30-11-15

NACHT EN DAG

Ligt of zit hij op wacht voor het raam
met stil fontein zijn enige gedachte
waarna dan in de ochtend vroege vogels
en soldaten in het donkerblauw van de dood
zij die blauwe bessen eten en zingen
van honger en dorst en vernielzucht.

Altijd reikhalzen zij naar flessen
naar zilver en koper van knopen en bugels
eensgezind soldaten en dichters
als kwamen zij uit naburige gehuchten
hun halzen lelieblank of aardedonker
hun weerloos kloppende aders
hun ogen van koper en zilver en donkerblauw.

In het vaderland van zijn dromen
dat de hele dag blijft bestaan
graasden in de regengroene prairie buffels
berustend onder de aanvang van de zon
en overal boeren en buitenlui onderdanig
aan de illusie van goden die zich spiegelden
in hun nieuwe blanke wapens.

Van in het begin begonnen
over het vlakke land en de delta
en dan weer de weg omhoog als een denker
die ook altijd omlaag gaat als hij klimt
buiten adem en binnen adem
de dichter die fietsend om zich heen kijkt
naar de gewassen en zo de pedalen verliest
en toch overeind blijft
door de ziel van de buffels beschermd
een lange nacht in zijn droom zonder einde.

Tegen de avond bedaart hij
klaar voor het gekwaak in cafés
en wat rustiger in lobby’s van dure hotels
waar hij thee drinkt en Bombay
en dames zich van veel kleren ontdoen
(ontluistering van de nuchtere dag)
ja, en watergroen dat hem tempert
want op die kleur blijft hij altijd zuinig.

De laatste uren licht moedwillig traag

omdat hij dan zoals de slakken gaan moet
niet als de prairiehonden de antilopen
de schemeruren nog wat zijn element
voor de nacht vol vrees en beven
en geprevel van schietgebeden
nog zo’n kunst van dichters en soldaten
met slijm in de keel
bloedsporen wég huilend
hun tranen broodkruimels
om in het holst van de nacht
de holle weg naar huis terug te vinden
dezelfde nacht waarin hij grasduint
en zingt deze ballade tot het schuim
hem op de lippen staat
en onverschrokken je water breekt.


Brussel, 30-11-2015

 

 

31-10-13

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.
PESSOA1.jpg

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak - was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig - en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.”

In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter. 
PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

a brasileiro.jpg

Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.

...

*Fragment uit: 'Sigarenwinkel',  Alvaro de Campos

28-03-13

NIETSDOEN VERGT EEN SPONSOR

de goede rechters ensor.gif

De goede rechters, James Ensor, 1891

Ik ben vooringenomen. Mijn bestaan is gebaseerd op versies van de waarheid, op verhalen, mythen, leugens, verzinsels, vooroordelen. Denk nu niet dat ik niet goed wil leven. Ik wil goed en matig leven. Ik wil mijn soortgenoten niet lichtvaardig beoordelen. Maar er zijn grenzen. Een van die grenzen heet Serge Simonart. Eigenlijk zou ik deze elektronische pagina’s niet mogen bevuilen met zijn naam. Dat wordt elders al voldoende gedaan. Ik zou de man moeten verdedigen, want ik vermoed dat hij veel vijanden heeft. Maar dat is in dit geval te veel gevraagd. Een vijand van me is hij zeker niet, hij heeft mij niets in de weg gelegd. Maar ik lust de kerel niet. Alles aan hem irriteert me.

Via Facebook en mijn kameraad Jan Van den Eynden werd ik nog maar eens een keer met de Vlaamse popkenner par excellence geconfronteerd. De man die ontwaakt en slapen gaat met de groten der aarde: David Bowie, Lou Reed en David Sylvian.

