24-12-16

MET RYLEY WALKER NAAR EEN ANDERE DIMENSIE

ryley walker 2.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN 
(hoofdstuk 12)

Dag 9: 10 november 2016 

Waar waren we bijna verdronken? In Patti Smith’s zee van mogelijkheden? Goed mogelijk want in een imaginaire zee kun je niet echt verdrinken, tenzij je zoals Alice een denkbeeldig bestaan leidt. Vandaag hebben we nog natte voeten, maar we staan als alle echte stuurlui weer aan wal. Ja, we lopen op wankele benen, onze geest is beneveld, in onze kamers hangt een dikke mist, ook al schijnt daarbuiten de zon. Inmiddels is het 10 november. Onze nood aan een escapade is groot. Anywhere out of the world, schreef Baudelaire. Maar hoe wankel ons bestaan ook mag wezen, toch willen we hier blijven, willen we doorgaan met een intellectuele strijd tegen onszelf, tegen het negatieve in ons, en tegen alles wat ons slaafs maakt, alles wat ons onderdrukt en verblindt. Patti Smith alleen zal ons daar niet bij kunnen helpen, hoewel ik weinig mensen ken die zo moedig als zij volharden in hun levenswerk. In hun opdracht. Lees haar boeken om te vernemen hoe ze die gevonden heeft. Maar net als ik - en mijn generatiegenoten uit de sixties - wordt Patti Smith ouder. Heel wat van onze idolen, gidsen, bewonderde kunstenaars en ja, helaas, ook vrienden, zijn al vertrokken naar het donkere land waar nooit iemand van terugkeert. Er is jong bloed nodig, jonge verbeelding, nieuwe ideeën. Een nieuwe geest van verzet zal onze wereld moeten redden. Dat hij al aan het ontstaan is voel ik in mijn vingertoppen, hij is al aan het werk. Zoniet zou ik afreizen naar het Noorden en me daar voor altijd neervlijen in de sneeuw.
patti-smith.jpg

Hier wil ik dit onderdeel van mijn kroniek even onderbreken met een mededeling van Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Aan mijn therapeute doe ik verslag van de heerlijke momenten van de voorbije dagen (een avond met Irina, mijn radioprogramma in Antwerpen, een etentje en een vrolijke treinreis met mijn geliefde Laura), maar zeker ook van de dingen die me weerom terneerdrukken, nog los van de ellendige politieke gebeurtenissen. Als zo vaak in het verleden kom ik terug op mijn schuldgevoelens. Zo voel ik me vandaag schuldig omdat ik zelfbehoud laat voorgaan op zorg en altruïsme. Of beeld ik me dat schuldgevoel maar in? Schuldig voel ik me eveneens omdat ik te weinig doe. Mijn therapeute stelt me voor om een dag per week aan vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld bij bejaarde mensen kunnen langsgaan; zij zijn als al onze soortgenoten reservoirs van verhalen, ze beleven er plezier aan hun herinneringen met een aandachtige toehoorder te kunnen delen. Wat voor mij dan weer een inspiratiebron zou kunnen zijn. Maar dat kan ik toch niet, roep ik voor de misschien wel honderdste keer uit. Ik kan mensen die ik niet ken niet onder ogen komen, zeg ik. Ik ben mensenschuw. Als ik onder de mensen kom moet ik drinken en ik wil niet drinken. Want als ik drink kan ik niet schrijven. Nee, ik wil vooral niet drinken. Veel liever zou ik in mijn kamer blijven en werken, nu het nog kan, nu ik nog enigszins helder ben. Mijn tijd van veel buitenkomen is voorbij. Je weet toch dat ik nu al wankel als ik naar de metro loop. Dat komt door mijn voeten. Die doen vaak zo’n pijn en je weet dat ik liever geen zware pijnstillers neem, want dan kan ik niet helder denken. Helder denken is zonder drank of pillen al moeilijk. Ze kijkt me enigszins berustend aan. Het is jouw leven, zegt ze, maar als je je meer en meer gaat afzonderen zal je wel heel snel oud worden. Maar goed, het is weer tijd, tot volgende week en houd je sterk.

