24-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

Il_gattopardo_ballo01.jpg


Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

le coq.jpg



Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens "Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)" van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)
Sidney, Sylvia (Fury).jpg

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

claudia-cardinale-and-alain-delon-in-il-gattopardo-directed-by-luchino-visconti-1963.jpg

 

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, 'maar hij blijft een uitstekend acteur.' 
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
 ‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

helmut berger damned.jpg


Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.
WinnerTakeAll7.png



*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once' en 'Fury', van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: 'Il Gattopardo, Luchino Visconti'; Le Coq, Martin Pulaski; Sylvia Sydney in 'Fury', Fritz Lang; 'Il Gattopardo', Luchino Visconti; 'The Damned', Luchino Visconti; 'Winner Take All', Roy Del Ruth.

16-07-16

EEN MIDDAG IN CADIZ

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 054.JPG

Een middag en avond met A. en mijn vrienden Maria Jesus (Menchu), Carmen, Harvey en Juan. Menchu is een en al liefde, caritas, passie, ze is voor mij al sinds 1999 de ziel van Cadiz. Na zeventien jaar nog steeds dezelfde fonkelende ogen.
Zoveel woorden aan politiek verspild. Menchu, Carmen en A. houden zich wat dat betreft enigszins afzijdig. Vooral de mannen voeren het woord. De blijvende corruptie in Spanje… Maar is corruptie niet van alle tijden en woekert ze niet in de harten van miljoenen mensen? Maakt ze niet telkens weer hele samenlevingen kapot? Corruptie en afgunst, de twee grote kwalen. In Cadiz is Podemos aan de macht gekomen. Mijn vrienden vragen zich af of er nu iets veranderen zal. De Panama Papers geven aanleiding tot veel achterdocht en zelfs paranoia. Mijn vrienden zijn al bij al pessimistisch: de grote massa blijft voor de Partido Popular stemmen, zeggen ze.
Ik verneem dat er weinig moslims in Andalusië leven. Degenen die hier destijds zijn aangekomen – ik heb ooit een groot schip vol Afrikaanse vluchtelingen in Algeciras zien binnenvaren - zijn naar andere streken vertrokken, vooral naar Duitsland, België, Nederland. Nogal wat meisjes en jonge vrouwen belanden in de prostitutie in Madrid en Barcelona. Ik hoor de onuitgesproken vraag of West-Europa zoals Spanje in 711 veroverd zal worden door de Arabieren? Zo’n vaart zal het niet lopen, maar we kunnen de toekomst niet voorspellen. Ik heb geen problemen met moslims, zeg ik. (Dat lijkt bijna een racistische uitspraak. Als je geen problemen met de moslims hebt hoeft dat ook niet verwoord te worden. Maar we praten Engels en Spaans ‘zonder moeite’, dan druk je je niet bepaald subtiel uit.)
2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 225.JPG

Harvey, een Canadees die al tientallen jaren in Spanje woont, was in 1973 in onze hoofdstad. Je zou de stad niet herkennen, zeg ik. Zelf ben ik in Brussel in de herfst van 1969 aangekomen. Een groot dorp was het hier, of zo leek het toch. Hoewel de stad nog steeds, zoals in de tijd van Lautréamont, Baudelaire en Marx, een internationaal subversief bolwerk was: ik herinner me Living Theatre, Mothers Of Invention, Free Press Book Shop, et cetera. Harvey herinnert zich dan weer dat de Brusselse Vlamingen gastvrij en open van geest waren.
Juan en Menchu hebben weinig mogelijkheden om te reizen. Ze gaan graag naar Marokko, houden van de lekkere maghrebijnse keuken. Essaouira is hun droombestemming. Maar ze zijn ook trots op hun Andalucia, en in het bijzonder op Granada, die parel aan de Andalusische kroon. Menchu is met ziekteverlof geweest, een depressie door omstandigheden op het werk. Haar baas is een fundamentalistische katholiek. Ja, die bestaan ook. Ik kom niet te weten wat Juan doet. Hij is intelligent en spreekt veel beter Engels zonder moeite dan ik. Carmen, uit Barcelona afkomstig, schildert. Ze is vol lof over Rafael Alberti uit Malaga. Ik herinner me dat ik ooit een boekje van hem las, ‘De 8 namen van Picasso’, maar dat krijg ik moeilijk uitgelegd. Rafael Alberti was een goede vriend van Picasso, hoewel hij twintig jaar jonger was dan de grootmeester van het kubisme. En dan bestellen we nog een rondje en lachen nog wat en worden wat melancholisch. Inmiddels is het donker geworden. We werpen ongemakkelijke blikken op de openstaande deur en denken aan de wegen die elk van ons in eenzaamheid zal moeten begaan, aan de vragen waarop niemand van ons een antwoord zal vinden.