Ik las over dit heerschap – pervers en masochistisch als ik ben - een artikel dat gisteren in De Morgen online verscheen.  “De uitzending van Radio 1-programma 'Hautekiet' over luiheid is uitgemond op een vilein moddergevecht tussen rockjournalist Serge Simonart en komiek en acteur Iwein Segers”, stond daar vetgedrukt.
En wat minder vet: “ "Nu ga ik zoals gewoonlijk heel wat mensen tegen mij in het harnas jagen. Maar het is nu eenmaal zo: nietsdoen vergt een sponsor", stelde Simonart. "Dat is bij heel veel mannen zo, zeker in de pseudo-artistieke wereld. Daarstraks sprak u met Iwein Segers. Wel, ik gok erop dat Iwein Segers ofwel jarenlang aan den dop heeft gestaan, ofwel vriendinnen had die zorgden dat het huishouden functioneerde of hem sponsorden. Er zijn in Vlaanderen heel veel schrijvers en dichters wiens zogenaamde kunstenaarschap de facto financieel en praktisch gesponsord wordt door hun werkende vrouw."”

Een man moet durven. Een popkenner die met de groten der aarde slaapt en droomt is het aan zichzelf verplicht sterke uitspraken te doen. Niet dat hij, zoals Louis Paul Boon, de mensen een geweten moet schoppen. Neen, hij moet hun geweten – eenmaal ze dat hebben - harde schoppen geven. De mensen moeten weer gewetenloos worden, rancuneus, afgunstig, zuur en nijdig.

In zijn boek ‘Nadja’ schreef André Breton dat je niets aan je leven hebt als je werkt. Hoe vaak heb ik dat al niet geciteerd… Het zal een vorm van luiheid van me zijn. De surrealist wilde hoegenaamd niet beweren dat mensen niet moeten werken, maar wel beschouwde hij arbeid als een noodzakelijk kwaad. De bewering dat ‘zogenaamde kunstenaars’ profiteurs en parasieten zijn is achterlijke onzin. De facto, zegt hij. In Vlaanderen, zegt hij. Zulke uitspraken dus. Dat is gedurfd. Daar is moed voor nodig. Daarvoor moet je op hetzelfde niveau staan als de groten der aarde.

Niet alle kunstenaars werken even hard, maar ik ken er nogal wat die zich doodgewerkt hebben. Met of zonder mecenas. Ik geef maar een voorbeeld: Rainer Werner Fassbinder. O, maar dat was geen Vlaming. Daniel Robberechts dan? Roger van de Velde?

Interviews afnemen zoals Simonart doet is niet werken. Interviews zijn veeleer – voor hem dan toch - gezellige onderonsjes. Het probleem is dat hij ze niet eens in behoorlijk Nederlands kan vertalen. In het artikel in DM las ik dat hij nooit van iemand een cent heeft gekregen, ook niet van zijn ouders. Daar is hij trots op, zegt hij. Maar misschien zouden zijn ouders hem kunnen helpen om zijn ‘interviews’ wat bij te schaven. Misschien kunnen ze hem meteen ook duidelijk maken dat Ornette Coleman een man is en bijgevolg geen vrouw (tenzij hij dat inmiddels al op Wikipedia heeft gevonden). Ik heb in mijn leven maar enkele interviews afgenomen (onder meer van Kevin Ayers, Buddy Guy, Junior Wells, John Hammond Jr.): het waren van de plezierigste en meest ontspannende momenten in mijn leven. Over je werk geïnterviewd worden (is me ook al eens overkomen): dat is pas werken.

Overigens vind ik dat elke mens recht op luiheid heeft.  Ook Serge Simonart. Dat hij een lui schepsel is, te lui om even over enkele essentiële zaken na te denken, is hem dus vergeven.

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

15-11-10

GERUCHTEN: NEIL YOUNG, HOESTEN, VERLANGENS, HISTOIRES

 Achter me liggen enkele van mijn uitverkoren boeken: het verzameld werk van Paul Celan, de romans van Cesare Pavese (“Jouw land”), “Al keert het grote zingen niet terug” van Yeats, vertaald door J. Eijkelboom, een mooie naam voor een vertaler, “De dood zal komen en jouw ogen hebben” (gedichten van Cesare Pavese, waarin opgenomen ‘Lavorare Stanca’ wat zoveel betekent als ‘Werken is vermoeiend’), Abelélard’s “Briefwisseling met Héloise”, Dante’s “Het nieuwe leven”, de bekendste stukken van Euripides (in het Nederlands vertaald, ik ben niet echt een geletterd man) en een heel oude uitgave van Herman Gorters “Mei”. De rest staat min of meer alfabetisch boven in mijn grote kamer, waar ik nog zelden kom.  Alleen nog maar om er een boek op de grond te leggen als ik denk dat ik het heb uitgelezen. Of als ik er genoeg van heb. 


