16-07-16

EEN MIDDAG IN CADIZ

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 054.JPG

Een middag en avond met A. en mijn vrienden Maria Jesus (Menchu), Carmen, Harvey en Juan. Menchu is een en al liefde, caritas, passie, ze is voor mij al sinds 1999 de ziel van Cadiz. Na zeventien jaar nog steeds dezelfde fonkelende ogen.
Zoveel woorden aan politiek verspild. Menchu, Carmen en A. houden zich wat dat betreft enigszins afzijdig. Vooral de mannen voeren het woord. De blijvende corruptie in Spanje… Maar is corruptie niet van alle tijden en woekert ze niet in de harten van miljoenen mensen? Maakt ze niet telkens weer hele samenlevingen kapot? Corruptie en afgunst, de twee grote kwalen. In Cadiz is Podemos aan de macht gekomen. Mijn vrienden vragen zich af of er nu iets veranderen zal. De Panama Papers geven aanleiding tot veel achterdocht en zelfs paranoia. Mijn vrienden zijn al bij al pessimistisch: de grote massa blijft voor de Partido Popular stemmen, zeggen ze.
Ik verneem dat er weinig moslims in Andalusië leven. Degenen die hier destijds zijn aangekomen – ik heb ooit een groot schip vol Afrikaanse vluchtelingen in Algeciras zien binnenvaren - zijn naar andere streken vertrokken, vooral naar Duitsland, België, Nederland. Nogal wat meisjes en jonge vrouwen belanden in de prostitutie in Madrid en Barcelona. Ik hoor de onuitgesproken vraag of West-Europa zoals Spanje in 711 veroverd zal worden door de Arabieren? Zo’n vaart zal het niet lopen, maar we kunnen de toekomst niet voorspellen. Ik heb geen problemen met moslims, zeg ik. (Dat lijkt bijna een racistische uitspraak. Als je geen problemen met de moslims hebt hoeft dat ook niet verwoord te worden. Maar we praten Engels en Spaans ‘zonder moeite’, dan druk je je niet bepaald subtiel uit.)
2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 225.JPG

Harvey, een Canadees die al tientallen jaren in Spanje woont, was in 1973 in onze hoofdstad. Je zou de stad niet herkennen, zeg ik. Zelf ben ik in Brussel in de herfst van 1969 aangekomen. Een groot dorp was het hier, of zo leek het toch. Hoewel de stad nog steeds, zoals in de tijd van Lautréamont, Baudelaire en Marx, een internationaal subversief bolwerk was: ik herinner me Living Theatre, Mothers Of Invention, Free Press Book Shop, et cetera. Harvey herinnert zich dan weer dat de Brusselse Vlamingen gastvrij en open van geest waren.
Juan en Menchu hebben weinig mogelijkheden om te reizen. Ze gaan graag naar Marokko, houden van de lekkere maghrebijnse keuken. Essaouira is hun droombestemming. Maar ze zijn ook trots op hun Andalucia, en in het bijzonder op Granada, die parel aan de Andalusische kroon. Menchu is met ziekteverlof geweest, een depressie door omstandigheden op het werk. Haar baas is een fundamentalistische katholiek. Ja, die bestaan ook. Ik kom niet te weten wat Juan doet. Hij is intelligent en spreekt veel beter Engels zonder moeite dan ik. Carmen, uit Barcelona afkomstig, schildert. Ze is vol lof over Rafael Alberti uit Malaga. Ik herinner me dat ik ooit een boekje van hem las, ‘De 8 namen van Picasso’, maar dat krijg ik moeilijk uitgelegd. Rafael Alberti was een goede vriend van Picasso, hoewel hij twintig jaar jonger was dan de grootmeester van het kubisme. En dan bestellen we nog een rondje en lachen nog wat en worden wat melancholisch. Inmiddels is het donker geworden. We werpen ongemakkelijke blikken op de openstaande deur en denken aan de wegen die elk van ons in eenzaamheid zal moeten begaan, aan de vragen waarop niemand van ons een antwoord zal vinden.

