aan en ga de ijzige, donkere ochtend in op weg naar mijn woning, waar mijn geliefde ligt te rusten.


...

Foto: Brassaï 

08-07-13

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen - las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren. 

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

16-08-12

VOICEMAIL, PHIL SPECTOR SOUND

 

the_ronettes_.jpg

Door de warmte in deze kamer herinner ik me zo opeens dat P. de voicemail van zijn mobiele telefoon niet kon instellen. Het was laat op een zaterdagavond in de zomer, zeker tien jaar geleden; we waren allemaal dronken en sommigen onder ons ook flink stoned. Geef maar, ik zal het wel doen, zei ik. Een paar dagen later belde ik P. op. Ik hoorde mijn eigen gekke, dronken, euforische stem: dit is het antwoordapparaat van P., hoorde ik, spreek uw boodschap maar in na de bieptoon. Op de achtergrond wat Phil Spector sound, the Ronettes denk ik. Na een tijd stopte ik met bellen.

Jaren later: als ik nu bel hoor ik de stem van een Belgacom-persoon. Wat zou ik graag opnieuw mijn eigen gebral horen! Wat zou ik soms ook graag terugkeren naar die verrukkelijke dagen.  

27-02-12

BEWOGEN DAGEN 5.

 

IMG_1828.JPG

Martin Pulaski, Zonïenwoud, 2005.

Vandaag het vijfde deel van ‘bewogen dagen’. Deze fragmenten van een vertoog over alles en niets ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

41.
Beweerd wordt dat schrijven ondergeschikt is aan vriendschap en liefde. Of is het omgekeerd? De bewering, de vraag is verkeerd. Het is een wisselwerking. Schrijven gaat niet zonder vriendschap en liefde. Wat mij betreft gaan liefde en vriendschap ook niet zonder schrijven.  Een gedicht maken is vaak een daad van liefde of vriendschap, in alle betekenissen van die twee woorden. Een gesprek en een kus monden uit in een gedicht.

42.
In het dagelijks leven voel ik te veel en – schijnbaar - tegelijk te weinig. Soms lijk ik onverschillig, maar ik denk van mezelf dat ik te gevoelig ben. Om die reden heb ik me – onvrijwillig - achter dikke 'muren' verborgen. Muren van glas met openingen, kijkgaten, schietgaten. Een mens wil graag gezien worden, bewonderd, geliefd. Het is verlangen naar het verlangen. Als ik te weinig aandacht krijg word ik ziek.

43.
Psychologie is tijdverlies. Je kunt jezelf niet kennen – en waarom zou je jezelf per sé moeten kennen? Jezelf zitten analyseren terwijl de wereld naar de verdoemenis gaat. Dat is toch beneden alle peil.

44.
Na de weg vooruit leg je altijd noodgedwongen de terugweg af. Het is niet alleen mijn huwelijk, het ligt ook aan mezelf. Ik wil soms ontsnappen, niet uit vrije wil, niet ‘bewust’. Het overkomt me. Ik laat me gaan, val in de diepe put van de nacht. En dan duurt het lang eer ik weer tot mezelf ben teruggekeerd. Ik kan hoegenaamd niet tegen drank: er bestaat niets dat mij meer vermoeit. Gelukkig spartel ik door heel wat weken zonder zulke nachtelijke uitspattingen. Overigens heb ik er niets aan, zelfs geen catharsis, zelfs geen ‘inspiratie’. Ik weet niet waarom ik het doe. Het zal wel periodieke verslaving zijn.

45.
Ik ben naar Jan Decorte geweest. Naar zijn theater gaan is bijna altijd een intense ervaring, pure aanwezigheid, zelfverlies. Ik wilde er graag over schrijven, maar voorlopig is het me niet gelukt. Mijn woorden moeten hem en Sigrid Vinks eren, het moeten goede woorden zijn.

46.
De vraag is of een mens die vaak zwak, ziek, moe is geen belachelijk figuur slaat. Wie neemt zijn gezeur op den duur nog au sérieux? En wie gelooft hem nog als hij zegt dat hij pijn heeft of verdriet?  Zodra je erin verdwaald bent, kun je helaas nooit meer uit dat labyrint.

47.
Bob Dylans ‘Blood On the Tracks’ ligt op.
Een prachtige droevige echtscheidingsplaat. Maar of het zijn beste is, zoals zovelen beweren, betwijfel ik. Voor mij is ze niet rijk genoeg, bezweert ze niet voldoende. Wat de teksten betreft houd ik het meest van ‘John Wesley Harding’, voor de muziek en de emoties verkies ik ‘Blonde On Blonde.