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 218.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Cadiz, april 2016

29-02-16

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.
P1020340.JPG

Foto's: Martin Pulaski (in Brussel)

 

11-12-14

DE LAATSTE KEER

don't look now (2).jpg

De melancholie die je voelt als je eraan denkt dat je veel dingen die je nu nog doet ooit niet meer zal doen. Dat alles wat je doet een laatste keer kent. Alledaagse dingen zoals de afwas, maar ook uitzonderlijke zoals een diepgaand gesprek met een vriend of een verblijf in een oord dat je dierbaar is. Dat het de voorbije zomer misschien de laatste keer was dat je in Bagni di Lucca op een terrasje vlakbij het oude casino zat uit te kijken op de rivier de Lima en te mijmeren over de vele dichters en prinsessen die daar de kleine brug overstaken. Beroemdheden en vergeten bright stars, allemaal dood nu.

In ‘Exquisite Corpse’ beschrijft Robert Irwin dat elegische gevoel heel mooi: "There is a last time for meeting with and talking with everyone one knows, but one never knows when that last time will be. There will be a last time I go to Paris, a last visit to the cinema, a last breakfast, a last breath, but it is unlikely that I shall identify these 'lasts' for what they are."

Neen, je weet nooit of iets de laatste keer is, maar zeker bij reizen heb je een sterk vermoeden. Door deze straat zal ik wel nooit meer lopen, zeg je dan tegen je geliefde. Soms maakt het je zelfs al droef te denken aan de plaatsen waar je nooit geweest bent en ook nooit meer zal komen, zoals Anchorage, Sebastopol, Kyoto.

Het wordt zo vaak gezegd: het leven is kort, een moment, een flits, geniet ervan, pluk de dag. En geniet van de gelukkige herinneringen, want ze laten maar zelden van zich horen, drie of vier keer misschien, waarna ze voor altijd verdwijnen. Waar naartoe dat weten we niet. Opgeslagen in grote  ondoorzichtige glazen bokalen? In ontoegankelijke cellen, waar bloeddorstige cipiers, bereid tot foltering en doodslag, de wacht houden?

Zo herinner ik me nu een moment van geluk in hotel Angelo op een nacht in Venetië, vijfendertig jaar geleden. Na een lange avond dansen en het gevaar opzoeken in een afgelegen buurt, ver weg van het Piazza San Marco, het Canal Grande en de Rialtobrug, komen er twee jongens naar ons toe die ons waarschuwen voor slechte mensen, gespuis dat ons wil beroven en erger, twee goede jongens zijn dit, want die zijn er ook altijd, ga daar niet heen met die ragazzi, zeggen ze, maak jullie uit de voeten, wat we dan ook doen, vliegensvlug een brugje over, een straatje in, een straatje uit, en vervolgens verdwalen we in de Venetiaanse doolhof. Dan meert een watertaxi aan. De chauffeur of hoe moet ik de bestuurder van het bootje noemen, is bereid ons mee te nemen, ook al hebben we geen geld op zak. In de buurt van het hotel stap ik uit en laat mijn vriendin als garantie in het vaartuig achter. In onze hotelkamer moet ik lires gaan halen, bijna op de tast zoek ik mijn weg door donkere steegjes. Wat zal er met haar gebeuren? Misschien is de man van de watertaxi ook een slechte mens, neemt hij mijn geliefde mee naar een kelder van een duister en vervallen palazzo? Of wat ook mogelijk is, want ik heb gedronken en Quaalude genomen, misschien vind ik de weg niet terug. Maar daar ben ik al met het geld, en wat later liggen we gloeiend van opwinding in elkaars armen.

Hoe vaak zal ik me dat voorval en al de andere gevaarlijke situaties die goed afliepen, waardoor het geluksgevoel des te heviger was, nog herinneren? Misschien is dit de laatste keer, wie zal het zeggen. Maar deze herinnering heb ik nu wikkend en wegend in zinnen vertaald. Vaak echter ontsnappen ze al meteen na het moment dat ze zich voordoen of terwijl je ze probeert neer te schrijven. Dikwijls zijn de woorden ontoereikend. Je denkt terug aan iets moois in het verleden, probeert je te herinneren hoe je je toen voelde, maar alles begint te dwarrelen en alleen leegte blijft over. Toch geef je het  gevecht tegen de bloeddorstige cipiers nog niet op. Straks misschien al doet zich een andere gelegenheid voor, of morgen, wie zal het zeggen, je hebt geen macht over die stroom en kunt niet binnen in de cellen of een blik werpen op de inhoud van de grote bokalen. Tenzij het een feestdag is in je gedachten.

melancholie, herinnering, geheugen, moment, herhaling, robert irwin, cadavre exquis, venetië, bagni di lucca, laatste keer, afscheid, terugkeren, pluk de dag, genieten, vita brevis, avontuur, geluk, geluksgevoel, liefde, schoonheid,


Afbeeldingen: Don't Look Now, Nicolas Roeg,1973; Venetië, Martin Pulaski, 25 8 2007. 



