24-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

Il_gattopardo_ballo01.jpg


Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

le coq.jpg



Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens "Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)" van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)
Sidney, Sylvia (Fury).jpg

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

claudia-cardinale-and-alain-delon-in-il-gattopardo-directed-by-luchino-visconti-1963.jpg

 

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, 'maar hij blijft een uitstekend acteur.' 
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
 ‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

helmut berger damned.jpg


Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.
WinnerTakeAll7.png



*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once' en 'Fury', van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: 'Il Gattopardo, Luchino Visconti'; Le Coq, Martin Pulaski; Sylvia Sydney in 'Fury', Fritz Lang; 'Il Gattopardo', Luchino Visconti; 'The Damned', Luchino Visconti; 'Winner Take All', Roy Del Ruth.

15-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN

shininf-hedge.jpg

Woord vooraf

Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.

Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.

‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende tien notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.

John Reed at desk.jpg

Dag 1: 2 november 2016 / Eight Days A Week

Het is mooi weer, maar er waait een koude wind. De metro naar het centrum heeft meer dan een kwartier oponthoud. “Zodra het metrostel kan vertrekken vertrekt het,” blijft de omroepstem herhalen. Waarom blijven we stilstaan? Heel wat reizigers stappen uit, verlaten het metrostation. Ik heb met enkele vrienden afgesproken om in de Aventure samen naar ‘Eight Days A Week’ te gaan kijken, een film over beatlemania, maar over zoveel meer dan dat merkwaardige fenomeen. Ik ben vooral ontroerd door de diepe vriendschap die er tussen de vier muzikanten bestond. Maar zeker ook door de muziek, lekker luid in de bioscoopzaal, die nog steeds fris en aanstekelijk klinkt. De periode in de loopbaan van the Beatles die mij echter het meest fascineert komt in de film niet aan bod, die na beatlemania, na de hectische tournees, de periode vanaf ‘Rubber Soul’, vanaf januari 1966. (1966 was overigens een magisch jaar voor de popmuziek en voor de jeugdcultuur. Jon Savage heeft er een zeer lezenswaardig boek over geschreven.)
Als we buitenkomen regent het. We haasten ons naar het fish & chips-eethuis Bia Mara aan de Kiekenmarkt, de straat – een markt is het niet - waar ik in juni 1997 op het nippertje aan de dood ontsnapte.

the_beatles 8 days.jpg

Mijn vrienden en ik vormen een genootschap dat ‘Renaldo & Clara’ heet. We wijden een klein deel van ons leven aan het werk van Bob Dylan. Maar vergis je niet. ‘Bob Dylan’ is een ruim concept. Zo valt ‘Eight Days A Week’ daar ook onder. Later, bij Jan in Elsene, kunnen we maar moeilijk ophouden met praten in plaats van te luisteren naar de muziek die op het programma staat. Het zit namelijk zo. Elke keer als we bijeenkomen hebben we een thema waarrond we elk vijf à tien songs verzamelen en die we dan samen in stilte beluisteren en vervolgens (soms) becommentariëren. Het is een beetje zoals mijn radioprogramma, Zéro de conduite. Maar op die Allerzielendag komen we maar niet toe aan de songs. Donald Trump gooit roet in het eten, vergif zelfs. Hij zou, o ramp, de verkiezingen wel eens kunnen winnen. Maar is Hillary Clinton dan zoveel beter? Zij vertegenwoordigt toch ook de elite, en wordt door Wall Street gesteund? We blijven de hele avond discussiëren en altijd belanden we bij de noodlottige Trump. Niet dat de andere naoorlogse Amerikaanse presidenten zoveel beter waren. Zelfs Obama was geen engel, wel integendeel. Alleen Jimmy Carter krijgt onze sympathie. Tijdens zijn bewind werden er joints gerookt in het Witte Huis. En als ik me niet vergis traden the Allman Brothers er op. Niet dat dat de wereld op zijn grondvesten deed daveren…
renaldo clara.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat een gesprek meer deugd doet dan met vrienden naar uitverkoren muziek luisteren, maar die avond gaan we desondanks met een goed gevoel naar huis. Althans, zo ervaar ik het. Ik heb het gevoel dat onze stemmen het naderend onheil, de Amerikaanse tragedie, voor een deel hebben geneutraliseerd. Alsof het goedaardige drones zijn geweest. Voor songs is er later nog tijd. Zelfs toen de Titanic aan het zinken was speelde het orkest door. En Geert Mak beweert dat we ons daar nu bevinden.

titanic musicians.jpg

 

31-10-16

AAN MIJ DE WRAAK

vengeance is mine imamura.jpg

Een man en een vrouw.

Een sterke vent trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Oosten naar het Westen.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen op haar donkere buik. Niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij neer in de schaduw van een magere vrouw. Ik heb genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de linkeroever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De volle maan vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Tijd verloopt.

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af. Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Brussel, 2010-2016

...

Afbeelding: Vengeance Is Mine, Shohei Imamura, 1979

02-08-16

KOORZANG: DYAB ABOU JAHJAH

colin-wilson-in-sleeping-bag-1956-2.jpg

Leven we in een tragische tijd? De vele koorzangen die je op menige plek hoort zouden er op kunnen wijzen. Maar uit hun vaak weinigzeggend en repetitief karakter kun je net zo goed afleiden dat we een grote komedie bijwonen. Dat is geen nieuwe vaststelling. Een boek van Slavoj Zizek kreeg als titel mee ‘Eerst als tragedie, dan als klucht’, waar hij de inspiratie voor vond in ‘Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie’ van Karl Marx. Een moeilijke en onzekere tijd is dit zeker wel. Velen onder ons sluiten zich af, ontvluchten wat de realiteit wordt genoemd. We zoeken een vertrouwde omgeving op, reizen af naar die schaarse plekken waar we hopen nog wat schoonheid of sporen van iets pastoraals te zullen aantreffen. Of we blijven gewoonweg thuis, in een hoek met een boek, of troost zoekend in de vluchtigheid van muziek en film. Sommigen worden radeloos, een kleine minderheid gaat over tot brutaliteiten, in sommige gevallen tot geweld. Geweld dat we weigeren te begrijpen. Geweld dat we altijd zullen verwerpen, zelfs al zouden we bereid zijn het toch in een begrijpelijke context te plaatsen.