old1.jpg

Die avond ga ik met Laura naar de AB Club voor een andere held van deze tijd: Ryley Walker. In de populaire muziek beschouw ik hem als een van de grote beloften. Enkele jaren geleden was hij nog een epigoon, nu geldt hij al als een voorbeeld voor andere muzikanten en kunstenaars (en gewone mensen). Laura en ik hebben vanmorgen bij het lang uitgesponnen ontbijt zijn twee recentste platen beluisterd, ‘Primrose Green’ (2015) en ‘Golden Sings that Have Been Sung’ (2016). Zijn eerste elpee, ‘All Kinds Of You’ (2014), bezit ik niet, omdat Ryley Walker zelf dat jeugdwerk als een mislukking beschouwt.
In de AB Club weet ik nog voor het concert begint dat het een bijzondere avond zal worden. Ja, soms voel je dat aan, soms weet je het wel zeker. We hebben vlak voor het kleine podium plaats gevat. De jonge singer-songwriter uit Chicago balanceert op het randje van de dronkenschap, maar wankelen doet hij (nog) niet.. Ik zie dat hij stevig op zijn benen staat. Hij kan tegen een stootje. En zijn muzikanten beschermen hem tegen overdaad. Als hij even wegkijkt geven ze elkaar zijn fles whisky door en nemen zelf een slok. En tijdens het concert vraagt een luisteraar of hij eens mag proeven. Dat is goed: het schept een band met het publiek en er zit alweer wat minder in die verduivelde fles. Ryley heeft al de hele namiddag bier zitten drinken in de Bonnefooi. You guys have 3000 kinds of beer and I want to try them all, zegt hij.
Het lijkt of hij het meent. Zeker, hij mag zijn zintuigen ontregelen, maar vergeten dat hij voor een geïnteresseerd publiek staat, dat mag hij niet. En dat doet hij niet. Het concert van Ryley Walker en zijn band, dat begint met de kreet ‘Fuck Trump!!!!’, wordt een lange, chaotische – maar door de ritmesectie stevig in toom gehouden – trip. Daar staat hij voor me met zijn gitaar, zijn zoekende stem, een duiveluitdrijver, een sjamaan. Ja, de muziek die hij met zijn begeleidende band ten gehore brengt helpt ons de wereld daarbuiten te vergeten. Er ontstaat een ander, een magisch universum. Een net nog herkenbare song – een skelet - is voor hem en zijn band een muzikaal thema waarop langdurig geïmproviseerd wordt. Ik herken vier van die skeletten: ‘The Halfwit In Me’, ‘Funny Thing She Said To Me’, ‘Sullen Mind’ en ‘The Roundabout’. Ik hoor en zie zoektochten, in cirkels draaiend of spiraalvorming, op de elektrische en de twaalfsnarige akoestische gitaar. Ik ontwaar sporen van jazz, acid rock, folk, rembetica, Tim Buckley, John Coltrane, Jerry Garcia, John Martyn, Van Morrison en nog veel meer – Ryley Walker heeft het allemaal verwerkt in zijn freewheeling songs. Hij heeft zich al die invloeden toegeëigend – en nu staat er een eigen, sterke muzikale persoonlijkheid voor ons. Voortaan gaat hij zijn eigen weg, al weet ik niet waar die naartoe leidt en er zijn veel gevaren. Denk alleen nog maar aan Tim Buckley en zijn zoon. Vanavond heeft hij  ons alvast uit een boze droom wakker geschud en in een andere dimensie binnengeloodst.
IMG_9245.JPG

Laura en ik en mijn vrienden Wolf en Dirk en Ivo beseffen dat we iets bijzonders hebben meegemaakt. Tijd voor lange, bezielde gesprekken en voldoende drank. Morgen zal ik niet schrijven. Morgen is het wapenstiltand. Taxi!



* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276


11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

17-06-13

SUICIDE, 23 MINUTES OVER BRUSSELS

Suicide-Band.jpg

Suicide (Alan Vega & Martin Rev).

Vorige zaterdag hield Luc Janssen in de AB een lezing met als thema ‘Suicide, 23 minutes over Brussels’, over het zogeheten legendarische concert van het New Yorkse duo Suicide in de Ancienne Belgique op 16 juni 1978 (als support van Elvis Costello). Wegens een aangename verplichting in Antwerpen kon ik er niet bij zijn. Heb ik veel gemist? Dat betwijfel ik. Op die bewuste Bloomsday in 1978, nu vijfendertig jaar geleden, was ik er wel bij. The real thing. Naar aanleiding daarvan publiceer ik vandaag een herwerkte versie van mijn ‘fictieve’ terugblik op het concert en op de periode waarin het plaatsvond – een tekst die ik voor het eerst in februari 2007 pulbiek maakte.

 

Those disco synthesizers,
those daily tranquilizers,
those body building prizes,
those bedroom alibis,
all this, but no surprises for this year's girl.

Elvis Costello, This Year’s Girl

 

Zwart dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar zag was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, waarvan hij de naam altijd vergat, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Phyllis zag er niet slecht uit maar ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen, hoewel hij grootste plannen had: hij zou detctives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler, Dashiel Hammett en Ross McDonald. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de toog bourbon zaten te drinken, maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Zo kon ze de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.

Dat was de laatste keer. Later had Zwart van Job gehoord dat het niet goed met haar ging. Ze had last van de lever en andere kwaaltjes en ze at nauwelijks. Ze dronk te veel, wat in die toestand om problemen vragen was, ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux, Actifed, iets met codeïne erin. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla Beaulieu niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

Zwart is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni – Bloomsday - 1978 in Brussel, met de New Yorkse band Suicide als opener. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in 'Johnny Teardrop'. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Elvis Costello aan de beurt. Een boze jonge man, boordevol alcohol en amfetamine. 'No Action'  zong hij. En 'All this and no surpises for this year's girl...' Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was buitegenwoon krachtig. Maar wat een arrogante kerel (vond Zwart toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de microfoon uit Alan Vega’s handen had gerukt, vanwege het minimalistische en agressieve concert van Costello, vanwege de drank en de drugs. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen doodkalm met zware microfoonstatieven op de voorste rijen van het razende publiek. Zwart had heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft zijn geliefde hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in een ziekenhuisbed beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Laura en Zwart hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag in Antwerpen verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de buurt van de Dageraadplaats een Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond in optima forma: hij draaide een uur lang heerlijke en luide rock & roll en rockabilly, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag, of misschien net wel, want er was zeker verwantschap. The Trashmen klonken heel nieuw en terzake, want de meeste vrienden en kennissen die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweedehandskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en Zwart was eerder zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

this years model.jpg

Elvis Costello - This Year's Model. Hoesontwerp: Charlie Bubbles

...

 

Noten

Het 'legendarische concert' van Suicide werd in 1998 op cd uitgebracht door het Blast First-label, als bonus-cd bij de cd-versie van de eerste lp (verschenen op het Red Star-label in 1978).

Van zowat alle platen van Elvis Costello komen ongeveer elk jaar nieuwe, lichtjes gewijzigde edities in alle mogelijke formaten uit. 

