16-07-16

EEN MIDDAG IN CADIZ

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 054.JPG

Een middag en avond met A. en mijn vrienden Maria Jesus (Menchu), Carmen, Harvey en Juan. Menchu is een en al liefde, caritas, passie, ze is voor mij al sinds 1999 de ziel van Cadiz. Na zeventien jaar nog steeds dezelfde fonkelende ogen.
Zoveel woorden aan politiek verspild. Menchu, Carmen en A. houden zich wat dat betreft enigszins afzijdig. Vooral de mannen voeren het woord. De blijvende corruptie in Spanje… Maar is corruptie niet van alle tijden en woekert ze niet in de harten van miljoenen mensen? Maakt ze niet telkens weer hele samenlevingen kapot? Corruptie en afgunst, de twee grote kwalen. In Cadiz is Podemos aan de macht gekomen. Mijn vrienden vragen zich af of er nu iets veranderen zal. De Panama Papers geven aanleiding tot veel achterdocht en zelfs paranoia. Mijn vrienden zijn al bij al pessimistisch: de grote massa blijft voor de Partido Popular stemmen, zeggen ze.
Ik verneem dat er weinig moslims in Andalusië leven. Degenen die hier destijds zijn aangekomen – ik heb ooit een groot schip vol Afrikaanse vluchtelingen in Algeciras zien binnenvaren - zijn naar andere streken vertrokken, vooral naar Duitsland, België, Nederland. Nogal wat meisjes en jonge vrouwen belanden in de prostitutie in Madrid en Barcelona. Ik hoor de onuitgesproken vraag of West-Europa zoals Spanje in 711 veroverd zal worden door de Arabieren? Zo’n vaart zal het niet lopen, maar we kunnen de toekomst niet voorspellen. Ik heb geen problemen met moslims, zeg ik. (Dat lijkt bijna een racistische uitspraak. Als je geen problemen met de moslims hebt hoeft dat ook niet verwoord te worden. Maar we praten Engels en Spaans ‘zonder moeite’, dan druk je je niet bepaald subtiel uit.)
2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 225.JPG

Harvey, een Canadees die al tientallen jaren in Spanje woont, was in 1973 in onze hoofdstad. Je zou de stad niet herkennen, zeg ik. Zelf ben ik in Brussel in de herfst van 1969 aangekomen. Een groot dorp was het hier, of zo leek het toch. Hoewel de stad nog steeds, zoals in de tijd van Lautréamont, Baudelaire en Marx, een internationaal subversief bolwerk was: ik herinner me Living Theatre, Mothers Of Invention, Free Press Book Shop, et cetera. Harvey herinnert zich dan weer dat de Brusselse Vlamingen gastvrij en open van geest waren.
Juan en Menchu hebben weinig mogelijkheden om te reizen. Ze gaan graag naar Marokko, houden van de lekkere maghrebijnse keuken. Essaouira is hun droombestemming. Maar ze zijn ook trots op hun Andalucia, en in het bijzonder op Granada, die parel aan de Andalusische kroon. Menchu is met ziekteverlof geweest, een depressie door omstandigheden op het werk. Haar baas is een fundamentalistische katholiek. Ja, die bestaan ook. Ik kom niet te weten wat Juan doet. Hij is intelligent en spreekt veel beter Engels zonder moeite dan ik. Carmen, uit Barcelona afkomstig, schildert. Ze is vol lof over Rafael Alberti uit Malaga. Ik herinner me dat ik ooit een boekje van hem las, ‘De 8 namen van Picasso’, maar dat krijg ik moeilijk uitgelegd. Rafael Alberti was een goede vriend van Picasso, hoewel hij twintig jaar jonger was dan de grootmeester van het kubisme. En dan bestellen we nog een rondje en lachen nog wat en worden wat melancholisch. Inmiddels is het donker geworden. We werpen ongemakkelijke blikken op de openstaande deur en denken aan de wegen die elk van ons in eenzaamheid zal moeten begaan, aan de vragen waarop niemand van ons een antwoord zal vinden.

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 218.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Cadiz, april 2016

20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

30-04-15

DE CARIBISCHE DRUMMERS

saul-leiter-barbara-or-margaret-1955.png

Hoe het verhaal begon kan ik me niet herinneren. Vorige vrijdag lag Annabelle hier lui op de chaise longue met alleen nog haar zwarte Suède laarsjes aan. Ik zat aan mijn oude kersenhouten tafel, net niet helemaal met mijn rug naar haar toegekeerd. Waarschijnlijk probeerde ik neer te schrijven wat ik zag als ik, bijna tersluiks, naar haar keek. Hoe zij daar lag, haar lange benen, de kleur van haar huid, de lome blik in haar ogen. Op een computerscherm, links van me, begon een drumband te spelen. De muzikanten marcheerden door een Caribisch stadje, hun getrommel even kleurrijk als de gevels van de oude huizen. Als de klank luider werd leek wat ze speelden een kakofonie, maar altijd hoorde je toch ook structuur in hun opwindende muziek. Wat je hoorde en onderging was een combinatie van emotie, woede, verleidingstechniek en wiskunde. Soms, als het volume afnam, vreesde ik dat de muzikanten al gauw uit het gezichtsveld zouden verdwijnen.

Onze postbode kwam de kamer binnen met een pakje. “Uit Amerika”, zei hij. Hij wierp een nieuwsgierige blik op Annabelle, haar ogen nu op het computerscherm gericht, maar haar lichaam nog altijd in volstrekte rust. Heel even maar bekeek de postbode haar en dan werd zijn aandacht getrokken door de straatdrummers. Natuurlijk moest hij zijn ronde doen, maar ik zag dat hij het moeilijk had om zich uit de uitgelaten sfeer van de muziek los te rukken. Tenslotte zei hij “geweldig” en vertrok. Mij leek het alsof hij op die paar minuten een andere mens was geworden. Wat later moest Annabelle ook de deur uit, ik geloof naar haar werk.

Een paar dagen nadien liep ik met mijn vrouw naar de winkel. We passeerden de postbode. “Wat was dat toch magisch, dat uitzinnig getrommel dat ik daar bij jou hoorde,” zei hij. Ik wist niet wat te antwoorden. Ik knikte en maakte me zo gauw mogelijk uit de voeten. Mijn vrouw vond dat maar vreemd. Wat was er aan de hand? En pas nu zag ik dat ze niet langer blond was: ze had haar haren zwart laten verven.

Eergisteren lag ik in bed met een zwartharig meisje, dat ik vaag van ergens kende. Een actrice misschien. Ik herinner me haar naam niet. Ze was omstreeks elf uur komen aanbellen en vroeg meteen, de voordeur was nog niet toe, of ze bij me mocht komen liggen. Om vier uur kwam mijn vrouw thuis, nu weer met blonde haren. Het zwartharige meisje vertrok, ik viel opnieuw in slaap. ’s Avonds zag ik een in cadeaupapier ingepakte fles op mijn nachtkastje staan. In de lege whiskyfles zat een brief van mijn vrouw. Harde woorden van afscheid. Ze nam mijn gedrag niet langer, ze was voorgoed vertrokken. Ik kwam uit bed, mijn hart gebroken. In de keuken, waar het nu donker was, zag ik haar silhouet, niet meer dan een vage schim was het – ik wist dat ze weg was.

muziek, drummers, caribische trommelaars, meisjes, vrouwen, lust, visite, erotiek, verlangen, wellust, genot, kijken, annabelle, bed, luiheid, cadeau, jaloezie, huwelijk, verlaten, alleen, eenzaamheid, postbode, "the postman always rings twice"

...

Foto: Saul Leiter, 'Barbara or Margret',  1955; Tay Garnet, 'The Postman Always Rings Twice', 1946.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

03-12-12

LIEFDEVOLLE OVERGAVE

liefdevolle overgave.jpg
Martin Pulaski, Porto 2009.

"She knows there's no success like failure
And that failure's no success at all."

Bob Dylan, Love Minus Zero / No Limits


Schwarz stond zonder het houvast van een gedachte of een vooruitzicht op een hoek van de Anspachlaan. Irina Vega stak de straat over in de richting van de Beurs. Voor altijd op die plaats, in het schemerachtige licht van eind september, keerde ze hem de rug toe, of zo leek het toch. Het leek op een droom waar je niet uit kunt ontwaken toen hij haar gehaast het zebrapad zag oversteken en veilig de overkant bereiken. Ze keek niet om. Zou het iets hebben veranderd aan de pijnlijke en kennelijk voor goed vastgelopen situatie?

Irina’s tred leek vastberaden, vond hij, maar hij zag er toch op een wat verdoken wijze iets aarzelends in, sporen van verdriet zelfs, van het besef van de onnodige wreedheid die ze beging. De manier waarop ze haar hoofd wat schuin hield wees op mededogen. Ze keek niet om, maar hij besefte dat het niet uit onverschilligheid met zijn lot was. Sporen van iets goeds, maar die mocht je niet tonen bij een afscheid – dat was een ongeschreven wet: afscheid nemen moest meedogenloos zijn of daar alleszins op lijken. Waarom dat zo moest zijn begreep hij niet. Hoe zou hij: hij kon niet denken. Eerst had hij verondersteld dat het een vorm van wreedheid was dat ze haar minst flatterende kleren had aangetrokken, zodat ze er in haar tenue al wat verder verwijderd van hem uitzag, uren voor de laatste koude omhelzing. Maar ook die lelijke kledingstukken waren symbolen van mededogen, want hoe kun je afscheid nemen als je aantrekkelijk bent als een vrouw van Amedeo Modigliani?

Eens Irina Vega uit het gezicht was verdwenen stortte Schwarz’ wereld in. Er was helemaal niets meer. De straat had geen naam, in de gebouwen om hem heen gebeurden zinloze handelingen, de woorden van passanten waren wartaal. Alleen een engel of een god had hem kunnen beletten in de afgrond te storten, maar er was god noch engel. Hij was nu helemaal alleen en hij kon nergens meer naartoe. Niet naar topless bars, casino’s, bibliotheken, exotische steden: nergens. Zelfs de troost van vreemden, waar hij sinds hij er de eerste keer over had gelezen zo hoog mee had opgelopen, was niet langer mogelijk.

Veel later zat Schwarz aan een tafel met een glas al wat lauw geworden pils. Hij vroeg zich af of hij haar met zijn liefde had vergiftigd. Waren zijn amoureuze pijlen werkelijk giftig geweest? Ach, in zijn verblinding had hij zelfs niet aan die pijlensymboliek gedacht; de boogschutter was voor hem altijd een sterrenbeeld geweest, het enige dat hij ooit had kunnen thuisbrengen.
Zo lang al doe ik je pijn, dacht hij. Hij voelde zich nog dieper wegzinken in de donkere wereld waar niemand ooit van teruggekeerd is. Misschien is het voor jou beter zo, dacht hij, met al de pijn en verdriet die mijn bezeten liefde bij jou al teweeggebracht heeft. Misschien heb je mijn verliefde woorden wel als geweld ervaren, zag je mij in je nachtmerries opdagen als een gevaarlijke meester en was jij mijn machteloze slavin. Mijn afhankelijkheid van jou is infantiel, dacht hij. Elk uur van de dag moet je me troosten. Je kind, en dat op mijn leeftijd. Ja, beter voor jou, dacht hij.

Toch kon hij alles – ook al betekende het op dat ogenblik niets - niet zomaar loslaten, kon hij zich niet geheel en al overgeven aan het absoluut donkere getij. Er zijn nog zoveel dingen die ik moet doen, dacht hij. Zijn harde ego en zijn wat absurde hang naar erkenning bestreden zijn doodsdrift. Een liefdevolle overgave aan de dood was die avond nog niet binnen bereik. Maar spoedig misschien, dacht hij. Spoedig, als de zomer weer voorbij zal zijn. Spoedig, als de herfst je haar laatste kleuren heeft geschonken. 

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-11-2012. 

EENZAAMHEID (VOGELVLUCHT)

EENZAAMHEID.jpg
François Brouns, Neerharen, 1967.
 

Wat volgt kan op een autobiografische tekst lijken. Maar ook autobiografie is fictie, verzinsel. Iedereen verzint zijn eigen leven. En verzint de levens van anderen. Pascal Mercier heeft dat thema in zijn uitstekende roman ‘Perlmanns Zwijgen’ uitgewerkt.

 


***

 

Om eerlijk te zijn*: ik kan nog altijd niet goed alleen zijn. Ook al maak ik soms het wat sofistische onderscheid tussen (positieve) eenzaamheid en (negatief) alleenzijn, het is in beide gevallen een beproeving. Aan eenzaamheid wennen is een leerproces dat al in je prille kinderjaren een aanvang neemt.

 

Mijn ouders waren schippers op de binnenvaart, wat met zich meebracht dat ik het als kind vaak op mijn eentje moest zien te redden. Ik had liefhebbende ouders, mijn moeder wat warmer dan mijn vader, een broer door leerplicht en internaatsleven vaak afwezig. Zeker in de zomer vond ik het prettig om alleen te spelen, Cowboy of Indiaan, bankier, croupier, balletdanser. Mijn ouders namen me vaak mee naar de cinema. Ik zag het liefst westerns, mijn broer en mijn vader hadden een voorkeur voor oorlogsfilms. Soms gingen mijn moeder en ik naar een western, mijn vader en broer naar een oorlogsfilm. Uit westerns heb ik geleerd wat eer is, moed, plichtsbesef, en wellicht is mijn liefde voor landschappen – door god en mens verlaten - er ook uit voortgevloeid. De volgende dagen speelde ik de scènes – vooral met Alan Ladd, Burt Lancaster, Gregory Peck en Gary Cooper - dan na. Hoewel ik Indianen wel fascinerende wezens vond schoot ik ze soms toch een kogel door het hoofd.

Zoals elke matroos in elke grote haven een lief heeft had ik in elk dorp waar we aanmeerden een vriend of een vriendinnetje. Of ik zocht het gezelschap van andere schipperskinderen. Zulke vriendschappen bestonden vooral uit afscheid nemen. Alleen in Neerharen, het geboortedorp van mijn vader, had ik langdurigere vriendschappen, eerst met meisjes, Henriette, Mathilde, Marie-Louise en Denise, later met jongens, Valère, Jean-Pierre en Martin. Ik was zelden alleen. En als ik dan toch een keer geen gezelschap vond, las ik boeken. Als je een boek leest spreekt de schrijver je aan, er ontstaat een dialoog  – voor de zwaarte van de eenzaamheid is er weinig ruimte als je leest.

 

Op mijn achtste ging ik naar school, vanwege het beroep van mijn ouders een kostschool. Van mijn eerste schooljaar in de donkere bossen van Rekem tot mijn negentiende in het provinciale stadje Tongeren ben ik geen ogenblik alleen geweest, tenzij ’s nachts, maar dan droomde ik van meisjes en avonturen in de jungle. Me Tarzan, you Jane. Later van kunst en poëzie. Vooral in de periode in Tongeren had ik vrienden met wie ik veel van mijn gedachten en verzuchtingen kon delen.