20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

17-11-14

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

01-09-13

MELANCHOLIE VAN HET GEMIS

IMG_6294.JPG


Eind mei hadden we, al liftend, onze bestemming bereikt: een vredig dorp in een wondermooi en geurig landschap in de omgeving van Arles. Een dag later, zonnig en zacht, onze zintuigen als herboren, fietsten we langs een kanaaltje en lachten zomaar wat voor ons uit, om niets, om alles. Zelfs de krekels vervulden me met een diep gevoel van geluk en voldaanheid.

Ik herinner me nu ook weer de vriendelijke, joviale buschauffeur die grapjes maakte die we niet begrepen evenals de manier waarop hij jouw sensuele aantrekkelijkheid in zich opnam. Hij reed met ons naar je school in een ander dorp, een vijftal kilometer verderop. Je zou er een gesprek hebben met je nieuwe directeur, een sympathisant van een rechts-nationalistische partij. De man bekeek me minachtend en eiste je meteen helemaal op. Hij gaf ons zelfs niet de gelegenheid om afscheid te nemen. Ik keek nog om, maar je liep al van me weg, je rug donker in het felle zonlicht. Ik droeg een boekentas vol zware stenen, en mijn schoenen waren van lood. Zo verliet ik het schoolgebouw: ik wist dat ik nooit iemand zou ontmoeten met wie ik dit verdriet zou kunnen delen.

Toen ik de fietsen, roestig en vuil, naar het fietsenkerkhof bracht lag het landschap van de Provence er laf en kleurloos bij. Mijn zintuigen hadden geen zin meer.

...

Foto: © Martin Pulaski 

29-07-13

AFSCHEID

scarecrow.jpg

Al van in het begin kan ik geen afscheid nemen. Al van in het begin besef ik dat afscheid nemen erger is dan om het even wat ik me kan voorstellen. Afscheid nemen is doodgaan of, wat nog erger is, iemand van wie je houdt voor je ogen zien sterven. Je eigen angstschreeuw versmelt met die van hem of haar. Als ik afscheid moet nemen zink ik weg in mijn chaos, maar verdrinken doe ik niet. Als ik afscheid heb genomen kom ik altijd weer boven water.

Hoe is het toch mogelijk dat ik geen afscheid kan nemen, terwijl zoveel mensen daar zo goed in schijnen te zijn? Hoe doe je dat? Hoe komt het dat ik het niet kan?

Hoe neem je afscheid? Mijn personage Schwarz, dat al van in de jaren zeventig bestaat, begrijpt niets van de meedogenloosheid die bij een afscheid schijnt te horen. Afscheid nemen maakt hem tegelijk blind en extreem gevoelig. In de chaos die hem overrompelt begrijpt hij niets meer; niets heeft nog betekenis of zin. Hoe kan een mens wiens wereld instort iets begrijpen?

Een andere zaak is dit: sommige mensen zijn goed in afscheid nemen, uit ervaring, of omdat het in hun aard ligt. Misschien genieten sommigen er zelfs van. Afscheid als een vorm van ‘in de steek laten’, reddeloos achterlaten; sommigen noemen het dan: verraden.  Anderen, zoals Schwarz, kunnen het niet en leren het nooit.  In mijn geval misschien – paradoxaal genoeg - omdat ik zo vaak gedwongen ben geweest om afscheid te nemen. Van mijn ouders op het schip, van mijn broer als hij voor drie maanden naar het internaat vertrok en we niet meer samen konden spelen, van mijn grootmoeder en tantes in Merksem, van mijn vrienden in de dorpen en steden en havens en op school. Uit al die droevige en soms traumatiserende ervaringen heb ik niets geleerd. Waar ik aan 'lijd' wordt verlatingsangst of verlatingsneurose genoemd. De angst om in de steek gelaten te worden. Uitentreuren heb ik daarover geschreven - en gepraat met vrienden, drinkebroers en -zusters en therapeuten (van wie ik uiteindelijk ook altijd weer afscheid moest nemen). Misschien is het een van mijn belangrijkste thema’s. Ik kan geen afscheid nemen, hoewel het vaak niet anders kan.

