11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

07-12-15

HET SHANGRI-LA ARCHIEF 1

KEITH RICHARDS.jpg

Er komt maar geen einde aan de grote schoonmaak van mijn werkkamer en archief. Zaterdag schreef ik dat ik nog steeds alle playlists van Shangri-La en Zéro de conduite bezit, maar ik had er geen idee van waar het niet-digitale materiaal zich bevond. Vandaag heb ik de mappen met alle lijsten van 1982 tot 1991 toevallig teruggevonden. Het gaf mij een vreemd gevoel die al zo oude documenten nog een keer te bekijken. Alleen al het lettertype van mijn Olivetti: ik had keuze uit één font en dat was nooit een probleem. Tipp-ex. Rode balpuntpen voor correcties. De songtitels. Stuk voor stuk liedjes die ik nu nog zou draaien (en dat doe ik ook).

De eerste aflevering van Shangri-La zonden we uit op Radio Centraal in Antwerpen op donderdag 4 maart 1982. Ik herinner me een vrij koude namiddag ergens aan de Scheldekaai op het Zuid. We: dat waren Max Borka, die toen nog Frank Lissens heette, en ikzelf, die toen nog Matti Brouns werd genoemd. In ons appartement aan de Lamorinièrestraat hadden we dagenlang naar platen geluisterd, ondertussen bourbon drinkend, Jim Beam en Old Granddad. Max had een mooie collectie recente elpees, zelf was ik meer gespecialiseerd in rock & roll, sixties pop, psychedelica en country. Als DJ’s waren we volstrekte amateurs, daarom noemden we ons soms Two Bad DJ. er bestond een plaat van General Saint & Clint Eastwood die zo heette, vandaar. Maar onze echte artiestennamen waren Rudolf & Rudolph. Ik weet niet meer wie de ene was en wie de andere. Dat Rudolph kwam van het kerstlied Run Rudolph Run,waar Keith Richards in die dagen net wat succes mee had. En we waren allebei fans van Chuck Berry.

Toen we bij de radio aanbelden werden we niet binnengelaten. Jan Van den Eynden, die het programma voor dat van ons maakte, wilde graag plaatjes blijven draaien, een hele week als het van hem afhing. Hoe we uiteindelijk toch binnen geraakt zijn kan ik me niet meer herinneren. Een duidelijk thema hadden we nog niet, maar vluchten (‘run’) was wel de rode draad.


Dit is een scan van de allereerste playlist.

shangrila1 001.jpg

shangrila1b 001.jpg
polaroid 1983.jpg

Foto's: Lamorinièrestraat, circa 1982.

14-07-07

GOLDEN YEARS: EEN LODEN DECENNIUM?


buy contortions


Vreemd vind ik het nu dat de jaren ’80 zo weinig aan bod komen in mijn hoochiekoochie-teksten. In de periode van 1975 tot ongeveer 1985, maar ook de volgende vijf jaar, heb ik nochtans veel meer geleefd, geleden, gelezen en muziek beluisterd dan in de hele rest van mijn leven. Ik had alle tijd van de wereld voor zelfwerkzaamheid, omdat ik in die tijd vaak zonder job zat. Pas in 1987 heb ik uit pure financiële wanhoop aan een examen meegedaan om voor de overheid te gaan werken. Meestal kijk ik met negatieve gevoelens terug op de jaren '80: ik was arm, soms hadden we niets anders te eten dan aardappelen, wortelen en uien, ik kon geen boeken kopen, om te kunnen lezen moest ik naar die verduivelde bibliotheek, waar ik zelden vond wat ik zocht, er was een economische crisis, Thatcher en Reagan beheersten de wereldpolitiek. Toch heb ik van die jaren ook genoten, ik heb bijvoorbeeld nooit meer en uitzinniger gedanst dan toen. We gingen zowat elk weekend dansen in Cinderella’s Ballroom of in de Tom Tom in Antwerpen.

In 1982 ben ik* begonnen met een eigen radioprogramma, Shangri La heette het, drie uur per week. Ik draaide toen punk en wat new wave werd genoemd, veel rockabilly en rock & roll. Dat ik ook muziek van de vroege Pink Floyd, the Who en the Beach Boys aan bod liet komen, daar werd mee gelachen. Niemand hield van the Beach Boys in die dagen, Brian Wilson, dat was een rechtse kerel met de verkeerde kleren aan en componist van absoluut achterhaalde muziek - en een gek. Een song als Caroline, No werd verafschuwd. Bob Dylan werd om mij onduidelijke redenen nog meer gehaat. Like A Rolling Stone, laat me niet lachen! Nee, nee, om mee te zijn moest je Simple Minds en Human League verafgoden. Dat deed ik niet. Dank zij The Clash, waar ik een grote fan van was, keerde ik terug naar Gene Vincent, Eddie Cochran, Buddy Holly en Little Richard en obscure rockabilly. Ik hield van Robert Gordon en Link Wray. The Jam – en later the Style Council -rechtvaardigde mijn ‘gedweep’ met the Who, the Small Faces, the Kinks, Stax en Tamla-Motown.