28-12-09

BERNARDO SOARES: DUBBELGANGER?

dichter,martinho da arcada,drank,vriendschap,antwerpen,bernardo soares,boeken,lissabon,vergetelheid,herkenning,dubbelganger,klerk,fernando pessoa,vreemdeling,jos d,cafeleven


Voor ik wat vergetelheid probeer te vinden in wijn, blues, country en klassieke films lees ik, na lange tijd, nog een stukje in Fernando Pessoa’s ‘Boek der rusteloosheid’, vertaald door Harrie Lemmens, en verschenen in de onvolprezen reeks Privé-Domein, bij Uitgeverij De Arbeiderspers, in 1990 alweer. Ik raakte vertrouwd met het dichtwerk van Pessoa omstreeks 1977, in volle punkperiode, mede dank zij mijn toenmalige beste vriend Jos D., die in oktober 1991 achter zijn jonge en mooie en intelligente leven een definitief punt zette. Hij schonk me in die wilde tijd – toen hij het eerzame beroep van trambestuurder uitoefende, en soms rechtstreek van het café naar zijn job moest - een verzamelwerk, met gedichten van ongeveer alle heteroniemen van de dichter – vertaald door August Willemsen. Een revelatie. Bijna elk gedicht raakte me diep in het hart. Aangezien ik geen Portugees ken, moest ik geduld oefenen en wachten tot er weer eens een nieuwe vertaling verscheen – zoals ‘Het boek der rusteloosheid’, dat Pessoa schreef in de gedaante van Bernardo Soares, hulpboekhouder in een kantoor in Lissabon. Het boek, een meesterwerk, werd pas zevenenveertig jaar na het verscheiden van de meester uitgegeven.

Dit is het fragment waar mijn oog op viel.

“Ik bewoog mij als vreemdeling onder hen, maar niemand zag dat ik een vreemdeling was. Ik leefde als een spion te midden van hen, en niemand, ook ikzelf niet, vermoedde dat ik dat was. Allen hielden mij voor een verwante: niemand wist dat men mij had verwisseld bij mijn geboorte. Zo was ik gelijk aan de anderen zonder gelijkenis, broeder van allen zonder lid te zijn van de familie.

Ik kwam uit rijke streken, uit betere landschappen dan het leven, maar over die streken sprak ik slechts met mijzelf en nooit liet ik hun iets weten over de landschappen die ik zag wanneer ik droomde. Mijn voetstappen klonken eerder als de hunne op de vloeren en plavuizen, maar mijn hart was ver weg, hoewel het zeer nabij klopte, onecht heer over een verbannen en vreemd lichaam.

Niemand kende me onder het masker der gelijkheid, en niemand heeft ooit geweten dat het een masker was, want niemand wist dat er in deze wereld gemaskerden waren. Niemand vermoedde dat naast mij een ander stond die uiteindelijk ik was. Ze beschouwden mij altijd als identiek aan mezelf.”
(Het boek der rusteloosheid, 159)

Heel even leek het erop – ik had net een glaasje Porto gedronken en waande mij in café Martinho da Arcada (wat nu een restaurant is) - alsof ik mijn eigen woorden las, maar meteen besefte ik dat ik niet zo’n goed schrijver was, niet zo eenvoudig, en niet zo diepzinnig. Meteen besefte ik dat ik niet voldoende toegewijd ben aan mijn woorden, maar haast bij voorkeur vergetelheid probeer te vinden in wijn, blues, country en klassieke films. Toch twijfel ik er hoegenaamd niet meer aan: ooit schrijf ik Het boek der rusteloosheid van Bernardo Soares.

25-02-09

KIJKEN NAAR MUZIEK


vetiver-tight_knit-2


Er is een ding dat me geruststelt. Plaatjes, ook cd’s, zitten weer in binnenhoezen, zoals het hoort. Niet alles wat wordt uitgebracht is al zo goed verzorgd, maar de tekenen zijn er: de platenmaatschappijen lijken meer op duurzaamheid en uniciteit te gaan te letten. Kennelijk willen ze duidelijk maken – bewust of domweg – dat de ‘look’ bijna even belangrijk is als de inhoud. Een vrouw kijkt toch ook niet alleen maar naar het innerlijke van een man, en vice versa - en alle mogelijke variaties op dat thema. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is, wordt gezegd.  Sommige vogeltjes hebben mooie snavels; die van andere exemplaren zien er grijs en verwaarloosbaar uit. Door een menselijk oog bekeken, natuurlijk. Vandaag heb ik letterlijk beseft dat een zwaluw en een krokus de lente niet maken. Hetzelfde geldt voor die platenhoezen. Ik bedoel nu even niet de lente, maar een revolutie in de muziekindustrie. Maar de goede voorbeelden verdienen navolging. Ik ben geen downloader: alle kunstenaars en het overige personeel dat aan het ontstaan van een langspeelplaat heeft meegewerkt verdient een beloning, een loon, pecunia. Maar soms maken de platenmaatschappijen het wel erg gortig: plastic in plastic, het ene product bijna hetzelfde als het andere. Vier voor de prijs van drie. het maakt niet uit waar je van houdt. Bullshit! Elke plaat heeft een eigen identiteit, elke echt goede plaat is een kunstwerk – of het nu om populaire muziek of klassieke muziek gaat. En dat zie je ook aan de buitenkant. Enkele hedendaagse  mooie voorbeelden van hoe het moet: ‘Tight Knit’ van Vetiver, ‘Who’s Hurting Now’ van Candi Staton, ‘To Be Still’ van Alela Diane en (in mindere mate, want te ingewikkeld) ‘Merriweather Post Pavillion’ van Animal Collective. Dit zijn overigens allemaal platen die zeer waarschijnlijk mijn 2009-eindlijst zullen halen. Wat niet betekent dat cd’s die nog in plastic doosjes zitten nu opeens allemaal slecht zijn. Of de ep ‘Blood Bank’ van Bon Iver, in een bijzonder mooie hoes, een kunstwerk, maar zonder binnenhoes? Cd’s die los in kartonnen doosjes zitten raken heel snel beschadigd. Ik heb het al voorgehad met de zeer dure box ‘Songbird’ van Emmylou Harris. Een van de cd’s daarin kan ik gewoonweg niet draaien. Gelukkig heb ik de meeste songs al op andere platen, zodat ik weinig mis. Maar wees voorzichtig!