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 218.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Cadiz, april 2016

03-07-08

DE PAUL AUSTER BAR


Zonder zelfs mijn toestemming te vragen heeft Paul Auster een Pulaski Diner geopend. Hij komt daar eerlijk, schaamteloos zou ik haast durven zeggen, voor uit op pagina 57 van zijn boek ‘Man In Het Duister’. De schrijver beweert wel dat de zaak toebehoort aan een zekere August Brill, maar ik weet beter. Ik denk er nu over om een Paul Auster Bar te openen, en als die wat succes heeft, wat later ook nog een Siri Hustvedt Cafetaria.
Inspiratie voor de inrichting van de bar vind ik ongetwijfeld in de romans van het echtpaar. In verband met het meubilair heb ik al een beslissing genomen. De lage tafels, zetels en banken  zullen constructies worden van opeengestapelde kartonnen dozen, waarin zowat alle klassiekers uit de wereldliteratuur zullen verpakt zijn. Zo ben ik van dat zwaar gewicht verlost. En bij de klanten stijgt samen met de alcohol al die schoonheid en kennis naar het hoofd. De dozen zal ik  van een dikke laag vernis voorzien, zodat als er gemorst wordt de boeken daar niet onder moeten lijden. Stel je bijvoorbeeld voor dat ‘Angst en Beven’ van Kierkegaard een half glas tequila over zich heen krijgt!

In mijn Paul Auster Bar zal ongetwijfeld veel water worden gedronken. Ik weet dat de schrijver graag Spa drinkt, dus wordt het Spa. Aangezien ik zelf van Belgisch water houd is dat mooi meegenomen. Maar ik zal tevens een mooie collectie single malt whisky’s hebben, en goede bourbon, Southern Comfort, de beste cognac uit Frankrijk, Lepanto uit Spanje, wijnen uit Australië, Chili, Argentinië en vooral Italië. Tequila en Mezcal uit Mexico, Cachaca uit Brazilië, Rum uit Cuba. Bier uit West-Vleteren, Westmalle en, uit de Ardennen, La Chouffe.

Natuurlijk ben ik een amateur, ook al heb ik enkele maanden in de Dolle Mol gewerkt, toen die kroeg zich nog op de Kaasmarkt bevond. Sommige dagen spreidde mijn baas een Belgische vlag uit op de betonnen vloer en neukte daarbovenop met een anarchistische vrouw uit Frankrijk. Toen werd iets dergelijks als zeer choquerend en extreem-links beschouwd. Nu zou je zulke provocaties eerder verwachten van iemand uit *NVA-kringen.

Als amateur zal ik zeker mijn licht gaan opsteken in het Biercircus hier in Brussel. Dat café biedt misschien wel duizend verschillende bieren aan. Ik heb er ooit gevochten met mijn goede vriend Bob. De aanleiding was dat hij, terwijl ik in het toilet was, mijn mobiele telefoon had ‘ontregeld’. Je kon er alleen nog mee naar Madagascar bellen. Ik was boos geworden en had hem voor ‘Vuile West-Vlaming’ uitgescholden. Natuurlijk meende ik dat niet, maar je weet hoe dronken mensen zijn, zeker als het warm is buiten. Alleszins weet ik nu dat je tegen een West-Vlaming nooit ‘vuile West-Vlaming’ mag zeggen. En dat zal ik ook nooit meer doen. Misschien wel, als ik ooit nog eens heel dronken geraak, tegen een Limburger. Ik wil echter niet alleen de eigenaar van een bar worden maar ook een goed mens. Ik heb me alvast al de Ethica van Aristoteles aangeschaft. Dat is een goede basis, heb ik gehoord.
De baas van het Biercircus zal zich van dat gevecht wel niets meer herinneren. Zelfs ik moet al moeite doen om die oude geschiedenis weer op te rakelen. Overigens waren we een half uur na het ‘gevecht’ weer beste vrienden. Ik vecht altijd alleen maar met mijn beste vrienden, dat is veiliger. Als ik word overvallen echter laat ik begaan. Ik geef alles af aan mijn belagers, mijn sleutels, mijn mobiele telefoon, mij iPod, mijn pen, mijn Duovent, mijn pillendoosje, mijn geld, mijn portefeuile, mijn foto van Cliff Richard, mijn vuile zakdoekjes die ik nog niet heb kunnen wegwerpen omdat ik nergens een vuilnisbak vind, alles. Vaak gebeurt het dat je ze je dan toch nog neerslaan en half dood schoppen als je zonder verweer op de grond ligt. Vervolgens kom je weer bij bewustzijn en stel je vast dat ze je iPod niet meegenomen hebben. Kennelijk hebben die kleine criminele een slechte muzikale smaak.

