24-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

Il_gattopardo_ballo01.jpg


Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

le coq.jpg



Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens "Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)" van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)
Sidney, Sylvia (Fury).jpg

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

claudia-cardinale-and-alain-delon-in-il-gattopardo-directed-by-luchino-visconti-1963.jpg

 

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, 'maar hij blijft een uitstekend acteur.' 
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
 ‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

helmut berger damned.jpg


Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.
WinnerTakeAll7.png



*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once' en 'Fury', van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: 'Il Gattopardo, Luchino Visconti'; Le Coq, Martin Pulaski; Sylvia Sydney in 'Fury', Fritz Lang; 'Il Gattopardo', Luchino Visconti; 'The Damned', Luchino Visconti; 'Winner Take All', Roy Del Ruth.

15-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN

shininf-hedge.jpg

Woord vooraf

Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.

Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.

‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende tien notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.

John Reed at desk.jpg

Dag 1: 2 november 2016 / Eight Days A Week

Het is mooi weer, maar er waait een koude wind. De metro naar het centrum heeft meer dan een kwartier oponthoud. “Zodra het metrostel kan vertrekken vertrekt het,” blijft de omroepstem herhalen. Waarom blijven we stilstaan? Heel wat reizigers stappen uit, verlaten het metrostation. Ik heb met enkele vrienden afgesproken om in de Aventure samen naar ‘Eight Days A Week’ te gaan kijken, een film over beatlemania, maar over zoveel meer dan dat merkwaardige fenomeen. Ik ben vooral ontroerd door de diepe vriendschap die er tussen de vier muzikanten bestond. Maar zeker ook door de muziek, lekker luid in de bioscoopzaal, die nog steeds fris en aanstekelijk klinkt. De periode in de loopbaan van the Beatles die mij echter het meest fascineert komt in de film niet aan bod, die na beatlemania, na de hectische tournees, de periode vanaf ‘Rubber Soul’, vanaf januari 1966. (1966 was overigens een magisch jaar voor de popmuziek en voor de jeugdcultuur. Jon Savage heeft er een zeer lezenswaardig boek over geschreven.)
Als we buitenkomen regent het. We haasten ons naar het fish & chips-eethuis Bia Mara aan de Kiekenmarkt, de straat – een markt is het niet - waar ik in juni 1997 op het nippertje aan de dood ontsnapte.

the_beatles 8 days.jpg

Mijn vrienden en ik vormen een genootschap dat ‘Renaldo & Clara’ heet. We wijden een klein deel van ons leven aan het werk van Bob Dylan. Maar vergis je niet. ‘Bob Dylan’ is een ruim concept. Zo valt ‘Eight Days A Week’ daar ook onder. Later, bij Jan in Elsene, kunnen we maar moeilijk ophouden met praten in plaats van te luisteren naar de muziek die op het programma staat. Het zit namelijk zo. Elke keer als we bijeenkomen hebben we een thema waarrond we elk vijf à tien songs verzamelen en die we dan samen in stilte beluisteren en vervolgens (soms) becommentariëren. Het is een beetje zoals mijn radioprogramma, Zéro de conduite. Maar op die Allerzielendag komen we maar niet toe aan de songs. Donald Trump gooit roet in het eten, vergif zelfs. Hij zou, o ramp, de verkiezingen wel eens kunnen winnen. Maar is Hillary Clinton dan zoveel beter? Zij vertegenwoordigt toch ook de elite, en wordt door Wall Street gesteund? We blijven de hele avond discussiëren en altijd belanden we bij de noodlottige Trump. Niet dat de andere naoorlogse Amerikaanse presidenten zoveel beter waren. Zelfs Obama was geen engel, wel integendeel. Alleen Jimmy Carter krijgt onze sympathie. Tijdens zijn bewind werden er joints gerookt in het Witte Huis. En als ik me niet vergis traden the Allman Brothers er op. Niet dat dat de wereld op zijn grondvesten deed daveren…
renaldo clara.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat een gesprek meer deugd doet dan met vrienden naar uitverkoren muziek luisteren, maar die avond gaan we desondanks met een goed gevoel naar huis. Althans, zo ervaar ik het. Ik heb het gevoel dat onze stemmen het naderend onheil, de Amerikaanse tragedie, voor een deel hebben geneutraliseerd. Alsof het goedaardige drones zijn geweest. Voor songs is er later nog tijd. Zelfs toen de Titanic aan het zinken was speelde het orkest door. En Geert Mak beweert dat we ons daar nu bevinden.

titanic musicians.jpg

 

14-10-16

BOB DYLAN EN DE AFGUNSTIGEN

 bob dylan wrting.jpg

Opgedragen aan Christophe Vekeman

De zon schijnt maar vermoedelijk is het koud buiten. Wordt het een routineuze dag? Een dag als een andere? 13 oktober. Een ongeluksdag, misschien? Ik ben alleen thuis, hang een tijdje de ellendige nietsnut uit. Zet tegen beter weten de radio aan. Bob Dylan wint de Nobelprijs! Vreugdetranen, nooit eerder gevoelde blijdschap. Hoe kan ik dit voor mezelf houden? Ik bel A. op met de blijde tijding. Ik voel hoe ze daar in de metro haast aan het dansen gaat. Ik haal een single uit de kast, een die ik al sinds 1966 koester, ‘I Want You’, waarin deze versregels voorkomen:

"The silver saxophones say I should refuse you
The cracked bells and washed-out horns
Blow into my face with scorn
But it’s not that way
I wasn’t born to lose you"

Geen routineuze dag, dus, maar een dag van herinneringen aan euforische, gelukkige, dramatische, zieke, feestelijke, jaloerse, uitzinnige, pijnlijke en verwarde momenten. Meer dan vijftig jaar Bob Dylan-momenten. In het verleden heb ik er daar al heel wat van beschreven. Nu is dat niet nodig. Ik jubel en ik voel dat de hele wereld feest viert.

Later op de dag besef ik dat ik tegen wil en dank met Vlaanderen verbonden ben. Dat niet iedereen feestviert en jubelt. Want in Vlaanderen heb je Vlaamse schrijvers. Vlaamse schrijvers die geen ogenblik twijfelen aan hun vanzelfsprekende grootsheid. Zij weten wie een schrijver is en wie niet. Bob Dylan zeker niet. Dat is een rijmelaar, een neuzelaar, in het beste geval een ‘singer-songwriter’. Zo iemand geef je toch geen Nobelprijs! De jury bestond ongetwijfeld uit oude hippies, zeggen ze.