Kritiek op de zwakke plekken van anderen is alleen maar mogelijk als je in jezelf ook zulke plekken aantreft. Je weet bijvoorbeeld heel goed dat je net zo goed meedoet aan het vals zingende koor, zelfs al doe je je uiterste best om te zwijgen.  Je bent geen schone ziel, je hebt altijd op zijn minst een beetje vuile handen.

De voorbije dagen bezong het koor de wederwaardigheden van Dyab Abou Jahjah en zijn ondervrager Thomas Erdbrink. Ik wilde afzijdig blijven. Maar vind mijn zwijgen hoe langer hoe moeilijker vol te houden. Ik wilde me vooral afzijdig houden omdat ik Dyab Abou Jahjah eigenlijk niet zo ken. Ik bedoel: ik heb geen duidelijk idee van zijn politieke strijd en van zijn werk. Ik heb alleen maar enkele opiniestukken van hem gelezen, die ik meestal pertinent vond. Deze aflevering van Zomergasten nu was verrassend goed. Alleen de inquisitoire toon van debutant Thomas Erdrbrink werkte me danig op de zenuwen. Had de man last van plankenkoorts, zag hij in zijn gesprekspartner een vijand, had hij duidelijke instructies gekregen om zijn gast zoveel mogelijk te onderbreken en hem strak aan de leiband te houden? Kennelijk waren er nogal wat kijkers die zich hadden geërgerd aan het vooruitzicht drie uur lang naar deze ‘outsider’ te moeten luisteren (en kijken). Was het daarom dat de gast zo hard werd aangepakt? Erg hoffelijk was het allemaal niet.
zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

De aflevering van Zomergasten was desondanks verrassend goed dank zij Abou Jahjahs verhaal en de beelden die hij had meegebracht. Maar wanneer is iets goed? Voor mij is iets goed als ik er mij in kan herkennen, als er (ziels)verwantschap is. Dat begon al goed met Colin Wilson, een schrijver en mysticus die op mij als jonge knaap ook veel indruk heeft gemaakt. Wilson heeft mij helpen beseffen dat ik een outsider was; wat ik altijd ben gebleven. De kritiek op het zionisme leek mij behoorlijk onderbouwd. Abou Jajah wordt uitgescholden voor racist en antisemiet. Daar heb ik in deze aflevering van Zomergasten niets van gehoord. Er is toch een duidelijk onderscheid tussen de ideologische term ‘zionist’ en het woord ‘jood’? Hoewel ik extreem gevoelig ben voor antisemitisme, de joodse cultuur is voor mij bij wijze van spreken heilig, heb ik er niets van gemerkt. Ik geloof dat ik nochtans aandachtig geluisterd heb. Het hoofdstukje over de Black Panthers wordt wel vaker getoond. Maar dat mag en moet zelfs. De uitroeiing van de Black Panther-beweging toont de macht van de staat aan, een macht die zich als zuivere negativiteit kan manifesteren. Een ander voorbeeld van dergelijke negativiteit van de staat is het gedrag van de Belgische politie, dat in sommige gevallen ronduit racistisch is (zonder te willen veralgemenen). Ondanks de paniekerige, schreeuwerige en naar het mij leek wat emotioneel verwarde Erdbrink bleef Abou Jahjah rustig en beheerst. Zijn uitspraken waren weloverwogen, ter zake. Ik zag erg mooie en ontroerende fragmenten, onder meer van een Tunesische zangeres, van Leonard Cohen en van Jacques Brel. Opvallend was dat in heel wat van het gekozen beeldmateriaal de spot werd gedreven met de georganiseerde godsdienst. Of dat die sterk in twijfel werd getrokken, zoals in ‘True Detective’. Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat Dyab Abou Jajah een volbloed romanticus is en een onverbeterlijke optimist. Zijn pleidooi voor Brussel als een nieuw Babylon – denk aan de utopie van Constant Nieuwenhuys - gaf mij meteen zin om mijn verdoemde stad met nieuwe ogen te gaan verkennen. Ik ben echter minder optimistisch. ‘La Bataille d'Alger’ van Gillo Pontecorvo is te realistisch, te levensecht, te zeer van deze tijd om mij toe te staan met gerust gemoed door onze straten te flaneren of onnadenkend een glas te gaan drinken in een coole bar.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

01-04-16

PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is - niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto's: Martin Pulaski, Brussel, 2013

24-03-16

ANDERE STEMMEN / OTHER VOICES

the indian-runner-3.jpg

Mag ik de lezer vragen zelf (mogelijke) verbanden te leggen tussen onderstaande fragmenten uit krantenartikels en songteksten?

“Mijn vrouw en ik gaan er al lang vanuit dat er aanslagen komen in Brussel. Het blijft schrikken als het echt gebeurt. Maar op het eind van de dag, is het ergste dat er geen lessen getrokken worden. Ik zie vandaag geen enkel teken dat onze politici tot inzicht gekomen zijn en een nieuw beleid gaan ontplooien. Ik zie meer van hetzelfde en dat belooft niet veel goeds. Niet voor onze burgers, niet voor burgers in andere werelddelen en al helemaal niet voor de democratie. Het is waarlijk een donkere dag.”

Ico Maly in De Morgen en Wordpress

*

“Anderzijds dringt zich een pijnlijke vraag op: als de betrokkenen bij deze gruweldaden toch zo goed bekend waren bij de veiligheidsdiensten, hoe is het dan mogelijk geweest dat we hen niet hebben kunnen controleren en tegenhouden?”

Bart Eeckhout in De Morgen

*

“Er zijn meerdere problemen tegelijk, schrijft Weiss. Er is een onvermogen om de moslimgemeenschap te betrekken, te voorkomen dat delen van die gemeenschap in "enclaves" blijven wonen en alle samenwerking met de ordemachten afwijzen - of dat sommige moslims meer solidariteit tonen met hun vrienden die radicaliseren dan met het land waarin ze wonen. Daarnaast hebben de inlichtingendiensten niet voldoende mensen om alle sporen te volgen. Om nog te zwijgen van de zes politiezones in Brussel, die de samenwerking niet bevorderen, en de soms moeilijke uitwisseling van gegevens met buitenlandse diensten.”

Michael Weiss, aangehaald in een artikel van Rudi Rotthier in Knack

*

“Why Belgium? Why Brussels? Why Molenbeek? There are the usual factors – unemployment, discrimination, split-identities  – which explain the alienation of young Muslims in other European countries. In Belgium, they have been intensified by the country’s own divided identity as Dutch and French speakers have drifted further apart in the last two decades. Most Muslim youths in Britain or France do consider themselves British or French. What should a youth of Moroccan origin born in Brussels consider him or herself to be? A Fleming or a Walloon? Or a Bruxellois?At the same time, the division of the country in all but name has undermined  the national or federal institutions – including the police, justice system and intelligence services. Belgian politicians now think largely in terms of their “regions” or language communities, rather than problems on a national scale. The different branches of the police and security services have infamously poor communications with one another. Hans Bonte, the mayor of Vilvoorde, a suburban town outside Brussels, once called Belgium’s security arrangements “a perfect example of organised chaos.”A country which regards itself as supremely international has become dysfunctionally preoccupied with parish politics.”


John Lichfield, The Independent

*

“Me and Franky laughin' and drinkin' nothin' feels better than blood on blood
Takin' turns dancin' with Maria as the band played "Night of the Johnstown Flood"
I catch him when he's strayin' like any brother would
Man turns his back on his family well he just ain't no good.”


Bruce Springsteen, Highway Patrolman

*


I met two kind people on the road
I was parched and dry from the cold
I've been traveling four days and nights, sir
and I do want to thank you for the ride
and the soup your wife made tasted fine
if it's all the same, I'll be on my way at the next turn
'cause I'm four days gone into running

Stephen Stills / Buffalo Springfield, Four Days Gone

"Ik zie elke dag zeer veel moslims die zich in mijn stad inzetten om radicalisme tegen te gaan. Zij worden vaak het hardst getroffen, en proberen hun kinderen te behoeden voor fanatisme. Wat is dat trouwens, de moslimgemeenschap? Die is zo divers en uiteenlopend. Deze zwarte dag is niet het moment om met de vinger naar een geloofsgemeenschap te wijzen. Dit bruut geweld heeft niets met godsdienst te maken."
Hans Bonte, Knack

the indian runner.jpg
Afbeeldingen: The Indian Runner, Sean Penn

23-03-16

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app...” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto's: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

21-03-16

IS HET NU GENOEG GEWEEST?

IMG_0196 tom cruise.jpg

Uvi, een van de goede vrienden die ik nooit heb gezien*, wees me op een opiniestuk van Luckas Vander Taelen. Het staat op de website van de VRT (DeRredactie.be), met als kop:  “Luckas Vander Taelen, houdt van Brussel, maar nu denkt hij: "Ça suffit, j'en ai marre." Hij hoopt dat nu eindelijk iedereen de realiteit onder ogen durft te zien en ootmoedig toegeeft dat men de problemen heeft laten verrotten.”

Wat de groene politicus en ex-zanger van Lavvi Ebbel zegt komt min of meer overeen met wat ik in mijn vorig stukje ook al schreef:

"Vanaf de jaren zeventig zijn hele wijken leeg komen te staan. Daar kregen gangsters, afpersers, corrupte politici en politiecommissarissen vrij spel. Daar maakte eendracht wel macht. Daar bevond zich de val voor immigranten die nergens anders welkom waren. Daar ontstonden de getto’s. Terwijl andere Europese steden, denk aan Kopenhagen, Stockholm, Amsterdam, Berlijn, zich vernieuwden, open en speelse plekken werden, werd Brussel een – bewust gecreëerde - ruïne."

Het is niet de eerste keer dat ik van Luckas Vander Taelen opiniestukken over dit onderwerp lees, met name over het dreigend gevaar van de islamisering van onze stad. Het komt er telkens op neer dat hij er nu genoeg van heeft, dat hij ons al jaren heeft gewaarschuwd voor wat er nu gebeurt. Maar wat heb je aan waarschuwen? Misschien heeft Vander Taelen ook werkelijk iets gedaan, dat weet ik niet zo goed. Hij is vermoed ik wel nog steeds politicus maar ik hoor weinig van hem. Dat lijkt me trouwens een typisch Brussels fenomeen: wij horen maar heel weinig van onze politici. Je moet al Le Soir lezen om een beetje op de hoogte te blijven, maar daar heb ik geen tijd voor.

De vraag is of het tij kon gekeerd worden. En indien dat kon, heeft Luckas Vander Taelen - of wie dan ook van de Brusselse** politici die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw door ons zijn verkozen – een stap gezet om dat tij daadwerkelijk te doen keren? Die indruk heb ik niet. Hoewel er altijd uitzonderlijke mensen zijn, die wel iets doen. Waarschuwen is ook niet niets, natuurlijk. Maar hoe vaak is het geen loutere paniekzaaierij? Zelf denk ik niet dat het tij kan gekeerd worden. Tegen de gang van de geschiedenis staan wij min of meer machteloos, hoewel wij zelf toch ook de geschiedenis maken. Er maar wat op los leuteren, zoals ik nu in zekere zin doe (zou je kunnen opwerpen), opinies en meningen verkondigen, stelt niet veel voor. Grote stromingen bepalen ons leven. Wie kon de nazi’s stoppen, wie Stalin? Terwijl het uiteraard toch goed was dat, om maar een voorbeeld te geven, een groot deel van de bevolking protesteerde toen de Sovjets met hun tanks Praag binnenvielen. Maar het tij werd niet gekeerd. Dat gebeurde pas veel later, in 1989, met de val van de muur. Wie had dat zien aankomen?

Maar laat me terugkeren naar Brussel. In plaats van taalstrijd en verfransing en alle mogelijke vormen van corruptie – denk aan het Manhattanplan van VDB en Charly De Pauw – hadden we meertaligheid, verstandhouding, directe democratie, solidariteit moeten krijgen, moeten eisen.
We hadden komaf moeten maken met de typische Brusselse onvriendelijkheid, neerbuigendheid en onbeschoftheid. Zolang ik hier woon is vriendelijkheid ver te zoeken geweest. België is geen gastvrij land, Brussel is geen gastvrije stad, integendeel. Hoe behandelen wij al tientallen jaren onze gasten? We doen alsof ze niet bestaan, net als aan de bedelaars en de daklozen lopen we aan ze voorbij: ze zijn onzichtbaar.

Waarschuwen en blijven herhalen dat je gewaarschuwd hebt haalt niets uit. We moeten ons afvragen wat we kunnen doen. Welke goede daden onze stad en onze gemeenschap leefbaarder en zachtaardiger kunnen maken. Of is het daar nu te laat voor?

IMG_0119 zuidstation.jpg

*om Neil Young te parafraseren
**ik heb het over Groot-Brussel, de negentien gemeenten
...
Foto's: Martin Pulaski, Brussel, 2013

17-03-16

MET HET OOG OP VORST, BRUSSEL, BELGIË

IMG_9928.JPG

Je vroeg me hoe het met me gaat. Als ik door het raam van mijn werkkamer kijk zie ik rechts van me Altitude 100, in Vorst. Vorst... Nog niet zo lang geleden dacht ik bij de naam van die Brusselse deelgemeente onwillekeurig aan onvergetelijke concerten: the Who, Bob Marley & the Wailers, Neil Young, Talking Heads, Bob Dylan. Nu echter ziet mijn geestesoog meteen een beeld van zwaar bewapende en gemaskerde soldaten op een dak, het geweer in de aanslag. Shoot To Kill. Wie had dit tien, vijf jaar geleden kunnen denken? Zelfs vorig jaar, na de aanslag op Charlie Hebdo? Wat is er met België, met Brussel gebeurd? What’s happening, brother? What’s going on? Ik hoor de stem van Marvin Gaye, maar vandaag biedt ze geen troost.

Een soort van ‘vaderlandse trots’ – waarmee ik iets helemaal anders dan nationalisme bedoel - is in dit land haast ondenkbaar geworden. Je land is verbrokkeld, versplinterd, zijn inwoners zijn wanhopig, onverschillig, lethargisch. Of zo lijkt het toch vaak. Gelooft nog iemand dat de diversiteit, de schat aan invloeden van bevolkingsgroepen die ons uit de vier windstreken tegemoet komen, onze gemeenschappelijke cultuur zou kunnen verrijken? Nochtans hebben wij zo’n mooie leuze: eendracht maakt macht / l’union fait la force. Hoewel ik ‘macht’ liever zou vervangen door ‘solidariteit’ of ‘democratie’. Gelooft iemand nog in die eendracht? Ik heb niet de indruk. Jarenlang hebben zowel Vlaamse nationalisten als Franstalige taalpuristen het streven naar een gemeenschappelijke culturele identiteit tegengewerkt. Ze hebben er alles voor gedaan om dat ‘eenheidsideaal’ te bestrijden, belachelijk te maken. Het werd ouderwets, voorbijgestreefd, inefficiënt genoemd. Een kleine groep fanatici van ‘nationalisten’ heeft hard (of is het ‘noest’?) gewerkt. Hun aanhoudende strijd voor een eigen volk, een eigen stuk grond heeft resultaten geboekt. Egoïsme en haat zijn aanstekelijk. Kortzichtigheid is van alle tijden. Het ziet er werkelijk naar uit dat het separatisme, de ideologie van het ‘eigen volk eerst’, het heeft gehaald. Een ideologie die de richting ingeslagen is van een almaar grotere verschraling, op elk gebied. Verwarring, domheid, platheid, vijandigheid, intolerantie steken overal de kop op, meest van al op televisie en in de fora. Alles wat uit de band springt wordt met argusogen bekeken. Het ‘andere’ en ‘de vreemdeling’ worden verafschuwd. De ‘vluchteling’ wordt gevreesd, opgesloten, bestolen.

De Belgische identiteit is een niet te verwezenlijken utopie geworden. ‘Schone kunsten’ zijn er voor een elite. Voor de massa is er VTM en RTL en erger. Voor het Vlaamse volk is er ‘Het Laatste Nieuws’ en moord en doodslag; de schone zielen dromen weg bij de culturele en culinaire bijlagen van de ‘kwaliteitskranten’. Bijna iedereen vindt het normaal dat we in aparte werelden leven.
België heeft geen eigen gezicht. Pralines, wafels, chocolade, wielrenners, Rode Duivels, taalstrijd en nu jihadi’s. Veel meer weten buitenlanders over ons niet. Nee, van België is niets terechtgekomen.
Wat nu gedaan?

En Brussel? Brussel, hoofdstad van dit land en van Europa, wordt vooral door zowat iedereen gehaat. Het is een olievlek, zeggen de mensen. Een oord des verderfs. Misdaad en terrorisme tieren er welig. Het nieuwe onkruid. De Vlamingen zijn bang voor Brussel en de Walen voelen zich er niet thuis. Iedereen die het zich kan veroorloven vertrekt naar de rand of verder. Dat proces is al lang aan de gang. Vanaf de jaren zeventig zijn hele wijken leeg komen te staan. Daar kregen gangsters, afpersers, corrupte politici en politiecommissarissen vrij spel. Daar maakte eendracht wel macht. Daar bevond zich de val voor immigranten die nergens anders welkom waren. Daar ontstonden de getto’s. Terwijl andere Europese steden, denk aan Kopenhagen, Stockholm, Amsterdam, Berlijn, zich vernieuwden, open en speelse plekken werden, werd Brussel een – bewust gecreëerde - ruïne. Met de Grote Markt, de Zavel en de Louizalaan voor de toeristen en de Dansaertstraat voor de vooruitstrevende shoppers. Ach, ach, ach.

En nu kijk ik door het raam en zie daar Altitude 100 in de mist liggen. De terreur van het geld, van de bankiers en van de onverschilligheid zal niet blijven duren. Over tien jaar is ook Brussel een welvarende, speelse en innovatieve stad. Ik geloof dat echt. Ik zie het in de cafés waar jonge mensen zitten te praten en na te denken en plannen te smeden. Revolutie, de vreedzame variant, hangt op zulke plekken in de lucht. Daar geloof ik in. Maar België? Dat weet ik werkelijk niet.

[Uiteraard komt hier nog een vervolg op. Het leven in de hoofdstad is niet alleen maar kommer en kwel. De innovatie is al volop bezig. Er worden bewonderenswaardige initiatieven genomen. Meestal gaan die van individuen en kleine groepjes uit. Jammer genoeg krijgen zulke projecten te weinig aandacht. En het gaat ook traag. Op de tijd die uitgetrokken wordt om de Anspachlaan te verfraaien wordt in China een nieuwe miljoenenstad gebouwd.]

IMG_9957.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Vorst, 2014.

 

09-03-16

EEN DAG IN HET LEVEN VAN EEN LEZER

the-reader-.jpg


Alles went. De engel die je tot verdervens toe bemint.
Ongevleugeld, blond als een Picasso, maar minder duur.
Het rijk van de krokodillenvorst, economisch rendabel, dat na
Een kort en hevig bloeden met man en macht ten onder gaat.
De wispelturige zo te zien ongewervelde nachtegaal
Van het lichte lied, in het hele land geliefd: een ordinaire dief.

De trots van de hoofdstad, Financiën, aan metamfetamine-
Fabrikanten verkocht, de uitvoerders hun handen wit van sneeuw
In Zwitserland van het golfen en skiën en surfen op de golven
Van weduwenverdriet, van kinderen zonder dagdroom, kogels
Voor dierbare vrienden, vogelaars. Honden, wordt gezegd.
In de riolen dappere kunstkrijgers op de vlucht voor bankiers.

Alles went. Zelfs een rijmelende vent, rentenier op en top,
tientallen dwazen verenigd op een veld, of doodgemoedereerd
In een tentenkamp, Yves Klein-blauw. Winterkoningen vanuit
Vertes aanschouwd, op blauwbetaalde microschermen. Geld groeit
Op je rug, violen aan de bomen. Vlees gekeurd, verser dan de dauw,
Maar wat dacht je dan, lieveling, vertrouw je me voor een cent?

 

01-03-16

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.
Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk - in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, - nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.
mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

19-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN ii

0Rimbaud Henri_Fantin-Latour_005.jpg

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok.
(Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.
0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?

 

10-12-15

BRUCE SPRINGSTEEN 26 APRIL 1981

BRUCE SPRINGSTEEN-2-23-81.jpg

Ik zag Bruce Springsteen & the E-Street Band maar één keer, op zondag 26 april 1981. Samen met mijn levensgezellin, mijn beste vriend Jos Dorissen, zijn broer Luc en zijn vriend. Onderweg van Antwerpen naar Brussel, op ongeveer twintig kilometer van onze bestemming, kregen we pech met de auto. We moesten hem achterlaten en in de gietende regen liftend Vorst zien te bereiken. We hadden al gauw een lift tot het Meiserplein en van daar namen we de taxi. Zo kwamen we nog net op tijd voor het begin, om stipt half negen. Natuurlijk waren we zeer onder de indruk. Een van de beste optredens die we ooit hadden meegemaakt, vonden we. Hoogtepunten waren ‘This Land Is Your Land’, ‘Badlands’ en ‘Independence Day’. (Dat laatste vind ik in mijn dagboeknotities terug.)

Na het concert was het te laat voor de laatste trein. Jos, Agnes en ik brachten de nacht door in De Dolle Mol in de Spoormakersstraat. Helemaal niet moe, integendeel, boordevol energie van het wellicht meest geestdriftige concert dat ik ooit bijwoonde.

Vandaag vond ik de setlist terug.

Follow That Dream
Prove It All Night
Out in the Street
The Ties That Bind
Darkness on the Edge of Town
Independence Day
Who'll Stop the Rain
Two Hearts
The Promised Land
This Land Is Your Land
The River
Badlands
Thunder Road
Cadillac Ranch
Sherry Darling
Hungry Heart
Because the Night
You Can Look (But You Better Not Touch)
Fire
Stolen Car
Racing in the Street
Backstreets
Ramrod
Rosalita (Come Out Tonight)

Encore:
Born to Run
Detroit Medley
Rockin' All Over the World



Nu verbaast mijn toenmalige opwinding me helemaal niet meer. If I could turn back the hands of time

BRUCE SPRINGSTEEN-2.jpg
Foto's: boven:onbekend; onder: Frank Stefanko (?).

22-09-15

WEITERMACHEN

2015-09-BERLIJN 825.JPG


Na twee weken in Berlijn, zo dichtbij en toch een andere wereld, kijk ik weer door hetzelfde raam van mijn zelfde kamer naar andere wolken. Heel wat donkerder dan veertien dagen geleden. Verhuizen naar daar zit er voorlopig niet in. Al deze boeken wegen zo zwaar. En echt slecht is het hier nu ook weer niet. Alleen moeten we ervoor zorgen dat dit land opnieuw een democratie wordt. Eén keer het nieuws beluisteren en ik weet al genoeg: uitsluiting, uitstoting, intolerantie, enggeestigheid, angst, onderdanigheid en berusting bepalen het dagelijks leven hier. Laten we dat veranderen. Liever lief, was het motto van onze jeugd. Waarom niet opnieuw dat motto hanteren? Maar nooit liefde voor degenen die geen liefde kennen, degenen die alleen maar haat en onverdraagzaamheid schijnen te kennen.

Ik blijf de geest van opstandigheid en dwarsheid trouw. Ouder maar tegelijk jonger, op zoek naar andere jonge soul rebels. De revolutie waar ik deel van uitmaak heeft nog altijd geen naam. Haar oorsprong ligt in de jaren vijftig en zestig, in rock & roll, fluxus, beat, summer of love, happenings, Angela Davis, Rudi Dutschke, Albert Camus (L’homme révolté), Georg Groddeck, Norman O. Brown, Bucky Fuller, Donovan, Jimi Hendrix, Bob Dylan, Patti Smith, Antonin Artaud, Henry Miller, Anais Nin – je kent de namen, je kent de muziek. De revolutie waar ik deel van uitmaak is mooi en chaotisch, ze begint elke dag opnieuw, soms val je er bij neer, maar altijd sta je weer op en groet dan de dingen en de mensen, die vaak toch goed zijn. Nooit is in onze revolutie iets zeker, nooit iets af, altijd zijn er mogelijkheden, mogelijkheden, mogelijkheden. En ons andere motto las ik op Herbert Marcuse’s grafsteen: Weitermachen!

...

Foto: Martin Pulaski, Berlijn, 18 9 2015.

12-06-15

DE BOMEN VAN ANDERLECHT

IMG_2813.JPG

Brussel is op cultureel gebied wellicht een van de rijkste steden van de wereld. Dat stelde ik gisteren nog een keer vast tijdens een wandeling door Schaarbeek en Sint-Joost-Ten-Node. Tientallen talen, culturen, manieren van zich te kleden… Winkels en cafés in alle vormen en kleuren, en restaurants met ongeveer alle gerechten van de wereld op het menu.  Geen Michelin-sterren, gelukkig niet.

Maar dan stap ik in Anderlecht aan Veeweide uit de metro en zie de omgezaagde bomen in wat sinds mensenheugenis het Stadium wordt genoemd – en woord dat in beton gebeiteld is. Het Stadium, dat eigenlijk een speelpleintje, een klein parkje en een voetbaloefenveld is, is voortaan geheel blootgesteld aan de genadeloze zon. En dan overvalt me de boosheid die me nu al weken, misschien wel maanden, overvalt telkens als ik in die buurt kom. Een vijftiental prachtige oude bomen, kastanjes en als ik me niet vergis ook linden, werden er verwijderd. Opeens waren ze in stukken gezaagd. Misschien gebeurde het op een nacht, stiekem. De in stukken gezaagde boomstammen liggen er nog altijd. Alsof het om een conceptueel kunstwerk gaat. In de zomer, op een dag als gisteren, zorgden die bomen voor een verkwikkende schaduw. Als het regende vormden zij een dak boven je hoofd. In de lente verspreidden zij een geur die de uitlaatgassen enigszins neutraliseerde. Altijd dempten zij het lawaai van het eeuwige verkeer van en naar de ring en de steenweg naar Bergen.

De bomen zijn weg. Op geen enkel ogenblik werd ik als buurtbewoner over deze ingrijpende beslissing geïnformeerd. Het Anderlechtse gemeentebestuur kent geen overleg, geen inspraak, niets. En de bevolking is apathisch geworden, laat begaan, berust, loopt terneergeslagen – en bang - door de betonnen straten en vlaktes. Onze stemmen even stil als het oprukkende asfalt. De enigen die wellicht glunderend in hun handen wrijven zijn de bouwondernemers, de projectontwikkelaars, de managers en de ‘toppolitici’. Maar met uitzondering van die laatste groep zien we die mensen niet. Zitten ze te vergaderen of liggen ze in een hangmat ergens in de schaduw van een ginkgo biloba of een Libanese ceder? De laatste groep, die van de Anderlechtse politici, vertelt onzin en liegt dat ze zwart ziet.
 
En dit is nog maar het begin van het verhaal, en niet eens het begin, want het is al lang bezig. Binnenkort moeten de linden op het Dapperheidsplein, met de oude kerk van Sint-Guido, de parel van Anderlecht, er ook aan geloven. Er komt een parking op het plein en die bomen staan in de weg, zegt de burgemeester. Mocht ik Sint-Guido zijn, ik zou naar Jeruzalem terugkeren.