 

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Brussel om er eerst film en daarna filosofie te gaan studeren. Van meet af aan was mijn kamer een ontmoetingsplaats voor een aantal vrienden en kameraden. Vegetariërs, bohemiens, dichters, nietsnutten, gekken, en na enkele maanden ook een meisje. In navolging van John en Yoko traden we in het huwelijk, en we kregen een zoon. Elke avond was er visite van andere studenten, dichters, muzikanten, jonge kunstenaars. Na de mislukking van het eerste huwelijk ging ik meteen met een andere vrouw samenwonen, mijn levensgezellin. Ik wilde geen dag alleen zijn met mijn verdriet, mijn schuldgevoelens, met het  idee zo erg mislukt te zijn in de liefde en het vaderschap.

In 1977 leek ik al een heel leven achter de rug te hebben. Ik was zevenentwintig, verhuisde naar Antwerpen, verzeilde er met mijn vriendin in de wereld van punk, anarchie en avant-gardekunst. Ik wijdde me voltijds aan het schrijven. ’s Avonds waren er de kroegen en nachtclubs. Altijd vrienden, zielsverwanten om me heen. Muziek, dansen, alle mogelijke vormen van extase. Tot ik uitgeput was, leeg geschreven en arm als de winter.

 

In 1991, omstreeks zwarte zondag, keerde ik naar Brussel terug om er carrière te maken op een departement van een ministerie. Aanvankelijk viel die loopbaan mee. Ik was niet de enige ambtenaar die kritisch ingesteld was en geïnteresseerd in andere dingen dan vergaderen en dossiers, stelde ik vast. Inmiddels hadden mijn vrienden Jos, Willy en Renée zelfmoord gepleegd, wellicht omdat ze de eenzaamheid niet aankonden na mislukte relaties. Echte vriendschap zou mij niet meer ten deel vallen, dacht ik. Maar desondanks was ik ook toen zelden alleen. Er werd veel samengewerkt, er waren studiereizen met kleine groepjes jongeren naar het buitenland, en er waren lunches, feesten en recepties.

 

Na een lang aanslepend conflict, dat zich misschien voornamelijk in mijn hoofd afspeelde, gaf ik mijn baan op. Eindelijk alleen. Ik ging op reis, naar Berlijn, naar Andalusië. Tijdens een concert van Mercury Rev in het Koninklijk Circus werd ik opeens zwaar ziek, vocht daarna drie maanden lang tegen de dood. De vrienden die me kwamen bezoeken herkende ik niet. In mijn hallucinaties had ik wrede vijanden maar ook mensen die me dierbaar waren. Zo zat ik een keer in een vliegtuig met Stephen Stills en Neil Young. We zongen samen een lied: zelden ben ik gelukkiger geweest. De laatste maand in het ziekenhuis, augustus 2011, begon het echte genezingsproces. Nooit heeft de eenzaamheid zo zwaar op me gewogen als toen. Als je wacht duurt de tijd lang, hoewel hij zich alleen in je verbeelding afspeelt. Als je wacht heb je alle tijd van de wereld om aan de tijd te denken. Elke seconde duurt.

Nu ben ik eindelijk thuis, op werkdagen overdag bijna altijd alleen. Ziekte, pijn en literatuur hebben mij met de eenzaamheid verzoend. Maar liever ben ik toch bij de weinige vrienden die ik heb. Want als ik alleen ben kan ik niet lachen. Slechts het lachen kan me met mezelf verzoenen.

*Zo eerlijk mogelijk zijn was mijn uitgangspunt toen ik aan het project ‘hoochiekoochie’ begon.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2012.

11-01-12

GOLVEN

Joseph-Mallord-William-Turner-xx-Slave-Ship-Slavers-Throwing-Overboard-the-Dead-and-Dying-Typhoon-Coming-On-1840.jpg

William Turner -  Slavers Throwing Overboard the Dead and Dying: Typhoon Coming On (1840).
 

Ook in dit mooie, zonnige oord speelt het lichaam je parten en ben je bang. Voor onbestemde en bestemde dingen. De stem van Hope Sandoval die je nu Lady Jessica & Sam hoort zingen, en daarvoor Miles Davis’ trompet in Freddie Freeloader bevrijden je niet uit die wellicht zelfgebouwde gevangenis. Het komt er allemaal op neer dat een mens niet te lang alleen mag zijn, want dan wordt hij na een tijd eenzaam en bitter. En als hij eenzaam en bitter is, wordt hij ziek.

Toch ben je niet verbitterd en niet voortdurend bang. Het breken van de golven zou je aan natuurrampen en vergankelijkheid kunnen herinneren, aan onze nietigheid – maar dat doen ze niet. Je denkt als je hun zacht en soms luid geraas hoort eerder aan de kracht in je bloed, aan je hart dat even sterk klopt als gisteren, als jaren geleden, aan de dalen maar vooral de pieken in je leven. Hoe groot de oceaan ook mag zijn, hij overtuigt je niet van je nietigheid. Even misschien, maar niet lang. Je weet maar al te goed wat je voor jezelf en voor anderen betekent.  Je naam wordt uitgesproken, er wordt met zachte woorden over je gefluisterd, sommigen denken als het volle maan is aan uren die ze met je deelden, of dromen buitenissigheden over je. Je bestaat zowel echt als onecht. Je bent een wandelaar met een schaduw. En, zoals Billie Holiday zingt, elke ster gehoorzaamt je bevelen. Maar alleen als je er zin in hebt. Als je de moed niet verliest. Als je er bent om veel van jezelf te geven. Ja, dan. Dan ben je even groots als de oceaan.

26-12-11

IN EENZAAMHEID EN STILTE

 cadiz2011.jpg

Cadiz, februari 2011. Foto: Martin Pulaski.

“Thuis, in eenzaamheid en stilte, hervond ik mijzelf, hulde mij in mijn eigen geestelijke atmosfeer waarin ik me op mijn gemak voelde als in goedzittende kleren. Na een uurtje gemediteerd te hebben  zonk ik weg in de vergetelheid van de slaap, los van verlangens, wensen, begeertes.” August Strindberg, Eenzaam, 1903.

 

Er is meer droeve muziek dan vrolijke, tragedies raken je veel dieper dan komedies: het leven is geen pretje. Vaak maakt een boek je nog eenzamer dan je je al voelt nog voor je er in begint te lezen. Sterke of zwakke personages leiden sterke of zwakke levens. Maar ze bestaan, ze handelen, ze eigenen zich een plaats toe in de wereld, ze worden door anderen omringd, liefgehad, bemind, bedrogen, bestolen, bekroond, van de troon gestoten. 'Eenzaam' van August Strindberg is anders. Als je dat leest valt de eenzaamheid van je af. Een heel dun boekje, maar dik inzake inzichten, en daardoor groothartig inzake troost.

Met eenzaamheid leren omgaan, er leren van houden - dat doe je niet alleen door gedichten van Fernando Pessoa te lezen, films van John Cassavetes te zien, stukken van Sofokles te analyseren, maar vooral door te oefenen. Noem het schrijven, schilderen, iets maken. Je creëert je ingebeeld gezelschap, dat voor jou reële vormen aanneemt. Maar meer dan eens lukt dat niet. Wanhoop, miserie, innerlijke leegte komen je gezelschap houden. In zo’n geval is er nog altijd vergetelheid in melancholische muziek (voor de gevaarlijke gevolgen waarvan Thomas Mann al waarschuwde in De Toverberg), alcohol of drugs.  Kortstondig, als de blik in de ogen van een betaalde gazelle.

Een jongen of meisje gaat op zoek naar zichzelf, ontdekt vervolgens dat dat niet bestaat. Ai, geen zelf, wat nu? Werken maar. Beelden, woorden, het hele gedoe. Denkbeeldige armen van Venus of een andere godin.

De kleine dingen – en dieren - om je heen, vooral de mus of een andere minuscule vogel, kunnen je teruggeven aan jezelf, een zelf dat inmiddels wellicht veranderd is. Een mens blijft zichzelf herhalen, maar wordt om de zoveel jaren ook een andere mens, iemand anders. Waarom wordt dan zo vaak gezegd: je bent niets veranderd?

In februari dit jaar was ik twee weken alleen in Andalusië. Ik voelde me daar zelden eenzaam, met altijd de oceaan in de buurt, en die aangename afwisseling van dagenlang regen en dan langere periodes van heldere lucht, dromerige zon. Het deed me inderdaad goed om die bepaalde eenzaamheid te doorbreken met een praatje. Met iemand die op de bus naar Sanlucar de Barrameda  stond te wachten of met een of andere vriendelijke barman, zoals die van de Woodstock Bar in Cadiz. Wat is het goed als er niets van je gewild wordt en als jij zelf ook niets bepaalds wilt.

Het is toch vreemd dat je onzichtbaar kunt worden voor jezelf. Dat je jezelf helemaal niet meer ziet. Soms heb ik een hele tijd in de spiegel gekeken, me geschoren en dergelijke, zonder te beseffen dat ik mezelf zag. En dan loop ik soms boos op straat omdat ik het gevoel heb dat de mensen mij niet zien. Besta ik dan niet, vraag ik me af? Ik had het – wat langer geleden - soms ook op mijn werk, vooral tijdens vergaderingen: zagen de aanwezigen mij niet? Bestond ik wel echt? Waarschijnlijk had ik mij teveel geoefend in het mezelf onzichtbaar maken, geoefend in mijn eigen afwezigheid.

Dat schijn ik nog altijd te doen. Wil ik eigenlijk wel graag dat de anderen mij zien? Nochtans was mijn jongensdroom toneelspeler worden. Ik heb het een tijdje gedaan als avant-gardistische amateur. Maar het wilde niet goed lukken: ik was bijna altijd te zeer mezelf. Ik was een jongen die niet meteen besefte dat hij niet 'voor goed' bestond. Een jongen die op zijn minst twintig jaar moest slapen om dan, na het ontwaken, in de spiegel te kijken en zich af te vragen: wie is die man van middelbare leeftijd met die stoppelbaard? Hoe lang loopt hij hier al rond? Hoe lang zal zijn liedje nog duren?

Als je lang niet meer met iemand hebt gepraat kan alles beginnen te duizelen. Je bent van niets meer zeker. Er is nauwelijks nog een overgang tussen je huid en de kamer waarin je je bevindt. Geen kosmische ervaring in dit geval, maar een soort van identiteitsverbrijzeling. Je kunt je best wel behaaglijk voelen in je eenzaamheid. Maar het mag niet te lang duren.

 

12-09-11

TRANSFORMATIES UIT DE ONDERGROND

 proposition.jpg

Notities augustus-september 2011.
 

Wat ben ik soms toch een idioot. Ik heb de hele voormiddag tijd zitten verspillen met kijken en luisteren naar clips op youtube. Niets gelezen, niets geschreven. Ik voelde me leeg (hoewel fysiek beter dan ooit, nee beter dan de voorbije weken en maanden). Hoe komt dat? Die leegte? Waarschijnlijk van hier altijd maar binnen te zitten en, vicieuze cirkel, niets te doen.

Gisteravond heb ik naar enkele soulplaten geluisterd, maar ze deden me weinig, waarschijnlijk omdat ik niet in die groove kan komen: ik kan er niet op dansen. Westerns waar de protagonisten elkaar de kop afschieten vind ik wel leuk, zoals The Proposition. Scenario en muziek van Nick Cave. Een Australische western, met aboriginals in plaats van Indianen.

Straks laat ik mij een half uurtje radbraken door de kinesist, dan voel ik me pas echt goed.

Op 8 november ga ik naar Gillian Welch en Dave Rawlings, als ik aan kaartjes geraak (en voldoende hersteld zal zijn).

Nu en dan ben ik radeloos, weet niets meer, kan niet spreken, niet handelen, niet bewegen.Maar ik heb me voorgenomen om nog weinig rekening te houden met alles wat vijandig is aan het leven. Ik moet mezelf beschermen, mijn vrijheid, mijn openheid, mijn vermogen tot liefde. 

Nog een maand misschien eer ik weer werkelijk buiten kan, niet alleen die tien minuten tot bij de kinesitherapeut en terug.

Ik denk dat ik nogal wat negatieve gevoelens en gedachten krijg door altijd maar alleen te zijn. Ik mis de aanwezigheid van geliefde vrienden. Ik vind het erg dat ik niet in de stad kan flaneren, naar de boeken en platen kan kijken, in de Pêle-Mêle binnenspringen, enzovoorts. Soms mis ik zelfs kamer 428, daar waren ten minste nog verpleegsters, sommigen van hen zelfs heel menselijk en vriendelijk.

Nu op een terras zitten, met een koffie. En nog een koffie. Is dat niet iets om naar te verlangen?

Achterdocht, paranoia, afgunst. Wat een lelijke karaktertrekken.

Voor de machine van de Grote Vader ben ik bang. Wat zou hij bij mij niet allemaal detecteren! Ik geloof dat er in mijn hele lichaam niets meer behoorlijk werkt, zeker niet sinds 24 mei (al zo lang geleden). Zelfs mijn penis weigert dienst, al begint hij toch weer wat van zich te laten horen. Of misschien beeld ik me dat maar in? Hij zou wel wat meer groeikansen moeten krijgen. Nu doet hij me aan de kleine Oskar denken, het kind dat weigert te groeien. Je weet wel, het jongetje met de blikken trommel. Wat een voorbeeld van een weigeraar. Ik denk nog vaak aan Charles Aznavour in de filmversie van dat boek. En hoe zou het met Volker Schlöndorff gaan? 

05-02-09

DO YOU REALIZE THAT EVERYONE YOU KNOW SOMEDAY WILL DIE?


in the light

Heb je dat ook, dat je met het gevoel zit dat je niets meer weet? Dat je geen inzicht meer hebt, niets meer begrijpt. De wereld, alles wat bestaat, is opeens een gewriemel van ondoordringbare ‘dingen’, een immens moeras van particulariteiten, een chaos. Er is geen helderheid, je kunt niets onderbrengen in categorieën. Niets is verwant met iets anders. Wat is een mens? Wat is een gevoel? Wat is een emotie? Muziek is een grillige opeenvolging van zinloze klanken. Troebel water, een donkere zon, de weg naar de toekomst is de weg naar het verleden, de weg omhoog is de weg omlaag. Alles ontstaat en vergaat tegelijkertijd.