Lang geleden – van 1975 tot 1991 - had ik een heel goede vriend. Ik beschouwde hem als een 'ander zelf'. Als wij op café gingen, zaten we daar twee dagen lang, tot we letterlijk omver vielen of op zijn minst op elkaars schoenen braakten. Hij is gestorven zonder dat ik afscheid van hem heb kunnen nemen. Ik liep op het strand van Cadiz toen hij zich het leven benam. Bij mijn terugkeer vernam ik het vreselijke nieuws van een wederzijdse kennis. Mijn vriend was toen al in rook opgegaan.

Wat ik nu doe, en dat is niet goed vermoed ik, is me isoleren;  ik vermijd ontmoetingen, zodat ik ook geen afscheid moet nemen. Zodat ik toch maar geen afscheid moet nemen. 

Meer hierover later, na deze hete zomer, waar ik ook weer afscheid van zal moeten nemen. Maar gelukkig komt er dan de herfst en daarna de lange winter.

...

Foto: Zelfportret, 7 februari 2006 

05-03-13

EMANATIES VAN EEN NAAM

contes_immoraux_1974_portrait_.jpg

Paloma Picasso als Elisabeth Báthory, in 'Contes Immoraux' van Walerian Borowczyk.

 Veronica Satory was het eerste meisje waar ik van hield. Ik was elf of twaalf en zij ongeveer even jong. Ik zat vanwege gezondheidsproblemen opgesloten in een kolonie in de dennenbossen van Limburg. ‘In the pines where the sun never shines’, maar zonder moord en doodslag. Vier lange jaren heb ik daar in god geloofd, ik ben er zelfs misdienaar geweest, dacht dat ik een roeping had. Misschien zou ik zelfs priester worden. Ik kende grote stukken uit de Evangeliën uit het hoofd. Ik leerde er van de natuur houden, van al het niet-menselijke dat mij omringde.  De meeste jongens en meisjes verbleven maar drie maanden in het Kinderdorp; ik werd na die vier jaar weggestuurd vanwege zondigheid, vooral onkuise gedachten. Op mijn dertiende was het gedaan met god, alleen de duivel bleef over. En iedereen weet dat de duivel in die dagen rock & roll danste. De mensen noemden hem Elvis en soms zelfs Little Richard.

Maar ik wilde het over mijn eerste prille liefde hebben, Veronica. Zoals bijna al mijn andere vriendjes daar heb ik ook Veronica maar drie maanden gekend. Drie intense maanden. Wat een troost bracht zij in dat eenzame bestaan, ver weg van vader, moeder en broer. Meer troost dan god en al zijn engelen, hoe gelovig ik ook was. Of was Veronica zelf een engel, misschien? Mijn herinneringen aan haar zijn vaag. Altijd al een slecht geheugen gehad, tenzij voor namen en woorden. Als ik aan haar denk zie ik haar zoals ze op de foto staat, maar dan in kleuren, met een blauwe pull en rok aan. Ik herinner me de zachtheid van haar hand, en dat ik wegsmolt, even snel als flinterdun ijs zodra de dooi inzet, als ik die even aan mocht raken. Mijn eerste meisje heeft mij voor altijd betoverd, heeft mij, ondanks mijn verlegenheid, altijd toenadering doen zoeken tot meisjes, tot vrouwen. En altijd heb ik het gezelschap van vrouwen boven dat van mannen verkozen, wat me vaak heeft doen lijden, omdat de gevoelens, de aantrekkingskracht lang niet altijd wederzijds waren.

Het is mogelijk dat ik verliefd was op haar naam: Veronica Satory. Wat zit daar niet allemaal in… Alleen al die klankrijke opeenvolging van klinkers; de u uitgezonderd komen ze er allemaal in voor, in een perfecte volgorde, mooier zelfs dan in de gedichten van Guido Gezelle en Gerard Manley Hopkins, toevallig of niet beiden priesters. De naam die ik voor mezelf heb gekozen, Martin Pulaski, is zelfs niet zo rijk aan klanken. Er komt e noch o in voor: o de mooiste letter, en e de elegantste en de lekkerste. Zo lekker dat ze zelf alles graag op wil eten. Wat een slechte keuze heb ik gemaakt. In Veronica Satory’s naam is – hoe kan het anders - o de mooiste letter. Doch wat houd ik eveneens van de y, waar je limonade of heel fris water uit kunt drinken, water uit de beek daar diep in het bos.

Veronica is Vera Icona, het ware beeld. Vero. Ze is onirisch: daardoor heb ik zo vaak van haar gedroomd, ook in mijn wakend leven. In dromen is ze altijd heel dichtbij, terwijl ze toch vaak zo ver is – zoals haar voornaam al aangeeft. Even ver als de etende e uit mijn kinderjaren en het Konika-fototoestel, eerst op de markt gebracht door apotheker Rokusaburo Sugiura, dat ik mij niet kon veroorloven: ik kon slechts een foto van haar maken met de meest eenvoudige en goedkope boxcamera van Kodak. Veronica brengt harmonie in de wereld en als ze zingt als de engel die ze is begeleidt ze zichzelf op een zilveren mondharmonica.

Satory – een sater zou je zeggen, maar dat is ze niet. Ze is ook geen duivelin, ze heeft niets met rock & roll. Haar gezang lijkt eerder op rembetika, of Ierse volksliederen, of Hongaarse (zoals je ze hoort in de ‘Rode Psalm’ van  Miklós Jancsó). Nee geen sater is Veronica Satory. En ze heeft niets gemeen met Elisabeth Báthory, de adellijke massamoordenaar uit de 17de eeuw – nochtans mooi in beeld gebracht door Walerian Borowczyk in zijn ‘Contes Immoraux’. Bij nader inzien heeft Veronica misschien toch wel iets gemeenschappelijk met de filmische Elisabeth Báthory, het erotische, het perverse, maar dat is in het beste geval alleen maar latent aanwezig.

Veeleer is ze iemand die je satori schenkt, de eerste stap naar verlichting. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik elf jaar was. Pas tien jaar later las ik Jack Kerouacs ‘Satori In Paris’ (uit 1966). Kerouac omschrijft ‘satori’ als volgt: “the Japanese word for “sudden illumination”, “sudden awakening” or simply “kick in the eye”.” En zo wil ik het onthouden. Zo wil ik haar onthouden, zo heb ik haar ontmoet: als een plotse verlichting, een licht in mijn donkere gelovige ziel.

Als ik haar naam geschreven zie staan denk ik heel vaak aan nog een ander boek, niet vanwege het verhaal, maar vanwege de fascinatie van de schrijver voor klanken en lettergrepen: ‘Lolita’, van Vladimir Nabokov. Hoe schitterend dat boek begint: “LOLITA, LIGHT OF MY life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three on the teeth. Lo. Lee. Ta.”

Met deze historische woorden, lettergrepen, verlaat ik het pijnboombos, het bos van smarten, neem ik afscheid, misschien voor altijd, van Veronica Satory. Haar beeld is nu gered: voor eeuwig zal het rondzwerven in de cyberwereld.


dooddanstrockenroll.jpg

Uitgeleend aan Guillaume Bijl voor een tentoonstelling in Plan K. Boeken uitlenen is geen goed idee, tenzij je een bibliotheek bent. 

03-12-12

LIEFDEVOLLE OVERGAVE

liefdevolle overgave.jpg
Martin Pulaski, Porto 2009.

"She knows there's no success like failure
And that failure's no success at all."

Bob Dylan, Love Minus Zero / No Limits


Schwarz stond zonder het houvast van een gedachte of een vooruitzicht op een hoek van de Anspachlaan. Irina Vega stak de straat over in de richting van de Beurs. Voor altijd op die plaats, in het schemerachtige licht van eind september, keerde ze hem de rug toe, of zo leek het toch. Het leek op een droom waar je niet uit kunt ontwaken toen hij haar gehaast het zebrapad zag oversteken en veilig de overkant bereiken. Ze keek niet om. Zou het iets hebben veranderd aan de pijnlijke en kennelijk voor goed vastgelopen situatie?

Irina’s tred leek vastberaden, vond hij, maar hij zag er toch op een wat verdoken wijze iets aarzelends in, sporen van verdriet zelfs, van het besef van de onnodige wreedheid die ze beging. De manier waarop ze haar hoofd wat schuin hield wees op mededogen. Ze keek niet om, maar hij besefte dat het niet uit onverschilligheid met zijn lot was. Sporen van iets goeds, maar die mocht je niet tonen bij een afscheid – dat was een ongeschreven wet: afscheid nemen moest meedogenloos zijn of daar alleszins op lijken. Waarom dat zo moest zijn begreep hij niet. Hoe zou hij: hij kon niet denken. Eerst had hij verondersteld dat het een vorm van wreedheid was dat ze haar minst flatterende kleren had aangetrokken, zodat ze er in haar tenue al wat verder verwijderd van hem uitzag, uren voor de laatste koude omhelzing. Maar ook die lelijke kledingstukken waren symbolen van mededogen, want hoe kun je afscheid nemen als je aantrekkelijk bent als een vrouw van Amedeo Modigliani?