Overigens heb ik zeer genoten van het concert van Vetiver in de Botanique vorige zondag. Ik ga graag naar de Botanique. Het heeft altijd iets feestelijks, alsof je een beetje op reis bent in een land dat je tegelijk kent en niet kent. Veel concerten in de Botanique zijn kleine feesten. En elk concert is bijzonder toegankelijk, waarmee ik bedoel: betaalbaar. Je moet je zelfs geen zorgen maken als je een glas wijn of bier wenst te drinken. En na afloop van het concert kun je nog wat praten met de muzikanten. Jammer dat Bob Dylan daar niet optreedt, of Dwight Yoakam, of Amy Winehouse. Wel heb ik er ooit Television gezien en gehoord, wat ik nooit zal vergeten. Ik zal niet zeggen dat Tom Verlaine god is (want dat schijnt Eric Clapton te zijn), maar hij is alleszins een begenadigd gitarist – hij is anders dan alle anderen. Er is wel enige verwantschap met John Cippolina, Roger McGuinn en John Coltrane.

Over mijn boosheid ten aanzien van de verdeel-en-heers-politiek van sommige Vlaamse politici (net voor de regionale verkiezingen) zal ik het morgen hebben. Tenzij ik morgen nog altijd goed gezind ben. Want wat heb je aan geld? Die mannen (en sommige vrouwen) denken dat je er alles mee kunt kopen, maar iedereen met enig gezond verstand weet dat je met geld maar zeer weinig kunt kopen. Deze woorden zijn helemaal gratis. Maar als je mij wilt kopen, ik ben beschikbaar. Over de prijs zal wel lang onderhandeld moeten worden. En niet alleen Vlamingen kunnen een bod doen op mij.

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

03-07-08

DE PAUL AUSTER BAR


Zonder zelfs mijn toestemming te vragen heeft Paul Auster een Pulaski Diner geopend. Hij komt daar eerlijk, schaamteloos zou ik haast durven zeggen, voor uit op pagina 57 van zijn boek ‘Man In Het Duister’. De schrijver beweert wel dat de zaak toebehoort aan een zekere August Brill, maar ik weet beter. Ik denk er nu over om een Paul Auster Bar te openen, en als die wat succes heeft, wat later ook nog een Siri Hustvedt Cafetaria.
Inspiratie voor de inrichting van de bar vind ik ongetwijfeld in de romans van het echtpaar. In verband met het meubilair heb ik al een beslissing genomen. De lage tafels, zetels en banken  zullen constructies worden van opeengestapelde kartonnen dozen, waarin zowat alle klassiekers uit de wereldliteratuur zullen verpakt zijn. Zo ben ik van dat zwaar gewicht verlost. En bij de klanten stijgt samen met de alcohol al die schoonheid en kennis naar het hoofd. De dozen zal ik  van een dikke laag vernis voorzien, zodat als er gemorst wordt de boeken daar niet onder moeten lijden. Stel je bijvoorbeeld voor dat ‘Angst en Beven’ van Kierkegaard een half glas tequila over zich heen krijgt!

In mijn Paul Auster Bar zal ongetwijfeld veel water worden gedronken. Ik weet dat de schrijver graag Spa drinkt, dus wordt het Spa. Aangezien ik zelf van Belgisch water houd is dat mooi meegenomen. Maar ik zal tevens een mooie collectie single malt whisky’s hebben, en goede bourbon, Southern Comfort, de beste cognac uit Frankrijk, Lepanto uit Spanje, wijnen uit Australië, Chili, Argentinië en vooral Italië. Tequila en Mezcal uit Mexico, Cachaca uit Brazilië, Rum uit Cuba. Bier uit West-Vleteren, Westmalle en, uit de Ardennen, La Chouffe.

Natuurlijk ben ik een amateur, ook al heb ik enkele maanden in de Dolle Mol gewerkt, toen die kroeg zich nog op de Kaasmarkt bevond. Sommige dagen spreidde mijn baas een Belgische vlag uit op de betonnen vloer en neukte daarbovenop met een anarchistische vrouw uit Frankrijk. Toen werd iets dergelijks als zeer choquerend en extreem-links beschouwd. Nu zou je zulke provocaties eerder verwachten van iemand uit *NVA-kringen.