Ik beluisterde zeer graag de zachte popmuziek van die tijd, zoals die van The Marine Girls, Tracey Thorn (op haar eerste solo-elpee staat een sprankelend-ingetogen versie van Femme Fatale), the Gist, the The, Weekend, Young Marble Giants en the Blue Orchids. Wat hield ik van de stem van Alison Statton! Een speciale plaats in mijn muzikaal hart had de Amerikaanse band Blue Angel, die ik in 1981 ontdekt had dank zij de koopjes in de Grand Bazar op de Groenplaats. Het zangeresje van Blue Angel heette Cyndi Lauper. Ze zong een fantastische versie van Gene Pitneys I’m Gonna Be Strong. Cyndi Lauper werd zoals iedereen weet beroemd onder haar eigen naam. Ze was een voorloopster van Madonna, maar kon veel beter zingen. Nog liever hoorde ik de elpee ‘From Gardens Where We Feel Secure’ van Virginia Astley.


Ik las elke week de New Musical Express, dat was een bijzonder goedkoop Brits poptijdschrift. De beste popmuziek kwam toen vreemd genoeg uit Groot-Britannië. Heaven Seventeen en British Electric Foundation bijvoorbeeld. Die laatste ‘supergroep’ heeft Tina Turner uit de vergeetput gehaald. Een van de beste bands uit de eerste helft van jaren ’80 was the Associates, die twee perfecte singles maakte, Party Fears Two en Club Country. (Vergeef me als ik een titel niet helemaal juist spel. Ik schrijf dit in mijn werkkamer, waar ik geen elpees en maxi-singles bij de hand heb. Het komt allemaal uit het hoofd.) Billy Mackenzie, die helaas zoals zoveel andere van mijn ‘helden’ al een poosje dood is, was de betere David Bowie. Hoezeer hij Bowie ook imiteerde, hij zong veel beter, veel meer met hart en ziel. De allerbeste band was Joy Division, maar die hoorde eigenlijk nog bij de jaren ’70. New Order kon mij minder bekoren. De zanger kon absoluut niet zingen en er was iets mis met hun sound. Maar er waren zoveel andere goeie zangers, zangeressen en bands in die periode. Ik had het ook wel voor dwarsliggers als The Slits, This Heat en Pere Ubu. Natuurlijk.
 

In die jaren las ik vooral de klassieken, daar moest ik niet te lang naar zoeken in de bibliotheek. Maar mijn voorkeur ging uit naar Vladimir Nabokov, Peter Handke, Jorge Luis Borges, Hölderlin, William Blake, Eugenio Montale, Lucebert, Louis Paul Boon en Herman Gorter. In dat opzicht is er niet veel veranderd. Ik heb waarschijnlijk eveneens een heel aantal boeken gelezen van schrijvers die ik nu al vergeten ben. Ja, nu herinner ik me weer dat ik heel veel misdaadromans las, van onder meer Patricia Highsmith, James Cain, Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Die las ik als ik een kater had. Ik had toen immers nog geen televisie. De jaren ’80? Een bijzonder mooie tijd, ondanks al de armoede en de lelijkheid.

Foto: Martin Pulaski

*de eerste drie maanden samen met Max Borka, later met Patje, nog later met Sofie Sap.

14-02-06

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS POSEUR (INTERVIEW 1982)

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Nicolas de Staël

Wegens ziekte, zielszwakte en een hoofd dat naar het oorkussen van de duivel snakt, is deze winkel toe. Om mijn geliefde klanten toch niet met lege handen naar huis te moeten sturen en hen op die manier met de zinloosheid van het bestaan te confronteren, bied ik hen een oud artikel aan, teruggevonden in stoffige, nog net niet weggeknaagde archieven. Het gaat om een interview met mezelf, Martin Pulaski, uit het jaar 1982. Ik ben nog jong en naïef; elke zaterdag ga ik dansen vanaf middernacht tot de dag aanbreekt. Ik wandel langs de Scheldekaaien of in de buurt van de Entrepot en de oude dokken. Mijn dieet bestaat uit films, letteren, muziek, liefde, toevallige ontmoetingen en aardappelen met uien. Af en toe doorgespoeld met een glas Nuits-Saints-Georges of Old Granddad Kentucky Bourbon. Ik begin met een muziekprogramma op radio centraal, een lokale zogenaamd anarchistische cultuurradio in Antwerpen. De verschrikkelijke Reagan is net president en the right honourable Margaret Thatcher, wellicht de meest gehate vrouw aller tijden, is ook nog maar net begonnen aan haar carrière als voorgangster van Tony Blair. Om maar een idee te geven. Foto’s uit die periode vind je hier. Je zal wel even moeten zoeken. Het vreemde is dat ik geen woord aan dat verdomde interview moet veranderen. Dat ik alles wat ik toen beweerde en vereerde nog steeds beweer en vereer. Wat zegt dit over mezelf? Ben ik stil blijven staan of heeft datgene waar ik van hield een soort van eeuwigheidswaarde? Neen, ik geloof niet dat ik stil ben blijven staan. Het zal eerde dat laatste zijn, hoewel ‘eeuwigheidswaarde’ relatief is, ‘sub specie aeternitatis’. Er zijn sinds 1982 natuurlijk nieuwe mensen, nieuwe dingen in mijn leven gekomen. Ik weet minder maar ook meer, minder omdat mijn zintuiglijkheid is afgenomen, meer omdat ik grondig heb geleefd. Ik heb vooral veel meer van de wereld gezien. Meer commentaar zal ik niet geven. Dit is het intverwiew:

Wat is je favoriete kleur ?

