24-12-16

MET RYLEY WALKER NAAR EEN ANDERE DIMENSIE

ryley walker 2.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN 
(hoofdstuk 12)

Dag 9: 10 november 2016 

Waar waren we bijna verdronken? In Patti Smith’s zee van mogelijkheden? Goed mogelijk want in een imaginaire zee kun je niet echt verdrinken, tenzij je zoals Alice een denkbeeldig bestaan leidt. Vandaag hebben we nog natte voeten, maar we staan als alle echte stuurlui weer aan wal. Ja, we lopen op wankele benen, onze geest is beneveld, in onze kamers hangt een dikke mist, ook al schijnt daarbuiten de zon. Inmiddels is het 10 november. Onze nood aan een escapade is groot. Anywhere out of the world, schreef Baudelaire. Maar hoe wankel ons bestaan ook mag wezen, toch willen we hier blijven, willen we doorgaan met een intellectuele strijd tegen onszelf, tegen het negatieve in ons, en tegen alles wat ons slaafs maakt, alles wat ons onderdrukt en verblindt. Patti Smith alleen zal ons daar niet bij kunnen helpen, hoewel ik weinig mensen ken die zo moedig als zij volharden in hun levenswerk. In hun opdracht. Lees haar boeken om te vernemen hoe ze die gevonden heeft. Maar net als ik - en mijn generatiegenoten uit de sixties - wordt Patti Smith ouder. Heel wat van onze idolen, gidsen, bewonderde kunstenaars en ja, helaas, ook vrienden, zijn al vertrokken naar het donkere land waar nooit iemand van terugkeert. Er is jong bloed nodig, jonge verbeelding, nieuwe ideeën. Een nieuwe geest van verzet zal onze wereld moeten redden. Dat hij al aan het ontstaan is voel ik in mijn vingertoppen, hij is al aan het werk. Zoniet zou ik afreizen naar het Noorden en me daar voor altijd neervlijen in de sneeuw.
patti-smith.jpg

Hier wil ik dit onderdeel van mijn kroniek even onderbreken met een mededeling van Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Aan mijn therapeute doe ik verslag van de heerlijke momenten van de voorbije dagen (een avond met Irina, mijn radioprogramma in Antwerpen, een etentje en een vrolijke treinreis met mijn geliefde Laura), maar zeker ook van de dingen die me weerom terneerdrukken, nog los van de ellendige politieke gebeurtenissen. Als zo vaak in het verleden kom ik terug op mijn schuldgevoelens. Zo voel ik me vandaag schuldig omdat ik zelfbehoud laat voorgaan op zorg en altruïsme. Of beeld ik me dat schuldgevoel maar in? Schuldig voel ik me eveneens omdat ik te weinig doe. Mijn therapeute stelt me voor om een dag per week aan vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld bij bejaarde mensen kunnen langsgaan; zij zijn als al onze soortgenoten reservoirs van verhalen, ze beleven er plezier aan hun herinneringen met een aandachtige toehoorder te kunnen delen. Wat voor mij dan weer een inspiratiebron zou kunnen zijn. Maar dat kan ik toch niet, roep ik voor de misschien wel honderdste keer uit. Ik kan mensen die ik niet ken niet onder ogen komen, zeg ik. Ik ben mensenschuw. Als ik onder de mensen kom moet ik drinken en ik wil niet drinken. Want als ik drink kan ik niet schrijven. Nee, ik wil vooral niet drinken. Veel liever zou ik in mijn kamer blijven en werken, nu het nog kan, nu ik nog enigszins helder ben. Mijn tijd van veel buitenkomen is voorbij. Je weet toch dat ik nu al wankel als ik naar de metro loop. Dat komt door mijn voeten. Die doen vaak zo’n pijn en je weet dat ik liever geen zware pijnstillers neem, want dan kan ik niet helder denken. Helder denken is zonder drank of pillen al moeilijk. Ze kijkt me enigszins berustend aan. Het is jouw leven, zegt ze, maar als je je meer en meer gaat afzonderen zal je wel heel snel oud worden. Maar goed, het is weer tijd, tot volgende week en houd je sterk.