Het boegeroep – niets nieuws voor Bob Dylan – begon al op facebook. Ik las statements van Jeroen Olyslaegers, een auteur die ik stilaan begon te bewonderen vanwege zijn sociaal engagement, die van een vrij grote domheid, of toch zeker verblinding getuigden. “Bob Dylan zou nooit van zichzelf zeggen dat hij een schrijver is”, orakelde Jeroen. “Hij is een ‘song and dance man’, dat zijn zijn eigen woorden.”  Vreemd dat een gerespecteerd auteur geen ironie herkent. Geen sarcasme. Schrijvers zitten aan een tafel te schrijven, zeggen de Vlaamse schrijvers. Het zijn geen entertainers, geen circusartiesten… Maar wat is de Boekenbeurs dan, wat zijn de culturele centra? Wat is al dat signeergedoe, wat zijn die spelletjesprogramma’s en slimste mensen van de wereld?

In het journaal op de Vlaamse televisie draven Vlaanderens bekendste auteurs opnieuw op. Jeroen Olyslaegers, die nog zo slecht niet is, alleen wat in de war. Dimitri Verhulst, die pure dronken nonsens vertelt. Hij heeft het over de karamellenverzen van Bob Dylan. De schrijver van zinnen als “Werkers van wijflijke kunne worden in geval van zwangerschap op straat gezet.” (Ja, ja, ik weet het, dat is ook sarcasme). Overigens, Nick Cave en Tom Waits zijn veel betere singer-songwriters, zegt hij. Uiteraard mag Kristien Hemmerechts niet ontbreken – hoe zou Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kunnen krijgen zonder de goedkeuring van Kristien Hemmerechts? Onverdiend, vindt ook mevrouw Hemmerechts, Bob Dylan is helemaal geen schrijver. Like a rolling rolling stone, nee dat is niets voor mij. Mocht het nog Leonard Cohen geweest zijn, dat lijkt nog wat op poëzie, die liedjes komen ook op papier tot hun recht. En zo ging het nog een tijdje door. Gelukkig dacht ik aan wat Dylan ooit schreef: “Sometimes you gotta do like Elvis did and shoot the damn thing out”. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de televisie op dvd-functie gezet en ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese in de lade geschoven. Het is een mooie, feestelijke avond geworden. Vier uur controversiële en convulsieve schoonheid.

[In een bui van vreugde/razernij geschreven. Niet op de stijl gelet. Dit is geen literatuur.]

bob and suze.jpg

 

25-07-16

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

***

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

07-05-16

ZERO DE CONDUITE: BACK TO NEW YORK CITY

0sometime in new york city.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in het universum. Stem af op 106.7 FM.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

But the joke was on me
There was nobody even there to call my bluff
I’m going back to New York City
I do believe I’ve had enough
Bob Dylan


Net thuis van een lange reis door Andalusië. Moe maar tevreden. Vandaag tijd voor een nieuwe muzikale reis, of beter: een terugkeer… Want met Zéro de conduite waren we al eerder in New York, de stad die nooit slaapt, hoewel toch ook de stad van miljoenen dromen. A thousand dreams that would awake me, om het met Lou Reed te zeggen.
Ook nu was het weer bijzonder moeilijk om een ultieme keuze te maken. Er wordt en werd in New York zoveel verrukkelijke en grensverleggende muziek gemaakt. Ik wil alvast duidelijk maken dat in deze selectie niet noodzakelijke de béste songs over New York en van New Yorkers zitten. Het is ons altijd om het geheel te doen, de samenhang, de sfeer, de link(s) met vorige afleveringen van Zéro de conduite. Ik waag me ook zelden aan muziekgenres waar ik niet goed thuis in ben, bijvoorbeeld hip hop en techno. Daarmee spreek ik geen waardeoordeel uit.

Geniet van de volgende dromen over of uit New York!

0laura nyro.jpg

Just Like Tom Thumb’s Blues (Alternate Take) - Bob Dylan - The Bootleg Series, Vol. 7 No Direction Home : The Soundtrack - Bob Dylan

New York, New York - Ryan Adams - Gold - Ryan Adams

New York City Lullaby - Danny & Dusty - Cast Iron Soul – Dan Stuart, Steve Wynn

New York - Cat Power - Jukebox - John Kander, Fred Ebb

Venus Of Avenue D - Mink DeVille - Cabretta – Willy DeVille

New York Tendaberry - Laura Nyro – New York Tendaberry - Laura Nyro

Chelsea Hotel No. 2 - Leonard Cohen - New Skin For The Old Ceremony - Leonard Cohen

New York City Song - Dion - Born To Be With You - Bill Tuohy, Dion DiMucci

I Guess The Lord Must Be In New York City - Harry Nilsson - Harry - Harry Nilsson

Bleecker & MacDougal - Fred Neil - Bleecker And McDougal – Fred Neil

Spanish Harlem Incident - The Byrds - Mr. Tambourine Man - Bob Dylan

Summer in the City - The Lovin' Spoonful - Greatest Hits – John Sebastian, Steve Boone

Give Him A Great Big Kiss - The Shangri-Las - Sophisticated Boom Boom: The Shadow Morton Story - George Morton

Subway Train - New York Dolls - New York Dolls – David JoHansen, Johnny Thunders

New York City - John Lennon, Yoko Ono & The Plastic Ono Band - Some Time In New York City - John Lennon

Rockaway Beach - The Ramones - Rocket To Russia - The Ramones

Hanging On The Telephone - Blondie - Parallel Lines - Jack Lee

Distant Fingers - Patti Smith - Radio Ethiopia – Allen Lanier

Souvenir From A Dream - Tom Verlaine - Tom Verlaine (First Album) - Tom Verlaine

Harlem - Suicide - The Second Album – Alan Vega, Martin Rev

The Ballad Of Dorothy Parker - Prince - Sign O' The Times - Prince

Miss You - The Rolling Stones - Some Girls - Mick Jagger, Keith Richards 

Dirty Blvd. - Lou Reed - New York - Lou Reed 

The Pushers - Dizzy Gillespie - The Cool World - Mal Waldron 

Harlem Nocturne - Lounge Lizards - Lounge Lizards - Earle H. Hagen 

Contort Youself - James Chance & The Contortions - Buy - James White 

Uptown To Harlem - Johnny Thunders & Patti Palladin - Copy Cats – Betty Mabry

Diary Of A Taxi Driver - Bernard Hermann - Taxi Driver OST - Bernard Hermann

Spanish Harlem - Ben E. King - Spanish Harlem - Jerry Leiber, Phil Spector 

On Broadway - The Drifters - Under The Boardwalk - Barry Mann, Cynthia, Weil, Jerry Leiber, Mike Stoller

I Love New York  - Marva Josie - In The Naked City  - Unknown

Coney Island Baby  - The Excellents - The Golden Age Of American Rock & Roll – V. Catalano, P. Alonzo

The Only Living Boy In New York - Simon & Garfunkel – Bridge Over Troubled Water – Paul Simon

Chelsea Girls - Nico - Chelsea Girl - Lou Reed, Sterling Morrison 

Just Like Tom Thumb's Blues - Nina Simone - To Love Somebody  - Bob Dylan
0ramones.jpg

Deze aflevering van Zéro de conduite is opgedragen ter nagedachtenis aan Prince.

Research, techniek en presentatie: Martin Pulaski

28-03-16

HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

 odani motohiko.jpg


And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only

Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Odani Motohiko; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

01-11-15

ZO VEEL TIJD VOOR ZO WEINIG BOEKEN

the reader.jpg

In de ‘Passa Porta Lecture’ van David Vann las ik dat de helft van de Amerikanen het hele jaar geen enkel boek leest. “Van de meeste literaire romans, zelfs die van bekende schrijvers, worden op een bevolking van driehonderdtwintig miljoen niet meer dan vijfduizend exemplaren verkocht”, aldus Vann. Frankrijk schijnt daarentegen, als ik de Amerikaanse tragedieschrijver mag geloven, een boekenparadijs te zijn: “In Frankrijk zijn er in iedere buurt goede boekverkopers, gerespecteerde mensen die voor hun functie hebben doorgeleerd, mensen die ieder jaar een enorm aantal boeken lezen en hun klanten aansporen zichzelf uit te dagen en betere werken te lezen, geestelijke reizen te ondernemen.” Terwijl ik dacht dat er in Frankrijk alleen maar stokbrood en kaas werd gegeten en beaujolais gedronken. Ernstig, ik weet uit ervaring dat in Frankrijk gelezen wordt, zeker in Parijs. Dat zie ik vooral in de metro. In de Brusselse metro wordt hoegenaamd niet gelezen, in Parijs en Londen denk ik dat de verhouding één lezer op drie niet-lezers is. In Amsterdam zag ik deze zomer ook nog wat mensen lezen. Maar als de Fransen al lezen is het wel alleen maar Frans. De Fransen gaan er kennelijk nog steeds vanuit dat hele wereld Frans verstaat. Wat ik zo merkwaardig en zelfs onbegrijpelijk vind is dat ze hun films, vaak hoogtepunten uit de wereldcultuur, zelden ondertitelen, ook niet in het Engels of het Spaans. Zelf begrijp ik wel Frans, maar Engelstaligen schijnen dan weer aan te nemen dat de hele wereld Engels verstaat en vinden het niet nodig een andere taal aan te leren. Een mens zou zoveel mogelijk talen moeten leren. Ik ben het helemaal eens met de Belgische politicus Kristof Calvo – langs vaderskant van Catalaanse origine – die pleit voor de verplichte invoering van Nederlands taalonderwijs in Franstalig België en Franstalig taalonderwijs in Nederlandstalig België. Franstalige programma’s zouden standaard Nederlandse ondertitels moeten krijgen en Nederlandstalige programma’s Franstalige ondertitels.

Maar het ging over lezen. In Knack las ik een interview met de Gentse imam Khalid Benhaddou. Die beweert dat een Europeaan gemiddeld 36 uur per jaar leest maar een doorsneemoslim slechts 6 minuten. “Een doorsnee-Amerikaan, aldus de imam, leest gemiddeld elf boeken per jaar, en met twintig moslims samen komen we gemiddeld aan één boek per jaar. Dat is een ramp. De eerste regel van de Koran is nochtans: léés. Wetenschap is evolutief. Wel, dat moet de interpretatie van de islam ook zijn. Moslims die in het Westen wonen, moeten zich heruitvinden in een samenleving die hen constant intellectueel en wetenschappelijk uitdaagt. In Europa hebben we de vrijheid om die uitdaging aan te gaan. In sommige Arabische landen hebben moslims die vrijheid niet. De rationele islam is onze enige uitweg in het Westen.”

Ook al leest volgens David Vann de helft van de Amerikanen niet één boek per jaar, terwijl volgens Khalid Benhaddou een doorsnee-Amerikaan er elf leest – de doorsnee-Amerikaan zal de lezende helft van de Amerikaanse bevolking zijn – blijft het aantal bedroevend laag. En wat te denken van de Europeaan met zijn 36 uur per jaar? Dat is ongeveer anderhalve dag. Ik neem aan dat dat overeenkomt met één à twee boeken: een kookboek en een half boek van een politicus of voetballer. Of wat heb je nog meer?
Je kan het ook anders bekijken. Als een Europeaan het klaarspeelt om op één minuut één (kort) gedicht te lezen, kan hij er na een jaar 21.360 als gelezen beschouwen. Hij of zij zou ook diagonaal kunnen lezen. Laten we zeggen tien minuten per  boek. Dat betekent 2.136 boeken op een jaar, toch niet slecht? Maar hij of zij moet dan wel heel snel en heel diagonaal kunnen lezen. Het is overigens heel goed mogelijk dat mijn berekeningen verkeerd zijn. Ik heb altijd al een broertje dood gehad aan wiskunde. En toch reken ik heel graag. Maar op de middelbare school had ik een leraar die me voor altijd met een wiskundefobie heeft opgezadeld.
fahrenheit1.jpg

Dat de doorsnee-moslim maar 6 minuten zou lezen is natuurlijk geen aangenaam nieuws. Maar zo’n groot verschil met de Amerikanen en de Europeanen zie ik nu ook weer niet. Is anderhalve dag zoveel meer dan 6 minuten? Het lijkt me relatief. Het gebeurt dat ik een boek op enkele uren uitlees. Over de meeste romans van Patrick Modiano heb ik niet langer dan een drietal uren gedaan. David Vann’s ‘Goat Mountain’ had ik op anderhalve dag uit. Maar over sommige romans doe ik soms maanden. Een recent voorbeeld is ‘Bullett Park’, van John Cheever. Ik geraakte daar maar niet door en toch wilde ik het uitlezen. Lag het aan de roman of waren er psychische processen werkzaam in mij die voor leesvertraging zorgden? Er spelen zoveel factoren mee bij snel/traag, veel/weinig lezen. Overigens ben ik van mening dat mensen die veel lezen niet per definitie moreel beter zijn dan analfabeten. Maar anderzijds geloof ik niet dat ik vrienden heb die niet graag lezen. Nee, mensen die niet lezen interesseren mij niet. Pijnlijk eigenlijk, want zo zal ik nooit een Europese, Amerikaanse en al helemaal geen doorsnee-moslimvriend vinden. En de vrienden die ik al had maken zich razendsnel uit de voeten. Of heb ik weer te veel naar Bob Dylan zitten luisteren? Ja, ja, het gaat de verkeerde kant uit met de wereld.
2015-07-11-amsterdam 232.JPG

Afbeeldingen: The Reader, Stephen Daldry, 2008; Fahrenheit 451, François Truffaut, 1966; Amsterdam, Martin Pulaski, 2015.