48.
Snakt niet elke mens naar liefde? Krijgt niet elke mens graag aandacht? Maar sommige soortgenoten hebben meer spotlight nodig dan andere. Ik ben daar nogal dubbel in: aan de ene kant wil ik in de belangstelling staan, aan de andere kant bijna onzichtbaar zijn. Hoewel ik het niet graag toegeef heb ik al sinds mijn zeventiende gedroomd van een boek. Een boek uitgeven, dat is wat ik wil. Geloof me nu maar! Gedichten, verhalen, een boek met ideeën (zoals dat van Leopardi), om het even wat, als het maar een boek is, wat woorden op papier, met een omslag rond.

49.
Nietzsche heeft een donkere, gevaarlijke kant. Zoals sommige goeroes dat doen kan hij zoekende jongeren meeslepen in zijn denkavontuur, wat niet zonder risico’s is. Nietzsche doorgronden is niet eenvoudig. Eigenlijk moet je hem jaren lang of zelfs een heel leven bestuderen. Sommigen beschouwen hem met zijn  theorie van de übermensch als een voorloper van het nazisme. Nietzsche heeft inderdaad een aantal absurde dingen beweerd, maar daartegenover staat zoveel rijkdom en oorspronkelijkheid. Er bestaat niet een filosoof of schrijver van wie ik meer heb geleerd dan van Friedrich Nietzsche. Maar ik moet hem wel regelmatig herlezen: een verwittigd man is er twee waard, of drie.

50.
Nogal vaak bewerk ik oudere fragmenten, zoals Walt Whitman deed met zijn originele ‘Leaves Of Grass’, hoewel ik me geenszins met de meester wil vergelijken. Ik schrijf en laat rusten, herneem en herschrijf. Maar het is niet altijd revisionisme bij mij. Soms maak ik ook nog wel eens iets dat helemaal nieuw is.  Reflecties over mensen en dingen rondom me, beschouwingen over kunstenaars zoals Anselm Kiefer, over populaire cultuur, over concerten, over film en theater. Daarbij laat ik me leiden door het toeval, door mijn intuïtie. Ik schrijf over iets wat me op een bepaald ogenblik treft, wat ik opeens zie.

IMG_1482 (3).jpg

Martin Pulaski, Zelfportret met elpee van Merle Haggard en Kill Your Lover t-shirt.

 

21-02-12

BEWOGEN DAGEN 2.

 

IMG_3184.JPG

Martin Pulaski, Landschapsbureau, mei 2006.

Dit is het tweede deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

11.

Ik weet niet of ik een mooie – in de ethische betekenis - en goede mens ben. Ik doe mijn best, maar heb mijn gebreken. Ik ben egotistisch – een begrip van Stendhal - en misschien wel egoïstisch. Met psychologie loop ik niet bijzonder hoog op. Iemand als Carl Gustav Jung heeft mij nooit geboeid, het collectief onbewuste, de hele mikmak, dat vond ik te zweverig, te metafysisch. Ik ben meer geïnteresseerd in de realiteit, in wat zichtbaar is, in wat mensen – enigszins paradoxaal - in een soort van verblinding met elkaar doen, in wat toevallig gebeurt. Maar teveel realiteit kan je dan weer gek maken.

12.

Ik zou graag weer aan gymnastiek doen, of liever nog: zwemmen, maar het komt er nooit van. Nog niet zo heel lang geleden ging ik twee keer per week zwemmen, nu doe ik niets meer. Ik blijf bij de pakken zitten. Tijd om de pakken uit te pakken.

12.

Waarom ik in nogal wat autobiografische teksten de namen verander? Deels omdat ik me afvraag of de mensen die ik opvoer wel graag hebben dat ik ze opvoer. Deels omdat ik graag namen geef, zo kan ik toch een beetje voor god spelen. Ik verzin namen of laat me beïnvloeden door film, toneel, muziek, literatuur. Er zit geen logica in. X heet in het ene geval Y en in het andere Z. Ik laat me ook wat dat betreft leiden door het toeval.

13.

Ik weet veel over populaire muziek (blues, rhythm and blues, country, soul, rock, enzovoort), maar weinig over de liefde. Een zweep, die je volgens Nietzsche nodig hebt als je bij de vrouwen gaat, bezit ik niet. Ik ben radicaal tegen geweld.