Eens Irina Vega uit het gezicht was verdwenen stortte Schwarz’ wereld in. Er was helemaal niets meer. De straat had geen naam, in de gebouwen om hem heen gebeurden zinloze handelingen, de woorden van passanten waren wartaal. Alleen een engel of een god had hem kunnen beletten in de afgrond te storten, maar er was god noch engel. Hij was nu helemaal alleen en hij kon nergens meer naartoe. Niet naar topless bars, casino’s, bibliotheken, exotische steden: nergens. Zelfs de troost van vreemden, waar hij sinds hij er de eerste keer over had gelezen zo hoog mee had opgelopen, was niet langer mogelijk.

Veel later zat Schwarz aan een tafel met een glas al wat lauw geworden pils. Hij vroeg zich af of hij haar met zijn liefde had vergiftigd. Waren zijn amoureuze pijlen werkelijk giftig geweest? Ach, in zijn verblinding had hij zelfs niet aan die pijlensymboliek gedacht; de boogschutter was voor hem altijd een sterrenbeeld geweest, het enige dat hij ooit had kunnen thuisbrengen.
Zo lang al doe ik je pijn, dacht hij. Hij voelde zich nog dieper wegzinken in de donkere wereld waar niemand ooit van teruggekeerd is. Misschien is het voor jou beter zo, dacht hij, met al de pijn en verdriet die mijn bezeten liefde bij jou al teweeggebracht heeft. Misschien heb je mijn verliefde woorden wel als geweld ervaren, zag je mij in je nachtmerries opdagen als een gevaarlijke meester en was jij mijn machteloze slavin. Mijn afhankelijkheid van jou is infantiel, dacht hij. Elk uur van de dag moet je me troosten. Je kind, en dat op mijn leeftijd. Ja, beter voor jou, dacht hij.

Toch kon hij alles – ook al betekende het op dat ogenblik niets - niet zomaar loslaten, kon hij zich niet geheel en al overgeven aan het absoluut donkere getij. Er zijn nog zoveel dingen die ik moet doen, dacht hij. Zijn harde ego en zijn wat absurde hang naar erkenning bestreden zijn doodsdrift. Een liefdevolle overgave aan de dood was die avond nog niet binnen bereik. Maar spoedig misschien, dacht hij. Spoedig, als de zomer weer voorbij zal zijn. Spoedig, als de herfst je haar laatste kleuren heeft geschonken. 

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-11-2012. 

17-07-12

AFSCHEID

1895_edvard_munch_jalousie_jealousy.jpg
Edvard Munch - Jaloezie (1895)

Afscheid nemen doet pijn aan het hart van de ziel. Aan het vlees van de ziel. Het is een donkere bedoening, het omgekeerde van een dans. Tijdens een dans benader je elkaar, beweeg je je in de richting van de andere: dansen is het genot van de ziel, het euforische ritme ervan. Zelfs een kleine dans kan wonderen verrichten, terwijl elk afscheid op een vergiftiging lijkt, op de vloek van een zwarte magiër.

 

22-06-09

RITUELEN


Queen_Christina

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

02-11-08

HET LEVEN EENVOUDIG

 

reizen,warm,portugal,eenvoudig,afscheid,verhalen,vliegtuigen,ellende,lezers,lissabon,bussen,zuiden,donovan,exotica,taag,tavira,treienen

Een korte nacht slapen of wakker liggen en ik zit weer in een vliegtuig naar Portugal. Alsof een mysterieuze macht me naar dat land lokt. Ik kan nog heel moeilijk ergens anders naartoe, Nashville, Chicago, Londen, Sri Lanka, Kenya, Ierland, Shangai – alles wat nu in de mode is lijkt me zelf ook aantrekkelijk. Als je maar weg bent uit je dagelijks bestaan, die verdomde ellende. Maar die en andere exotische oorden en geliefde steden kunnen mij niet meer bekoren. Het moet Portugal zijn, Porto, Lissabon, de Taag, en dieper naar het Zuiden, waar het warmer is en het leven eenvoudig.

Ik neem gaarne afscheid van mijn lezers omdat ik over veertien dagen een beetje een nieuwe mens zal zijn, met nieuwe verhalen. Dat weet ik, zelfs als ik de verhalen voorlopig misschien niet zal vertellen. Ik heb mijn tijd nodig. Maar altijd is er dat elegische gevoel: de dingen blijven, wij niet. Daarom moet ik mijn tijd ook weer niet te lang rekken. Ik heb wat tijd nodig, maar wachten tot het te laat is, nee! Op dit ogenblik hoor ik na jaren ‘Colours’ van Donovan, hoe mooi dat is, een juist moment om afscheid te nemen. “That’s the time I love the best.”

Tot zestien november.