 

15-07-15

BLOND OP BLOND

nico1.jpg

Als je me volgt naar de vergeten straat vergeet ik alles wat het vergeten waard is en meer. Zinloos is het leven in de waarheid als de waarheid je waardevolste leugens vernietigt. Je springt op de bühne, een automatische reflex, en spreekt de toeschouwers toe. Een audiëntie bij een ongehoorde vijand met ‘n ontwapenende blik in de ogen.

De dagen zijn kogels die verloren zielen afvuren, misschien wel uit schrik om ze onderweg te verliezen. Want wat voor, welke zin hebben ze in hun hulzen met het kruit en het koper, ongeschonden? Op jou vuren ze; in je hart, in heel je wezen word je geraakt. La vida, Alselma, mi corazon.

Heeft de dwaasheid je nu ingekapseld, de nuchtere waanzin je zinnen verbijsterd? Luister je niet langer naar de stem van de raadgever, oud en wijs en voorbij elk kruispunt. Terwijl jij knielt, geknield ligt, onderweg ergens voor een hotel op een hoek waar de wegen uiteenlopen. Geknield of gebogen een wiegenlied zingend, een lullabye voor de nog niet slapende baby. Baby die niet in je armen ligt, in een rode jurk onthuld, of balschoenen uitschoppend, even rood als de ochtendzon.

Als je me volgt naar de vergeten straat vergeef ik alles wat het vergeven waard is en meer. Wat ik nooit heb gekregen, nooit heb gegeven, nooit uit mijn lijf heb geperst – en wat is een leugen? Of meer nog, wat is een leugen om bestwil? Van mij verneem je dat niet, nooit – de eeuwigheid (of een dag) is mijn getuige.

In Tempus Fugit drink ik koffie tegen de maagpijn en water omdat jij dorst hebt. Het is een genoegen of is het een ongenoegen om genoeg van dit alles te hebben. Het niet meer te willen doorstaan en er geen iota van te verstaan – of bedoelde je begrijpen?

De vergeten straat in het Noorden waar je altijd blond bent zoals de zangeres, blond op blond. En een zilveren jurk onder de sterren betekent er niet eens veel, weinig zelfs, helemaal niets. Op het gegeven woord komt het aan in het Noorden, buiten de wet staan van de mensen, alleen de goden begroeten. En alleen de goden de rug toekeren als waren ze vrienden of teerbeminde slavinnen.

Schitteringen in je donkerste nachten zijn klanken die soms woorden worden, meer niet. Want zo is het altijd, dat er niet veel meer is dat waarde voortbrengt dan woorden. Als je me volgt naar het Noorden schenk ik je de weinige woorden die ik ken of ik zing ze. En dan luister je en lig ik aan je voeten en ben ik de teerbeminde en voel geen pijn. Want in elk woord lost de lust op en de pijn, net zoveel als je lief is en je goedkeuring verdient. Vingers op snaren, op toetsen, op huid. Zo zijn de woorden die je neerschrijft op een wit. Die ik neerschrijf, wit op een wit, en net zoals jij, blond op blond.

16-05-15

DRIE KLEUREN: GEEL

29974065_f4e3f795fa_o.jpg

Er waren dagen in de zomer dat ik alleen maar geel zag. Het zullen boterbloemen geweest zijn, hele velden vol boterbloemen, die mijn ogen verzadigden. Mijn dagdromen van toen, van het jongetje dat langs het kanaal op en af liep, op en af, herinner ik me als geel. Geel betekende geluk, zaligheid. Nog steeds kunnen rode voorwerpen me schrik aanjagen, gele nooit. Nochtans houd ik het meest van rood. Als ik in een film – of in het echte leven - een blonde vrouw in een rode jurk zie heeft ze meteen, op zijn minst, mijn volle aandacht.  Misschien compenseert het geelachtige blond het vurige rood?

Geel is de kleur van de waanzin, heb ik al horen beweren. Ik weet niet of dat waar is. Wel zou ik nooit een geel pak dragen zoals Johan Nilsen Nagel in ‘Mysteriën’ van Knut Hamsun.  In dat prachtige, enerverende boek uit 1892 onderlijnde ik dit: “Nog even en elke gemeente heeft een groot man, maar van de grootsten zal er misschien nooit meer dan één per duizend bestaan.” Nagel lijkt me behoorlijk waanzinnig. Het geel van Van Gogh is mogelijk een symptoom van zinsverbijstering.

In het Engels betekent ‘yellow’ laf, onder meer. Donovan’s lied ‘Mellow Yellow’ gaat niet over drugs, maar over elektrische bananen, dildo’s. Welke tiener wist dat in 1967? Wikipedia schijnt het nog steeds niet te weten. Deze verzen uit Bob Dylan’s ‘Tombstone Blues’ zijn echter overduidelijk:

“The Commander-in-Chief answers him while chasing a fly
Saying, "Death to all those who would whimper and cry"
And, dropping a barbell, he points to the sky
Saying, "The sun's not yellow, it's chicken"”

In Godard’s film ‘La Chinoise’ staat de kleur rood voor het denken en geel voor de Chinezen. Met de rode boekjes van Mao kun je een muur bouwen om je te beschermen tegen de imperialistische vijand. De imperialistische vijand is rood noch geel, maar een kip uit Kentucky.

Wat was Polly Jean Harvey sexy in haar gele jurk. Zal ze die ooit nog dragen? Ik herinner mij dan wel die boterbloemen en hoe alles geel was op sommige dagen, zeker als ik vanuit een boom de velden overschouwde, maar hoe is het mogelijk dat ik PJ nooit live heb gezien? Het komt me voor dat er rond het jaar 2000 niets opwindenders bestond dan een concert van PJ Harvey. De gele jurk begrensde de extase. Je stelt het orgasme toch uit? Een rood kleedje zou de grenzen van de denkbare verrukking overschrijden. De stem van Polly Jean is van vuur, niet geel maar rood.

Nee, ik mis het geel niet echt. Ik mis vooral het rood in mijn leven. Zoveel stellen die boterbloemen van toen nu, uiteindelijk, niet meer voor.

2770673232_7092e2cf39_o.jpg

...

Foto's: Martin Pulaski

27-03-15

BRINGING IT ALL BACK HOME

 

bringing it all back home.jpg

Vijftig jaar geleden, op 22 maart 1965, verscheen in de Verenigde Staten de baanbrekende, gedeeltelijk elektrische langspeelplaat ‘Bringing It All Back Home’ van Bob Dylan. De zanger en liedjesschrijver keerde folk, realisme en protest de rug toe. Zijn teksten waren nu symbolistisch, surrealistisch en autobiografisch. In Nederland en België zouden we nog tot 1967 moeten wachten op deze lp, die hier onder de titel ‘Subterranean Homesick Blues’ verscheen. Pas in 1970 zou het album in mijn bezit komen. Met de opbrengst van mijn verkoop van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ aan mijn toenmalige vriend Marc D., kon ik me eindelijk de Nederlandse persing van ‘Subterranean Homesick Blues’ aanschaffen. Ik herinner me nog dat ik ze met trillende handen in de Maison Bleue in Brussel in ontvangst nam. Pas toen hoorde ik nummers als ‘On The Road Again’ en ‘Outlaw Blues’ voor het eerst. Of had Francis Heselmans ze mij al een keer laten horen? Hij was alvast minder arm dan ik en bezat bijgevolg ook een grotere platencollectie. Met de meeste andere songs was ik al vertrouwd via singles en ep’s.

Over symbolistische dichters vond ik dit: “Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”.
Zegt dat niet heel veel over deze fase in het werk van Bob Dylan? Meer wil ik over deze tijdloze plaat niet kwijt. De geschiedenis van ‘Bringing It All Back Home’ is bekend. Hoewel ik dat soms ook wel eens durf betwijfelen.

02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

28-10-14

TOT STRAKS, LOU, IN DE MUZIEKKAMER

Lou Reed looking down holding guitar in Recording Studio NEW YORK CITY, 1977.jpg

“Time is a jetplane — it moves too fast. Oh but what a shame that all we've shared can't last…” zingt Bob Dylan in ‘You’re A Big Girl Now’.  Gisteren was het een jaar geleden dat Lou Reed in Southampton overleed. Had ik niet net zo goed kunnen schrijven dat de dichter/zanger/muzikant gisteren de geest gaf? Toch is er in dat jaar, nu voorgoed begraven, tenzij de herinneringen, veel gebeurd. Het staat in de kranten, in de tijdschriften, in boeken, er zijn documentaires en reportages over, het zit opgeslagen in het geheugen van NSA. Oorlogen, plunderingen, verkrachtingen, verwoestingen, een onophoudelijke horrorshow; maar ook mooie dingen, mannen en vrouwen  die verliefd werden, kinderen die liedjes zongen, nieuwe bladeren aan de bomen in april, gedroomde treinen naar werkelijke paradijselijke bestemmingen. Zo veel en zo weinig.  
Mocht Lou Reed nog leven hij zou z’n schouders eens ophalen. Want was de duisternis in zijn ziel niet nog veel donkerder dan de wereld zelf? Neen, dat geloof ik niet. Lou Reed was kwetsbaar, zoals veel grote kunstenaars, maar dat liet hij slechts zelden zien. Lou Reed kende mededogen en wist wat liefde was, ‘Pale Blue Eyes’ en ‘Magic & Loss’ zijn daar maar twee bewijzen van, mocht iemand die nodig hebben. Waarom haalde hij dan z’n schouders op? Misschien om er wat stof van die donkere wereld af te schudden, wat onzin, wat leugens?

Ook al is er nog al de onsterfelijke muziek die ik hier vorig jaar opsomde, toch mis ik Lou Reed. Ik mis de man, zijn rock & roll heart, zijn bittere troostende woorden, zijn strelende venijnige stem, zijn poëzie die altijd echt en waar was, nooit onderdanig of  bang maar trots en verheven, stekelige bloemen in de wereldstorm. “He wouldn’t bow down or kneel”, om nog een keer zijn geestverwant aan te halen. Tot straks Lou, in de muziekkamer.
lou-reed.jpg

...

Foto's: Lynn Goldsmith, Garry Gross

05-06-14

OVER OBAMA, APEN, IRONIE, INTELLIGENTIE EN VERBIJSTERING

gulliver-morten13.jpg

“You can please some of the people all of the time, you can please all of the people some of the time, but you can’t please all of the people all of the time”.
Abraham Lincoln.

Obama verbleef gisteren en vandaag opnieuw in Brussel. Op 26 maart was hij hier ook al te gast. Wat een eer voor ons land en onze hoofdstad, zou je bijna durven denken. Maar ik ben geen bewonderaar van de huidige Amerikaanse president, hij heeft mij en zovele andere aardbewoners met een idealistische inborst te zeer en te vaak teleurgesteld. Misschien hebben we in het begin te veel van hem verwacht, hebben we hem macht, daadkracht en doorzettingsvermogen toegedicht, eigenschappen die hij in werkelijkheid niet heeft en ook niet kan hebben, omringd als hij is door ‘haviken’ en ‘wolven’. Vreemd toch, die vergelijkingen met dieren altijd.


Ik heb me die eerste keer dat hij in het land was hier thuis erg boos gemaakt over de ronduit racistische cartoon die in De Morgen was verschenen (ik had er op sociale netwerken over gelezen en ze daar ook gezien). Ik heb over die woede toen niet veel geschreven, alleen een opmerking op facebook heb ik niet kunnen onderdrukken. Al die verontwaardiging is niet goed voor de gezondheid. In een of twee zinnen had ik mij kritisch uitgelaten over die racistische en bijgevolg schandalige spotprent. Dat werd me niet in dank afgenomen. Een sujet op facebook, gelukkig geen ‘vriend’, schreef dat hij verbijsterd was over mijn domheid. De man had altijd gedacht, schreef hij, dat ik over intelligentie beschikte, maar nu was ik door de mand gevallen. Wat was ik ronduit dom. Een ironisch kunstwerk racistisch noemen, wat kregen we nu! De man was vermoedelijk onwel geworden van mijn kritische opmerking en van mijn plaatsvervangende schaamte. Verbijsterd was hij over mijn onwetendheid. Dat woord gebruikte hij: verbijsterd.

Ik heb er het zwijgen toe gedaan, maar vandaag herinner ik me het voorval weer en wil ik niet langer zwijgen. Primo ben ik niet onwetend, ook al ben ik niet bijster intelligent. De meeste dingen die ik weet en ken, weet en ken ik toevallig, dat is mijn geluk. Maar, secundo, stel dat ik toch door en door onwetend ben: hoe kun je daar nu verbijsterd over zijn? Iemands onwetendheid is ontroerend, bedroevend, teleurstellend, misschien zelfs beschamend, maar zeker niet verbijsterend. Wat is dan wel verbijsterend? Enkele weken geleden zag ik in het Museum voor Schone Kunsten in Gent ‘Het vlot van de Medusa’ van Géricault (eigenlijk was het een kopie). Er werd een verband gelegd tussen de verschrikkingen op het schilderij en de gebeurtenissen in de buurt van het eiland Lampedusa op donderdag 3 oktober 2013. Op die dag verdronken minstens 300 van de ongeveer 500 vluchtelingen, het merendeel uit Eritrea en Somalië, die vanuit Libië geprobeerd hadden per boot Lampedusa te bereiken. Dat is verbijsterend. De harde houding van ex-Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block ten aanzien van vluchtelingen zou je ook verbijsterend kunnen noemen. Mijn onwetenheid – die er in dat geval geen was, want de spotprent was door en door racistisch – is alledaags, niets om je druk over te maken; elke mens is onwetend over iets. Ik geloof ook dat elke mens naar kennis en weten streeft, ook al kan dat een illusie zijn, een nevenverschijnsel van mijn idealistisch optimisme.

géricault.jpg

Mensen die de onwetendheid van anderen verbijsterend vinden, die de anderen dom vinden, vinden dat niet echt. Het is een tactiek om zelf intelligent gevonden te worden. Noem de andere – je opponent - dom, dan ben jij intelligent, zo is de toch enigszins domme redenering.

Wat ik niet begrepen had, vond het intelligente sujet, was de ironie van de spotprent. Over die zogenaamde ironie schreef Arnon Grunberg, nog zo’n onwetende aap, het volgende: “En het is mij eerlijk gezegd ook onduidelijk wat hier precies geïroniseerd werd. Racisme? Obama? Of diende de ironie juist als dekmantel voor het al te traditionele racisme? De zwarte, de aap.”
superape.jpg

Ik weet dat ik onlangs schreef dat er geen groter kwaad bestaat dan domheid (ik geloof dat ik het net bij W.G. Sebald had gelezen, maar het is mogelijk dat ik me hier vergis), wat zeker de waarheid is. Ik wil er graag op wijzen dat dit een algemene uitspraak was en niet één bepaalde enkeling betrof. De uitspraak impliceert in geen geval dat ik niet dom ben, of dat ik bijzonder intelligent ben. Want, nogmaals, dat is niet zo. Ik ben gewoon maar een mens op weg naar het einde. Ondertussen probeer ik te leren, inzichten te verwerven en het goede te doen. Maar helaas kun je nooit voor iedereen het goede doen, zoals Abraham Lincoln al zei en Bob Dylan zong.

28-01-14

MADAME BOVARY IN DE CAMARGUE

2012_09_ALGARVEpanasonic 080.JPG

Laten we een korte reis maken naar Les Saintes-Maries-de-la-Mer in de Camargue. In dat stadje bevindt zich de Zwarte Madonna, die Sara wordt genoemd. Het is een belangrijke bedevaartplaats voor zigeuners. Bob Dylan ontmoette er een zigeunerkoning, of zo leert ons toch de legende. Inderdaad, Bob Dylan bestaat niet echt: hij is een legendarische figuur, een mythische held. Uit een andere legende leren we dat hij er enkele maanden in een tent leefde samen met zijn vrouw Sara en hun kinderen, waaronder Jesse en Jakob. Voor de song & dance man was het een vruchtbare tijd.

Op het uitgestrekte grondgebied van Les Saintes-Maries-de-la-Mer, woont Emma Bovary met haar oudere echtgenoot in een riante villa. Zover het oog reikt niets dan moerassen en in de verte de Middellandse Zee. Madame Bovary leidt een eenzaam bestaan: vanwege zijn doktersberoep is haar echtgenoot vaak uithuizig. Haar enige gezelschap zijn dan haar zes witte paarden. Vaak, als ze een rit maakt om de flamingo’s te gaan begroeten, of gewoon maar voor het plezier, waant ze zich een edele vrouw uit de Middeleeuwen: Madame Bovary heeft veel historische romans gelezen.

Op een zomerdag komt de jonge reiziger Mathieu F. in het stadje aan. Op het terras van een café ontwaart hij Madame Bovary en wordt meteen smoorverliefd. Zij echter lijkt hem niet eens op te merken. Mathieu F. verneemt dat Emma Bovary niet alleen paardrijdt maar ook veel tijd doorbrengt op het strand. Het is daar, gezeten onder een parasol, dat ze haar romans verslindt. Mathieu F., hoewel een reiziger in hart en ziel, kan niet weg uit de streek: de vrouw, van een uitzonderlijke schoonheid, rode haren, vurige ogen, lange benen en sierlijk in al haar bewegingen, heeft hem betoverd. Hij moet en zal in haar buurt blijven.

Hoewel hij niet van het leven op het strand houdt brengt hij daar nu elke dag ettelijke uren door. Mathieu heeft het gevoel dat hij en Madame Bovary elkaar al eerder hebben gekend, misschien wel in een vorig leven. Later pas ontdekt hij dat ze sterk gelijkt op zijn jeugdliefde, toevallig een Sarah, die hij hartstochtelijk liefhad maar helaas in een kaartspel – tijdens een dronken nacht - verloor aan een andere man. Hij weet echter dat het niet het spel was dat hen heeft gescheiden, maar het noodlot.

Nu hij in Madame Bovary’s nabijheid vertoeft, heeft hij nog maar één wens: haar liefde te winnen en voor altijd zijn leven met haar te delen. Haar te beminnen zoals geen enkele andere sterveling dat kan. Wat kan hij doen opdat die wens, zelfs maar gedeeltelijk, in vervulling zou gaan?

Soms zit hij met zijn nieuwe vrienden kaart te spelen in een van de bars in het van hitte zinderende stadje. Zijn hoofd is echter elders, zelfs als hij nuchter is. Zo verliest hij een groot deel van zijn geld en zal hij al gauw zijn hotelkamer niet meer kunnen betalen.

Emma Bovary is niet zo wereldvreemd dat ze Mathieu nog niet heeft opgemerkt. Op straat wordt er over hem en over zijn smachtende liefde gepraat en velen vinden hem een sentimentele dwaas. De zigeuners hebben al enkele liedjes over zijn onbeantwoorde, tragische liefde geschreven.  Een van die liederen zal Bob Dylan inspireren voor zijn ballade ‘Sara’, terug te vinden op zijn meest liefdevolle, zijn enige van werkelijk mededogen getuigende elpee, ‘Desire’. Wel wat vreemd dat hij de song ‘Sara’ heeft genoemd en niet ‘Emma’, maar ongewoon is het nu ook weer niet.

Als Mathieu’s laatste avond in Les Saintes-Maries-de-la-Mer aanbreekt komt Madame Bovary hem opzoeken. Ze drinken champagne in de lobby van zijn hotel en vertellen elkaar over hun leven van eenzaamheid en verlangen. Emma’s begeerte, om niet te zeggen haar lustgevoelens, wint het al gauw van haar schuchtere gereserveerdheid. Ze valt voor de charmes van Mathieu, die in haar ogen iets heeft van de desperado’s waar ze al zoveel over heeft gelezen. Het verhaal van die nacht wordt bezongen door Gram Parsons en Emmylou Harris in We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning’. Het is best mogelijk dat Parsons het verhaal heeft opgevangen toen hij in de villa van Keith Richards in Villefranche-sur-Mer verbleef, waar the Rolling Stones ‘Exile On Main Street’ opnamen.