old1.jpg

Die avond ga ik met Laura naar de AB Club voor een andere held van deze tijd: Ryley Walker. In de populaire muziek beschouw ik hem als een van de grote beloften. Enkele jaren geleden was hij nog een epigoon, nu geldt hij al als een voorbeeld voor andere muzikanten en kunstenaars (en gewone mensen). Laura en ik hebben vanmorgen bij het lang uitgesponnen ontbijt zijn twee recentste platen beluisterd, ‘Primrose Green’ (2015) en ‘Golden Sings that Have Been Sung’ (2016). Zijn eerste elpee, ‘All Kinds Of You’ (2014), bezit ik niet, omdat Ryley Walker zelf dat jeugdwerk als een mislukking beschouwt.
In de AB Club weet ik nog voor het concert begint dat het een bijzondere avond zal worden. Ja, soms voel je dat aan, soms weet je het wel zeker. We hebben vlak voor het kleine podium plaats gevat. De jonge singer-songwriter uit Chicago balanceert op het randje van de dronkenschap, maar wankelen doet hij (nog) niet.. Ik zie dat hij stevig op zijn benen staat. Hij kan tegen een stootje. En zijn muzikanten beschermen hem tegen overdaad. Als hij even wegkijkt geven ze elkaar zijn fles whisky door en nemen zelf een slok. En tijdens het concert vraagt een luisteraar of hij eens mag proeven. Dat is goed: het schept een band met het publiek en er zit alweer wat minder in die verduivelde fles. Ryley heeft al de hele namiddag bier zitten drinken in de Bonnefooi. You guys have 3000 kinds of beer and I want to try them all, zegt hij.
Het lijkt of hij het meent. Zeker, hij mag zijn zintuigen ontregelen, maar vergeten dat hij voor een geïnteresseerd publiek staat, dat mag hij niet. En dat doet hij niet. Het concert van Ryley Walker en zijn band, dat begint met de kreet ‘Fuck Trump!!!!’, wordt een lange, chaotische – maar door de ritmesectie stevig in toom gehouden – trip. Daar staat hij voor me met zijn gitaar, zijn zoekende stem, een duiveluitdrijver, een sjamaan. Ja, de muziek die hij met zijn begeleidende band ten gehore brengt helpt ons de wereld daarbuiten te vergeten. Er ontstaat een ander, een magisch universum. Een net nog herkenbare song – een skelet - is voor hem en zijn band een muzikaal thema waarop langdurig geïmproviseerd wordt. Ik herken vier van die skeletten: ‘The Halfwit In Me’, ‘Funny Thing She Said To Me’, ‘Sullen Mind’ en ‘The Roundabout’. Ik hoor en zie zoektochten, in cirkels draaiend of spiraalvorming, op de elektrische en de twaalfsnarige akoestische gitaar. Ik ontwaar sporen van jazz, acid rock, folk, rembetica, Tim Buckley, John Coltrane, Jerry Garcia, John Martyn, Van Morrison en nog veel meer – Ryley Walker heeft het allemaal verwerkt in zijn freewheeling songs. Hij heeft zich al die invloeden toegeëigend – en nu staat er een eigen, sterke muzikale persoonlijkheid voor ons. Voortaan gaat hij zijn eigen weg, al weet ik niet waar die naartoe leidt en er zijn veel gevaren. Denk alleen nog maar aan Tim Buckley en zijn zoon. Vanavond heeft hij  ons alvast uit een boze droom wakker geschud en in een andere dimensie binnengeloodst.
IMG_9245.JPG

Laura en ik en mijn vrienden Wolf en Dirk en Ivo beseffen dat we iets bijzonders hebben meegemaakt. Tijd voor lange, bezielde gesprekken en voldoende drank. Morgen zal ik niet schrijven. Morgen is het wapenstiltand. Taxi!



* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276


14-03-06

OPENING NIGHT (JOHN CASSAVETES)

film,john cassavetes,gena rowlands,ben gazzara,alcoholisme,acteren

 

film,john cassavetes,gena rowlands,ben gazzara,alcoholisme,acteren

Opening Night van John Cassavetes, met Gena Rowlands, Ben Gazzara en Cassavetes zelf. Een van de spannendste films die ik ooit heb gezien. Over een diva in haar overgangsjaren die de hoofdrol speelt in een stuk over een ouderwordende gedesillusioneerde vrouw. Er zijn tientallen liters whisky voor nodig om haar op de scène te krijgen voor de Opening Night op Broadway. Maar ook voor de try outs gaat het moeilijk. De vraag is altijd of ze op de scène zal blijven tot ze weer af mag. En wat zal ze zeggen? En zal ze niet omver vallen ? Dat maakt het even spannend als een thriller, alleen minder clichématig. Er wordt uitzonderlijk goed in geacteerd. Er is geen hoop in het stuk, zegt Myrtle (Gena Rowlands), maar dat geldt niet voor de film, want die zit vol hoop, niet letterlijk en niet in de christelijke betekenis van 'geloof, hoop en liefde', maar in de zin van een kunstwerk dat geslaagd is, wellicht omdat het over mislukken gaat, en het plezier dat dat opwekt bij de kijker (die zijn passiviteit kan omzetten in woorden of andere levenstekens).