10-01-08

SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel


Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt - te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde - ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die 'onschuldige' taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap - wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard - eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen - en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

15-07-07

NAAR BERLIJN


Dag vrienden, trouwe lezers, toevallige bezoekers. Ik ben er een week tussenuit, weg naar Berlijn, een stad waar ik een groot gedeelte van mijn hart verloren heb. Ik zal er logeren in de buurt van de Oranienburgerstrasse, vlakbij de prachtig gerenoveerde synagoge. Het is een aangename buurt, met veel grote cafés en niet te dure restaurants. Er is een supermarkt in de buurt waar ik bronwater en als het nodig is bananen zal kunnen kopen. Ik heb geen programma, ik zal me laten leiden door het toeval. Veel wandelen in de heerlijke straten vol vreselijke geschiedenis, musea bezoeken, shoppen in de boekwinkels, wellicht enkele cd’s kopen. We zien wel. Volgende zaterdag ben ik terug en breng ik misschien verslag uit. Maar voor van die toeristische praatjes waar de magazines vol mee staan, ben je bij mij aan het verkeerde adres.

Ik ga alleen naar Berlijn. Dat ik nu afscheid moet nemen van mijn geliefde valt me moeilijk. Elk afscheid is een kwelling. Maar dit is het moeilijkste. Ik heb deze reis echter zelf gekozen, dan moet ik nu maar sterk genoeg zijn ook. Kom jongen, we zijn weg.

04-12-06

AFSCHEID VAN EEN VRIEND?


Ik weet dat ik de dingen niet op de juiste wijze aanpak. Soms wel, maar vaak ook niet. Ik ga met vrienden om van wie veel negativiteit uitgaat. Ze stimuleren me niet, ze inspireren me niet. Zijn dat dan wel vrienden? Moet je altijd trouw blijven aan je vrienden, ook als voor hen het eigenbelang de overhand neemt? Door dik en dun, in kwade en in goede dagen, alsof je met hen gehuwd bent? Ik twijfel eraan of ik dat moet doen, als onze ontmoetingen me schade berokkenen. Ik heb goede vrienden gehad die mij de rug hebben toegekeerd omdat ze succes kregen en op televisie kwamen. Ze werden beroemde Vlamingen. Ze dachten waarschijnlijk dat ik ter plaatse bleef trappelen. Ze konden zich niet langer verrijken aan mij. Ze keerden mij de rug toe. Daar heb ik wel van afgezien. Dat geef ik toe. Het is niet prettig dat iemand je de rug toekeert, iemand met wie je bijvoorbeeld bijna wekelijks wandelingen maakte in het Zoniënwoud en met wie je samen liedjes zong. Maar zo is het leven. Waarom zou ik dan op mijn beurt een vriend die me veel schade berokkent niet de rug toekeren? Ben ik bang dat hij zonder mij niet verder kan? Daar moet ik niet bang voor zijn. Hij leidt zijn eigen leven, in een geheel ander milieu, met geheel andere morele regels, met geheel andere codes dan ik. Hij heeft zijn eigen vrienden en kennissen, hoewel hij beweert dat hij eenzaam is. Maar wij zijn allen eenzaam.

Ik heb het nu heel bepaald over een vriend met wie ik een radioprogramma maak. Hij helpt me met de techniek. Hij draait aan de knopjes, zorgt voor het volume. Maar door zijn buitenissig gedrag in de studio is hij bij wijze van spreken een stoorzender. Hij belet me mij te concentreren op mijn thema, op de woorden die ik wil uitspreken. Hij straalt negativisme uit en zet een domper op de sfeer van het programma. De mensen zijn slecht, zegt hij bijna voortdurend, als een litanie, en de muziek ontroert hem niet meer. Ik denk dat hij met me meegaat naar de studio uit vriendschap. Om me tot steun te zijn, zodat ik daar niet alleen moet zitten. Maar zit ik niet beter alleen in die studio? Ga ik niet beter mijn eigen weg? Ik heb een grote angst om in de in de steek gelaten te worden. Dat verdraag ik niet. Maar vanwege die vrees, die neurotische verlatingsangst, laat ik anderen evenmin in de steek. Ik houd me vast. Ik kan geen afscheid nemen. Ik laat niets of niemand los. Ik laat anderen begaan. Neen, ik pak de dingen niet op de juiste wijze aan. Ik moet mijn leven veranderen.

24-07-06

SALUT AU MONDE!

vertrek,toscane,afscheid,reizen,vriendinnen,vrienden,martin pulaski,vriendschap,hittegolf,muziek,pop,john fahey,nico,ipod,foto

Ik laat onze gevaarlijke maar toch ook overweldigende hoofdstad een weekje verder schoeien in de zon en begeef me naar waar het gras groener is, zoals de mensen zeggen. Over enkele uren vertrek ik naar Toscane, volgende maandag ben ik terug. Ik reis in het gezelschap van fijne vrienden; daarom ben ik er gerust in, ook al ben ik nog niet helemaal hersteld van de harde klappen en schoppen. Vandaag zat er overigens een brief in de bus van de Brusselse politie – in het Frans, maar het was goed bedoeld – dat ik recht heb op slachtofferhulp, psychologische steun en zo. Dat zal moeilijk zijn, want ik ben er niet. Zodra ik terug ben ga ik toch eens poolshoogte nemen, om te zien wat deze mensen zoal te bieden hebben. Misschien leer ik er weer iets bij… Maar dat zijn plannen voor later. Nu moet ik mij dringend klaar maken voor de reis. Doodzenuwachtig, en de hitte in deze kamer maakt het er niet beter op. Ik heb de allerrustigste muziek opgezet, Nico en daarna John Fahey. Maar nu moet ik er toch een voorlopig punt achter zetten. De Toscaanse schoonheid wacht op me, in de verte hoor ik haar sirenenzang al. Nu nog wat boeken selecteren om mee te nemen. Mijn iPod zit al vol uitverkoren muziek. Zo neem ik toch een klein deel van mijn vertrouwde omgeving met me mee. Het meest vertrouwde laat ik met spijt in het hart achter.

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

15-04-06

GOEDE MENSEN


Graag wil ik alle lezers van hoochiekoochie danken voor al hun bezoeken, en misschien lezen zij ook wel eens een stukje, wie weet. Niets verbaast me nog. Vooral wil ik degenen dank zeggen die hier regelmatig langs komen en me de voorbije dagen beterschap hebben gewenst en een fijne en verkwikkende reis. Ik waardeer dat zeer, het is een hart onder de riem. Toch wil ik er even op wijzen dat ik nog niet weg ben... Het zou kunnen dat hier toch nog wat geweeklaag of enige verontwaardiging zal verschijnen. Of anders aanbiddingen, lofzangen, gedweep met die of die. Misschien wat bagatellen over mijn dagelijks bestaan, dat kan ook.
Om heel precies te zijn vertrekken wij maandagochtend om vier uur 's ochtends. Ik heb dus nog even de tijd.

11:11 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) | Tags: blog, dank, afscheid |  Facebook

23-10-05

VERTREK NAAR JAEN


Morgen om kwart voor vijf op. Dat wordt moeilijk, vooral omdat ik moeilijk vroeg in bed kan en tot op het allerlaatste moment (maar wanneer is dat precies?) nog allerlei ‘belangrijke’ dingen wil doen.
Ik vertrek naar Jaén, een kleine en kennelijk toeristisch weinig aantrekkelijke stad in Andalousië. Het is een studiereis met wat in het officiële jargon een delegatie van de Vlaamse Gemeenschap wordt genoemd. Ik ga er met een groep jonge mensen bekijken hoe het met de jeugdhuizen in de provincie Jaén is gesteld. We zullen er ongetwijfeld veel mensen ontmoeten, ambtenaren en gewone stervelingen. (Ach, ambtenaren zijn natuurlijk ook gewone stervelingen.) Om 7 uur vertrekt het vliegtuig naar Madrid, daar moeten we twee uur wachten, dan vliegen we verder naar Granada en vandaar gaan we met de taxi naar het honderd kilometer noordelijker gelegen Jaén. De volgende dagen bezoeken we een aantal stadjes en dorpen en hun jeugdhuizen: Torredelcampo, Porcuna, Arjona, Baeza en Alcala La Real. Volgende zondag keren we terug via Granada en Madrid.

Ik betwijfel dat ik tijdens die drukke week iets zal kunnen posten, als we al een internetaansluiting vinden. Maar die schade haal ik dan wel in vanaf Allerheiligen. Misschien zal ik veel te vertellen hebben.
Mochten de mensen ginds mij tegenvallen heb ik nog altijd Het boek der rusteloosheid van Pessoa en TC Boyle's The Inner Circle, een roman die zich afspeelt in het milieu van Dr. Alfred Kinsey. Bovendien heb ik mijn ipod volgestopt met mijn uitverkoren muziek. De nieuwe cd’s van Shelby Lynne, My Morning Jacket, Ryan Adams en Calexico staan erop. Maar jullie kennen mijn muzikale voorkeur al… Natuurlijk ontbreken Bob Dylan en Betty Lavette ook niet.

Afscheid nemen valt me altijd moeilijk. Ook nu weer. Maar het moet, en daarom maak ik van deze de laatste zin. Voorlopig.