Als amateur zal ik zeker mijn licht gaan opsteken in het Biercircus hier in Brussel. Dat café biedt misschien wel duizend verschillende bieren aan. Ik heb er ooit gevochten met mijn goede vriend Bob. De aanleiding was dat hij, terwijl ik in het toilet was, mijn mobiele telefoon had ‘ontregeld’. Je kon er alleen nog mee naar Madagascar bellen. Ik was boos geworden en had hem voor ‘Vuile West-Vlaming’ uitgescholden. Natuurlijk meende ik dat niet, maar je weet hoe dronken mensen zijn, zeker als het warm is buiten. Alleszins weet ik nu dat je tegen een West-Vlaming nooit ‘vuile West-Vlaming’ mag zeggen. En dat zal ik ook nooit meer doen. Misschien wel, als ik ooit nog eens heel dronken geraak, tegen een Limburger. Ik wil echter niet alleen de eigenaar van een bar worden maar ook een goed mens. Ik heb me alvast al de Ethica van Aristoteles aangeschaft. Dat is een goede basis, heb ik gehoord.
De baas van het Biercircus zal zich van dat gevecht wel niets meer herinneren. Zelfs ik moet al moeite doen om die oude geschiedenis weer op te rakelen. Overigens waren we een half uur na het ‘gevecht’ weer beste vrienden. Ik vecht altijd alleen maar met mijn beste vrienden, dat is veiliger. Als ik word overvallen echter laat ik begaan. Ik geef alles af aan mijn belagers, mijn sleutels, mijn mobiele telefoon, mij iPod, mijn pen, mijn Duovent, mijn pillendoosje, mijn geld, mijn portefeuile, mijn foto van Cliff Richard, mijn vuile zakdoekjes die ik nog niet heb kunnen wegwerpen omdat ik nergens een vuilnisbak vind, alles. Vaak gebeurt het dat je ze je dan toch nog neerslaan en half dood schoppen als je zonder verweer op de grond ligt. Vervolgens kom je weer bij bewustzijn en stel je vast dat ze je iPod niet meegenomen hebben. Kennelijk hebben die kleine criminele een slechte muzikale smaak.

In mijn Paul Auster Bar zal niet mogen worden gevochten. Ik ben er nog over aan het nadenken hoe ik dat zal bewerkstelligen. Vooral ’s nachts als ik niet kan slapen stel ik mij allerlei systemen voor. Ik zie zware jongens de bar binnen stappen, pooiers en dealers, een clientèle dat ik niet wil. Ze komen aan de bar zitten, en bestellen met een woeste blik in de ogen een whisky. Ik ben ervan overtuigd dat ze niet zullen betalen.  Ze zoeken herrie. Maar mij zullen ze niet te pakken krijgen, ik sta veilig achter de bar, een matrak, geschenk van een politieagent met wie ik in vroegere dagen bevriend was, binnen handbereik. Ik lig soms hele nachten te piekeren, maar ik ben er nog niet uit. Buitenwippers wil ik niet, dat zijn negen kansen op tien slechte mensen.

In mijn Paul Auster Bar zal alleen zal alleen muziek die drank en drinken als thema heeft worden gespeeld, met als mooi voorbeeld Wine van James Luther Dickinson. Het mogen echt wel songs over water zijn, daar rust geen taboe op. Ken je ‘Cool Water’ van Hank Williams?

All day I've faced the barren waste
Without the taste of water..... cool, water.
Ole Dan and I, throats burned dry,
and souls that cry for water.... cool, clear water.

Zulke songs zullen in de Paul Auster Bar worden gedraaid. Maar ook liederen over warme drank, zoals ‘Java Blues’ van Rick Danko. Als de klanten dat lied zullen horen zullen ze meteen naar de bar snellen en elk tenminste twee espresso of cappuccino bestellen. Ja, neem het van mij aan, het wordt een bar met een heel eigen sfeer, en allemaal coole klanten.

Ik maak zo snel mogelijk een afspraak met mijn bankfiliaaldirecteur voor een voordelige lening. Dat zal geen probleem zijn. Hij weet wat voor noeste werker ik ben. En als ik voor mezelf begin, zal ik nog dubbel zo hard werken.    
 

studie voor paul auster bar

Studie voor mijn Paul Auster Bar. Natuurlijk moeten die oude meubels weg en plaats maken voor mijn kartonnen dozen. Foto: Coincidence Ink Inc.

*NVA: Een zeer kleine Vlaamse, rechts-nationalistische partij en een afscheidingsbeweging. Ze willen België uiteen laten spatten en van Vlaanderen een klein Zwitserland, maar dan zonder bergen, maken. Het is niet duidelijk of ze ook Limburg, Antwerpen en Brabant willen inlijven. In dat geval zal Antwerpen zich zeer snel afscheuren en de onfafhankelijkheid uitroepen. Maar dat is toekomstmuziek.

07-05-08

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren - wie weet waar de tijd heengaat? - zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie


Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. 'Music From Big Pink' was er bijvoorbeeld ook een, en 'Electric Ladyland', en 'John Wesley Harding' en 'The Notorious Byrd Brothers'. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

10-01-08

SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel


Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt - te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde - ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die 'onschuldige' taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap - wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard - eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen - en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

10-07-07

DE WARE BETEKENIS VAN HOOCHIEKOOCHIE

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Romance, Cathérine Breillat.


Het woord ‘hooch’ is slang – of bargoens, nu je toch aandringt – voor sterke alcohol, ‘strong liquor’ zeggen de Amerikanen, meer bepaald als het spul van inferieure kwaliteit is of illegaal gestookt werd. De uitdrukking komt nogal veel voor in oude gangsterfilms en meer nog in de blues. ‘Coochie’ verwijst naar de vrouwelijke genitaliën. Voor de naam van mijn weblog heb ik van de C een K gemaakt, hoochieKoochie, niet omdat ik meer van de K dan van C houd, want het tegendeel is het geval, maar om vooral niet de indruk te geven dat mijn blog een creatie is voor bluespuristen. De K moet monomanen en volbloed ‘hoochie coochie men’ op een dwaalspoor zetten, of zelfs verhinderen dat ze me vinden. Ze zullen de uitdrukking nooit met een K spellen, geen sprake van. Voor Amerikanen, en zeker voor zwarte Amerikanen, heeft de K nogal negatieve connotaties, in zoverre een letter connotaties kan hebben. Als ik naar de KKK verwijs, wordt echter alles duidelijk. Het was bij het opstarten van mijn blog uiteraard niet mijn bedoeling dat mijn K naar die diabolische organisatie zou verwijzen. Als ‘coochie’ een benaming is van het vrouwelijke geslachtsorgaan, dan kan mijn K alleen maar naar het woord ‘kut’ verwijzen, hoe lelijk ik dat woord ook vind (wat ik hier al meermaals ter sprake heb gebracht, dacht ik).