Als Mathieu ontwaakt smeulen de assen nog na in de open haard, maar Emma Bovary is weg. In een korte brief schrijft ze, niet zonder passie, dat ze haar man niet aan zijn lot kan overlaten, dat hij haar meer nodig heeft dan Mathieu; Mathieu is nog jong, haar man is oud, maar dat ze hem, Mathieu, nooit zal vergeten, dat ze altijd van hem zal blijven houden. Maar nee, ze kan hem niet vergezellen naar het vreemde land dat zijn bestemming is. Ze moet in Les-Saintes-Maries blijven, bij haar man, haar zes witte paarden, de flamingo’s en bij Sara, de Zwarte Madonna.

...

Foto: Martin Pulaski, Santa Luzia, 18 september 2012.

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

17-09-13

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

searchers.jpg

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind - The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

paris-texas-1984.jpg

...

Foto's: 'The Searchers', John Ford en 'Paris, Texas', Wim Wenders.

05-08-13

OOIT WAS ER EEN TIJD*

Angela_Winkler_Wald_Vermummt.jpg

Opgedragen aan Def Jam (Rick Rubin & Russell Simmons) en ‘Renaldo & Clara’.

1.

“"I need a radio inside my head", zei Kate Moss (in een blauw niemendalletje)."Vanop een redelijke afstand lijk je op Kate Moss”, zei Zazie, haar beste vriendin. Zo werd me verteld, zonder dat me evenwel bewijsmateriaal werd overhandigd.”

“Veertig jaar geleden nu wandel ik in een Luxemburgs bos of lig ik, dat is ook heel goed mogelijk, neer tussen of onder varens en braam. Opgelet voor de tekens, hoor ik Zazie nog roepen.”

“Je zag me nooit in een rode Cadillac, geeft maar toe, maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak in Firenze gekocht, zonder een cent op zak. Een voorschot met hasjiesj als rente.”

“Aldaar, in Albergo Firenze, een wat wordt genoemd luizig hotel, geen al te grote en schone kleerkast, een kleine houten notenhouten tafel en een watermanpen om Dante’s grote voeten te tekenen. Nog niet in het bezit van het wit linnen pak.”

“In 1970 werd ik in een Germaanse wei wakker met honderd gram Rode Libanon onder m’n slaapzak.  Ik had er pijn in de rug van gekregen. Jongen wat werd ik ziek van dat spul.”

“Weet je nog: de sleutels van onze cel weggegooid, bang voor de nieuwe gestapo? Onze weg naar huis geschooid. Die vreselijke grens over. Door de Duitse nacht. Huiverend van elk geluid, bv. het ademen van koeien. Je huid nog niet leer gelooid door de bleierne zeit."

"Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen. Of ben je gek of wat? Ofwel is het te veel ofwel te weinig. Een rebel, je moet wel dwaas zijn, een rebel in een beschaving waar iedereen zegt, ik ben ik, aan mij valt niets te schaven."

“Ach zo, Zazie, wat doen ze dan met hun billen en borsten en buiken en kinnen en schaamlippen en…”

“Wat maakt het allemaal uit! Drink beter tequila als een Alfredo Garcia.  Drink absint als Van Gogh en August Strindberg. Drink whisky als Warren Oates. Maar fuck al die andere shit. Vroeger was je misschien wit. Nu ben je zwart als de Borinage in de ogen van de jonge Van Gogh en schrik je in je spiegel van een vleeurmuisneus. Nu schrik je van je naamval. Nu schrik je van een apenfamilie op je rug. A tight unit, dat wel. Drink beter Jägermeister in botervlootjes  met op de onderzijde het stempel van Meissenporcelein, mijn liefste.”

“Terminator”, zegt ze. “Ik word al spoedig een Terminator, gonna clean up this town, Pussycat, al die lavabogestapo’s ga ik de keel oversnijden.”

Saint_Anastasia_of_Sirmium.jpg

2.

“Verschil je van een reptiel,  op dit moment dat twee uur duurt, op dit moment waarop je  zomaar in het wilde weg een vrouw in scharlaken wilt kussen, alleen maar om te kussen. Wie ben je als je staat te wachten in een druk of verlaten station. Te wachten op een trein naar Frankfurt, Bradbury,  Bombay, een trein naar Trst. Wie ben je als je zegt, "ik word nooit oud, ik heb daar het vel niet voor"? Wie ben je eigenlijk, Martin Pulaski?  Wat doe je met je ziel, wat doe je met je leven? Als je vrienden sterven, als je vrienden weggaan voor goed, of op bedevaart naar graven van geplagieerde schrijvers en leeggezogen muzikanten. (Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)”

(Het was een dag dat het voor altijd regende. Een dag van de triffids. Van de bodysnatchers.)

“Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde. Een kort jurkje, een doorkijkbloes. Begeerde je alleen haar kleine borsten, haar roze lippen? Zij was goed opgevoed. Spuwde niet op de grond maar in je gezicht. Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat. "Ben ik Shaft?", zei je? "Dirty Harry?" "Ben ik Captain America, Julien Sorel"? Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt, een scheiding aan de linkerzijde?”

“Je vader was in het verzet, zat in een kamp in Oostenrijk, een boerderij waar veel gelachen werd. Over de donkere grens."

“In Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters, Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Angela Winkler, Drafi Deutscher en al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen in een gedicht. In een gedicht over onder andere mijn aangezicht.  Dat ik bijvoorbeeld van Umbrië houd, zeg ik niet eens.”

“Je bent eenvoud. Een punk met drie akkoorden & the truth.  Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker, iemand die bij Financiën werkt, of subsidies toekent aan mannen met revolvers en zieke kinderen in winderige steden aan zee, bijvoorbeeld in Trst, waar iedereen alles vergeet altijd. Je hebt de champagne en het feest begint. Iedereen heeft respect voor je. Anders slaan je wilde jongens je wel op je smoel. Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen wilde jongens. Ze zijn goed opgevoed. Gingen naar de beste scholen.)”

“Je roept namen om. Je kunt het niet laten, aan omroepen verslaafde. Robert Musil, Van Zandt, Umberto D., Lighntin’ Hopkins, Robert Guidry, Rainer Ptaceck, Grimm, Max Beckmann, Jacques Vaché, Lucia Bosé, Lord Byron. Je bent nauwelijks wantrouwig  jegens wie je omroept. Als ze maar Jägermeister drinken. Een goedgelovige omroeper, een punk ben je. Je kent maar enige beroepen en eigennamen die iets betekenen. Schippers, zwaardvechters, glasblazers, galeiboven (die kunnen ontsnappen), Michel Simons, Barbara Lodens, Brandon DeWildes, Anastasia’s van Sirmium.”