Terwijl ik dit schrijf hoor ik de schroeiende gitaar van Neil Young in ‘Sign Of Love’ uit ”Le Noise”. Wat voel ik, want een mens voelt, heeft emoties, wat denk ik, wie ben ik, hoe ben ik? Die schroeiende gitaar is net als bij Neil Young zelf voor mij een uitdrukking van mijn liefde voor jou. Feedback versterkt en verlengt die liefde. Eens de stilte intreedt is er geen liefde meer, is er niets meer. Maar ik ben er gerust in, Neil Young houdt niet op. En hij vergeet niet. In “Le Noise” komt alles wat hij ooit heeft gezongen, verwrongen, vernietigd, gecreëerd, liefgehad, terug. En ook iedereen die hij op zijn weg ontmoette, al was het maar een moment, kom je als luisteraar weer tegen. In elke song zit wel ergens een ‘Cinnamon Girl’ verborgen, niet eens verborgen, gewoonweg aanwezig. Neil Young heeft er zijn tijd voor genomen, zijn avonturen begonnen tenslotte al omstreeks 1965 in de donkere steegjes van Toronto, doodlopende straten waar Rick Danko en Richard Manuel in dezelfde periode liepen te kotsen van de bootleg whisky en al kotsend verlangden naar fatale vrouwen. ‘Love and war’, zingt Neil Young, nu rustig geworden, maar met alle onrust nog aanwezig. Je ziet het in zijn blik in de begeleidende films.
 

Maar ik dwaal af. Ik dacht na over mijn kamer. Ik dacht na over de onrust in mij. Waarom ben ik hier niet tevreden? Waarom wil ik altijd ergens anders zijn dan in deze symbolische baarmoeder? Voor mij staan duizenden vinylplaten, vraag me niet wat er allemaal in die collectie zit. Tien elpees van Al Green, vijftig of zo van Bob Dylan, the Rolling Stones tot ‘Tattoo You’, Joe Simon, ‘Two Steps From the Blues’ van Bobby Blue Bland, en tientallen klassieke langspeelplaten die ik ooit voor enkele forinten in Boedapest kocht. Mijn beste countryplaten komen van bij Louiske in de Hoogstraat in Antwerpen, 80 frank het stuk. Zo heb ik geheel toevallig Townes Van Zandt ontdekt, nog nagenietend van amfetamine en tequila, en van het dansen op punk rock en reggae in de Cinderella. Opeens was er ‘Loretta’,  en ‘No Place To Fall’.

Nu hoor ik Neil Young over diezelfde amfetamine zingen, waarschijnlijk van een betere kwaliteit. “I still couldn’t close my eyes… Then came paranoia…”

 

En opeens had ik een bankrekening. Een kaart waarmee ik mijn wijn kon betalen en andere dingen. En ik was dood voor de wereld. Ik werkte voor het geld, voor het brood. Ik heb het altijd opvallend gevonden dat ‘bread’ in het Engels gelijkstaat aan ‘geld’. Omdat het zo is. En opeens was er geheugenverlies. Mijn familieleden gingen dood. Ik vergat dat ik vrienden had. Soms nam ik een trein of zat in een vliegtuig naar hier of daar. De zon op mijn rug. Het zand. Bergen, de Atlantische Oceaan. In Amerika was ik heel even gelukkig. Ik bevond me in de studio waar Elvis ‘Blue Moon Of Kentucky’ had opgenomen, en waar Howlin’ Wolf en Ike Turner hadden gespeeld. Ik bezocht WDIA. En later stond ik bij de bruine, vuile Mississippi en schreef daar een gedicht voor mijn oude vriend Marc. ’s Avonds, in BB King’s Place, zong ik samen met een man die ik helemaal niet kende hele strofen uit ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’, een van de mooiste songs ooit gemaakt, vergelijkbaar met Bach. Peter, Steve, John – ik heb zijn naam nooit genoteerd.