In mijn Paul Auster Bar zal niet mogen worden gevochten. Ik ben er nog over aan het nadenken hoe ik dat zal bewerkstelligen. Vooral ’s nachts als ik niet kan slapen stel ik mij allerlei systemen voor. Ik zie zware jongens de bar binnen stappen, pooiers en dealers, een clientèle dat ik niet wil. Ze komen aan de bar zitten, en bestellen met een woeste blik in de ogen een whisky. Ik ben ervan overtuigd dat ze niet zullen betalen.  Ze zoeken herrie. Maar mij zullen ze niet te pakken krijgen, ik sta veilig achter de bar, een matrak, geschenk van een politieagent met wie ik in vroegere dagen bevriend was, binnen handbereik. Ik lig soms hele nachten te piekeren, maar ik ben er nog niet uit. Buitenwippers wil ik niet, dat zijn negen kansen op tien slechte mensen.

In mijn Paul Auster Bar zal alleen zal alleen muziek die drank en drinken als thema heeft worden gespeeld, met als mooi voorbeeld Wine van James Luther Dickinson. Het mogen echt wel songs over water zijn, daar rust geen taboe op. Ken je ‘Cool Water’ van Hank Williams?

All day I've faced the barren waste
Without the taste of water..... cool, water.
Ole Dan and I, throats burned dry,
and souls that cry for water.... cool, clear water.

Zulke songs zullen in de Paul Auster Bar worden gedraaid. Maar ook liederen over warme drank, zoals ‘Java Blues’ van Rick Danko. Als de klanten dat lied zullen horen zullen ze meteen naar de bar snellen en elk tenminste twee espresso of cappuccino bestellen. Ja, neem het van mij aan, het wordt een bar met een heel eigen sfeer, en allemaal coole klanten.

Ik maak zo snel mogelijk een afspraak met mijn bankfiliaaldirecteur voor een voordelige lening. Dat zal geen probleem zijn. Hij weet wat voor noeste werker ik ben. En als ik voor mezelf begin, zal ik nog dubbel zo hard werken.    
 

studie voor paul auster bar

Studie voor mijn Paul Auster Bar. Natuurlijk moeten die oude meubels weg en plaats maken voor mijn kartonnen dozen. Foto: Coincidence Ink Inc.

*NVA: Een zeer kleine Vlaamse, rechts-nationalistische partij en een afscheidingsbeweging. Ze willen België uiteen laten spatten en van Vlaanderen een klein Zwitserland, maar dan zonder bergen, maken. Het is niet duidelijk of ze ook Limburg, Antwerpen en Brabant willen inlijven. In dat geval zal Antwerpen zich zeer snel afscheuren en de onfafhankelijkheid uitroepen. Maar dat is toekomstmuziek.

26-06-08

JOHN CALE: VUILEKONTENROCKANDROLL IN HET PALEIS

 

muziek,concert,lou reed,champagne,pop,bier,punk,duitsland,rock,popcultuur,live,verbeelding,turkije,rock and roll,ab,paleis,ambtenaren,bar,drummer,gitaren,seventies,punkrock,avant-garde,john cale,840,paul dujardin,paleis voor schone kunsten,shaketown,ravenstein


Vorige week zag ik Paul Auster in zaal Henry Le Boeuf  van het Paleis voor Schone Kunsten ( ik weiger de kinderachtige naam Bozar te gebruiken).  Gisteravond keerde ik er terug om een concert van John Cale bij te wonen. Ook al heb ik kritiek op de naam van de instelling en het overwegend Franstalig aanbod van boeken en dvd’s in de artshop, moet ik toegeven dat de bar heerlijk is. Wat een verschil met bijvoorbeeld die van de AB! Je krijgt er je drankjes in echte glazen, de wijn is er lekker en niet te duur. Een pils kost er maar twee euro. Maar foto’s maken mag je er niet. Daarom moet je zelf maar eens gaan kijken.

Wat  verwachtte ik van het concert? Een eigenzinnige vorm van melancholische akoestisch-elektronische kamermuziek, enigszins storend, maar toch passend bij de beau monde van de beaux arts. Oh la la! Et une coupe de champagne, please. Ik zou dat mooi hebben gevonden, denk ik. Ik zou geen kippenvel hebben gekregen, koud noch warm hebben gezweet, maar ik zou hebben genoten van die zoete, wat verwrongen melodieën die alleen John Cale kan bedenken.

Wat kregen we echter? Dirty Ass Rock And Roll, ladies and gentlemen! Echte laagbijdegrondse vuilekontenrockandroll. Maar werd John Cale ooit een asshole genoemd? Never! Dit was een concert waar jonge kereltjes – als ze er al bij waren geweest – veel genoegen aan hadden kunnen beleven en bovendien hadden ze er nog iets van kunnen opsteken. Bijvoorbeeld: hoe speel ik een power chord, hoe speel ik een riff, zonder banaal of volstrekt overbodig te klinken. John Cale ging tegen de geest van de beaux arts in, het paleis dat verkondigt dat het niet alleen maar rock and roll is. (John Cale trad op in het kader van ‘It’s NOT only rock and roll’.) Wel, beste Paul Dujardin, het is wel only rock and roll. Als je het over rock and roll wilt hebben en je nodigt John Cale uit dan kun je zulke dingen verwachten: the real thing, sex and drugs and rock and roll. Alles wat je lichaam nodig heeft, om het nog niet te hebben over je geest. De schitterende gitaarduetten die naar de seventies verwezen (denk daarbij aan the Allman Brothers) van John Cale met zijn - mij onbekende - gitarist gingen nooit zweven dank zij het uitstekende laagbijdegrondse en toch hoogvliegende gedrum van, ja, van de drummer natuurlijk. De basspeler hield zich wat op de achtergrond, maar hij verloor het ritme en de plots opduikende tempowisselingen niet uit het oor. Ergens links op het podium zat iemand de klanken te behandelen. John Cale greep vooral terug naar zijn composities uit zijn beginperiode, nadat hij de Velvet Underground had verlaten: 'Helen Of Troy', 'Gun', 'Paris 1919', 'Pablo Picasso' (van Jonathan Richman , of: John Cale speelt Modern Lovers die Velvet Underground spelen ), 'Fear Is A Man’s Best Friend', 'Ship Of Fools', 'Big White Cloud' (voor mij het hoogtepunt), 'The Ballad Of Cable Hogue' – allemaal even mooi en ontroerend. Vanop plaats D17 in de corbeille zag ik de Welshman plotseling heel jong worden. Hij zong en speelde 'Things', een recentere compositie, uit HoboSapiens (“the things you do in Denver when you’re dead”, een mooie hommage aan Warren Zevon). Daar stond hij, zeventien of achttien, met een elektrische gitaar, voor altijd jong, zich lavend aan Belgisch water, water uit Spa. Het beste water van de wereld voor de meest verrassende avant-garde rock and roll componist van de wereld. Ik vraag me af wat de champagneheren en –dames gevoeld hebben bij deze reëel bestaande punkrock.  En de ‘fans’ die nog altijd denken dat Cale zijn hoogtepunt bereikte met zijn postmoderne versie van Elvis’ ‘Heartbreak Hotel’, dat gisteravond als openingsnummer werd vermorzeld.
Toen John Cale en zijn band terugkwamen voor een encore dacht ik heel even dat zij de hele set opnieuw zouden spelen, en daarna nog eens en zo 840 keer.

Oh, wat ben ik blij dat ik bij dit concert aanwezig was, en dat ik me goed voelde. Ik had mijn lichtgrijs pak aangetrokken. Maar ik zag veel mannen in jeans. Onze kansen zijn nog niet verkeken. De verbeelding heeft nog wat in de pap te brokken. Hier en daar zie ik zelfs een gek het gekkenhuis besturen.

Later zaten we met Mister Koen en Mister Shaketown en nog enkele van hun vrienden in de Ravenstein, die vroeger aan de ambtenaren toebehoorde, maar nu een soort niemandsland is geworden, een plaats waar niemand zich echt thuis voelt, maar die wel uitnodigt om jezelf te worden, om je aanwezigheid bekend te maken aan de ruimte. We dronken er koud bier, zagen verloren gelopen ‘punks’ voorbijstrompelen en stelden vast dat de Turken van de Duitsers hadden verloren. En we vroegen ons af welke plaat van John Cale de beste is, ‘Paris 1919’ of ‘Music For a New Society’? De wedstrijd John Cale-Lou Reed bleef onbeslist.

19-11-06

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT I)

bar,oceaan,steden,porto,vriendschap,stemmen,lautreamont,zon,isidore ducasse,herbie hancock,strand,conversatie,cristina regadas,david lynch,kkk,pulaski,casimir pulaski,cafes,francis bacon,ronette pulaski,cafe majestic

Je drinkt Bitterzoete Beirao-likeur, ’s avonds in een bar aan de oude oceaan.“Oude oceaan, je bent het symbool der volkomen gelijkheid: altijd aan jezelf gelijk. Jij verandert niet wezenlijk, en als je golven op één plaats in opstand zijn, dan verkeren zij wat verder, in een andere streek, in de volmaaktste rust. Jij bent niet als de mens, die op straat stil blijft staan om te kijken naar twee buldoggen die elkaar naar de keel vliegen, maar die niet stil blijft staan, als er een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanmorgen genaakbaar is en vanavond in een slecht humeur; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je oude oceaan!” Dat schreef Lautréamont in De zangen van Maldoror. Of mal d’aurore? Isidore Ducasse, in Montevideo geboren, in Brussel gepubliceerd. In die bar, daar, aan de oude oceaan. Muziek van Herbie Hancock op de achtergrond, Canteloupe Island, terwijl we converseren over Parijs, Brussel, Amsterdam, Porto. Door de bizarre verlichting lijkt het strand op een maanlandschap. Snelle foto’s, alsof de momenten eeuwig willen duren. In een kleine auto over de brede boulevard, en door de nauwe, steile straatjes. De nieuwe metro dendert over de brug van de Belgische architect Théophile Seyrig, de Ponte Dom Luís I, wij tevoet over het gangpad ernaast, diep onder ons het verlokkelijke water van de Douro, dat het land binnenstroomt. Op de heuvels in de verte de druiven. De naam van de architect wekt herinneringen op aan de diepbetreurde actrice. Delphine Seyrig. In galerij 111, tegenover het Palacio de Cristal het verbluffende werk van de Portugese kunstenares Paula Rego. Vrouwen die veel weten van het leven, die tederheid en berusting uitstralen in de nabijheid van hulpeloze varkens. De mannen even hulpeloos als de varkens. Oker, groen, oud roze, bruin. Wastafels, een man met schildpaddenhanden, abortus als een soort van mysterie. Een portret van een zachtaardige jongeman die nooit meer zal boksen. De ogen doen een beetje denken aan die van dokter Paul Gachet, de oren aan een boer in Novecento. 


Later in park van het Palacio de Cristal, waar je helemaal alleen op een eilandje zit te mediteren. Het zeer mooie park van Fundaçao de Serralves. De zalvende warmte van november. De sobere, strakke metrostations met de opschriften in een buitengewoon stijlvol lettertype. Een koude vrijdagnacht op een onbekend plein in het hart van de oude stad. De vriendinnen van Cristina zijn dronken. Wat ze allemaal niet willen weten over België. Ze zeggen dat het in België altijd donker is. Neen, zeg je, in de zomer schijnt er de zon. Zelfs nu nog, in de late herfst. Een van hen studeert filosofie. Maar alcohol nivelleert ons, maakt ons leden van een groot broeder- en zusterschap. Misérable miracle.

Hoe Agnes en Cristina elkaar vinden. Hoe ze praten over familietragedies en elkaar herkennen in hun zeer persoonlijke doden. Zelf heb je het gevoel dat er een ander leven begint in Porto. Een beter leven. Geld speelt geen rol meer, tijd, vergankelijkheid. Ofwel, alles is vergankelijk. Waarom je er dan nog langer zorgen over maken? Het vriendelijke personeel in het hotel aan de Rua da Alegria. Een van de mooiste cafés van Europa is café Majestic in de Rua de Santa Catarina, de winkelstraat van Porto. Bij Zara koop je witte hemden, gestreepte t-shirts (denkend aan Andy Warhol).