14.

Met een auto rijden? Dan wel ergens waar er weinig auto’s zijn. In de woestijn. Of over the blue highways. Ik heb vandaag veel te veel auto’s ingeademd. De oude wagens waren zo mooi. Als kind droomde ik van Cadillacs en Oldsmobiles en zo. En het Straatsburgdok, en de gebouwen van Le Corbusier (die ik nu verafschuw). Le Corbusier was – misschien onvrijwillig – een fascist.

15.

Waarom zou ik niet twijfelen? Hoochiekoochie en eigenlijk alles wat ik schrijf en meedeel is op twijfel gebaseerd. Twijfelen is bijna hetzelfde als ademhalen. Ben ik onduidelijk? Misschien wel. Ik aanvaard chaos, hoewel ik mij er soms tegen verzet. De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn chaotische, twijfelachtige liefde.

16.

Blijkbaar kennen anderen mij beter dan ik mezelf ken. Maar waarom zou ik mezelf moeten kennen? Is dat geen onzinnige eis? Ik probeer mij te concentreren, maar het gaat niet. Ik ben ziek. Zie je, alweer geklaag… Vandaag kan ik helemaal niets schrijven. Er zijn zo van die dagen, weken soms. Alleen maar van die korte zinnetjes, die nergens naar leiden. Van die korte zinnetjes, waar ik vroeger zoveel omwegen voor maakte, als het moest zelfs via 'gevaarlijke' cafés aan de Midi, waar Albanese misdadigers met elkaar afrekenden, of reizen in Amerika in oncomfortabele greyhoundbussen.

17.

Ben ik een rare meneer? Ik vind mezelf geheel normaal. Sommige andere mensen vinden mij waarschijnlijk nogal bizar. Ik kan zelfs niet meepraten over den Anderlecht of Het Eiland... Ik zou wel willen, maar ik kan niet.

 

18.

Ben ik een goed opgevoede, beleefde man? Misschien ben ik wat vreemd, hoewel ik dat betwijfel, maar ik ben er nogal zeker van dat ik beleefd, zelfs hoffelijk ben, hoewel dat door m'n schuchterheid soms niet wordt opgemerkt. Bovendien heb ik het gevoel dat goede manieren nu geen rol meer spelen. Maar ik schud ze ook niet zo maar van me af, zoals Patti Smith dat kan, die soms op de grond spuwt. Ze doet dat overigens sierlijk, elegant bijna.

19.

Ik drink nu een tweetal liter water per dag. Je moet dat water natuurlijk ook weer kwijt, en wij zitten in een landschapsbureau, wat als ik me niet vergis een eiland wordt genoemd. Ik heb gelezen dat het idee voor zulke kantoorruimtes van Le Corbusier komt. Waar ik werk gaat zowat iedereen die het kan weg. Het is er niet vrolijk. Maar ik heb geen ambities wat dat betreft en blijf dan maar tot het bittere einde (2010).

Als gevolg van dat werken in een landschapsbureau slapeloze nachten, of slaapgestoorde nachten, met als gevolg het opgebruiken van reserves. Nu ook tot juli een 'moeilijke' periode op het werk. Dat gaat daar met golven. Soms is er bijna niets te doen, en dan opeens moet alles tegelijk gebeuren.

 

20.

De liefde is mijn grootste taal.

20-02-12

BEWOGEN DAGEN 1.

 

gedachten,autobiografie,herinneringen,aforismen,2005,2006,internet,blogs,flickr,hoochiekoochie,schrijven,spreken,eenzaamheid,lezen,zelf,ego,egoïsme,egotisme,troost,vriendschap,huwelijk,liefde,werk,ministerie,chaos,literatuur,kunst,ziekte,gezeur,drinken,feest,zelfbeeld,anderen

Martin Pulaski, Zelfportret met Jack Nicholson, 2006.

Dit is het eerste deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

1.

 Ik lees nog maar weinig boeken. Er was een tijd dat ik bijna onophoudelijk las, maar nu zijn er zoveel meer dingen die om aandacht vragen. Ik bedoel voornamelijk het sirenengezang van het vermaak, maar niet alleen dat. We moeten onze schaarse tijd nuttig, zinvol en gevarieerd besteden, want hij vliegt, voor we het weten is alles voorbij.  Kon ik maar van dat gevoel af dat de tijd een vijand is, een dief. Kon ik maar in het nu leven. Van ogenblik tot ogenblik. En me er niet druk over maken of ik al dan niet lees, al dan niet reis, al dan niet liefheb of haat.

2.

Er bestaan twee soorten eenzaamheid. De positieve eenzaamheid die je rust brengt en je terugschenkt aan jezelf. Hoewel je in die toestand alleen bent met en in jezelf is hij toch niet mogelijk zonder gesprek, dialoog, vriendschap, etcetera. Uit de positieve eenzaamheid kan veel goeds ontstaan; ze is goed voor je geestelijke en fysieke gezondheid. Van ijdel gepraat krijg je hoofdpijn of oorontstekingen.

Je hebt eveneens negatieve eenzaamheid. Wanneer je je afgezonderd, geïsoleerd, buitengesloten voelt. Als er niemand is om mee te spreken, om mee te lachen. De andere, degene met wie je het gewicht van de wereld van je af kan schudden. Het feest van het samen-zijn. Als je dat allemaal mist. Dan is de eenzaamheid verlammend. Als je geen verwante zielen vindt. Als je het gevoel hebt dat de wereld er niet voor jou is. En het paradijs al helemaal niet.

In het paradijs is iedereen iedereens spiegelbeeld, niemand heeft er een eigen gedachte, een eigen woord. Maar natuurlijk bestaat er geen paradijs. Eenzame mensen zoals Dante en Milton hebben dat bedacht als troost. Ik heb Dante al lang niet meer gelezen, maar ik weet dat hij een eenzame mens was.

3.

Over de donkerte in mij kan ik weinig zeggen. Ik denk dat ik te weinig oog heb voor de mogelijkheden die het leven biedt. Ik denk dat ik me te veel bezig houd met het negatieve, met gemiste kansen. Maar een zwaar leven? Dat geloof ik niet. Af en toe zak ik nog eens door, en dan voel ik me een paar dagen ellendig, maar dat veroorzaakt geen ware donkerte. Want als ik doorzak – wat een lelijk woord - ontmoet ik nogal eens verwante zielen, en dat biedt troost. De troost van vreemden, zoals Tennessee Williams zei.

4.

Vaak blijf ik op allerlei vragen het antwoord schuldig. Laat mij nadenken, waarna ik hopelijk mijn gedachten op papier zal kunnen zetten. Het gaat niet om een paar lichtvoetige danspasjes. Ik wil tijdgebrek niet als excuus gebruiken. Maar ik doe het toch even. Ik werk nu enkele dagen thuis, waardoor mijn verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van mijn baan toeneemt. Ik werk op een laptop die geen internetaansluiting heeft, beneden in de eetkamer, en niet hier in mijn werkkamer, waar de kans om ‘afgeleid’ te worden door boeken en sirenengezang te groot is. (Ik ben de inhoud van iTunes kwijt, meer dan zesduizend liederen; ik probeer dat al twee dagen te herstellen. Kleine problemen, het dagelijks leven…).

5.

Mijn gedachten zijn chaotisch. Ik zit met beleidsnota’s in mijn hoofd die ik moet analyseren en beoordelen. Maar ook met mijn verslaving aan mijn weblog (hoochiekoochie) en flickr. Is het wel een verslaving? Ik weet het niet. Alleszins heb ik er bewust voor gekozen om met een blog te beginnen. Ik had me uit de wereld van de ‘literaire mededeling’ teruggetrokken. Schrijven deed ik nog wel, maar de resultaten bleven in de la liggen. Af en toe deed ik eens mee aan een poëziemanifestatie of zo. Mijn laatste ontgoocheling was het einde van een literair tijdschrift hier in Brussel waar ik aan meewerkte. Brutaal heette het, voor een deel mijn geesteskind. Maar sinds mei vorig jaar heb ik me op die nieuwe vorm van mededelen gestort. Laat ik het een milde verslaving noemen.

Toch nog dit: ik denk niet dat ik vanuit een soort exhibitionisme foto’s op flickr zet. Het is eigenlijk een getuigenis, een autobiografie. Elke foto is een onderdeel van dat lange verhaal dat mijn leven is. Een verhaal met lacunes, met een subtekst, vulgair en subtiel tegelijk – en alles daartussenin.

6.

Ik ben ziek geweest, gisteren de hele dag in bed, donderdag te losgelaten feest gevierd, hybris, denken dat je alles aankunt, maar het lichaam... dat zit ook vandaag nog vol gif. En straks vertrek ik voor een personeelsfeestje naar Brugge. Alweer een feest, ik heb er geen zin meer in, kan er niet tegen. Ik zou veel liever hier alleen zijn en het gif uitzweten. Maar het zij zo.

7.

Ik ben degene die jij je voorstelt, niet degene die ik ben. Jij bent degene die ik me voorstel.

8.

Zijn we vanwege onze woorden al niet verantwoordelijk voor elkaar?

9.

Ik denk dat je kunt zweven én hier blijven, met je voeten op de grond.

10.

Het is goed dat je vrienden hebt, vrienden die je kunt vertrouwen. En: waarom geen vrienden die je niet kunt vertrouwen?

17-01-12

WENNEN AAN EEN EILAND

 

P1040696.JPG

In westelijke richting. Foto:Martin Pulaski.

Je went redelijk snel aan de traagheid van het leven op een klein eiland. Ongeveer alles staat in het teken van de zon en de oceaan. Omstreeks negen uur of wat later verschijnt de zon boven de Tequergenche in het Oosten, om ongeveer half zeven gaat ze weer onder achter de bocht van Punta La Calera en het naaktstrand Playa del Inglés. (Tien jaar geleden of langer ging je daar graag een uur per dag in de zon liggen niksen, lezen in de zon heb je nooit gekund.) De uren daartussen verdwijnen in het oneindige van de Atlantische Oceaan. Je geniet van een eenvoudig ontbijt terwijl de zon je lichaam verwarmt. Je drinkt voldoende koffie omdat het ontwaken ook trager verloopt. Voor de middag zit je wat muziek te beluisteren, waarna je een wandeling maakt naar La Calera, Vueltas, of naar het Westen (maar in die richting raak je niet ver).

 

Al gauw is het weer tijd om te eten. Een salade, lekkere sardines of inktvis, een Dorada Especial (of twee). Daarna lees je wat in een van de vier boeken die je hebt meegebracht;  Mojo en Uncut heb je al uitgelezen. Vandaag ben je aan The New Yorker begonnen. Het nieuws in De Standaard Online geeft je weinig zin om naar België terug te keren. Zoveel drukte om niets.

Terwijl je dit zit te schrijven (en op de promenade een ‘zwerver’ wat willekeurige akkoorden op zijn gitaar zit te spelen) zoek je een paar dingen op over La Gomera. Toevallig ontdek je dat Tim Hart hier in Valle Gran Rey tot aan zijn dood in 2009 woonde. Tim Hart was-  samen met Maddy Prior - oprichter en bezieler van de populaire Britse folkgroep Steeleye Span. Je hebt enkele weken geleden hun hele oeuvre voor een habbekrats aangeschaft. Vreemd dat je de vorige keren dat je hier verbleef nooit iets vernomen hebt over deze vrij beroemde inwoner van dit dorp. De muzikant is op eenenzestigjarige leeftijd gestorven ten gevolge van longkanker. Jij bent nu ook eenenzestig en maakt je zorgen over je eigen mogelijk nakende einde. Hoewel je, voor zover je weet, geen longkanker hebt. Maar die aanhoudende hoest dan?

Je zit dus ook wat te schrijven en op internet te lezen – er is nu al een paar dagen uitstekende verbinding. Na zonsondergang drink je een glas cava en wordt er beslist in welk restaurant er vis met mojo wordt gegeten. Het is geen moeilijke knoop om door te hakken: veel restaurants zijn hier niet, en nergens is het menu uitgebreid. De meeste avonden zitten muzikanten van hier heerlijk te spelen en zingen in Casa Maria, een blauw huis waar je nu op uitkijkt. Hun stijl lijkt op die van Buena Vista Social Club. Als je die stemmen en die snareninstrumenten hoort voel je je gelukkig. Misschien niet de hele tijd, maar toch even. Ten minste een lied lang. Ja, ja, je went hier snel aan de traagheid van het leven. Is dat wat de meeste mensen genieten noemen?

(De straatmuzikanten hebben ‘It’s All Over Now, Baby Blue’ ingezet. Tijd om dit hoofdstuk af te sluiten.)

19-05-10

DRINKEN


picasso_absinth1901

Mijn glas is nog halfvol, zei hij.

Dat van mij is bijna leeg, zei ik.

Jij hebt een kleiner glas, zei hij.

Wel veel sterkere drank, zei ik.

Je moet niet zo somber zijn, zei hij.

Somber is dat pessimistisch, vroeg ik.

Dat er geen andere tijden komen, zei hij.

Dat je dat denkt, voegde hij er aan toe.

Goede tijden, slechte tijden, zei ik.

Geen mens die er van wakker ligt, zei ik.

Een visser denkt aan zijn pieren, zei ik.

En dan zit hij daar tot de vis bijt, zei ik.

In Andalousië gaan ze op bedevaart, zei hij,

En ze geloven niet eens meer in god, zei hij.

Is dat dan niet niets, vroeg hij.

Ze geloven niet eens meer in de goede god, zei hij.

Je glas is nu wel helemaal leeg, zei ik.

Dan bestellen we nog een rondje, zei hij.

Voor mij niet meer, mijn lever, zei ik.

Zie je wel, je bent een pessimist, zei hij.

27-08-09

HELS LAWAAI VOOR DE DODEN


DODENDANS


Je zou wel eens wat anders willen, leeghoofdig met de leeghoofdigen, praatziek met de gezonden, verwonderd met de kinderen, gelukkig met degenen die hun huizen goed geadviseerd inrichten of hun kinderen over de kleuren en de sterren vertellen. Maar een zware last weegt op je schouders; uren, dagen van lood. Er is geen tijd, maar je kunt de tijd en zijn afloop niet uit je hoofd zetten. De koekoeksklok die koekoekt in je hoofd. Een hoofd overigens van boeken en films, niet meer van vlees en bloed. Een hoofd van carnavalmuziek en gemaskerde ruiters, van donker water waarop verdronken kinderen in hun kano’s pogen te vluchten voor de Apocalyps, voor de harde regen die zeker zal vallen, als het vandaag niet is, dan morgen.

Stilte.

De stilste stilte voor de doden.

Elllie Greenwich. Jim Dickinson. Larry Knechtel. Bescheiden en weinig bekende helden die je jeugd opvrolijkten met hun da doo ron ron, hun blauwe vogels, hun rauwe impressies van een intens genot, van een genoeglijk drama, botsauto’s die eeuwige jeugd de verdoemenis in reden, lachend, gierend, Jack Kerouac achterna, de vijfde Beatle en de zesde Rolling Stone.

Ellie Greenwich was een diepe rivier, een hoge berg, een blond tienermeisje met een zilveren hart.

Jim Dickinson was een Rolling Stone. Een Ryland Cooder. Een blanke blues. Met zijn ruige kop en zijn dikke lange vingers. Zijn gretige en absurde wijsheid.

Larry Knechtel was een mama en een papa, een beach boy, een lid van wrecking crew (voor eeuwig en een dag). Larry Knechtel was Phil Spector. Larry Knechtel was geen survivor.  Wie heeft nood aan survivors?

Willy, zing nog eens een lied, wil je, want nu hebben we echt wat Party Girls nodig.

Stilte voor de doden.

Stilte voor de de doden van de zomer van de doden. Degenen die ik vandaag niet noem, gisteren niet noemde.

Zou het niet teveel zijn, zoveel elegieën? Mijn huid spat uiteen van de onuitgesproken woorden. Pathetisch? Terwijl de anderen sterven verlang je het leven, adem, huid, gefluisterde woorden van dichters en vrouwen. Terwijl de oude en jonge doden worden begraven wil jij diep genot bij alle mooie vrouwen naar wie je ooit verlangde en naar wie je verlangt. Jij gaat nooit dood. Jij likt het zout van hun huid. Het zout van het eeuwige leven.

Stilte voor de doden.

Voor de kinderen in de woestijn, op het water. Voor de naamlozen. Voor degenen die door mensen als jij en ik worden doodgeklopt, gewurgd, verminkt, levend begraven. Voor degenen die wij niet willen kennen. Voor al degenen die onze paden niet kruisen, en geen weg vinden in onze letters, in onze woorden.

Stilte voor de doden.

Jazeker, opnieuw vul ik mijn hoofd met carnavalmuziek, muziek van de opstand, van de woede, van de zinsverbijstering, van de ontregeling van alle waarden, vals of niet vals, opnieuw zoek ik je op, fluister ik in je oor, roep ik het uit: vergeet de doden, herinner je de dagen van het leven, leef, heb lief. Ik heb je lief. Ik wil met je leven, lachen. Ik wil met je dansen. Wij zijn allemaal goden. Sterven? Laat me niet lachen

Lawaai voor de doden.

Hels lawaai voor de doden.