Rood. Geel vind ik ook mooi, maar die kleur associeer ik te zeer met waanzin. Denk maar aan Van Goghs geel. Ook oker is een bijzondere kleur. En het blauw van Yves Klein.

Welk gerecht vind je het lekkerst ?

Een Italiaans gerecht: Osso Bucco. Mijn geliefde kan het heerlijk toebereiden. Spaghetti kan heerlijk smaken, maar lang niet altijd. Mosselen met friet. De Franse keuken is meer iets voor de Fransen, en voor mensen die alles 'excellent' vinden wat van bij de Fransen komt. Met hun stokbroden en hun roomsauzen en hun foie gras! Ik heb trouwens iets tegen Camembert. Hoe kun je zo'n onwelriekend goedje eten ?

Hou je van dieren ?

Ja, maar alleen als ze vrij zijn in de natuur of wat daar nog voor doorgaat. Voor huisdieren ben ik allergisch: voor katten, honden en vooral voor duiven. Duif met druiven is overigens een lekker gerecht. Misschien ben ik wel allergisch voor olifanten, maar daar kan ik geen uitsluitsel over geven. De interessantste dieren vind ik de reptielen en de dieren in de fabels. Lees er Ramon Llulls 'Libre de meravelles' uit 1288 maar eens op na.

Hou je van reizen ?

Ik doe niets liever. Helaas zit ik meestal thuis. Om te reizen heb je namelijk geld nodig en dat heb ik niet. Dus reis ik maar in mijn dagdromen (en in mijn nachtdromen). Soms troost ik mij ook wel wat met het opsommen van alle ongemakken die aan het reizen verbonden zijn. Dat zal ik nu niet doen. Wel wil ik nog even de namen van mijn favoriete reizigers vermelden: Des Esseintes en Raymond Roussel.

Ga je graag naar de bioscoop ?

Film is mijn eerste liefde. Ik zou elke dag in het donker van de cinema kunnen doorbrengen.

Heb je een voorkeur voor bepaalde regisseurs of voor een bepaald genre ?

Als genre gaat mijn voorkeur naar de western. Het is de enige mythe die overblijft in onze westerse maatschappij. De mythische personages uit de westerns zijn voor mij belangrijker dan Griekse helden als Perseus of Medea. De westerns van John Ford zijn de beste, met name 'The Searchers' is een meesterwerk. Maar die van Anthony Mann mogen er ook zijn ('Man of the West', 'The Tin Star'). Een schitterende western is 'Shane', van George Stevens, met Brandon DeWilde en Alan Ladd. Alan Ladd was trouwens de grote held uit mijn kinderjaren. Nu blijkt dat hij een hele kleine man was, die altijd op hoge hakken liep, maar dat kreeg je gelukkig niet te zien in zijn films.Ik ben al even verslingerd aan gangsterfilms, of 'films noirs' of hoe je ze ook wilt noemen. Een goed voorbeeld daarvan is 'White Heat' van Raoul Walsh, met James Cagney: "I'm on top of the world, ma", het Oedipuscomplex ten top gedreven. Nicholas Rays 'They Live By Night' is een schitterende film. Er zijn natuurlijke uitstekende Franse 'films noirs' gemaakt, onder meer 'Touchez pas au Grisbi' van Jacques Becker. Om te weten wat die 'grisbi' is moet je de film hebben gezien of een Franse gangster uit de jaren 50 zijn. Ik ga dat nu niet verklappen. Verder is 'Du rififi chez les hommes' van Jules Dassin zeker nog het vermelden waard. En de films van Jean-Piere Melville natuurlijk, ‘Le doulos’, ‘Le Samouraï’.
Mijn favoriete regisseurs zijn overigens Fransen: Jacques Rivette, Jean Renoir, Marcel Carné, en vooral Jean-François Adam (die vreselijk morbide films heeft gemaakt) en Jean Eustache. Ze heten bijna allemaal Jean. De laatste twee hebben zelfmoord gepleegd. Wij leven in een wrede wereld.Een aantal films buiten categorie moeten hier zeker genoemd worden:

'Badlands' van Terence Malick, 'North By Northwest' van Hitchcock, 'Vampyr' van Dreyer, 'La chute de la maison Usher' van Epstein, 'Don't Look Now' van Nicholas Roeg, 'El Angel Exterminador' van Buñuel, 'Taxi Driver' van Martin Scorsese. De beste zal ik nu wel vergeten zijn. Ach ja, natuurlijk: zowat alle films van Fassbinder, Wim Wenders, Pier Paolo Pasolini en Bernardo Bertolucci.
Mijn favoriete actrices zijn op dit ogenblik Delphine Seyrig, Jeanne Moreau, