21-02-16

DODE FICTIES

labyrint-the shining.jpg
“Het interessante probleem is niet of de fictieve personen op dezelfde wijze bestaan als de werkelijke personen. (…) Het interessante probleem is waarom we aan hen op dezelfde wijze kunnen refereren als aan de werkelijke personen, en we elkaar even goed begrijpen als we zeggen dat Napoleon de man van Joséphine was, als wanneer we zeggen dat Odysseus de man van Penelope was.”
Umberto Eco, ‘Over het andere been van Achab’, in ‘Kant en het vogelbekdier’, 1997.

Op 19 februari overleden twee auteurs die je mythisch zou kunnen noemen. Ja, liever gebruik ik het woord ‘mythisch’ dan ‘iconisch’. Ik ken maar één soort iconen: afbeeldingen van Christus, de Moeder Gods en heiligen. De rest is mediagebral. Maar een auteur mythisch noemen is misschien wat gewaagd, want je maakt er op die manier een fictie, een fabeldier van. Zo dringt zich de vraag op of fabeldieren schrijven kunnen. Umberto Eco en Harper Lee konden dat heel zeker, ook al heb ik er weinig van gelezen. Of ik ‘To Kill A Mockingbird’ heb gelezen kan ik me zelfs niet herinneren. Het zal dan wel niet. Wel zag ik ooit de film met Gregroy Peck, en die vond ik grandioos. A. heeft nog niet zo lang geleden de Nederlandse vertaling van de roman gelezen en er mij veel over verteld. Eigenlijk ken ik Harper Lee alleen maar uit twee films over Truman Capote, ‘Capote’ (2005) van Bennett Miller, met Philip Seymour Hoffman als Capote en Catherine Keener als Harper Lee en ‘Infamous’ (2006) van Douglas McGrath met Toby Jones als Capote en Sandra Bullock als Harper Lee. Hiermee is al bewezen dat wat mij betreft Harper Lee, ook al heeft de vrouw echt bestaan, een mythische schrijfster was.
0harperlee-capote.jpg

Umberto Eco mag voor mijn part ook een mythe worden genoemd. Omdat ik niet zo vertrouwd ben met semiotiek, hoewel ik me in de praktijk met bijna niets anders bezighoud, heb ik van deze Italiaanse cultuurreus ook maar weinig gelezen. Toen ik filosofie studeerde ben ik een beetje vertrouwd geraakt met zijn theorie van het open kunstwerk (zie ‘Het open kunstwerk’, dat al in 1962 verscheen). Maar ik heb me er niet in verdiept. Toen ‘De naam van de roos’ een bestseller werd was ik Umberto Eco al vergeten. Dat was in een periode waarin ik geradicaliseerd was. Alles wat succes en marktwaarde had maakte me op de een of andere manier boos. Een kunstenaar, een schrijver moest zich ver van markten, banken en beurzen ophouden. Ik weigerde bestsellers te lezen, al zag ik wel films als Stanley Kubricks ‘The Shining’, gebaseerd op een bestseller van Stephen King. Paradoxen en contradicties zijn me nooit vreemd geweest.
Later heb ik ‘De naam van de roos’ alsnog gelezen, vooral omdat mij was verteld dat Jorge Luis Borges, auteur van ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’, er een belangrijke rol in speelde. ‘De naam van de roos’ was een spannende roman, dat zeker, maar echt veel indruk heeft hij op mij niet gemaakt. Later probeerde ik het nog een keer met ‘De slinger van Foucault’, maar na één of twee hoofdstukken ben ik er al mee opgehouden.

Denk nu niet dat ik Umberto Eco niet waardeer. Het ligt aan mij. Ik geraak niet binnen in de mythe die Umberto Eco heet. Ik vrees dat zijn werk voor mij altijd een labyrint zal blijven zonder minotaurus, een oord waar ik niets te zoeken heb, niets te winnen en niets te verliezen. Of, preciezer uitgedrukt, een eiland zonder het verlokkende gezang van sirenen. Maar net als James Bond en Justin Bieber zeg ik nooit nooit. Neen, ik zeg nooit nooit.
0naamvanderoos.jpg

11-11-15

ALS DE VOGELS VOOR ONS ZINGEN

michael madsen Reservoir-Dogs2.jpg

Vannacht hebben de vogels dan toch niet voor ons gezongen, zei Antoine.
Ze zullen te moe zijn geweest, zei Griselda, ze moeten al voor zoveel mensen zingen.
Zielige mensen met hun zielige noden, zei Antoine.
Antoine, ik hoorde op de radio dat Michael Madsen een pikante saus op de markt heeft gebracht, zei Griselda.
Dan zal hij wel niet veel gedichten meer schrijven, zei Antoine.
Wie pikant eet leeft langer, zei Griselda.
Mogelijk, zei Antoine, maar schoenmakers blijven meestal bij hun leest.
Wat is dat toch ook alweer, een leest, vroeg Griselda.
Een soort aambeeld, weet ik veel, zei Antoine, alleszins een ding waar een schoenmaker bij blijft.
Wat hebben Amerikaanse acteurs toch met sauzen, zei Griselda.
Ja, ik kan geen film met Paul Newman meer zien zonder aan mayonaise te denken, zei Antoine.
En de bolognesesaus van Martin Scorsese, zei Griselda.
Dat is iets anders, Martin Scorsese is een regisseur, zei Antoine.
Ik geloof dat hij ook iets met scheermessen doet, zei Griselda.
Heb je mijn Tarantino-bloedworst al geproefd, vroeg Antoine.

Griselda, denk je dat dit allemaal op een keer terug zal komen… Dat we opnieuw in dit café naast elkaar zullen zitten en over dezelfde dingen praten, vroeg Antoine.
Nadat Brussel is verwoest en weer opgebouwd en weer verwoest en weer opgebouwd, zei Griselda.
Over tienduizend jaar, zei Antoine.
Ik hoop het zo, zei Griselda.
Met dat verschil dat de vogels dan voor ons zullen zingen, zei Antoine.
bigshave.jpg

Afbeeldingen: Michael Madsen in 'Reservoir Dogs', Quentin Tarantino, 1992; Peter Bernuth in 'The Big Shave', Martin Scorsese, 1967.

 

 

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

28-04-14

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

 

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.
NINA HOSS2.jpg

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ - zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden? J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?
madonna sex2.jpg

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.

 

04-11-11

WEER EEN NIEUWE WEERLEGGING VAN DE TIJD?

 

borges_1921.jpg

De jonge Jorge Luis Borges, een momentopname.

Ik hecht veel meer waarde aan de commentaren van zoveel lieve en tedere en aandachtige mensen (op flickr) dan aan mijn eigen foto's. Daarom, ik herhaal het, heb ik die zo vluchtige reacties op een foto uit 1968 in de tekst van 1-11-11 even aan de vergetelheid willen onttrekken. Het gaat echt niet, in zoverre ik dat kan weten, om een narcistisch oprakelen van een voor mij idyllische tijd. Ik ben niet die jongen op de foto. Ik ben een andere, en dat moment is voor goed vervlogen. Evenmin was het een idyllische tijd. Ik geloof dat niemand ongelukkiger is dan een tiener, een jongen of een meisje van zeventien. En ik geloof nu dat in 1968 alle jongeren ongelukkig en ontevreden waren. Vandaar zoveel onrust, opstandigheid, escapisme. De beste mensen van mijn generatie gingen aan wanhoop en frustatie ten onder, om even Allen Ginsberg te parafraseren.

Woorden van waardering en liefde worden gauw vergeten. Ze aan de vergetelheid onttrekken? Onbegonnen werk, misschien, net zoals Borges' 'Nieuwe weerlegging van de tijd'. Bij Borges heb je vaak die tegenstelling tussen het vergankelijke en de eeuwigheid, de tijd die duurt, en doordat hij duurt ook vloeit en voorbijgaat, en het moment dat eeuwig lijkt, omdat het niet duurt, niet vloeit, omdat het stilstaat. 

Wij denken niet graag na over onze vergankelijkheid, kunnen ons niet voorstellen dat we er op een dag niet meer zullen zijn. We blijven plannen maken, al gauw is onze agenda voor een heel jaar ondergesneeuwd. Reizen, ontmoetingen, afspraken waarvan je zeker lijkt te zijn, maar die als drijfzand zijn, als onmogelijk te tellen zandkorrels op een vertrouwd strand. Nee, zandkorrels worden niet geteld, evenmin als haren. Zandkorrels nemen de golven mee naar niet vertrouwde streken, haren worden grijs en vallen uit. Om de tijd te trotseren draag je dan nog even een hoed. Of je wist de wilde dagen uit met wat plastische chirurgie. In een erger geval met niet-plastische chirurgie. Het zand raakt ondergesneeuw, onze agenda's vergelen in het zonlicht. Wij ademen de maan in en de sterren, maar ook dat duurt niet lang. Elk moment heeft zijn tijd en wat gebeurt en gebeurd is valt niet te weerleggen.

Wat een dom idee om mooie woorden, wensen en gedachten te willen onttrekken aan de tijd, de tijd die met zijn momenten de eeuwigheid nabootst.

18-10-07

OPSOMMEN EN CITEREN

borges,kierkegaard,opsomming,citaat,pierre menard,mozart,don juan,citeren,labyrint,spiegelbeeld


Het plezier van het citeren en het opsommen vind je bij veel auteurs. Mij doen de opsommingen en citaten van Jorge Luis Borges soms schateren. Een mooi voorbeeld van een dergelijke opsomming is ‘Chinese Fauna’ in ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’, dat als geheel al een opsomming is.

Bekend is het verhaal ‘Pierre Menard, schrijver van de Don Quichotte’, waarin Borges de werken van de ‘obscure’ schrijver Pierre Menard opsomt in een lijst van A tot S. Het belangrijkste werk van Pierre Menard, zo betoogt Borges, was de Don Quichotte, die woordelijk geheel hetzelfde is als de beroemde ridderroman van Cervantes. “De tekst van Cervantes en die van Menard zijn woordelijk gelijk, maar de tweede is bijna oneindig veel rijker. (Dubbelzinniger zullen zijn tegenstanders zeggen; maar dubbelzinnigheid is een vorm van rijkdom.).” De stijl van Menard verschilt wel van die van Cervantes: “De stijl van Menard die naar het archaïsche overhelt – tenslotte is hij vreemdeling – lijdt aan een lichte geaffecteerdheid. Zo is het niet met zijn voorganger, die vrijmoedig het gangbare Spaans van zijn tijdperk hanteert.” Dit vind ik buitengewoon grappig.


De inval van Borges was niet nieuw. Want wat lezen we in Kierkegaards ‘Of/of’? “De muziek heeft (…) een tijdsmoment in zich, maar verloopt toch niet in de tijd tenzij in oneigenlijke zin. Het historische element van de tijd kan ze niet uitdrukken.
De volmaakte eenheid van deze idee en de eraan beantwoordende vorm bezitten we in Mozarts Don Juan. Maar juist omdat de idee zo enorm abstract is, en ook het medium abstract is, is het niet waarschijnlijk dat Mozart ooit een concurrent zal krijgen. Mozart had het geluk dat hem een stof in handen viel die in zichzelf absoluut muzikaal is, en als een andere componist met Mozart zou willen wedijveren, zou er voor hem niets anders opzitten dan Don Juan nogmaals te componeren.” De tekst van Kierkegaard is natuurlijk niet grappig, maar uitermate ernstig.

14-07-07

GOLDEN YEARS: EEN LODEN DECENNIUM?


buy contortions


Vreemd vind ik het nu dat de jaren ’80 zo weinig aan bod komen in mijn hoochiekoochie-teksten. In de periode van 1975 tot ongeveer 1985, maar ook de volgende vijf jaar, heb ik nochtans veel meer geleefd, geleden, gelezen en muziek beluisterd dan in de hele rest van mijn leven. Ik had alle tijd van de wereld voor zelfwerkzaamheid, omdat ik in die tijd vaak zonder job zat. Pas in 1987 heb ik uit pure financiële wanhoop aan een examen meegedaan om voor de overheid te gaan werken. Meestal kijk ik met negatieve gevoelens terug op de jaren '80: ik was arm, soms hadden we niets anders te eten dan aardappelen, wortelen en uien, ik kon geen boeken kopen, om te kunnen lezen moest ik naar die verduivelde bibliotheek, waar ik zelden vond wat ik zocht, er was een economische crisis, Thatcher en Reagan beheersten de wereldpolitiek. Toch heb ik van die jaren ook genoten, ik heb bijvoorbeeld nooit meer en uitzinniger gedanst dan toen. We gingen zowat elk weekend dansen in Cinderella’s Ballroom of in de Tom Tom in Antwerpen.

In 1982 ben ik* begonnen met een eigen radioprogramma, Shangri La heette het, drie uur per week. Ik draaide toen punk en wat new wave werd genoemd, veel rockabilly en rock & roll. Dat ik ook muziek van de vroege Pink Floyd, the Who en the Beach Boys aan bod liet komen, daar werd mee gelachen. Niemand hield van the Beach Boys in die dagen, Brian Wilson, dat was een rechtse kerel met de verkeerde kleren aan en componist van absoluut achterhaalde muziek - en een gek. Een song als Caroline, No werd verafschuwd. Bob Dylan werd om mij onduidelijke redenen nog meer gehaat. Like A Rolling Stone, laat me niet lachen! Nee, nee, om mee te zijn moest je Simple Minds en Human League verafgoden. Dat deed ik niet. Dank zij The Clash, waar ik een grote fan van was, keerde ik terug naar Gene Vincent, Eddie Cochran, Buddy Holly en Little Richard en obscure rockabilly. Ik hield van Robert Gordon en Link Wray. The Jam – en later the Style Council -rechtvaardigde mijn ‘gedweep’ met the Who, the Small Faces, the Kinks, Stax en Tamla-Motown.


Ik beluisterde zeer graag de zachte popmuziek van die tijd, zoals die van The Marine Girls, Tracey Thorn (op haar eerste solo-elpee staat een sprankelend-ingetogen versie van Femme Fatale), the Gist, the The, Weekend, Young Marble Giants en the Blue Orchids. Wat hield ik van de stem van Alison Statton! Een speciale plaats in mijn muzikaal hart had de Amerikaanse band Blue Angel, die ik in 1981 ontdekt had dank zij de koopjes in de Grand Bazar op de Groenplaats. Het zangeresje van Blue Angel heette Cyndi Lauper. Ze zong een fantastische versie van Gene Pitneys I’m Gonna Be Strong. Cyndi Lauper werd zoals iedereen weet beroemd onder haar eigen naam. Ze was een voorloopster van Madonna, maar kon veel beter zingen. Nog liever hoorde ik de elpee ‘From Gardens Where We Feel Secure’ van Virginia Astley.


Ik las elke week de New Musical Express, dat was een bijzonder goedkoop Brits poptijdschrift. De beste popmuziek kwam toen vreemd genoeg uit Groot-Britannië. Heaven Seventeen en British Electric Foundation bijvoorbeeld. Die laatste ‘supergroep’ heeft Tina Turner uit de vergeetput gehaald. Een van de beste bands uit de eerste helft van jaren ’80 was the Associates, die twee perfecte singles maakte, Party Fears Two en Club Country. (Vergeef me als ik een titel niet helemaal juist spel. Ik schrijf dit in mijn werkkamer, waar ik geen elpees en maxi-singles bij de hand heb. Het komt allemaal uit het hoofd.) Billy Mackenzie, die helaas zoals zoveel andere van mijn ‘helden’ al een poosje dood is, was de betere David Bowie. Hoezeer hij Bowie ook imiteerde, hij zong veel beter, veel meer met hart en ziel. De allerbeste band was Joy Division, maar die hoorde eigenlijk nog bij de jaren ’70. New Order kon mij minder bekoren. De zanger kon absoluut niet zingen en er was iets mis met hun sound. Maar er waren zoveel andere goeie zangers, zangeressen en bands in die periode. Ik had het ook wel voor dwarsliggers als The Slits, This Heat en Pere Ubu. Natuurlijk.
 

In die jaren las ik vooral de klassieken, daar moest ik niet te lang naar zoeken in de bibliotheek. Maar mijn voorkeur ging uit naar Vladimir Nabokov, Peter Handke, Jorge Luis Borges, Hölderlin, William Blake, Eugenio Montale, Lucebert, Louis Paul Boon en Herman Gorter. In dat opzicht is er niet veel veranderd. Ik heb waarschijnlijk eveneens een heel aantal boeken gelezen van schrijvers die ik nu al vergeten ben. Ja, nu herinner ik me weer dat ik heel veel misdaadromans las, van onder meer Patricia Highsmith, James Cain, Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Die las ik als ik een kater had. Ik had toen immers nog geen televisie. De jaren ’80? Een bijzonder mooie tijd, ondanks al de armoede en de lelijkheid.

Foto: Martin Pulaski

*de eerste drie maanden samen met Max Borka, later met Patje, nog later met Sofie Sap.

13-07-07

LABYRINT EN FILM


annee derniere a marienbad

“In geen enkele film is de doolhof die gevormd wordt door bewustzijn en herinneringen zo krachtig in beeld gebracht en geanalyseerd als in dit meesterwerk” lees ik in een filmencyclopedie over ‘L’année dernière à Marienbad’ van Alain Resnais. Het scenario voor de film was van Alain Robbe-Grillet, de godfather van de nouveau roman. Als basis gebruikte Robbe-Grillet Adolfo Bioy Casares’ roman ‘De uitvinding van Morel’, een van mijn uitverkoren boeken. Het is een roman waarin weinig gebeurt en geen echt verhaal wordt verteld. Bioy Casares was overigens een goede vriend van Jorge Luis Borges, de bedenker van honderden labyrinten.

De uitspraak uit de encyclopedie, die geheel terecht is, heeft me aan het denken gezet – over doolhoven of labyrinten. Een drietal dagen geleden gebruikte ik de metaforen ‘wespennest’ en ‘labyrint’ om mijn weblog mee aan te duiden. Aangezien ‘L’année dernière à Marienbad’ een van mijn tien favoriete films is en bovendien de enige die ik zelf heb geprojecteerd tijdens mijn zeer korte carrière als filmoperator in de bioscoop, kan dat geen toeval zijn. Voor een deel is mijn wereldbeeld gevormd door die film, en uiteraard door nog heel wat andere films. Mijn wereldbeeld is labyrintisch omdat veel van die films, niet alleen ‘L’année dernière à Marienbad’, labyrintisch zijn.

Het aantal meesterwerken waarin de protagonisten ronddwalen in letterlijke of figuurlijke doolhoven kan ik niet op tien vingers tellen. Toch zal ik me, omdat ik het niet kan laten, aan een korte opsomming wagen:
‘The Shining’ van Stanley Kubrick bevat zowel het innerlijke labyrint van de schrijver als het uiterlijke labyrint in de tuin, en het huis waar de schrijver gek in wordt is ook een labyrint; ‘Satyricon’ van Fellini is een afdaling in het labyrint van de onderwereld; ‘Barbarella’ van Roger Vadim toont de toeschouwer een labyrint vanuit de hoogte gezien, met Barbarella op de rug van een Engel; 'Zabriskie Point' van Antonioni is een trip door en boven een labyrint in Death Valley, waar zich tevens de ‘absolute’ liefde voltrekt; in 'L’avventura', ook van Antonioni, verdwijnt Monica Vitti op een eiland dat een waar labyrint is; in 'Rear Window' van Hitchcok is het gebouw met de vele kamers aan de overkant het labyrint, samen met James Stewart krijgt de toeschouwer een idee van wat zich in die kamers afspeelt; in 'The Searchers' van John Ford worden sneeuwlandschappen, de woestijn en vooral Monument Valley als labyrinten voorgesteld; in 'Der Engel über Berlin' van Wim Wenders wordt Berlijn een labyrint genoemd, “waar je ook gaat, je stuit altijd op de Muur” zegt Curt Bois in deze film uit 1987, maar ook nu de muur al lang is afgebroken stuit je er nog op; Hitchcocks 'Vertigo' is een spiraal, maar een spiraal is in zekere zin ook een labyrint. Hier beëindig ik mijn opsomming, want is niet elke film een labyrint?
Of zoals Anton Haakman schrijft in ‘Achter de spiegel’: “Een doolhof van optische illusies, dat is natuurlijk een uitstekende aanleiding voor het illusionistische medium film om zichzelf te kijk te zetten – en dat is uiteindelijk het enige waartoe ieder medium tot in de perfectie in staat is.”

Volgens de verteller in Borges’ ‘De twee koningen en de twee labyrinten’ is het bouwen van een labyrint waarin zij die er binnengaan verdwalen een onbeschaamdheid “omdat de verwarring en het wonder onder de bedrijvigheden vallen van een God en niet van de mensen.”

De foto hierboven komt uit de film 'L'année dernière à Marienbad'. Merkwaardig is dat de menselijke figuren een schaduw werpen maar de bomen niet.

12-07-07

VRIENDSCHAP EN TEGENSPRAAK


poe 1

Hoe vertaal je opposition in de volgende uitspraak van William Blake: ‘Opposition is true Friendship?” Is het tegenstand, tegenstelling, oppositie, tegenspraak? Of zijn de vier vertalingen geldig? Ik denk het, omdat ze alle vier van toepassing zijn op ware vriendschap. Mensen die over alles hetzelfde denken kunnen moeilijk vrienden zijn. Wat zouden ze van elkaar leren? Wat zouden ze elkaar vertellen? Een vriendschap heeft verhalen nodig. Het verhaal is het ‘andere’, datgene wat de vriendschap spannend houdt. Het verhaal is de cement die de vrienden bijeen houdt. Vrienden kennen elkaars verhalen niet. Geleidelijk aan leren ze ze kennen. Is die ontdekkingsreis niet de kern van elke vriendschap. In ‘The Marriage Of Heaven and Hell’ schreef William Blake ook dit nog: ‘This Angel, who is now become a Devil, is my particular friend; we often read the Bible together in its infernal or diabolical sense, which the world shall have if they behave well’.

Nu ik dit gelezen en geschreven heb twijfel ik toch weer. Want hoe zit het dan met de vrienden die elkaars spiegelbeeld of dubbelganger zijn? En met de diepzinnige uitspraak van Aristoteles (en van Pythagoras), veel later overgenomen door Borges, dat een vriend een ander zelf is? De vriend als dubbelganger. Maar ogenschijnlijk staat daar dan weer de lange traditie van rampzalige ontmoetingen met dubbelgangers tegenover, traditie die het best tot uitdrukking komt in ‘William Wilson’ van Edgar Allan Poe. In het verhaal van Poe is de dubbelganger het geweten van de held. Als hij de dubbelganger doodt, sterft hij zelf. En zo kom ik toch terug bij het begin uit, want wie zijn dubbelganger doodt is er ongetwijfeld in oppositie mee.

18-04-07

EEUWIGE TERUGKEER


éternel retour

Ik wil toch nog even terugkomen op de Oeroboros en de vicieuze cirkel. In de Wikipedia las ik dat vicieuze cirkel niet noodzakelijk een negatieve betekenis heeft. De term is afgeleid, zo staat er, van het Latijnse circulus viciosus, waarbij viciosus ‘wederkerig’ betekent. Het ene leidt tot het andere waarbij het andere weer tot het ene leidt. De verwarring ontstaat doordat ‘vicieus’ ook een afleiding kan zijn van het Latijnse vitiosus, ‘schadelijk’. Als gevolg van deze verwarring wordt de term tegenwoordig meestal wel als negatief opgevat. Aldus de Wikipedia. De Vicious Circle van Lou Reed is duidelijk een negatieve constructie, de eeuwige terugkeer van Nietzsche niet.

In ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ schrijf Borges over de Uroboros (zijn spelling) onder meer het volgende:

“Heraclitus had gezegd dat bij een cirkelomtrek het begin en het einde hetzelfde punt zijn. Op een Griekse amulet uit de derde eeuw die in het British Museum wordt bewaard, staat een afbeelding waardoor die oneindigheid beter voor ons wordt geïllustreerd: de slang die in zijn eigen staart bijt, of zoals Martinez Estrada het fraai zegt ‘die bij het eind van zijn staart begint’. Uroboros (hij die zijn staart verslindt) is de technische naam van dit monster die later door de alchimisten werd verspreid.”

De illustratie hierboven is een kopie van pagina’s 54 en 55 uit mijn exemplaar van Pierre Klossowki’s ‘Nietzsche et le cercle vicieux’. Ik lees daar nu het volgende:
Or, à partir de l’expérience de l’Eternel Retour, qui s’énonce en tant qu’une rupture de l’irréversible une fois pour toutes, se développe aussi une version nouvelle de la fatalité: celle du Cercle vicieux qui, précisément, supprime le but et le sens, le commencement et la fin se trouvant toujours confondus l’un dans l’autre.” Ook hier bijt de slang weer in zijn eigen staart.
De Britse filosoof Roger Scruton, die wat op Brian Jones lijkt, hoorde ik op televisie ooit beweren dat de zeventig jaar die je krijgt – in de veronderstelling dat je zeventig wordt – volledig de jouwe zijn. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. In zekere zin is die gedachte zeer verwant aan de eeuwige terugkeer van Nietzsche, en zo zijn we terug bij de circulus viciosus en bij het begin dat tevens het einde is. Voorlopig toch.

16-04-07

LOU REEDS VICIOUS CIRCLE EN DE OEROBOROS

alchimie,herhaling,letteren,filosofie,lou reed,nietzsche,pierre klossowski,oeroboros,rilke,balthus,zarathoestra,borges,muziek,boeken,troost,radio

Ik draai in kringetjes. Op 3 februari dit jaar schreef ik ook al over de troost van de muziek en maakte ik zelfs een radioprogramma over de troost. Lijd ik aan geheugenverlies?

Ik ben als de Oeroboros van Borges en van de alchimisten, de slang die zichzelf in de staart bijt. Alleen heb ik niet echt een staart; ik heb niet meer dan een beentje. Maar ooit heb ik zeker een staart gehad en Nietzsche beweert dat alles terugkomt. Dat staat in Aldus sprak Zarathoestra, en het concept wordt bestudeerd in Nietzsche et le cercle vicieux van Pierre Klossowski. Klossowski is dan weer de broer van de onvolprezen schilder Balthus en er wordt tevens beweerd dat hij verwant zou zijn met Rainer Maria Rilke. Deze dichter had een relatie met Lou Andréas-Salomé, de enige vrouw die Nietzsche ooit heeft liefgehad. Of toch bijna. En zo is de cirkel weer gesloten.

En dan heb je de - als het over staarten gaat - altijd op de proppen komende Lou Reed, die zingt:

“You’re caught in a vicious circle
Surrounded by your so called friends
You’re caught in a vicious circle
And it looks like it will never end.”

14-02-07

NA DE VAL / AFTER THE FALL

na de val,marilyn,val,brussel,herstel,billen,wachten,borges,geluk,muziek,cds,dvds,red,bob dylan,peter case,lachen,boeken,film,pop

Van het dagelijks front is er weinig nieuws. Ik zit thuis te wachten op herstel. Neen, ik ben niet overvallen. Eigenlijk wilde ik er niets over zeggen, maar wat doe je eraan, een mens kan niet zwijgen. Ik ben gevallen. Uit het paradijs maar ook in de werkelijkheid, in het weinig nieuws verkondigende dagelijkse leven. Het voorbije weekend wilde ik na een etentje in de stad de metro nemen aan Sint-Katelijne, maar er lagen wat winterbladeren op de prefabtrappen – het metrostation wordt gerenoveerd – en ik gleed uit en viel op mijn gat. Ik viel helemaal tot beneden, tsjak, tjsak, tsjak. Op mijn rug een rugzakje met als inhoud de dvd Reds van Warren Beatty, de cd Live At Budokan van Bob Dylan (zijn enige echt slechte plaat) en de soundtrack van Walk the Line + nog wat medicijnen. Ho, ho, geen drugs; medicijnen voor de slokdarm en tegen astma. Mijn val is gebroken door die meer dan drie uur durende Reds, de verpakking is helemaal stuk, gelukkig niet de dvd’s (hoewel het een saaie film is), en door mijn bil. Die is nog altijd inktzwart. In het midden wat blauw. Een geluk dat je wat gedronken had, zei mijn huisdokter. Daardoor waren je spieren ontspannen en ben je goed terechtgekomen. Je had op je staartbeentje kunnen vallen of op je ruggengraat. Ja, ik begrijp het. Ik had nu in een rolstoel kunnen zitten. Heb ik toch chance. Jongens toch. James T. Chance. That’ll be the day! Ik ga, zodra ik weer normaal kan lopen, naar de kerk wat kaarsen branden voor de ene of andere god. De voorzienigheid heeft het goed met mij voor. Terwijl mijn vrienden vallen als vliegen of vliegtuigen ga ik onoverwinnelijk door het leven. Ik tart het lot en het lot tart mij maar we blijven even goede vrienden. 

na de val,marilyn,val,brussel,herstel,billen,wachten,borges,geluk,muziek,cds,dvds,red,bob dylan,peter case,lachen,boeken,film,pop

Ik zit nu thuis te wachten op het verdwijnen van het postmoderne blauw. Zit? Ik sta, ik loop, ik lig. Zitten gaat niet goed. (En zaterdagavond, na middernacht, zag zelfs mijn gitaar er opeens postmodern blauw uit, zoals die van Peter Case, niet die van Wallace Stevens.) Zitten gaat slecht. Ik wacht. Ik wacht tot ik het zittend bestaan van de kantoorslaaf kan hervatten en weer kan zwanzen met mijn collega’s. Hun geroezemoes en gelach mis ik zeer. Ondertussen probeer ik opnieuw te leren lachen, diep vanuit de buik (de billen ontziend), omdat lachen goed is voor de slaap, naar het schijnt. Dat heb ik toch ergens in een blaadje gelezen. Elke dag een portie hartelijk lachen en je slaapstoornissen verdwijnen als zon door een sneeuwbui. Alleen een kleine glimlach is me nog maar gelukt, na wat valentijnchampagne, maar ik span me in, ik doe mijn best, voor ik straks in bed ga wil ik echt één keer schaterlachen. Misschien moet ik die Chinese encyclopedie van Borges nog maar eens ter hand nemen. Dat ik aan slaapstoornissen leed had ik nog niet verteld?

24-10-06

CECILIA EN DE UITVINDING VAN MOREL


after the show, polaroid


Uit mijn tekst van gisteren over twee strippers uit ‘Nachtschade’ – een stripteasevoorstelling van Victoria in het Kaaitheater - is wegens een mij onbekende, waarschijnlijk technische reden een heel stuk weggevallen. Op die manier heeft onder meer de verwijzing naar Adolfo Bioy Casares op het einde van mijn relaas geen enkele zin. Ik heb de originele versie niet meer, daarom zal ik proberen wat ik gisteren schreef hier te reconstrueren. Maar mijn geheugen is niet meer wat het geweest is.
De schaars geklede Cecilia vertelde me dat ze uit Buenos Aires kwam. Dat is de stad van Borges, mijn favoriete schrijver, merkte ik enthousiast op. (Ik heb veel favoriete schrijvers.) Is hij niet erg moeilijk, vroeg Cecilia. Helemaal niet, zei ik. Borges neemt thema’s uit de wereldliteratuur, van Walter Scott, of Chesterton of Shakespeare of zo – vooral Britse schrijvers – en maakt op basis daarvan een spannend verhaal. De verrader is zo een van die thema’s. Ik ben wel het nichtje van Adolfo Bioy Casares, viel de stripteaseuse mij in de rede. Bioy Casares, zei ik, dat was de vriend van Borges. Ja, dat weet ik, zei ze. Ze hebben samen verhalen geschreven. Bioy Casares noemde zich dan Bustos Domecq. Morels uitvinding van Bioy Casares is een van mijn uitverkoren liefdesgeschiedenissen, zei ik. Die uitvinding uit de titel is een prachtige ‘machine’, die het hoofdpersonage het eeuwige leven schenkt. Cecilia legt me haar familieverwantschap uit, het is een verhaal van nichtjes, neefjes, tantes, ooms en grootgrondbezitters. Helemaal duidelijk wordt het mij niet, maar wat geeft het. Ik krijg al meteen zin om naar Argentinië te gaan. Maar dan is het tijd om afscheid te nemen. Cecilia geeft me nog een heerlijk zachte zoen, maar dat staat hier beneden al.
In de taxi naar huis vertelde ik Laura over de vele andere vrouwen in mijn leven waar ik nooit avonturen mee had. Of ze mij geloofde weet ik niet zeker, maar ik denk het wel. Ze weet dat ik niet goed kan liegen.

05-10-06

ESSE EST PERCIPI

bomen,zon,fantasie,realiteit,dak,borges,foto,martin pulaski

De zon schijnt, maar niet door de bomen. Ik zie namelijk geen bomen, alleen maar een grijs dak. En wat ik niet zie, bestaat niet. 

Wandelaars, geniet van uw wandeling! Fantasten, geniet van uw gefantaseerde tuinen en parken!

"Tevergeefs tracht ik los te raken van mijn lichaam
en het waken van een onophoudelijke spiegel
die het verspilt en bespiedt
en van het huis dat zijn patio's herhaalt
en van de wereld die doorgaat tot aan een verscheurde buitenbuurt
van stegen waar de wind versaagt en van grof slijk."

Jorge Luis Borges, Slapeloosheid.

Esse est percipi.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret (werelden in werelden).

29-08-06

EEN LIJST VAN DE WERELD

lijsten,categorieen,borges,bunuel,bob dylan,chinese encyclopedie,surrealisme,films

Ik houd van lijsten als absurde, willekeurige opsommingen. Het is me daarbij niet te doen om de wereld overzichtelijk te maken of er hiërarchie in aan te brengen door opdelingen in soorten. Ik wil categoriseren noch catalogiseren. De lijsten waar ik van houd maken de wereld alleen maar chaotischer. Dat is de bedoeling. Wat ik ermee beoog is dat ze inspiratiebron worden en de fantasie stimuleren. De lijsten die ik bewierook bevatten bijna altijd een surrealistisch element. Er komen zaken in terecht die er niet in thuis horen, of het na elkaar plaatsen van twee elementen veroorzaakt een schaterlach. Twee grootmeesters van de opsomming (en in zekere zin van lijsten) zijn Luis Buñuel en Jorge Luis Borges. Bob Dylan kan er ook goed weg mee, bijvoorbeeld in A Hard Rain’s A-Gona Fall. 


De lijst die ik wil maken - geïnspireerd door een artikel van Chris Petit in 1OOO Films To Change Your Life (het hele boek is een lijst) - is een zeer subjectieve aangelegenheid en heeft ongeveer alles met de herinnering en de waarneming te maken. Een haarlok of zelfs een wenkbrauw kan er even belangrijk zijn als een aardbeving (willekeurige voorbeelden, die waarschijnlijk niet in de lijst zullen voorkomen). Het is een vorm van autobiografie. En door de klank van de woorden en de magie van de namen, en de volgorde waarin alles wordt geplaatst zal de lijst tevens een - bijna episch - gedicht zijn.

Dit is een zeer bekend maar onovertroffen voorbeeld:

“Dergelijke dubbelzinnigheden, overbodigheden en onvolkomenheden doen denken aan die welke Dr. Franz Kuhn toeschrijft aan een bepaalde Chinese encyclopedie, getiteld Hemels Emporium van welwillende kennis. Op die pagina's uit een grijs verleden staat geschreven dat de dieren zijn te onderscheiden in a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke tekeergaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enz., m) die welke net een vaas hebben gebroken, n) die welke in de verte op vliegen lijken.”
J.L. Borges, De analytische taal van John Wilkins.

30-03-06

GERAAS EN GEBRAL II


Faulkner @ Table


Jos toonde me met het enthousiasme dat hem zo eigen was zijn nieuwe aanwinsten. In mijn teruggevonden notities herinnerde ik me nog Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (dat meesterwerk was toen nog niet in het Nederlands vertaald), Het Schrijversdagboek van Virginia Woolf, Verzamelde Gedichten van D.H. Lawrence, romans van Dostojewski, James Joyce en Thomas Hardy en een verhalenbundel van Katherine Mansfield. Maar er waren nog veel meer nieuwe boeken, hij kocht ze als een bezetene, en vond het vreselijk dat hij ze niet allemaal tegelijk kon lezen.

Om middernacht verlieten we zijn appartement omdat de voorraad bier op was. We wandelden naar een kroeg op het Mechelseplein, waar we ons gesprek over literatuur en muziek voortzetten. Maar we hadden het over zoveel andere dingen. We sprongen van de hak op de tak. Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen. Waarschijnlijk beïnvloedde Sartre's amfetaminegebruik zijn oordeel. Jos probeerde mij er van te overtuigen zelf iets te publiceren. Niet alleen maar gedichten. Ik moest een roman schrijven, zei hij. Een werk zoals ‘Les chemins de la liberté’ lag in mijn mogelijkheden. Met veel vuur moedigde hij me aan. Dat had hij al altijd gedaan, zo lang ik hem kende. Maar ik kan me niet houden aan een vooraf uitgetekend plan, wat toch wel noodzakelijk is om een goede roman te schrijven, wierp ik tegen. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, bijna vanuit spontane opwellingen of onbewuste verlangens. Mijn geschrijf is waarschijnlijk neurotisch van aard. Bij mij is de wil zwak. Eigenlijk heb ik zelfs geen wil. Zo kan ik bijvoorbeeld geen verslag uitbrengen van een film die ik heb gezien - of van om het even wat - als ik dat alleen maar wil. Wel kan ik dat, geloof ik, als ik de behoefte daartoe voel, als ik ernaar verlang me erover uit te drukken. Maar zelfs dan moet ik me inspannen, alleen al om eraan te beginnen. Dat is misschien nog het moeilijkste: eraan beginnen. En het resultaat is soms teleurstellend. Er moet dan geschrapt, gecorrigeerd, gecombineerd, herschreven worden. Werken!

Jos was de enige mens die begrip had voor al deze ‘problemen’. De roman is na al die jaren nog steeds niet geschreven, het boek niet gepubliceerd. Alleen een dun dichtbundeltje, waarin een In Memoriam aan Jos.
Het is de hoogste tijd dat ik aan dat boek begin. Ik ben het mijn vriend, mijn ander zelf, verschuldigd. Wat ik al zeker weet is dat het geen Harry Potter zal worden. Hoe vind je dan nog een uitgever? Want een Da Vinci Code wordt het evenmin. De kans is veel groter dat ik een idioot aan het woord zal laten en wat hij zal vertellen zal vol zijn van geraas en gebral.

De teruggevonden notities zijn oud, het papier is vergeeld, de inkt heeft een onbepaalde kleur gekregen. Ik ben al lang iemand anders geworden, maar toch herken ik de vriendschap nog, die daar beschreven werd door degene die ik toen was. Vorige nacht las ik in het verhaal ‘De Zahir’ van Borges het volgende: "Ik ben niet die ik toen was, maar toch ben ik nog in staat mij het gebeurde te herinneren, en misschien te vertellen. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges." Nog een keer Borges…

Foto: William Faulkner, schrijver van The Sound And the Fury.

GERAAS EN GEBRAL I


Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok. Wat klinkt dit toch weer plechtig! Te liturgisch, te weinig vlezig.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak 'Een vriend is een ander zelf' van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.

21-03-06

NACHTELIJKE TOCHTEN



Ik loop met jou in een urinekelder.
Zwarte asters die met hun bladeren
Beschimmelde bakstenen bedekken.

In mezelf verbrokkelt de wereld
Zonder woorden om zin te geven
aan wat rest van de dagen.

Ik loop met jou door een dwazentuin
waar slaapwandelaars weelde vergaren
en gebral triomfeert.

Niets betekende wat jij zei.
"Spreek mij tegen
of ik zeg een verkeerd woord."

Ik loop met jou hand in hand
over Borges’ wereldkaart.
“No shit”, zei je.

Haat tegen de gouden tijd
Van de voorouders gloeit in onze ogen.
Tot wij met onze mobiele telefoontjes
Televisietoestellen stukslaan.

‘s Morgens braken we afschuw uit
Voor het dagelijks bestaan
En denken: ons geluk is opgebruikt.

03-12-05

ODE AAN DE GROTE BEER


poe


Ik heb een kater en ben verliefd op een schim, of op meerdere schimmen.
Een kater heb ik van wijn en vooral van Westmalle Tripels. Die wijn dronk ik met vrienden uit Gent in het restaurant Bij den Boer. Het bier in café Kafka. Ja, ik was het bijna vergeten, als aperitief een caipirinha in de Archiduc. Daar stond Arno aan de toog. Ik denk dat hij daar vaak staat. Ligt hij dan niet meestal in bed met een van zijn madammen? Hij zag er oud, moe en eenzaam uit. Ik heb een kater en voel me oud, moe en eenzaam.Toch ben ik uitzonderlijk eens een keer om halfeen gaan slapen en is het geen drie of vier uur geworden. Dat kan niet als je om halfeen gaat slapen. Het was een mooie avond, we hebben zelfs gelachen. Maar ook over dementie en de dood gepraat en over de verdwijning van onze vriend JFK Canard.

De buurt rond Sint-Katelijne ziet er schitterend uit. Dit is geen metafoor, alles schittert er echt. Het speet ons al een beetje dat we in een restaurant hadden gereserveerd, je kon op de kerstmarkt allerlei lekkere dingen eten, van Spaanse churros tot Finse versgerookte zalm. Als ik mijn camera had bijgehad dan had ik foto’s kunnen maken en die op flickr zetten en dan had ik me niet moeten vermoeien met deze dingen hier te noteren. Schrijven als je een kater hebt is als zingen met een stoflong. Hoewel ik geen stoflong heb, denk ik, en ook niet kan zingen. Toch zing ik soms, maar dit geheel terzijde. Zulke vergelijkingen zijn loze beweringen. We weten helemaal niets. Nu moet je niet denken dat Bij den Boer geen goed restaurant is, want dat is het wel. Ik kan alleen niet goed tegen wijn en trappist, zowat de lekkerste dingen die ik ken. Is dit een opstel, dat ik hier zit te schrijven?

Gisterochtend was ik doodmoe en had ik ook al een beetje een kater. Ik was donderdagavond na een voorstelling van Baraque Frituur in de KVS pas om vier gaan slapen. Baraque Frituur was bijzonder grappig. We hebben wat afgelachen. Het stuk van Ivan Vrambout gaat over de clichés die Vlamingen over Walen gebruiken (en vaak als waarheid aannemen) en vice versa. Het onderwerp ‘stoflong’ werd er in aangesneden. Boterhammen smeren voor de kinderen. Werken tot je erbij neervalt. Lui met je gat in de zon liggen op een terril. Maar het leukste waren de citaten uit Mieke Maaike’s Obscene Jeugd, van onze Vlaamse viezentist. Als je een meisje met een Frans accent allerlei schunnigheden uit dat boekje hoort debiteren, lijkt het wel alsof ze zaad in de mond heeft in plaats van speeksel. De vier acteurs waren uitstekend, twee Vlaamse en twee Waalse. Er werden geen oplossingen aangereikt voor Brussel-Halle-Vilvoorde. Wel werd natuurlijk het Vlaams Blok nog eens goed belachelijk gemaakt, de mannen met de vlaggen. Ze weten niet eens dat die leeuw uit Arabië komt. Niet dat ik me om die reden wil gaan opblazen in Irak of zo. Ik luister liever naar muziek of lees een boek van Stendhal. Zelfs ben ik nog liever verliefd op een schim. Ik ben al vaak verliefd geweest in mijn leven, dat duurt een paar maanden en dan ebt het weer weg. Gedaan met de slapeloze nachten en het schrijven van lullige poëzie. Maar ik ben nog nooit verliefd geweest op een schim. Na de voorstelling van Baraque Frituur bood de KVS een kleine receptie aan. In plaats van hapjes waren er frieten. Een goed idee. En wijn, wat minder toepasselijk was. Maar we hebben er toch van gedronken. In de bus naar huis heb ik stomverbaasd zitten lezen in The Murders In the Rue Morgue. Edgar Allen Poe was echt wel een genie. Wat zit ik hier een opstelletje te schrijven als ik eigenlijk een verhaal van Poe of Borges zou moeten lezen! En verliefd te wezen op een schim. Ik was bijzonder euforisch tijdens die busrit. Thuis moest ik mijn computer opgestart krijgen, want ik wou nog iets schrijven over Baraque Frituur. Dat opstarten heeft meer dan een uur geduurd. Van mijn euforie was niet veel meer overgebleven. Gelukkig had ik in een nachtwinkel nog een trappist kunnen kopen. Die was net leeg toen de computer in gang schoot. ‘Welkom’ zei hij. Maar wat had ik nog te vertellen? Ik was alles vergeten. Gelukkig hoorde ik toen opeens een stem. De stem van een schim. Die praatte er maar lustig op los, en ik luisterde, en al luisterend werd ik verliefd op de stem van die schim. Op het timbre, op het accent… Ze leek een beetje op die van Meryl Streep in Sophie’s Choice. Een heel avontuur. Ik wist niet waar ik het had. Van slapen kon bijna geen sprake zijn. Toch ben ik gisteren al om negen uur weer opgestaan. Ik voelde me helemaal niet opgetogen. Ik had denk ik wat de blues wordt genoemd. Hoe kon ik die stem ooit terugvinden. Hoe kon ik van die schim, waar ik inmiddels verliefd op was geworden, iemand van vlees en bloed maken, iemand met een zachte huid? Een perzikenhuid. Met borsten als druiventrossen. (hier begint de lullige poëzie al, en het plagiaat). Ik kon het niet. Je mag trouwens niet verliefd worden als je gehuwd bent. Dat is verboden. Neen, dat mag niet. Dan zet je alles op het spel. En spelen mag eigenlijk ook al niet, ook al wordt dat veel gedaan in de verhalen van Edgar Allen Poe, om het nog niet over Poesjkin te hebben. Maar je weet hoe beiden aan hun eind zijn gekomen. Geniale verhalen schrijven over verliefde kaartspelers is gevaarlijk en kan je je leven kosten. Dat zou op boekomslagen kunnen staan, zoals de opschriften op sigarettenpakjes.

Nu moet ik dit opstel beëindigen, net op het ogenblik dat het wat begon te worden. Maar ik moet mijn radioprogramma nog wat voorbereiden en dan moet ik naar Antwerpen vertrekken. Het is de eerste zaterdag van de maand, dan maak ik Zero de Conduite op Radio Centraal, samen met mijn vriend Patje, die ik meestal niet noem. Ik heb de vrienden met wie we zijn gaan eten, de liefste mensen van de wereld, ook niet genoemd. Patje heet ook niet werkelijk Patje. Maar iedereen noemt hem wel zo. Het was onlangs zijn verjaardag. Proficiat Patje! Ik heb een boek voor hem gekocht. Dat mag ik wel schrijven, want hij heeft geen computer, hij kan dit niet lezen. Of hij zou al naar een internetcafé moeten gaan, wat weinig waarschijnlijk is. Ik zal meteen eens bellen, om te horen waar hij zoal uithangt. Maar die schim, die laat me meer niet los. Is het de muze die weer opgedoken is, of is het een gevaarlijke sirene en moet ik was in mijn oren stoppen? Ik weet het niet. Ik zal wel zien. Maar ik wil wel weer graag opnieuw leren slapen. Slapen lijkt me een leuke bezigheid. Ik denk dat de levenshouding van Warren Zevon (I’ll sleep when I’m dead) niet zo goed was. Lang leve de slaap! De vergetelheid. De zijnsvergetelheid. De zinsverbijstering. Op de trein naar Antwerpen zal ik dan misschien nog een ode aan de Grote Beer schrijven of andere onzin.

10-11-05

PATTI SMITH: DE CONVULSIEVE SCHOONHEID VAN HET TOEVAL



PATTI 4



Patti Smi... Vreemd verschijnsel, alweer. Toeval of geen toeval? Ik wil de naam ‘Patti Smith’ neerschrijven en net op hetzelfde moment selecteert iTunes (die op willekeurige volgorde staat en kan kiezen tussen 5776 songs) Free Money van diezelfde Patti Smith, wat ik altijd al het beste nummer vond op ‘Horses’ uit 1975. Ik wilde de naam Patti Smith neerschrijven om mee te delen dat ‘Horses’, wegens dertigste verjaardag en zeer zeker ook wegens commerciële motieven, opnieuw, in een luxe-editie, wordt uitgebracht. Het was destijds baanbrekende muziek, en dat blijft zo. Free Money klinkt voor mij nog steeds goddelijk. Kon ik toch maar winnen met de loterij, oh baby, that would mean so much to me! De tweede LP van Patti Smith, ‘Radio Ethiopia’ vond ik ook bijzonder mooi: de bezwerende liederen (Ask the Angels, Ain’t It Strange, Poppies, Pumping, Distant Fingers) maar ook de hoes en de hoesteksten. Op de achterkant van die hoes citeert Patti Smith één van mijn uitverkoren uitspraken: ‘Schoonheid zal CONVULSIEF zijn of zal niet zijn’. Toen ik die uitspraak van André Breton voor de eerste keer las, ging mijn hart waarschijnlijk veel te snel kloppen, bijna zoals dat van een wielrenner bij het beklimmen van een of andere col van een of andere categorie. Want was onze liefde geen schoonheid? Eén en hetzelfde? En was onze liefde niet convulsief? Natuurlijk was ze dat. Ik heb er veel over geschreven, en gedicht. Nu kan ik dat niet meer. Ik weet ook niet meer of schoonheid convulsief moet zijn. Ik weet zelfs niet goed meer wat André Breton daar mee bedoelde. Het zijn de laatste woorden in zijn ‘roman’ Nadja. In ‘L’amour fou’ schrijft hij het volgende:
« Le mot ‘convulsive’, que j’ai employé pour qualifier la beauté qui seule, selon moi, doive être servie, perdrait à mes yeux tout sens s’il etait conçu dans le mouvement et non à l’expiration exacte de ce mouvement même. Il ne peut, selon moi, y avoir beauté - beauté convulsive – qu’au prix de l’affirmation du rapport réciproque qui lie l’objet considéré dans son mouvement et dans son repos. »

Gisteren heb ik me overgegeven aan convulsief koopgedrag, wat van weinig schoonheid getuigt. Hoewel… Het verzameld werk van Borges in een aantal mooi ingebonden banden (in plaats van de versleten paperbacks die nu in mijn bibliotheek staan) en acht ingebonden boeken van Nabokov. Oogstrelende uitgaven voor in mijn bibliotheek en om te (her)lezen als, later, de donkere dagen aanbreken, na het vele licht dat me misschien, wellicht, nog toe zal schijnen.

Door de stad flanerend en hier en daar een ‘rommelwinkel’ binnenstappend verzamelde ik ook nog vier dvd’s en één cd: A Doll’s House (gebaseerd op het stuk van Ibsen), Rear Window van Hitchock, Straw Dogs van Sam Peckinpah en The Million Dollar Hotel van Wim Wenders. Van die laatste film kocht ik dan ook nog eens de soundtrack. Toen ik met de hele vracht thuiskwam en alles uitpakte stelde ik vast dat de vier dvd’s en de cd allemaal over wonen gaan, rechtstreeks of onrechtsreeks. Nora zit opgesloten in haar poppenhuis, vreemde mensen wonen in het Million Dollar Hotel in Los Angeles, in Rear Window kan James Stewart wegens een gebroken been zijn appartement niet verlaten en in het zeer gewelddadige Straw Dogs trekt de wiskundige Dustin Hoffman zich samen met zijn vrouw terug in een huis op het Engelse platteland. Een poppenhuis, een hotel, een appartement, een plattelandshuis… Toeval? Free Money van Patti Smith. Toeval? Ik weet het allemaal niet meer. Ik word er stilaan convulsief van. Welke avonturen staan me nog te wachten als ik straks de stad inga? Misschien win ik wel met de lotto en kan ik dan een nieuwe computer kopen of een wereldreis maken.