Is dit misschien een ervaring van de waanzin, een korte psychotische aanval? Is het een gevolg van te lang alleen zijn? Ik zit hier maar, soms lig ik even in de canapé. Ik zet een plaatje op: vervelend. Er is weer iemand dood. Je zou een in memoriam moeten schrijven. Maar waarom? Je praat met niemand. De muziek is afgelopen. Het is stil, af en toe het doffe lawaai van een voorbijrijdende auto. Je zou naar honderd voorstellingen kunnen gaan. Films, concerten, toneelstukken, vernissages. Brussel, Antwerpen, Gent, veel andere plaatsen. Maar je blijft op je stoel zitten. Of je doet een dutje in de canapé. Dan ontwaak je en weet je niet meer of het dag is of nacht. Je bent je zeer scherp bewust van de tijd. Het einde nadert. Vorige week kreeg je nog de tranen in de ogen toen je Wayne Coyne hoorde: “Do you realize that everyone you know someday will die?” De mooiste song van The Flaming Lips. En nu je je die tranen herinnert, herleeft er iets in je. Alsof verdriet je innerlijk verwarmt. Maar al die doden, hoe leef je daar mee? Je vrienden die uit het leven stapten, anderen die stierven van ongeluk, van waanzin. De muzikanten die je zag optreden en er nu niet meer zijn. Zoals Townes Van Zandt, met wie je graag bevriend was geweest. Je had meermaals met hem kunnen praten, of naar de kroegen gaan, maar je was te schuchter. Misschien nog een geluk dat je niet samen met Townes hebt zitten drinken. Anders zou je de herinnering nog veel pijnlijker zijn. Je herinnert je de vele nachten in Antwerpse cafés, pratend met Renée, een mooie, lieve vrouw, die veel las. Nu is ze al lang dood. Ashes to ashes, dust to dust. Elke keer als je een glas Porto drinkt, denk je aan haar. En je ouders, je grootmoeder, je tantes en ooms. Ludwig, je schoonbroer, geveld door kanker. Zou Evan Dando nog leven? Een gevoelige man, met een hemelse stem en onvergetelijke melodieën. The outdoor type. Nee, toch niet. En Hope Sandoval? De droomvrouw, maar maar altijd in het donker. Waar is ze? Waarom laat ze niets meer van zich horen? Ja, jongen, nog maar eens aan verwarring ten prooi. Terwijl om je heen de menselijke werkelijkheid uiteen lijkt te spatten, zit je op je stoel en ben je in de ban van het blauw.

Maar elke dag omstreeks middernacht begin je aan je oefeningen: schaduwboksen, gewichten heffen, push ups. Je voelt je sterker worden. Jou zal de dood niet zo vlug te grazen nemen. Ja, sterkere spieren, vaster vlees. Maar wat doe je met de wereld, met de mensen, waar je niets meer van begrijpt? Met je stilte? Me je afzondering? Wat te doen? Wat in hemelsnaam te doen?

Op de achtergrond, nee, op voorgrond klinkt nu opeens Myriam Makeba’s stem, Pata Pata. Every friday and saturday night it’s pata pata time!

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

16-11-08

BEELDEN UIT PORTUGAL MEEGEBRACHT


Clichés zijn soms waar. Bijvoorbeeld dat beelden soms meer zeggen dan woorden. Ik bedoel echte beelden, ontstaan voor de taal tussenbeide komt, gemaakt alsof je van tevoren al weet dat je toch geen woorden zult vinden om te beschrijven wat je ziet, wat je zag. Dat gebrek ervaar ik nu inderdaad. Daarom hieronder enkele beelden die ik meebracht uit Portugal. Ik ben niet zo voor het publiceren van vakantiekiekjes, maar nu kan ik er niet aan weerstaan. Vergeef me!


scarlet head II



chestnut vendor

the yellow house and the sky

reading on a chilly afternoon

endless beach

tavira scene

a great day



remake / remodel

take these shells

21-10-08

FACEBOOK: MODEL VAN EXTREEM KAPITALISME OF KINDERSPEL?


gelaarsde kat

A. zegt dat ze Facebook hoe langer hoe vervelender begint te vinden. Het is dom en je verliest er veel tijd mee. Ze vergeet misschien dat heel wat van de onnozele spelletjes die Facebook ‘rijk’ is mij via haar bereiken. Uit beleefdheid installeer ik die dan en doe er even aan mee. Zo heb ik me al laten kidnappen en heb ik zelfs anderen gekidnapt. Ze heeft een vampier van me gemaakt, en weet ik veel wat nog allemaal. Het lijkt kinderlijk, maar is dat niet echt. Overal op je scherm word je gelokt om te consumeren, te kopen, geld uit te geven aan nutteloze dingen. Maar in tegenstelling tot A. vind ik Facebook niet vervelend. Het is een weergaloze weergave van deze extreem-kapitalistische maatschappij die onze levens beheerst. Je kunt er bijzonder veel uit leren. Dat is niet echt moeilijk, omdat de gehanteerde symbolen, metaforen en metonymia voor de hand liggen. Je moet niet diep graven om te achterhalen wat wordt beoogd, wat de drijfveren zijn.

Tevens is Facebook een aangenaam tijdverdrijf voor depressieve mensen. Het gratis kleinood valt te verkiezen boven kwisprogramma’s op televisie, kruiswoordraadsels, roddelblaadjes en zelfs patience. Facebook is ook efficiënter dan Lexotan, Librium, Valium, Temesta, Seresta en alle andere farmaceutica waar je je geheugen van verliest. Op Facebook kun je lekker creatief bezig zijn met kurk, karma of bloemstukken. Ik ben nu maar gedeeltelijk ironisch, gedeeltelijk meen ik dit echt.

Ik zeg tegen A, via Facebook zelf nota bene, dat ik het een goed communicatiemiddel vind. En zeker omdat het een ‘wezen’ is dat in zijn eigen staart bijt. Het extreem-kapitalistisch ingestelde netwerk geeft de mogelijkheid om het extreem kapitalisme te ontwrichten. Binnenin ontstaan allerlei zeer kritische netwerken. Ik word geïnformeerd over subversieve activiteiten in mijn eigen stad en elders, waar ik anders nooit iets over zou horen. Ik raak bevriend met boeiende kunstenaars, dichters, acteurs, etc., die vaak ondergronds actief zijn. Natuurlijk niet allemaal, maar zelfs degenen die met ‘het systeem’ meedraaien doen dat ongetwijfeld met de nodige scepsis.

Ik zeg tegen A. dat ik me nu minder geïsoleerd voel, minder alleen in de stad waar ik woon. Ze gelooft me niet. Ze denkt dat ik alle dagen naar openingen van tentoonstellingen ga en de hele tijd interessante mensen ontmoet. Terwijl ik meestal binnen zit en zeer weinig beleef. Ik, ik ben echt geïsoleerd, zegt ze, ik verblijf in Denemarken, mijn familie en veel van mijn vrienden wonen hier meer dan duizend kilometer vandaan, in Polen. Ik moet voortdurend een taal spreken die de mijne niet is. Ja, natuurlijk, zeg ik, dat begrijp ik. Maar voor een keer wilde ik zelf begrepen worden. Dat je in een middelgrote stad als Brussel woont betekent niet noodzakelijk dat je er veel vrienden hebt en dat je alle dagen iets onvergetelijks meemaakt. Ik heb nauwelijks vrienden in Brussel. Ik voel me hier een balling. Mijn echte stad is Antwerpen. Maar nu ben ik daar al zeventien jaar weg. Als ik in Antwerpen kom voel ik mij er als een toerist. Ach, zeg ik, ik kan je dit op deze manier, in korte zinnetjes, en in een taal die de mijne niet is, niet uitleggen. Ik zal het op een andere dag proberen, we kunnen misschien eens skypen. Goed, zegt ze. Bye, have a nice day.

Na dat korte gesprek dacht ik nog even na over Facebook. En over hoe de wereld op korte tijd veranderd is. Hoe ik nu bijvoorbeeld zo goed als vreemde mensen zomaar aanspreek, hen vraag of ze mijn vriend of vriendin willen zijn. Stel je voor dat ik op straat op een mooie vrouw zou toestappen en haar vragen zou of ze van Paul Auster en Nicholas Roeg houdt… Maar dat is toch mooi, dat dat nu kan. Wat ik heel graag doe op Facebook is mensen, vooral vrouwen, kopen en verkopen. Ik bezit er op dit ogenblik al meer dan tien. Wat zegt dat over mij? Maar veel liever nog krijg ik van iemand een bericht en stuur ik een bericht terug. Zodat het lijkt alsof we echte vrienden zijn. Omdat ik zonder echte vrienden niet leven kan.

05-06-07

IN MY SOLITUDE

cesare pavese,eenzaam,alleen,adolescentie,verdriet,heimwee,jeugd,elvis presley,memphis,leven als ambacht,solitude,billie holiday

In 1950, toen ik geboren werd, zette Cesare Pavese een dramatisch punt achter zijn leven. Tussen beide gebeurtenissen is er geen logisch verband. Maar niemand verplicht je ertoe logische beweringen te formuleren. Je kunt zoveel verbanden leggen als je zelf wilt. Een verband dat ik leg tussen mezelf en Pavese is de eenzaamheid, het alleen-zijn.  De eenzaamheid hoort voor Pavese bij de stad. ‘Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent’.

Ik maakte eerder al het onderscheid tussen een positieve eenzaamheid en een negatief alleen-zijn. Maar dat was een theoretisch onderscheid. Je kunt net zo goed het omgekeerde beweren. De eenzaamheid als het pijnlijke isolement, zoals Billie Holiday er zo hartverscheurend over zingt in ‘In My Solitude’, en het alleen-zijn als de zelfgekozen, trotse afzondering van de anderen, die je hinderen in je gedachten, in je werk, in je bestaan. Laat me maar een tijdje alleen, zodat ik eindelijk eens mijn zaken op orde kan brengen. Eenzaamheid is in deze benadering een vorm van de blues, het is afzien. Je mist de aanwezigheid van de andere, de geliefde, de vriend. ‘The blues ain’t nothing but a woman on your mind’, wordt er gezongen. En daar bestaan natuurlijk variaties op. Ben je alleen, dan kun je je overgeven aan dagdromen, aan plannen smeden, aan euforie. Er zijn talloos veel mogelijkheden, je denkt niet aan de zwaarte van onmogelijk uit te spreken woorden. In de romans en gedichten van Cesare Pavese lees ik de verstrengeling van deze twee tegengestelde en toch zeer verwante begrippen. In mijn eigen leven is het niet anders. Bij de anderen kan ik me goed voelen, gelukkig zelfs, maar ik heb me zelden zo eenzaam gevoeld als in een groep of in een menigte. Voor mij is het onmogelijk om op mijn eentje naar de bioscoop of naar een concert te gaan. Dan word ik gek van eenzaamheid.

Een ander verband tussen Pavese en mezelf is het treuren om de verloren adolescentie. Zodra de adolescentie ophoudt begint de aftakeling. Maar je weet tegelijk heel goed dat je niet meer terug kan. Het heeft geen zin nostalgisch te doen. Het gaat er niet om dat het vroeger beter was. De adolescentie was het diepe leven, toen je nog niet nadacht over aftakeling en mislukking. De adolescentie is het beste, maar dat weet je pas als je volwassen bent en je leven mislukt is. Als je weet dat je niet meer naar huis kunt en dat zelfs niet wilt. Eigenlijk is het dan ook geen treuren om de adolescentie, maar om de onvermijdelijke mislukking van het leven. Je zou kunnen zeggen dat de adolescentie de mogelijkheid is, en de volwassenheid de onmogelijkheid. Je verwijdert je steeds verder weg van je huis. Elvis Presley verwoordt dit gevoel in een prachtige song, Long Black Limousine, terug te vinden op From Elvis in Memphis, zijn meesterwerk. Met deze verwijzing naar toch weer rock & roll wil ik deze korte beschouwing over eenzaamheid, adolescentie en mislukking beëindigen en iedereen nog een mooie lentedag wensen.
Of nee, ik wil eindigen met dit fragment uit het dagboek van Cesare Pavese: ‘Laten we eerlijk zijn. Als Cesare Pavese voor je zou verschijnen, je zou aanspreken, proberen vriendschap met je te sluiten, ben je zeker dat je hem niet verwerpelijk zou vinden? Zou je vertrouwen in hem hebben, zou je bereid zijn met hem mee te gaan voor een plezierige avond in zijn gezelschap?’ (uit ‘Leven als ambacht’)

12-05-07

CATANIA, ONDER DE VULKAAN

catania,sicilie,nacht,alleen,autobiografie,nachtleven,steden,vulkaan,etna


Teruggevonden notities.

's Avonds alleen op het terras van the Other Place in Catania maak ik de volgende notities:
"Catania lijkt een gezellige stad. Is dat alleen vandaag zo? Vandaag is het een jaar geleden dat ik werd overvallen en in elkaar geramd. Toch laat Laura mij alleen in deze stad, waarvan beweerd wordt dat ze gevaarlijk is. Maar laat ik niet aan zelfbeklag doen. Wie moe is, is moe. En wie van de nacht houdt, houdt van de nacht.
Maar wie alleen is wil soms ook wel eens sterven. Bij mij is dat toch zo. Als ik alleen ben, ben ik echter ook sterker. Ben ik beter opgewassen tegen de dood. Als ik alleen ben, wen ik aan het alleen zijn.

Wie had kunnen verwachten dat Catania zo levendig zou zijn. Ik had een donkere, dreigende stad verwacht, helemaal opgetrokken uit lavasteen. De schroeiende zon heft dat dreigende op, laat het zwart een hele dag lang baden in licht. En de hitte die 's avonds in de straten blijft hangen, verwarmt je geest en verjaagt je boze gedachten. Ik zou de sfeer hier niet meteen vrolijk noemen, of uitbundig, maar er is toch iets lichts rondom mij, dat aanstekelijk werkt. Misschien voel je je zo in de nabijheid van een vulkaan. De Etna is hier maar dertig kilometer vandaan. Maar die aangename sfeer geeft ook duidelijke contouren aan mijn eenzaamheid. Ik zit hier alleen in mijn boekje te noteren, er mij van bewust dat de mensen rondom mij me zitten te bekijken.

Wat is een gevaarlijke stad? Het gevaar zit vooral in jezelf en in degenen die je liefhebben. Al de rest heeft weinig belang. Als niemand je liefheeft heeft niets belang. De enige stad die telt is de stad van de liefde - en haar spiegelbeeld, de stad van de haat. (Huwelijk en scheiding, vader en zoon, hemel en hel...).
Ze lopen met hun lichaam rond. De vrouwen. De mannen. Wij lopen met z'n allen met ons lichaam rond. Mijn lichaam berust in zichzelf, zijn aftakeling. Mijn lichaam is voorbijgegaan. Ik heb het laten voorbijgaan. Momenten, uren, dagen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrouwen, kinderen, mannen. Religies zijn aan mij voorbijgegaan. Ismen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrienden, kennissen, relaties zijn aan mij voorbijgegaan.

De vulkaan die er is. Achter mij en voor mij. De vulkaan waar ik van gedroomd heb. Die mij zou beschermen tegen de goden. Zwart en vurig tegen het witte schuim, het papier. Wit schuimend speeksel. De vulkaan is er en ik denk aan de sprong van Empedocles. Dezelfde sprong maken? Dat alles ophoudt. Dat degenen die achterblijven de brand dan maar blussen? De vulkaan nodigt mij uit. En een god en een anti-god en een mens van vlees en uitgestippelde wegen.