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Maria Schneider & Marlon Brando. Last Tango In Paris.


Ik wil vooral benadrukken dat mannen en vrouwen van om het even welke kleur hier welkom zijn, alleen heb ik een aversie tegen - vooral blanke – door blues geobsedeerde puristen, degenen die bijvoorbeeld weten op welke dag Blind Lemon Jefferson ‘Matchbox Blues’ opnam.

‘Hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ houdt tevens verband met voodoo en in het bijzonder met de voodoo ‘priesters’ en ‘predikers’, en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Het fenomeen voodoo staat bekend om zijn ‘voodoo queens’; de beroemdste is Marie Laveaux, begraven op het Lafayette-kerkhof in New Orleans. Of er nog iets van haar stoffelijke resten overblijft is twijfelachtig. De zwarte cultuur is in New Orleans na de orkaan Katrina voor een groot deel uitgeroeid. Blanke mannetjes in de regering-Bush – en bij haar slaafjes in dienst van de federale overheid - willen van de stad een soort van permanente Disneyland-achtige Mardi Gras voor blanke vrouwtjes en mannetjes maken. Alle dagen feest, alle dagen kermis: laat de toeristen maar komen, maar houd ze weg van de echte stad, de stad van dood en verderf. (Ja, ik heb de documentaire van Spike Lee gezien.)

Niets wat betreft ‘hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ is echt zeker. Het is een twilight zone van de begrippen. Sommigen beweren dat de twee woorden samen, ‘hoochie coochie’, niets meer of minder betekenen dan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Drank (foezel) komt in deze betekenis niet aan bod. Een ‘hoochie coochie’ is de vagina, de ‘hoochie coochie man’ is degene die erop belust is. Sommige van die mannen willen het liever kort houden en korten het geslacht af tot ‘coochie’, zeker in een gesprek van man tot man.

Een bravere betekenis, in zekere zin, is die van de dans, de ‘hoochie coochie’. Het is alleszins een zeer seksueel beladen en geladen dans. De lichamen worden elastisch, zitten opeens vol dynamiet, elk spoor van gelatenheid verdwijnt als een blokje ijs in een glas Southern Comfort. Er wordt veel met de heupen gewiegd, met de bekkens geschud. Bovendien is elke dans een vorm van voorspel tot de daad, of alvast tot een poging tot de daad, want niet altijd lukt het de ‘hoochie koochie man’ om zich staande te houden, en vooral niet om te ejaculeren, meestal vanwege teveel ‘hooch’, maar vaak eisen ook de jaren hun tol.

Er wordt met stelligheid beweerd dat ‘coochie’ gelijk staat aan ‘cunt’, vagina. Vagina vind ik wel een mooi woord. Het roept bij mij altijd associaties op met Virginia Woolf en vooral met haar zuster, Vanessa. Ik heb daar geen duidelijke verklaring voor. Dat van die vagina wisten we inmiddels al. De ‘hoochie coochie’ doen echter is in deze versie niet zomaar wat schuifelen op de dansvloer, maar is echt de daad begaan. In niet zo lang vervlogen dagen was het datgene waarover niet mocht worden gesproken. En indien er echt niet over gesproken kon worden dan moest er ook niet over gesproken worden. Men kon nog altijd zingen en, tientallen jaren later, schreeuwen en brullen zoals Yoko Ono, John Lennon, John Lydon en Kurt Cobain.

Voilà, beste lezers, zo weet u in welk wespennest u terecht bent gekomen. Maar schrik niet, het is niet alleen een wespennest, het is ook een labyrint – en elk labyrint is aangenaam om in te vertoeven, ook al wil je voor het donker naar huis.

 

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Hooch - of 'moonshine whiskey'.

06-03-07

HUMBLE PIE IN BILZEN (1969)

Aansluitend op mijn radioprogramma van vorige zaterdag toon ik hier wat blanke blues van de toenmalige supergroep Humble Pie. Dit is een fragment van een concert opgenomen tijdens Jazz Bilzen, op 29 augustus 1969. Het was een koude, regenachtige dag. We hadden allemaal teveel gin en hoestsiroop gedronken. 

Humble Pie bestond uit Stever Marriott, Peter Frampton, Greg Ridley en Jerry Shirley. Zanger Steve Marriott was een van mijn grote voorbeelden inzake haarsnit en klederdracht. In 1969 zat hij volop in een overgangsperiode van mod naar acid freak. Humble Pie speelt hier naast eigen werk covers van Doctor John The Night Tripper (Gris Gris Gumbo Ya Ya en Walk On Gilded Splinters). De band was nog maar net opgericht.