 

In Antwerpen werd me een job aangeboden, filiaalhouder van een bankfiliaal. Ik haatte geld, maar uit wanhoop en geldgebrek ging ik er naartoe. De man met wie ik een sollicitatiegesprek had kende me uit de kunstgaleries en het nachtleven. Dit is echt niets voor jou, zei hij. Het zou je dood zijn. Beter arm dan voor een spaarbank te werken. Ik denk dat die man mijn leven heeft gered.

 

Alles wat ik schrijf is waar. Maar het is een lang verhaal. De rest schrijf ik de volgende dagen, weken, maanden, als het maar lang genoeg regent en als er voldoende jenever in huis is. En als ik geen bloed begin te hoesten, zoals de romantische dichters in de 19de eeuw deden. De voorbije dagen ben ik graag dronken geweest, om veel te vergeten maar ook om me veel te herinneren, want als je gedronken hebt komen herinneringen gemakkelijker naar boven, bijna zoals bij Proust als hij over een drempel stapt en een klok hoort luiden van Saint-Martin, of als hij een koekje in zijn thee dopt. Het is niet de madeleine, het is de geur van de thee die het doet. Het is de geur en de smaak van jenever, niet de feedback van Neil Young.  

 

Sinds ik jou ken vertel ik je alles wat ik me nog herinner. Dat doe ik al mijn hele leven lang. Maar sinds ik jou ken probeer ik ook te nuanceren, probeer ik mezelf te zien, niet als een held, of als iemand met een bijzondere gave, maar als een gewone, dronken nuchtere mens. Iemand zoals jij. Droef, en blij, en moedig, en en en. Met een hart verscheurd door liefde, ontgoocheling, verlangen, tristessa, bewondering, verwondering, pijn, genot, het onbekende, de onrust die dat alles teweeg brengt, waardoor je uiteindelijk zwijgt en voor je uitkijkt als een van  die Indianen van hout waar Hank Williams over zong en waar Neil Young zijn inspiratie ging halen, als zijn muze hem even in de steek liet. Dat zou ik niet kunnen. Ik kan niet zonder jou, mijn muze. Als jij er niet bent, is er niets meer. Literatuur is er sowieso al nooit geweest, en ik ken maar drie akkoorden. Kan ik zo door het leven, een oude, egoïstische, genotzuchtige man?

 

En op een mooie dag kwam rock ‘n’ roll. Neil Young, Elvis, Bob Dylan, Bo Diddley, Huilende Wolf, Hank, Jimi, PJ Harvey, Bessie, Wanda Jackson, Sly, Aretha’s jukebox, allemaal op de trein van Curtis Mayfield en dansend op de passen van James Brown. En we dronken bier en aten worstjes en  waren gelukkig, hand in hand. Dicht tegen elkaar op het gras op de grond. De geest was niet dood. De geest leeft. En als we elkaars stem horen of elkaars huid voelen of ruiken daalt de geest in ons neer. De geest die Elvis gek maakte, en Syd Barrett en Big Mama Thornton en Guitar Slim. Een vurige tong is het, zoals die van Patti Smith, die op een zachte manier al onze holtes penetreert om er het lied van de eeuwige vrede te zingen, en onze tegenstellingen met elkaar te verzoenen.

24-03-10

IN EUROPA


Voor Renée V.

Je dacht weer aan de heuvels waar je naar de zee keek
En de golven hoorde breken op betonnen blokken
En als je je omkeerde de vallei met haar zachte tinten
En  het aan het oog onttrokken geweld tussen mannen en vrouwen,
Gehuwd, gescheiden, verliefd, verloren (soms herboren).

Je zag illegale rook ten hemel stijgen, als offer
Aan een planetaire god, aan een alien, een engel.
Rook voor donkere wolken, nog onzichtbaar,
Om ze aan te zetten tot regen, tot vruchten in je schoot,
Aardse moeder, die ons willens nillens brood schenkt.