14-11-05

ELEGIE VOOR TOWNES VAN ZANDT


townesphoto1


Zaterdagnacht, nadat onze vrienden het huis uit waren, nadat we lekker gegeten hadden, en wijn gedronken, en plaatjes gedraaid, van Bob Dylan, the Kinks, Traffic, the Rolling Stones, Irma Thomas, the Beatles, Muddy Waters, Howlin’ Wolf en vele anderen, nadat we met z’n allen hadden meegezongen op Don’t You Fret (the Kinks), nadat de Spaanse buurman had gebeld om zijn beklag te doen over het ‘lawaai’, daarna, toen we alleen achter waren gebleven, overviel mij een onuitsprekelijke droefheid. Dat heb ik wel vaker na het afscheid nemen. Ik lijd kennelijk aan wat in de psychoanalyse ‘verlatingsneurose’ wordt genoemd. Er valt mee te leven, maar het is niet gemakkelijk.

Om de leegte die er was ontstaan na het vertrek van de vrienden uit Antwerpen op te vullen nam ik mijn gitaar en speelde enkele akkoorden, en begon wat te ‘zingen’, een soort van elegie voor Townes Van Zandt (jammer genoeg herinner ik me melodie noch tekst); na enige minuten sloeg het zingen om in huilen, dikke tranen rolden over mijn wangen, voor Townes Van Zandt. Terwijl echte mannen toch niet huilen! Ik heb Townes twee keer zien optreden; het waren bijzonder intense en lange concerten van een eenzame man, een van de beste liedjesschrijvers van zijn generatie, even goed als Bob Dylan of John Prine, maar weinig gekend, waarschijnlijk vanwege zijn schuchterheid en zijn alcoholisme. Ik huilde en was ook boos omdat ik de man nooit had aangesproken en hem mijn grote bewondering nooit had meegedeeld, terwijl ik daar toch voldoende gelegenheid voor had gehad. Ik had met hem zelfs een nacht kunnen doorzakken hier in Brussel; ik vermoed dat hij dat wel zou geapprecieerd hebben, want hij zag er beide keren erg eenzaam en hulpeloos uit. Maar ik heb het niet gedaan en nu is het natuurlijk niet meer mogelijk. Al zeven of acht jaar niet meer. Sinds zijn overlijden in 1997 is hij wat bekender geworden, dankzij onder meer the Cowboy Junkies, Emmylou Harris, Steve Earle en Lucinda Williams. De tranen zijn opgedroogd, maar de droefheid gaat niet weg. To Live Is To Fly blijft in mijn hoofd spoken.

Gisteravond zag ik Paul Weller live op televisie. Ik was verrast door zijn jeugdige levendigheid. Ik ben niet echt gek op zijn solowerk, en the Style Council kon mij ook maar matig boeien. Wel boeiend vond ik Setting Sons en Sound Affects van the Jam, dat was echte pop in de voetsporen van the Who, the Kinks en the Beatles. Paul Weller ziet er nog steeds goed uit, een echte mod. Sommigen noemen hem the changing man (waarom die clichés altijd?), maar eigenlijk verandert hij niet. Misschien verandert alleen zijn portret?

Omdat ik bang was dat mijn computer zou crashen heb ik zaterdag, voor het bezoek van de vrienden, snel nog zoveel mogelijk foto’s op flickr gepost, zonder echt goed op de kwaliteit te letten. Niet dat dat zoveel uitmaakt. Het is eigenlijk meer een soort van autobiografie in beelden dan een poging tot artistieke expressie. Maar moet een autobiografie in beelden ook niet aan bepaalde kwaliteiten voldoen? Ik weet het nog altijd niet goed. Moet je vooral niet zo eerlijk mogelijk zijn? Ben ik dat? Dat weet ik ook niet. Ik probeer het te zijn. Ik probeer geen mythe te creëren, maar de waarheid van een leven te tonen. Of liever een aantal elementen van dat leven. Dat leven vanuit een welbepaald perspectief bekeken. Meer de vluchtlijnen van dat leven, dan het alledaagse, hoewel je niet goed het onderscheid kunt maken. Eigenlijk zijn er geen nauwkeurig afgebakende grenzen. Ik wil eerlijk zijn en de waarheid laten spreken, maar ik wil geen exhibitionist zijn. Ik wil geen kicks krijgen van mezelf aan vreemden te tonen. Daar is het mij helemaal niet om te doen. Het gaat vooral om dat vonkje, denk ik, waar ik het een paar dagen geleden over had. Ik moet er zorg voor dragen dat het vonkje niet uitdooft. Zorg dragen, zorgvuldig zijn, geduldig… Uit het ene vonkje kan, als ik voldoende geduld heb, een veelvoud ontstaan, uit een stem, een veelvoud van stemmen. Stemmingen en ontstemmingen. Sporen en ontsporingen. Ben ik nu bezig aan een manifest? Ik denk het niet. Ik laat me gewoonweg even aan het woord.