03-11-05

JAN DECORTE EN SIGRID VINKS


jan decorte x


Voor een keer nog eens iets goeds gelezen in het sensatieblaadje genaamd Humo: een uitstekend en tot tranen toe ontroerend interview met Jan Decorte en Sigrid Vinks, twee mensen die ik eigenlijk niet ken maar waar ik heel veel van houd. Het zijn echte mensen, ze zijn zoals ze zijn, ze doen zich niet voor. Ik spreek Jan Decorte soms wel eens aan. Ik heb vroeger (1969 en 1970) een tijdje met hem op school gezeten, zij het helaas niet in hetzelfde jaar, en vanaf toen bewonder ik hem al bijna onvooorwaardelijk. Ik spreek hem soms wel eens aan, ja, na een voorstelling of zo, en na een aantal glazen wijn of bier, maar zijn aanwezigheid maakt me ongeveer sprakeloos. Het zijn dan ook nooit meer dan vijf of zes banale woorden die ik tegen hem zeg. Ik zie hem graag, het is een heel bijzonder mens, maar hij maakt me bang. Hoe komt dat? Ik weet het niet. In dat interview formuleert hij wel een antwoord op die vraag. "Maar mensen zijn dus bang van mij. Omdat ik buitenmaats ben. Dat heb ik nu wel gesnapt. Ik ben hogelijk abnormaal. Thuis krijgen wij geen telefoon. Nooit. Op de gsm ook niet. Niks." Misschien heeft mijn bang zijn voor Jan Decorte ook wel met herkenning te maken. Bang voor een soort van spiegelbeeld. Want ben ik ook niet abnormaal? In het interview las ik ook de volgende naar de keel grijpende uitspraak:"Ik wil door iedereen gekoesterd worden, maar tegelijkertijd ben ik het beu dat de liefde zo'n beslag op me legt. Ik leef constant in tegenspraak met mezelf. Ik heb geen enkel principe." Jan Decorte verwijst in dat verband naar Sick Of Love van Bob Dylan.

Dank aan interviewster Stefanie de Jonge voor de intelligente vragen en aan Jan Decorte en Sigrid Vinks natuurlijk voor alles wat ze ons al hebben gegeven.

21-09-05

LENNY'S VERJAARDAG


india song

Het was Lenny's verjaardag.

Natuurlijk dronken we die avond veel. Dat was niet ongewoon, we deden dat ook als we niets te vieren hadden. Nu hadden we twee belangrijke redenen: het was Lenny's verjaardag en ik had net vernomen dat ik vrijgesteld was van burgerdienst.

Laura lag in bed, aan de griep ten prooi gevallen.

Lenny en ik hadden elkaar veel te vertellen. Theoretische en praktische problemen, nieuwe inzichten van de voorbije weken, verwachtingen die we koesterden...

We bevinden ons in een impasse, zegt Lenny.
Ja, dat is goed mogelijk, zeg ik.
Welke mogelijkheden resten ons nog om eruit te geraken? zegt Lenny. Kunnen we iets bereiken met ons theaterproject?
Ik denk het eigenlijk niet, zeg ik, we zijn niet voldoende professioneel, en wat nog erger is, maar weinigen van ons zetten er zich met hart en ziel voor in. Zij schijnen niet te begrijpen hoeveel dit theater voor ons betekent. Zij schijnen niet in te zien dat het voor ons een middel is om het leven te veranderen. Ik denk dat we zullen mislukken.
Ik denk het niet, zegt Lenny.

Hij is enthousiast, zit vol plannen. Ja, het is zijn verjaardag vandaag.

Ons gesprek belandt bij Tsjernitsjevski, de Russische nihilist, uitvinder van de nieuwe mens. Die nieuwe mens heet Rachmetoff. "Dat is de nieuwe mens, edel, voornaam, sterk en ascetisch. Hij oefent zijn lichaamskracht en leeft met de schippers onder het volk aan de Volga. Straks gaat hij weer naar de hoofdstad, werkt grondig in de wetenschap, ontzegt zich alles wat het volk ook ontbeert, is ten strengste eenvoudig in leefwijze en kleding."
De nihilist oefent zich in lijden, zeg ik. Maar, zelfverzaking en zelfverbrijzeling, zijn dat onze idealen, vraag ik.
Ik geloof het niet, zegt Lenny.

We schenken de glazen nog eens vol. Het Is lekkere port.

We kunnen al onze problemen net zo goed herleiden tot de angst, zeg ik. Of niet soms? Kijk maar naar de films van Bergman, luister naar de songs van John Cale. Fear is a man’s best friend. Lees Kierkegaard en Heidegger. Alles komt voort uit de angst.
Dat is het laatste steunpunt van de burgerlijke moraal, zegt Lenny. De angst, bah.
Misschien heb je wel gelijk, zeg ik. Maar Heideggers angstbegrip is niet alleen maar burgerlijk. Er zijn bepaalde overeenkomsten met het zenboeddhisme. Misschien is Heideggers angst een equivalent van het satori-begrip.
Ach, zegt Lenny, ik vind die hele angst een modeverschijnsel. Typische Franse blah blah. Zoals dat boek van Hélène Cixous, dat heet ANGST. Het is verschenen bij éditions des femmes.
Maar de jonge mensen die gaan dansen, worden die niet gedreven door de angst, vraag ik. De angst jaagt hen de dansvloer op. Kijk maar eens als zij aan het dansen zijn: hun blik is naar binnen gekeerd. Zij keren zich af van de buitenwereld. Ze maken spastische armbewegingen en schudden het hoofd alsof ze van iets bezeten zijn.
Het is een vorm van gespletenheid, zegt Lenny. Ze keren zich af van wat er rondom hen gebeurt, maar tegelijk geven ze zich over aan het ritme dat buiten hen pulseert. Die gespletenheid uit zich ook in die merkwaardige houding van 'raak me aan/raak me niet aan'. Dat stel ik bij mezelf overigens ook vast.