Je liep over wegen in Frankrijk, op weg naar andere geuren
Dan die van de lage landen, van aardse en hemelse,
Deuren naar een intenser, een sterker bestaan.
Op weg naar woorden die je uit boeken kende
Maar in je oren wilde horen klinken als in een kathedraal.

Je wandelde door Europa op zoek naar een dichter,

Langs overwoekerde paden in Italië en Duitsland,

Dante, Shelley, Hölderlin en Paul Celan achterna.

Maar wat zocht je? Het leven, de dood, nieuwe woorden?

Sporen, denk je, zocht je, levenstekens, genoegdoening.


Wat je zocht was je stem. Een rechtvaardiging voor je zijn

In de wereld. Je zijn dat er niet om gaf en waar niet

Werd om gegeven. Hoeveel je ook wilde geven.

Wat je zocht was een houding, een vaste grond onder je zinnen

En  bovendien een gemeenschap van geesten.

 
Nu ben je ouder en jonger en wijzer en dommer.

Je zit in een tuin waar nog niets bloeit, geen tomaten,

Geen appels, geen donkere en lichte gedachten.

Je voelt je uit een tijdloze winterslaap ontwaken

En ziet de herinnering aan bergen en paden vervagen.

Je bent thuisgekomen. Je bent jezelf. Niet iemand

Die om niemand geeft. Vanavond is iedereen je beminde.

 

16-12-09

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM II


John_William_Godward_Erato_at_Her_Lyre

Een virus in de darmen maakt me het leven zuur. Ik was er gisteren al bang voor dat het zou verergeren – en verergerd is het. Nu zal ik mijn vrienden en kennissen in Antwerpen en de muze moeten teleurstellen. Ik kan helaas niet deelnemen aan het eigenzinnige jubileum op het Conscienceplein. Door mijn zwakke gezondheid moet ik wel vaker mensen teleurstellen. Waardoor ik me dan schuldig voel en waardoor ik nog minder gezond word. Maar ik wil niet klagen. Ik wil de mensen die daar in Antwerpen de kou zullen trotseren voor Doel en voor moeder aarde een hart onder de riem steken. Jullie zijn moedig en sterk. Ik ben trots op jullie. In gedachten zal ik straks ook op het Conscienceplein zijn, een plein waar ik zoveel uren van mijn leven heb doorgebracht. Maak er een feest van, maak van het plein een mooie kleine wereld. Een schakel van een groter geheel.

 

En toch ook nog even het programma:

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM
Voor Doel en Mother Earth  - en voor een zeer kortstondige opwarming van de aarde, en meer bepaald op het
Hendrik Conscienceplein, Antwerpen
woensdag 16 december 2009

16u00 Antistresspoweet
16u15 Silke Vanhoof
16u30 David Vandepitte
16u45 Stille Beer
17u00 Michaël Vandebril
17u15 Dirk Elst
17u30 Christoffel Hendrickx
17u45 Frans Vlinderman
18u00 Bart van Peer
18u15 Dolf B Wolf
18u30 Koen Flameng
18u45 Niko Rubbens
19u15 Pierre Magis
19u30 Frank De Vos
19u45 Ferre Denis
20u00 Vincent Bio
20u15 Martin Pulaski (geannuleerd)
20u30 Wim Geysen en Hanne De Backer
20u45 Herman J. Claeys
21u00 Peter Holvoet-Hanssen
21u15 Didi De Paris
21u30 Luk Paard, Kristof 'Kristo' Van Hooymissen en Charles Jarvis"

Afbeelding: Erato.