“De mensen zien je dronken en zeggen: “Hij is weer zat.”  Ze zien niet dat je weder opstaat. Nadat je vuistslagen krijgt van engelen op zoek naar geld voor crack. Ze zien niet dat je weer opstaat en terugkeert naar je leeg landschap, niets dan zand met in de verte een mysterieuze wachttoren. Altijd komen uit de poort, komen over de valbrug twee pratende blauwe vrouwen in niets onthullende brokaten gewaden gehuld. Wat had je anders verwacht?”

dirty harry.jpg

 

*Nieuwe versie van: REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF (27-02-09)

...

Foto's:
1. Angela Winkler
2. Anastasia van Sirmium
3. Dirty Harry 

16-06-13

BOB DYLAN'S RENALDO & CLARA

masterpiece snip.PNG

De meeste stervelingen die ik ontmoet, in de wereld of op papier, en zeker popmuziekrecensenten, houden niet van ‘Renaldo & Clara’. Of ze hebben er ronduit een afkeer van. Ze hebben er nooit van gehouden en ze zullen er nooit van houden. Ze geven er niet om. Ze vinden het een onding. Ze zeggen dat het een volstrekte mislukking is, een egotrip, alles behalve een behoorlijke film (een film zoals het hoort). Dat getuigt van verregaande luiheid, gebrek aan interesse en openheid; het getuigt vooral van domheid.

Iemand die bevooroordeeld is kan deze ongewone film niet begrijpen. Zo iemand zal zo vlug mogelijk een oordeel vellen, zal de film 'slecht' vinden, of 'goed', zelfs (wat op hetzelfde neerkomt). Zo iemand zal hem niet kunnen categoriseren, hij heeft er geen genre voor binnen handbereik, geen herkenbare stijl, er zijn geen referenties naar grote voorbeelden uit de filmgeschiedenis of populaire kunsten mogelijk (toch wel hoor, die voorbeelden zijn er wel).

Maar iemand die aandachtig is en nieuwsgierig, die ogen en oren open houdt, die nadenkt, zal iets dergelijks zeker niet doen: 'Renaldo & Clara' is geen willekeurige, overbodige of pretentieuze aaneenschakeling van beelden. Het is een kunstwerk dat tegen de tijd inging en er nog altijd tegen ingaat en tegelijkertijd een getuigenis is van de tijd waarin het is gemaakt. Onderdompeling en transcendentie.

Bob Dylan is - zoals Buñuel - gefascineerd door het mysterie, het geheim, dat centraal staat in de poëtische ervaring en in de religieuze belevenis. In alles wat helder lijkt is er iets duisters aanwezig. Iets duisters dat zich aan het oog onttrekt door de diepte en de uitgestrektheid van alles wat licht is (door de zon belicht, enz.). Wat heeft deze duisternis te betekenen? ‘Cet obscur objet du désir’, zoals Buñuel het noemt, is een object/subject dat, als Proteus, om te ontsnappen aan de jager (een metafoor voor het bewustzijn), voortdurend van gedaante verandert. Een object dat nabij is èn onbereikbaar, zoals de sterren en de bliksem. De personages van Dylan zijn niet alleen loyaal aan hun geliefden maar zeker ook aan de sterren daar hoog boven hen. De sterren die van hen houden, hoe kan het anders, zoals in de film 'Somebody Up There Likes Me' van Robert Wise en het gelijknamige lied van David Bowie. De sterren die zich sneller dan het licht van hen verwijderen. En de geliefden die niet omkijken omdat ze artiesten zijn en hun liefde in waanzin is verdronken.

Dylan stelt het probleem van de roem (Robert betekent 'schitterend door roem'), de beroemde kunstenaar, het idool. Hoe kan iemand die door massamedia en publiek tot idool of ster is uitverkoren integer blijven? Het publiek eist hem op, zijn leven wordt in beslag genomen door de openbaarbeid, door het publiek, door het spektakel. Het 'ware ik' verdwijnt, wordt een troebel symbool, onzichtbaar of opaak, verstart in een ‘public image’, of – wat het allerergste is in deze tijd, nu - in een ‘icoon’:

“You're invisible now,
You’ve got no secrets to conceal.”

De transparantie van het masker, in het begin van de film. Onder het masker een ander masker, dat van de performer Bob Dylan, de clown met wit gelaat, die de dromen, fantasieën en verlangens van Renaldo 'exposeert' op het podium.  Exposeert, ontwikkelt : zoals je een film ontwikkelt, een rode loper uitrolt, een landkaart openvouwt, zoals een bloem ontluikt dankzij het licht van de zon. Exposeert eveneens in de betekenis van 'verwoorden' (denk aan exposé, maar ook aan het klassieke 'expositio').

Wie is Renaldo? Renaldo is de goede heerser zegt ons het woordenboek van voornamen. En wie is Bob Dylan? Een mythe? Een zoon van de golven, duistere zoon van de zee? Ongetwijfeld.

De film weerspiegelt een realiteit; maar de montage en zeker ook de ‘cadrage’, het ritme, de banaliteit van de ‘fait divers’, en uiteraard de muziek, maken het mogelijk door die realiteit heen te kijken, helder te zien, als een clairvoyant, zodat de ware toe-schouwer een diepere werkelijkheid te zien krijgt.  Een diepere werkelijkheid die tegelijkertijd oppervlakte is, want er is geen diepe diepte, zoals er geen oppervlakkige oppervlakte bestaat. Bob Dylan is hier – misschien tegen wil en dank, want hij is een dwarsligger - in geslaagd (net zoals Andy Warhol/Paul Morrisey in ‘Trash’, ‘Flesh’ en ‘Heat’).  De film is integer als getuigenis, als onderzoek, als protest, als visueel gedicht. Een voorbeeld van integriteit: de vrouwen worden niet uitgebuit, verschijnen niet als louter lustobjecten. Zelfs in de bordeelscènes, als hoeren, zijn ze bovenal vrouwen van vlees en bloed en geest. ‘Renaldo & Clara’ is onder meer een loflied aan de vrouwen. Ze zijn allen even mooi, allen heten ze Clara - radiant beauty, schitterende, stralend-witte godinnen zoals in het baanbrekend werk van Robert Graves,'The White Goddess'.

Het wordt de hoogste tijd om ‘Renaldo & Clara’ opnieuw in roulatie te brengen en vervolgens op dvd/BluRay en alle andere mogelijke beeld- en geluidsdragers aan film- en muziekliefhebbers ter beschikking te stellen. Hetzelfde mag overigens ook gebeuren met de films van Jacques Rivette en Jean Eustache. Misschien kunnen we dan vaststellen dat de jongere generaties minder bevooroordeeld en minder dom zijn dan de oudere?

Trash.jpg