In weer een andere bar, jaren zeventig stijl, lang na middernacht, drink je bier en discussieer je met Cristina over Francis Bacon. Zijn geweld schrikt haar af. Je vertelt over je schuilnaam, Pulaski, waar hij vandaan komt. Dat je niet wist dat Pulaski een stadje was in het Zuiden van de Verenigde Staten, waar de KKK werd gesticht. Er zijn daar trouwens meer stadjes die Pulaski heten. Dat je je daar over schaamt. Maar dat generaal Casimir Pulaski, een vrijheidsstrijder was. Je hebt je pseudoniem in Twin Peaks gevonden, de serie van David Lynch, vertel je haar. Ronette Pulaski was helemaal aan het begin van de serie verkracht en gefolterd door een bende wilde vetzakken. Daarna lag ze voortdurend in het ziekenhuis. Je vond het een gepaste naam voor je openbare alter ego. De rest heb je pas later ontdekt. Nu moet je ermee door het leven. En hoochiekoochie dan? Dat schijnt slang te zijn voor zuipen en neuken. Dat wist je natuurlijk wel. Je hebt die naam met veel ironie gekozen. Het laatste wat men van je kan denken is dat je een macho bent. Voor Muddy Waters is het echter een perfect epitheton ornans, zonder dat het in enige mate afbreuk doet aan de waarde en de schoonheid van zijn blues. Vaak heeft Cristina het over haar geliefde vriend die in Amsterdam werkt. Hij is een Bosniër. Hij is bij het leger geweest. Een ongelovige moslim. Hoe kun je geloven, na zulke wrede burgeroorlog? Hoe kun je hoe dan ook geloven als er ooit een KKK werd gesticht? We praten alsof ons leven er van afhangt. En het is waar: ons leven hangt ervan af. De vriendschap is het hoogste goed.

Foto: Martin Pulaski, Cristina Regadas.

12-05-06

DORPSTAFERELEN


natural harmony

Een aantal ‘invallen’, afkomstig uit La Palma. Waarom wil ik ze prijsgeven? Ik weet het niet. Er is geen reden om het wel te doen, er is evenmin een reden om het niet te doen.

Jij met je zigeunerachtige verleden, met je Poolse heteroniem. Jij was bijna een racist en leek in je reactie op de dood van de zeventienjarige jongen op de donkere mannen en vrouwen van de Vlaamse zuiverheid. Zoals Nietzsche voortdurend op zijn hoede was voor de Duitsers en de ‘Duitse gedachte’ moet jij voortdurend op je hoede zijn voor Vlaanderen en de Vlaamse gedachte. (Dit betekent niet dat er in Oost-Vlaanderen en in West-Vlaanderen niets moois en niets goeds aanwezig is. Inderdaad situeer ik Vlaanderen in deze twee provincies. Limburg, Antwerpen en Brabant hebben een heel andere geschiedenis en vertellen andere verhalen. Alles wat anders is en afwijkt moet je koesteren.)

Ondanks de ziekte en de sombere gedachten over België vandaag toch even verrukking gevoeld, staande bij een landschap genaamd ‘de kloof van de angsten’.

Als je ziek bent kunnen er momenten zijn dat kleine dingen je veel dieper raken. Hoe heerlijk een glas Rioja plots kan smaken! Je hoeft niet eens meer naar Umbrië voor de Montefalco, of naar Montalcino voor de Brunello. In deze eenvoudige wijn is alle wijn van de wereld aanwezig.

In het Palacio del Vino in Los Llanos werden we bediend door een bijzonder vriendelijke ober. We aten er ham en kaas afkomstig van het schiereiland, zoals ze Spanje in La Palma noemen, en dronken wijn uit het dorp Puntagorda. De naam van de ober was Jesus. Die avond heb ik Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ uitgelezen. Het is een schitterende, visionaire roman over (onder meer) New York en Walt Whitman. De grote Amerikaanse dichter is bijna in elke regel aanwezig.

In de twee bars van Tazacorte zitten de vijftigers, moe van in de bananenplantages te werken, aan de toog tv te kijken en Haig whisky te drinken. De barman mengt die whisky met limonade. Het moet afschuwelijk smaken, maar deze mannen vinden het lekkker. Waarom ook niet. Dit jaar kan ik alleen maar even van buiten naar binnen kijken. Maar dat is niet erg. Ik weet hoe het er binnen aan toe gaat. Er gebeurt niet veel. De televisie staat aan, de mannen drinken hun whisky en wachten geduldig op de dood. Wat verderop, op een pleintje in de schaduw van de kerk, zitten de nog ouderen nog geduldiger hun beurt af te wachten. Niets schijnt deze mensen te verontrusten. Zij zitten op enkele bankjes, een paar honderd meter van de oude oceaan. De enige die hier bang is voor de dood ben ik, geloof ik.

Ik droomde van een concert van Bob Dylan. Hij zong een paar liedjes samen met Axelle Red. Zijn haar was geblondeerd en piekerig als van een jonge sportgod uit Vlaanderen. Zo’n kerel met een koelkast vol drugs. Bob Dylan was net als ik de dag voordien aan zijn hart geopereerd. M., vertelde me dat hij in hetzelfde schuitje zat. Allemaal hartpatiënten bijeen! Een zekere Guido Van Liefferinghe (dat je van zo’n man kunt dromen!) nodigde ons uit in de VIP-ruimte. Ik moest echter eerst om mijn rode leren jas, die lag nog ergens op een stoel. Daarna vond ik de weg naar die ruimte niet meer. Ik had mijn kans om met Bob Dylan te praten schoon verkeken. Het concert zelf stelde niet veel voor. Dylan zong alleen maar wat fragmenten, geen enkele song werd afgerond, het waren meestal maar wat bluesstukjes. Hij speelde wel één mooi Spaans stukje op zijn gitaar.

Ik luister nu naar the Scud Mountain Boys. Ze zingen ‘Where’s the Playground Susie?’, met hun mooie Amerikaanse jongensstemmen.

Foto: Martin Pulaksi (La Palma).

18-07-05

GREEN GREEN GRASS OF HOME


armstrong


In dit café ziet iedereen er op zijn manier ongelukkig uit. Dat kan ook moeilijk anders, die ongelukkige uitstraling werkt aanstekelijk. Bewust of onbewust beseft elke klant dat er geen droeviger land bestaat dan België. Met Brussel als hoofdstad van de teloorgang. Ik spreek tegen mezelf. Cowboy van de nacht, nog eens een keer. De andere vaqueros schrijven boeken die ze bij hun oude vrienden of vijanden publiceren. Pat Garrett en Billy the Kid. Alias. Hun stad is Brussel. Ze hebben ze helemaal alleen ontdekt. Steen voor steen afgebroken, opgebouwd, weer afgebroken. Klein Sarajevo, zoals ze zeggen. In dit café dans ik de polonaise. Een Japanner speelt synthesizer en kweelt fluwelerig The Green Green Grass of Home, een grote hit voor Tom Jones in de gouden sixties. Desondanks dans ik de polonaise, op mijn eentje, met mijn pen over een bierviltje, op een barkruk gezeten.

Een stukje vuil papier kleeft al een poos aan mijn schoenzool. Dan aan mijn andere. Een weinig aantrekkelijk meisje in minirok dat kort bij me danst, met haar verhit lijf, zet haar voet op het papiertje en ik ben bevrijd. Ze lacht me toe, alsof ze zelf van het Kwaad verlost is. Dat noem ik communicatie. Uit pure en plotselinge menslievendheid betaal ik een zwarte broeder een glas bier. Hij komt uit Nigeria, zegt hij. Of ik getrouwd ben, vraagt hij. Ja, zeker, of course, zeg ik. Hij opent een koffertje waarin horloges, armbanden, halssnoeren, gouden ringen schitteren. Ik glimlach. Ze heeft al een horloge, zeg ik. En armbanden, halssnoeren, een gouden trouwring. Overigens heeft ze nu geen besef van tijd. Ze bevindt zich in een ander universum, waar het gelukkiger vertoeven is dan hier.

Ik zit een tijdje te mijmeren aan de bar, krijg een niesbui, kijk naar de dansende koppels en eenlingen.

Nadat ik bij een groep Polen aan tafel heb gezeten - en lang heb gepraat met het weinig aantrekkelijke meisje met de minirok, nieuwsgierig naar wat ze hier doen, zij en haar Poolse collega's, in dit ongelukkige land, in dit troosteloze café, zo lang na middernacht -, de Polen zijn al weg, begeleid door een soort van chaperonne, of misschien staan ze nog voor de deur, we hebben nog maar net afscheid genomen, ik heb het meisje drie kussen gegeven, op z’n Belgisch, staat opeens een blonde Poolse jongen voor me. Ik heb zijn gezicht al gezien op televisie, in reportages over de burgeroorlogen, vergeldingsacties… Een gezicht dat woest is, dat wil vernietigen.

What are you trying to do, vraagt hij, klaar om mij een vuistslag toe te dienen. Dit is mijn tafel, man! Jouw tafel? Had je gezelschap me dan niet gevraagd er bij te komen zitten? Ik wilde alleen maar vriendelijk zijn. Ik heb een zwak voor vreemdelingen. Ze moeten zich hier goed voelen. Veel te vaak stellen wij Belgen ons te negatief op tegenover het uitheemse. Dronken gelul, natuurlijk, maar ik meende het wel. De jongen blijft agressief, nog altijd vechtensgereed. Ik wil niet vechten. Niet eens ruzie maken. Dat is voorbij, voor altijd. Wat wilde je mijn vriendinnetje op de mouw spelden, vraagt hij. Ach zo, dat was je vriendinnetje. Dat wist ik niet. We praatten maar wat. Ze vertelde me waar ze vandaan kwam, wat ze van haar vaderland vond en zo. Meer niet. (Ze is al twee weken in België, zei ze. Maar ik heb nog altijd niet begrepen waarom. Ze logeren allemaal in hetzelfde hotel. Of ik haar adres wil hebben, vroeg ze. Misschien heb je een slaapplaats nodig. Neen, ik woon hier. Ik heb onderdak. Ik kom hier alleen maar iets drinken.) Ik tracht alleen maar vriendelijk te zijn, zeg ik tegen de Pool. Show the good side of me.

De Poolse jongen draait zich om, kennelijk tevreden met mijn antwoord. Ik keer terug naar de bar, bestel nog een bier. Een Marokkaan zit naast me. Les Polonais sont pas vraiment gentils, zeg ik. De Marokkaan trekt zijn schouders op. Ik zie meteen dat hij denkt dat ik dronken ben. Natuurlijk ben ik dat ook. Het bier is veel te goedkoop in dit café. Zou je niet beter naar huis gaan, zegt de Marokkaan. Hij wil duidelijk geen partij kiezen, hij bewaart afstand. Jij en ik, wij wonen hier, zeg ik. Maar zij komen de zaak hier verpesten, die verdomde Polen. Je kunt ze niet vertrouwen. Wij moeten op onze hoede zijn. De Marokkaan reageert niet. Ik kan net zo goed tegen mezelf praten.Er is wel een andere Marokkaan, die de glazen ophaalt. Hij is één en al glimlach, vriendelijkheid. Maar hij heeft het druk en kan niet praten. Toch heb ik de troost van vreemden nodig. Ik ga dan maar de Japanner bedanken voor de 'mooie' muziek. I really like The Green Green Grass of Home, zeg ik. Ik heb de indruk dat dit het eerste compliment is dat hij vanavond krijgt. Wellicht het eerste compliment in jaren, zoals hij glundert, de Japanner.

Sluitingstijd, zegt de barman, zo'n echte Brusselaar, vrolijk en bars tegelijk. Ik stap de nacht in, op zoek naar een taxi. Ik vraag de chauffeur of hij zin heeft om te praten, want ik neem nu geen risico's meer. Of course wil hij praten, monsieur. Taxichauffeurs, die favoriete vreemden, altijd bereid je wijsheid en je geleuter te aanhoren. Ik vertel hem over Brussel, onze droevige stad, waar wij wonen, uit Aywaille hierheen gekomen, uit Izmir, uit een dorp in het Atlasgebergte, uit Limburg. De gouden droom achterna, op de vlucht voor het groene gras van thuis, voor de harde rotsen. Voor het leven van de ouders dat in rook is opgegaan. Maar ondertussen brengt hij mij naar mijn andere huis, waar ik verblijf, de zomer uitzing. Waar ik mijn toevallige ontmoetingen overschouw. Waar ik mijn Poolse roots angstvallig verborgen houd.