11-07-08

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

 

Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

07-01-08

VOETNOTEN BIJ VIJF MODERNE AUTEURS


Stendhal is, denk ik, van mening dat je in een ‘systeem’ – of noem het een orde - kunt functioneren ‘dat’ als zodanig belachelijk is en voorbijgestreefd, en dat je er tot op zekere hoogte rechtstreeks aan kunt meewerken, maar dat je er tegelijkertijd kunt toe bijdragen dat datzelfde ‘systeem’ nog sneller achterop raakt - en dat je met je vindingrijke taal en je observatievermogen een parallelle wereld kunt opbouwen, die bijna dezelfde is, maar net een klein beetje anders, dank zij de ironie en het inzicht. Iets waarvan latere generaties rijkelijk gebruik hebben gemaakt. Essentiële boeken van Stendhal zijn: Le rouge et le noir, La Chartreuse de Parme. De beste editie is die in de Pléiade-reeks, maar er zijn talloze andere degelijke en goedkopere uitgaven en geleidelijk aan begint de Nederlandstalige lezer enige interesse te tonen in Stendhals werk, zodat het nu ook mondjesmaat weer wordt vertaald. In sommige gevallen zelfs voor de eerste keer, zoals onlangs gebeurde met Lucien Leuwen (vorig jaar verschenen bij uitgeverij Atlas).

Walt Whitman
maakt keer op keer duidelijk dat alles begrijpelijk is én wonderlijk tegelijkertijd, de wereld van de mensen en de machines (technè), en de wereld van de natuur en de elementen, alle vormen van seksualiteit en liefde, het platteland en de stad, oorlog en vrede, dat we voor niets moeten terugschrikken, dat we het geheel in ons omdragen, de kosmos.
Essentiële boeken van Walt Whitman zijn: Leaves Of Grass en Specimen Days. Talloze en soms elkaar aanvullende edities. Whitman heeft meerdere versies van Leaves of Grass gepubliceerd. Tot aan zijn dood heeft hij aanvullingen bezorgd en ‘correcties’ aaangebracht.

André Breton
staat voor de bekoring van de droom, het spel met woorden en taal, het objectieve toeval, de verleiding en wreedheid van het sprookje en de magische krachten en magnetische velden in de wereld. Als je er goed over nadenkt zijn de sixties en de psychedelische leefwijze een onrechtstreeks gevolg van de woorden van Breton.
Essentiële boeken van André Breton zijn: Anthologie de l’humour noir (de inleidingen), uitgegeven bij Jean-Jacques Pauvert en naar mijn weten nooit in het Nederlands vertaald; Manifestes du surréalisme, uitgegeven bij Jean-Jacques Pauvert in 1962; Nadja, uitgegeven bij Gallimard in 1963. Er bestaat een mooie vertaling van Laurens Vancrevel maar je zal er wel op zoek moeten naar gaan; en L’amour fou, uitgegeven bij Gallimard in 1937.

 

Malcom Lowry beschrijft de positieve kracht van alcoholisme, het waarnemen van de wereld met een door alcohol verstoorde zintuiglijkheid. De magische wereld die Mexico heet. De ultieme eenzaamheid van de scheppende enkeling zonder god of gebod. Meerdere baanbrekende romans en films zijn hieruit voortgesproten. Welke films? Zoek het zelf maar uit.
Essentiële boeken van Malcolm Lowry: Under The Vulcano, 1947, Jonathan Cape. In het Nederlands uitgegeven als Onder de vulkaan in 1998 bij De bezige bij.

Jorge Luis Borges
heeft het heel vaak over de onbetrouwbaarheid van de geschiedenis en de verhalenvertellers en hoe mooi het is dat de verbeelding en de literatuur die onbetrouwbaarheid aanvullen of versterken. Borges’ eigen verhalen zijn de bewijsstukken voor deze hypothese.
Essentiële boeken van Jorge Luis Borges: er bestaat een uitstekende selectie uit het verzameld werk van de meester, Werken in vier delen, uitgegeven bij De bezige bij in 1998. De data van de uitgaven die ik opgeef zijn onbetrouwbaar.

Het gaat over de edities die ik hier naast me heb liggen in mijn oververhitte kamer.

Voetnoot: Kennelijk kan ik niet meer tellen. Ik gaf dit stuk oorspronkelijk de titel 'Voetnoten bij vier moderne auteurs. Vermoedelijk was ik Malcolm Lowry vergeten. (8-1-08)

27-12-07

SLAM EN DE OBSCENE GRENZEN VAN PÖEZIE

Het is vreemd en opvallend dat er altijd weer enkelingen opduiken die graag op een podium gaan staan, een beetje hoger dan de andere mensen. Dat ze, zo lijkt het, door, gedurende de tijd dat zij, de enkelingen, zich boven hen verheffen wat lagere anderen, wensen beoordeeld te worden, en wellicht zelfs gestenigd of veel liever nog gekoesterd en begeerd.