De radio staat aan. Een oude, rasperige stem neuzelt op melancholische toon:
You never found me
You never found me
You never found me

De mensen gaan niet langer dansen om elkaar te ontmoeten, zegt Lenny. Ze willen elkaar ontlopen. Ze zijn bang voor elkaar, daarom houden ze zich op een afstand. Raak me niet aan. Waarom bekijk je me zo? Toch blijft hun verlangen hen parten spelen. Raak me aan. Bekijk me. Wat drukken hun gebaren eigenlijk uit? Het is een taal, dat is duidelijk. Maar wie zal ze ontcijferen. Een moeilijke klus. Het is een taal die niet begrepen wil worden. Vandaar haar proteïsche aard. Elke dag is ze wel weer wat veranderd. Als je een half jaar weg bent geweest en je gaat nog eens kijken dan begrijp je er niets meer van. Volledig veranderd.
Dat klopt, zeg ik, je ziet dat heel goed in disco's. Elke week wordt er een andere dans uitgevonden, al gaat het soms maar om een kleine variatie op die van vorige week.
Zouden er bij de mieren ook zulke transformaties plaatsvinden, vraagt Lenny.

Ik herinner mij deze dialoog nog goed. Maar als een geheel. Eigenlijk weet ik niet meer echt wie wat zei. We werden één met onze woorden, we leken personages in een roman van Virgina Woolf. The Waves. De zinnen knoopten zich aan elkaar, het was alsof ze los van onze lippen en onze hersencellen onstonden.

De gebaren van degenen die dansen maken deel uit van een taal die er alles voor doet om iets te verbergen, zegt Lenny.
Maar wat wil zij dan toch verbergen, vraag ik. Misschien zoeken wij er te veel achter. We vermoeden iets ontzettends dat schuil gaat achter die dansende taal, een ongeneeslijke ziekte, of erger. Maar wat als het nu alleen maar gewoon dansen is, plezier, extase. Misschien lezen we teveel, interpreteren we teveel. Misschien leven we te weinig.

"You never found me..."

De oude man gaat maar door met zijn monotoon, bezwerend lied. We worden er stil van. Wat is dit toch? Dit klinkt eeuwen oud. Je zou haast zeggen: niet van deze wereld. Wie is het? Waarschijnlijk zullen we het nooit te weten komen. Zo is de kans ook erg klein dat ik nog ooit de muziek van S.D. Burman, uit de Indische film "Kaagaz Ze Phool" (Papieren bloemen), uit 1959 van de regisseur Guru Dutt, te horen zal krijgen.

Intussen is de fles porto leeg en schenken en drinken we de laatste druppels jenever.

Het nieuws gaat over de Katangese Gendarmes. Wat gebeurt er eigenlijk in Zaïre? In Tchatchatcha? En wie zijn die verdomde Katangese Gendarmes? Ik begrijp er niets van. Weet jij wat dat nog betekent, tegenwoordig, huurlingen? Ik niet.
We worden nihilisten, zegt Lenny. We willen de wereld veranderen. Maar we kunnen hem niet veranderen. Il n'y rien à faire.

De fles graanjenever Vieux Système is nu helemaal leeg. Gelukkig voor ons is er nog een drankwinkeltje op de hoek van de Artanstraat. Dat blijft de hele nacht open. Voor versomberen worden spoeden we ons erheen. Eens in de nachtwinkel kunnen we moeilijk beslissen wat het zal worden. Vodka, pernod, tequila? Na lang aarzelen kiezen we voor de grappa, de tequila is te duur. Nu we toch in de buurt zijn besluiten we even op visite te gaan bij Jacques en Sylvia. Als we aanbellen is er eerst geen reactie, maar na een minuut wachten - we kennen het ritueel - gaat er boven een raam open en verschijnt een blonde krullenkop in de opening. Het duurt even eer ze ons herkent, maar dan werpt ze ons de sleutel toe.

Het is intussen al lang na middernacht. We drinken grappa in de vroege ochtend. Sylvia houdt ons gezelschap, Jacques is niet thuis. We drinken en vertellen onzin. Het klaart op. De vogels zien er groot uit en slaken onheilspellende kreten.

Ik bleef alleen achter in Sylvia's salon. Lenny was vertrokken zonder dat ik het had gemerkt. Ook Sylvia was nergens te bespeuren. Ik was waarschijnlijk even ingedommeld. Misschien was zij gaan slapen, of zat ze in de badkamer. Een scherpe geur van grappa hing in de kamer. Een aangename geur is dat niet. Urine lijkt het wel. En toch heeft hij ook iets aangenaams.Omstreeks negen uur kwam Jacques thuis, net op tijd om me naar het stempellokaal te voeren. Daarna moesten we zonodig wat gaan rondslenteren in het Shopping Center van Woluwe. Sylvia heeft er een wekker gekocht. Ze zag er bijzonder bleek uit. Ze zei dat ze het koud had.

Omstreeks twee uur 's middags werd ik - weer thuis - uit mijn bed gebeld. Ik was nog helemaal niet uitgerust van het verjaardagsfeestje, een lange nacht zuipen en praten en zuipen en door de straten lopen en gek worden.

Maar ik kan dat niet, iemand voor de deur laten staan. En daardoor begon alles weer van voren af aan. Het waren Louis en Boris. Ze hadden een fles jenever meegebracht, Blankenheym & Nolet, dubbel gebeid, erg lekker na die verduivelde grappa.

Laura is intussen genezen en doet zich tegoed aan de jenever. Als de fles leeg is begeven we ons naar het biologisch restaurant Le Romarin, waar de keuken eenvoudig is, maar uitstekend, en waar de wijn fris is en goed om de de dorst te lessen. Voor arme mensen als wij zijn dit dagen van overvloed.

Zo was het leven in 1977.

Foto: uit India Song van Marguérite Duras.