De vulkaan is er en laat mij in mezelf verdwalen. Ik wil uit mezelf verdwijnen. Zoals Empedocles na al zijn dorre jaren. Zoals Hölderlin. Onder de vulkaan worden alle leugens ondraaglijk. Hoe te zijn?"

09-05-07

JE BENT NIET WELKOM


Je bent niet welkom in de zonnige straten waar overal bloembakken staan met rode geraniums in.
Je bent niet welkom op de beregende pleinen (spiegels die nochtans je verdriet niet weerspiegelen).
Je bent niet welkom in de cafés van deze stad (je herinnert je de vrolijkheid van vervlogen dagen, rainy day women op de juke box, “everybody must get stoned” en het begin van je poëzie).
Je bent niet welkom in de bioscopen van geweld en valse toekomstbeelden.
Je bent niet welkom in de wachtzalen van de theaters waar mooie mensen in linnen en gabardine komen dwalen.
Je bent niet welkom in de dure auto’s en salons en niet bij hun bestuurders in hun namaakpaleizen.
Je bent niet welkom in de goedkope auto’s noch bij hun bestuurders in hun dorre levensverhalen.
Je bent niet welkom bij de koningen van het bier noch bij de messenwerpers op de kermis.
Je bent niet welkom in de oude tijd en niet bij oude mensen die voorbijgaan.
Je bent niet welkom in hun soms nochtans fonkelende hersenschimmen.
Je bent niet welkom bij de punks, gothics, bulldogfreaks noch bij ander destijds teerbemind uitschot.
Je bent niet welkom bij de getikten, de zwakken van zinnen en gelovigen van geest.
Je bent niet welkom bij de dwazen en de slimme spelers op het veld van eer en oneer.
Je bent niet welkom bij degenen die geen tranen laten (je herinnert je huwelijken en doden en spijt en schuld en scheldpartijen).
Je bent niet welkom bij de diep bedroefden met hete tranen over de wangen rollend.
Je bent niet welkom in de concertzalen van de hoofdstad waar veel onlust heerst.
Je bent niet welkom onder de sterren die nooit je naam hebben gekend.
Je bent niet welkom bij je oude klasgenoten die je uit hun leven hebben gekrast (je herinnert je de geur van de vlakgom bij de lessen meetkunde).
Je bent niet welkom bij de intellectuelen die zichzelf verblinden omdat ze niet anders kunnen.
Je bent niet welkom in om het even welk ongeschonden landschap (je vraagt je af of er wel een ongeschonden landschap is).
Je bent niet welkom op de kerkhoven in de rustigere dorpen en ook niet waar het druk is.
Je bent niet welkom in de botsauto’s op de kermissen waar je toevallig voorbij rijdt in een gevaarlijke autobus.
Je bent niet welkom in de kolommen van de kranten ook al ben je het nieuws van de dag.
Je bent niet welkom in de Verenigde Staten ook al ben je met elk van haar staten verenigd.
Je bent niet welkom in Polen ook al koos je een Poolse naam.
Je bent niet welkom bij mannen noch bij vrouwen.
Je bent niet welkom bij hun kinderen als zij spelen bij een vijver of thuis een elektronisch ganzenbord hanteren.
Je bent niet welkom bij toevallige voorbijgangers met of zonder messen.
Je bent niet welkom bij toevallige voorbijgangers die elkaar zoenen of in een diep gesprek zijn verwikkeld.
Je bent niet welkom bij degenen die hun haren laten knippen in de stijl van Baudelaire.
Je bent niet welkom bij degenen met Louise Brooks-kapsels.
Je bent niet welkom bij meisjes met henna in hun haren.
Je bent niet welkom bij vrouwen met vuurrode lippen.
Je bent niet welkom bij paters en nonnen en minderbroeders noch bij Maria vol van genade.
Je bent niet welkom bij vromen, godslasteraars, gravenschenners, wielrenners, hoogbegaafden.
Je bent niet welkom bij degenen die alle gedichten van Lucebert uit het hoofd kennen.
Je bent niet welkom bij imkers noch bij straatmuzikanten (misschien omdat je die straatmuzikanten geen geld geeft).
Je bent niet welkom bij sigarenrokende filmregisseurs en wanhopige figuranten.
Je bent niet welkom bij filmregisseurs die geen sigaren roken.
Je bent niet welkom bij zelfmoordenaars en intriganten.
Je bent niet welkom in je vaderland noch je moederland (je ouders zijn al lang tot stof vergaan).
Je bent niet welkom in Lourdes noch in Los Angeles.
Je bent niet welkom in Maastricht en evenmin nabij de waterval van Coo.
Je bent niet welkom in je eigen huis als het volle maan is en evenmin als het geen volle maan is.
Je bent niet welkom, nee je bent niet welkom.
Kon je toch welkom zijn in de armen van je geliefde!

01-03-07

SLAAPSTOORNISSEN EN LEGE AGENDA'S


1.

Het verdient aanbeveling je uit te spreken, niet zo vaak zoveel voor je te houden. Je emoties en je gedachten moet je veruiterlijken. Als je iemand graag ziet, moet je dat zeggen. Iemand eens een keer knuffelen, dat moet gewoon. Als iemand je kwetst of beledigt, mag je je niet laten doen, je moet je verdedigen. Je mag je niet in een hoekje laten drummen. Je moet echt je gedachten en indrukken uiten, niet alleen maar alles verinnerlijken en opsparen. Al wat je niet uitspreekt vindt op een andere, vaak zelfdestructieve manier een uitweg, soms in bepaalde stoornissen, kwalen en obsessies, in ergernis, neerslachtigheid en melancholie.

Je moet je eigen weg gaan, doen waar je zin in hebt, zonder anderen te kwetsen of te benadelen. Als je zin krijgt om aan sport te doen, doe je dat toch gewoon, in plaats van te wikken en te weggen en er uiteindelijk van af te zien. Van uitstel komt afstel, zeggen de mensen en ze hebben gelijk. Als je zin hebt om naar de film te gaan, ga je naar de film en wacht je niet tot je een partner vindt om je te vergezellen. Zo kun je nog lang wachten. Een tentoonstelling, een concert, een wandeling in het bos: hetzelfde.

Het is voor jou echter heel moeilijk om dingen alleen te doen, om ergens op je eentje naartoe te gaan, om zonder gezelschap een vriend, kennis of familielid een bezoek te brengen. Je bent niet bepaald jong meer maar dat zou je toch moeten aanleren, of opnieuw aanleren. En ook het positieve gevoel van in eenzaamheid te genieten van om het even wat. Schoonheid openbaart zich wellicht nog het vaakst en in de beste omstandigheden aan de eenzame wandelaar.

2.

Ik doorbladerde gisteren mijn agenda van 2006 en stelde tot mijn verbijstering vast dat mijn actief leven op één jaar zienderogen is afgenomen. Nu is het bijna een passief leven geworden; het is alsof ik een metamorfose heb ondergaan. Ik ben een kever geworden en lig op mijn rug. Sinds januari 2006 heb ik geen film meer gezien in de bioscoop. Ik ben nochtans een passioneel filmliefhebber. Theaterbezoek neemt ook af. Ik zit meer en meer thuis. Ik bekijk films op dvd, ik beluister muziek, ik lees een beetje, ik zit voor mijn computer en krijg zitvlees. Waar zijn mijn fietstochten gebleven, mijn wandelingen in het Zoniënwoud? En wat is er met mijn slaap gebeurd? Ik slaap gemiddeld nog drie uur, de rest is onrust, een soort mentaal geklapwiek. Lachen zou ik moeten doen, vanuit de buik, daar schijn je goed van te kunnen slapen. Heel graag zou ik ’s morgens eens uitgerust opstaan en rustig een kop koffie drinken. Nee, nogmaals, ik moet mijn leven opnieuw veranderen. Kan iemand mij helpen? 