En dat degenen die ervoor kiezen om tijdelijk een lagere plaats in te nemen, op de grond of op een ongemakkelijke stoel, en met te veel kleren aan, waardoor er gezweet wordt, graag om degenen die zich verheffen lachen, ze veroordelen, erom huilen, als het moet ze stenigen als waren ze martelaren, terwijl ze in dit bepaalde geval toch alleen maar de blues zingen – en sommigen hun gedachten laten afdwalen, laten afdalen naar de vreemden in henzelf aanwezig, en dat die laatsten, die weinigen, dan schrikken van dat vacuüm in hen.

 

Maar de dichters verlaten op tijd de zaal waar hoger en lager wordt gespeeld en keren huiswaarts, harden zich en wachten geduldig af. Af en toe peilen ze de diepte van hun afgrond, en soms lukt het hen een spoor te vinden van de weg die ze gingen toen ze de hoge, zacht glooiende heuvels van hun kinderjaren beklommen. Geduld moet je oefenen, zei de meester, daar komt het op neer, tot je het wijsje hoort, je diepste gezang. Van dat ogenblik af, en misschien al veel eerder, laat je je niet meer van de wijs brengen door harde stemmen en ingewikkelde manifesten op grijs papier gedrukt.


Het is vreemd dat er zulke mensen bestaan, die de ‘obscene grenzen’ die Lawrence Ferlinghetti ontwaarde nog langer willen bestrijden. En dat er anderen zijn die beamen wat Marcel Proust zei: degene die lijdt onder de liefde – als hij lijdt – is degene die ze ontvangt, niet degene die liefde schenkt. Maar hij moet het wel weten, anders is hij een dwaas. Alleen dwazen lijken gelukkig te zijn.

29-07-05

UITVERKOREN SCHRIJVERS


musil 2


Een 'lijstje' van mijn uitverkoren schrijvers.

Paul Auster, Douglas Coupland, Ian McEwan, Hanif Kureishi, TC Boyle, Don DeLillo, Allen Ginsberg, Jack Kerouac, James Cain, Dashiel Hammet, Raymond Chandler, Patricia Highsmith, Ross McDonald, Lucebert, Hendrik Marsman, Remco Campert, Geerten Meysing, Cesare Pavese, Giorgio Bassani, György Konrad, Milan Kundera, Franz Kafka, Robert Musil, Elias Canetti, Arthur Schnitzler, Hermann Broch, Carson McCullers, Virginia Woolf, Malcolm Lowry, Thomas Hardy, Henry James, August Strindberg, Knut Hamsun, Fernando Pessoa, Marcel Proust, André Breton, Antonin Artaud, Arthur Rimbaud, Wladimir Nabokov, Ivan Toergenjev, Alexander Poesjkin, Nicolai Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, Jonathan Swift, Heinrich Von Kleist, Giacomo Casanova, Giacomo Leopardi, Dante Alighieri, Friedrich Hölderlin, William Blake, Walt Whitman, TS Eliott, Sylvia Plath, WH Auden, Rainer Maria Rilke, Guy Debord, Raoul Vaneigem, Jacques Derrida, Michel Foucault, Roland Barthes, Friedrich Nietzsche, Arthur Schopenhauer, Jean Jacques Rousseau.

Het was echt wel tijd voor nog eens een lijstje, ik begon ontwenningsverschijnselen te krijgen. Je zal moeilijk kunnen zeggen dat dit triviaal is. En ik vermoed dat ik nog heel wat uitverkoren schrijvers over het hoofd heb gezien; ik heb geen bibliotheek in mijn nabijheid om dit na te gaan. Waarom staan Cervantes, Melville en Joyce er niet in? Toegegeven, dat zijn grote schrijvers, maar het zijn geen favorieten van mij.