IMG_1971.JPG

IMG_1975.JPG

IMG_1974.JPG
Foto's: Martin Pualski, 2015

22-12-14

HET CAFÉ VAN DE VERLOREN JEUGD

modiano.jpg

“Als ik zou vallen, zouden de andere mensen op de boulevard de Clichy gewoon doorlopen. Ik hoefde me geen illusies te maken. “
Dat las ik in ‘In het café van de verloren jeugd’, een roman van Patrick Modiano, verschenen in 2007.

Het café van de verloren jeugd was een stamcafé van Guy Debord. Maar zeker niet alleen van hem. Ik heb er gezeten tot voorjaar 2011, al lang voorbij de leeftijd van een oudere jongere. Meermaals ben ik gevallen. Eén keer lag ik een half uur in het midden van de straat, niet meer tot bewegen in staat. De autobestuurders reden langs me heen, de voetgangers vervolgden vrolijk hun weg, nog wat badend in de late zon van een dag in juni. Sindsdien maak ik me weinig illusies. De weinige illusies die ik wel nog heb, houden verband met vriendschap. Alleen je vrienden laten je niet vallen, en als je dan toch valt, laten ze je niet liggen. 

14-12-14

DE BETOVERING VAN BOEKEN

viva 6.jpg

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. Gisteren trof ik in Brussel zo’n onzichtbare, ondergrondse stad aan. Ik had altijd al wel een vermoeden gehad dat ze bestond, maar nu weet ik het zeker.
Om vijf over tien kwam ik in het Hotel van Cleve in de Ravensteinstraat aan, goed op tijd dacht ik voor de boekenverkoop van het Filmmuseum (officieel Cinematek, een naam waar ik me nooit mee zal verzoenen), een van de fijnste instellingen van dit land. Enigszins verbaasd stelde ik vast dat er al vrij veel boekenliefhebbers in de grote ruimte aanwezig waren. In haast volstrekte stilte, alsof ze een eredienst  bijwoonden, stonden ze over tientalen dozen vol schitterende boeken over voornamelijk film gebogen. Ik zag dat sommigen al flinke stapels torsten. Het kleine publiek hier riep herinneringen op aan de tijd toen ik filosofie studeerde, evenals aan de periode dat ik ongeveer vijf avonden per week in het Filmmuseum doorbracht. Ernstige, gepassioneerde mensen, vervuld van een hartstocht voor schoonheid, voor wat ik alleen maar ‘het geestelijke’ kan noemen. Ieder voor zich maar toch verenigd in dezelfde passie.

Wat een prachtige boeken voor zo weinig geld. Het stemt wel tot nadenken dat ze nog maar zo weinig waard zijn; in Hotel van Cleve gemiddeld drie euro. Nieuw hebben ze stuk voor stuk een tienvoud gekost. Sommige zijn collector’s items. Maar ze moeten dan wel een collector vinden die erin geïnteresseerd is.

Hier een lijst van de trofeeën waarmee ik naar huis ben teruggekeerd. Gelukkig was ik niet alleen of ik had de helft van wat ik had geselecteerd achter moeten laten.

pierre_clementi_theredlist3.jpg

John Ford, door Joseph McBride en Michael Wilmington, in de mooie Cinema Two-reeks van Secker & Warburg.
Faulkner and Film, door Bruce F. Kawin. Over de interactie tussen film en literatuur, met aandacht voor de verfilmingen van Faulkners romans en de originele scenario’s van de schrijver.
Abel Gance, door Norman King, British Film Institute Books. Over een van mijn favoriete regisseurs, met veel aandacht voor zijn meesterwerk ‘Napoléon’. In ‘Napoléon’ speelt Abel Gance de rol van Saint-Just, wat geen toeval is.
Fields For President, door W.C. Fields. Een pocketuitgave uit 1972, toen Fields opnieuw werd erkend als een van de grootste komieken ooit, “one of the original antiheroes so currently in vogue with today’s “let it all hang out” generation.”
Memoirs of a Mangy Lover, door Groucho Marx. “The craziest Don Juan in the history of seduction.”
Samuel Fuller, door Nicholas Graham, in de Cinema One-reeks in samenwerking met het British Film Institute. Graham onderzoekt de thema’s en methodes van de grote Amerikaanse filmregisseur.
Quelques messages personnels, door Pierre Clémenti. Pierre Clémenti was een van de antihelden van mijn generatie. Hij acteerde in films van onder meer Bertolucci, Pasolini en Buñuel. De mooie, lieve jongen zat twee jaar in een Romeinse gevangenis opgesloten vanwege bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne, zeer waarschijnlijk door de politie zelf in zijn kamer verstopt. Zo ging de gevestigde orde in die dagen om met wat nu iconen worden genoemd, in het oog springende exponenten van de tegencultuur. Brian Jones, Julian Beck en Judith Malina zijn andere voorbeelden.
The Rolling Stone Inverviews, Vol 2, verschenen in 1973, toen Rolling Stone nog een links tijdschrift was, een van de invloedrijkste bladen van de tegencultuur. Interviews met o.m. Bob Dylan, Van Morrison, Johnny Otis en Leon Russell.
Child of Satan, Child of God – Her Own Story, door Susan Atkins en Bob Slosser. Dit heb ik gekocht om mijn honger naar de Manson Family te stillen. “When she met Charles Manson, she felt she had met the world’s savior.” Het ironische is dat Susan Atkins er duivelser uitziet nadat ze de Heer heeft gevonden dan toen ze discipel was van Manson.
Superstar, door Viva. Hier ben ik werkelijk heel blij mee. Ik zoek er al tientallen jaren naar. Ooit gelezen in een vreselijke Nederlandse vertaling.
“The scandalous bestseller by the Underground film idol.” “A smashing stag movie set between covers!”.
Lovesick Blues. The Life Of Hank Williams, door Paul Hemphill. Verschenen bij Viking in 2005.
The Life and Times of Little Richard, door Charles White.
De schrijver wordt Dr. Rock genoemd, niet alleen omdat hij geneesheer is. En Little Richard? “After hearing Little Richard on record I bought a saxophone and came into the music business. Little Richard was my inspiration.” Dat zegt David Bowie.
Don’t Tell Dad. A Memoir, door Peter Fonda. Ik ken betere acteurs en regisseurs dan Peter Fonda, maar hij komt uit een bijzonder interessante familie en hij was een van de jongens die de sixties een gezicht gaven. Dit is het boek waar ik het meest nieuwsgierig naar ben.
Elia Kazan. A Biography, door Richard Schickel, uitgegeven door HarperCollins in 2005. In weerwil van zijn verraderlijke hart ben ik een groot bewonderaar van zijn werk.
Hoe kan het anders, met films als ‘A Streetcar Named Desire’, ‘On the Waterfront’, ‘America America’, ‘Baby Doll’ en ‘The Arrangement’?
Adventures Of A Suburban Boy, door John Boorman. Boorman is de regisseur van onder meer ‘Point Blank’, ‘Hell In the Pacific’, ‘Deliverance’ en ‘Zardoz’. Paul Auster schrijft over dit boek het volgende: “Boorman proves himself to be a master storyteller in this beautifully and deeply affecting memoir.”

Om elf uur verliet ik de onzichtbare stad en keerde met twee papieren zakken vol  leven, lijden en dromen – maar ongetwijfeld ook inzichten en levenslessen - terug naar onze eenzame vertrekken. Nu hoop ik alleen maar dat de winter heel lang mag duren. Geen donkere, maar stralend lichte dagen, zodat de blik scherp is en de letters duidelijk afgetekend zijn op het soms al wat vergeelde papier.

the-hired-hand-peter-fonda.png

Afbeeldingen: Viva en Agnes Varda tijdens het draaien van 'Lion's Love'; Pierre Clementi; Peter Fonda in 'The Hired Hand'.

29-11-14

HERMAN CLAEYS EN DE VRIJHEID

herman claeys 002.jpg


Herman Claeys was een goede vriend van me. Hij heeft veel miserie gekend, onder meer door zijn onvoorwaardelijke inzet voor de vrijheid van meningsuiting en voor de vrijheid in het algemeen, maar dan wel niet in de betekenis die vrijemarkt-economen en allerlei liberaal gespuis in maatpakken eraan geven. Zijn Free Press Bookshop in de Spoormakersstraat te Brussel was een unieke onderneming. Elke keer als je er binnenstapte was het alsof je een betoverde wereld betrad. Alle bestaande wetten vielen er weg, tenzij misschien die van de zwaartekracht. Toen ik pas in Brussel woonde, in september 1969, miste ik mijn lijfblad Aloha en een aantal andere undergroundtijdschriften, waaronder Rolling Stone, International Times en Chicago Seed.

Nog in Limburg was ik altijd naar Maastricht gefietst om mij van boeken, elpees en tijdschriften te voorzien. Omstreeks 1966 was Hitweek, dat later Witheek en tenslotte Aloha werd, mijn lijfblad geworden. Samen met de boeken ‘Vogelvrij’ en ‘Weergaloos’ van Simon Vinkenoog veranderde het unieke tijdschrift mijn leven. Achteraf beschouwd weet ik niet of dat al dan niet een zegen was. Alleszins begon ik te beseffen dat er dingen als vrijheid, communicatie, expressie, liefde, seks, genot en roesmiddelen bestonden. In het Atheneum in Tongeren stond ik eerst alleen met de opvattingen die ik bij Vinkenoog en in Hitweek had gelezen, maar gaandeweg ontmoette ik enkele jongens – en buiten de school ook meisjes - die interesse toonden voor de nieuwe en frisse ideeën die toen in de lucht hingen. Opeens leek het leven een droom te worden, geen geparfumeerde nachtmerrie, maar een échte dagdroom, helder en mistig tegelijk en overal kon je de geur van seringen en lelies ruiken en in groten getale vlogen de roodborstjes om ons heen. De sixties zijn omstreeks 1965 begonnen en ik schat dat zo’n twee procent van de Belgische jongeren van toen er iets van hebben opgevangen; in steden als Antwerpen, Gent, Brussel en Charleroi misschien vijf procent. Daarom ging ik steevast in Maastricht op zoek naar voedsel voor de geest. Nederland was toen een gidsland, weet je wel.

Maar goed. In Brussel ontdekte ik door toedoen van een nieuwe vriend de Free Press Book Shop. Wat later opende Herman Claeys de beatnikkelder De Dolle Mol aan de Kaasmarkt, waar vooral schrijvers zich thuisvoelden. Op de Kaasmarkt hingen de Brusselse hippies rond, tot ze er weggejaagd werden door de Belgische Opsporingsbrigade. Er moest plaats worden gemaakt voor toeristen en pitatenten. In 1971 heb ik als barman in De Dolle Mol Herman Claeys beter leren kennen. Hij was niet altijd even prettig in de omgang, maar dat was ik zelf ongetwijfeld ook niet. De rest van het verhaal over Herman en De Dolle Mol heb ik hier al eerder verteld, naar aanleiding van zijn overlijden op 29 december 2009, nu alweer bijna vijf jaar geleden.



IMG_0945.JPG

Foto's: fotograaf foto Herman Claeys onbekend, foto Hitweek: Martin Pulaski, 29 11 2014.

28-11-14

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen - ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten 'Vrouwe van Neerharen'. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimpbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen - bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.
bio15 001.jpg

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


1 2 3 4 5 6 7 8 9 Volgende