27-02-07

EENZAAM OF ALLEEN


damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard 's morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren '70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.

16-06-06

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON


emily-dickinson


Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht - heerlijk - begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar - de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

"Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren".

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het - mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken - rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten - wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in mijn hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg - naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het wit geweld van de vogels. Veilig - voor de leugens van god.

10-04-06

TWEE BROERS

fietsen,eiland,vliegtuig,broer,station,ds,el paso,engels,spaans,border radio,soul,hippie,tim buckley,kolenmijn,mijnwerker,vader,streekkrant,moeder,dood,alleen,aldi,bier,rio grande,verwelkt,leeg,texas,deejay

Hoe vervoert hij zijn fiets naar het eiland en van het eiland weer naar huis? Hij vraagt zich af of hij ermee op het vliegtuig kan, in de trein en de bus. Hij is op weg naar zijn broer, maar het is niet duidelijk of hij droomt of waakt. Zijn broer woont nog steeds thuis, in het dorp aan de rivier en het kanaal. Zal zijn broer hem komen oppikken als hij aankomt in het station van G. (want hij heeft beslist om toch maar de trein te nemen)? Hij weet het niet. Wij weten het ook niet. Evenmin weten we of het een kanonschot is, achter de horizon, of een donderslag, of een oude auto misschien. Het zou wel eens een DS kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij zijn broer nog wel zal herkennen. Misschien is zijn gezicht gerimpeld en opgezwollen van de drank. Hij is lang weggeweest. Een soort van zelfgekozen ballingschap in El Paso, Texas. Hij heeft er Engels geleerd, zij het op de Texaanse wijze uitgesproken, en een beetje Spaans, tussen de immigranten uit Latijns-Amerika, verschoppelingen die in donkere stegen hun wijsheid moeten verbergen. You just can't live in Texas, if you don't have a lot of soul. Dat liedje werd veel gedraaid op zo'n border radio. De deejay was een oude hippie waarschijnlijk, want hij draaide ook wel eens Wings van Tim Buckley.


Zijn broer was er niet. Hij heeft twee uur gewacht en dan maar de bus genomen. Nu komt hij in zijn geboortedorp aan, waar het donker is als in de gangen van een kolenmijn. Zijn vader, die lange tijd mijnwerker is geweest, heeft hem daar vaak over verteld, over die donkerte. Zijn broer zit aan tafel, bij het licht van een lamp van 40 watt. Met ogen die er vermoeid uit zien, maar dan kan ook door dat zwakke licht zijn, zit hij de zoekertjes in de Streekkrant uit te pluizen. Of zijn het de overlijdensberichten? In de kamer ruikt het naar oude koffie en bier. Zijn broer stelt voor om wat te gaan fietsen. Een goed idee, zegt hij. Maar als hij buiten komt is het alsof hij blind is. Ze fietsen naar het kanaal. Hij is er gerust in dat hij niet in het water zal rijden. Hij voelt instinctmatig welke weg hij moet volgen; bovendien rijdt zijn broer aan zijn zijde, als een door god verwenste engelbewaarder.
Eerst is de weg van beton, maar al snel wordt het mulle grond, waar het moeizaam rijden is. Ze zullen in het bos aangekomen zijn. Gaandeweg klaart de hemel op. Daar komt de zon al op. Het heeft allemaal niets te betekenen, denkt hij. Het leven stelt niet veel voor, of het nu donker is of licht. Toch begint de hele omgeving nu licht te weerkaatsen, alsof alles betoverd raakt door hun aanwezigheid. Van zijn broer en hem. Dat licht gaat zijn verstand te boven. In Texas heeft hij alles wat idyllisch of pittoresk kan worden genoemd afgezworen. We kunnen hem moeilijk ongelijk geven. Wat verder is de bodem vervuild. Donkerbruine olievlekken ontsieren het witte Kempense zand.

Hun moeder is gestorven. Zou hij haar durven kussen, of eens knuffelen? Neen, dat kan niet, dat is iets wat zij zelf ook nooit deed. Het zou ongepast zijn om dat nu wel te doen. Het moet een koud weerzien zijn. Terugfietsend beseft hij dat hij alleen is op de wereld. Zijn broer is er nog wel, ja, maar die blijft hier in het bijna leegstaande huis. Hij mag bij zijn broer intrekken, heeft hij gezegd. Ze kunnen kaarten, haring eten, grote flessen bier van de Aldi drinken, fietstochten maken naar de mergelgroeven, of nog verder, tot in Duitsland. Voor hem heeft het geen zin meer, na Texas. Na wat daar is gebeurd, bij de Rio Grande.
Zijn broer zegt dat hij een deksel voor de theepot zal kopen. Die theepot staat op een traptrede, een porseleinen pot met een tinnen deksel. Immens droefgeestig maakt dat ongerijmd beeld hem. Het zal nooit meer beter worden. Het is een lege, verwelkte wereld.

09-04-06

OMDAT DE CONTEXT ONTBREEKT

associaties,neurose,schildpad,boeken,psychoanalyse,es,freud,groddeck,lacan,narcisme,melancholie,context,bestaan,alleen,afhankelijkheid,karakter,energie,verliefdheid,liefde,film,truman capote

Het is geen eenvoudige opdracht om in een korte tekst, bijvoorbeeld over het Es (Freud, Groddeck, Lacan), duidelijk te maken waar je het over hebt, waar je naartoe wilt. Ook al het feit dat je de ene keer nadenkend schrijft en de andere keer associatief bemoeilijkt het lezen. Je wilt iets kwijt over de rol van narcisme en melancholie in je leven, maar je weet niet of iemand daar iets aan heeft, omdat de context ontbreekt: de context is mijn hele bestaan, alles wat ik voel en droom en denk en ben geweest en ben en zou willen zijn. 


Sommige dingen zou ik graag alleen kunnen doen, bijvoorbeeld naar de bioscoop gaan. Nu zou ik bijvoorbeeld graag de film over Truman Capote zien. Maar ik kan het niet. Ik moet iemand aan mijn zijde hebben. Door die zwakheid in mijn ‘karakter’ – ik houd niet van dat woord - zit ik veel thuis, terwijl dat niet altijd goed voor me is. Vaak voel ik een leegte, die ik met allerlei dingen wil vullen. Misschien is dat ook wel nodig. Ik moet geregeld opgeladen worden. Als ik geen energie heb wil dat niet zeggen dat ik niets meer tot mij kan nemen. Integendeel: ik moet de leegte vullen met beelden, muziek, woorden, geuren van mensen die lekker ruiken... Alleen naar een concert gaan, op reis zelfs. Maar ik kan niets alleen, ik kan niet alleen zijn. Wellicht is dat niet ongewoon. Maar ja, dan ben ik misschien graag ongewoon.

Ik word heel graag verliefd, want verliefdheid zet mij aan tot schrijven, vooral van gedichten, een moeizame, plezierige bezigheid. Maar liefde is zo giftig, ook. Liefde kan je wereld dooreenschudden, zo hard dat je hem niet meer herkent, dat je jezelf niet meer herkent. Ik word nogal vaak verliefd, maar dan als een schildpad, die vlug zijn kop weer in zijn schild terugtrekt. Het is alsof liefde mijn bestaan zou kunnen bedreigen.

En dan vraag ik me af: wat moet ik nu eigenlijk doen?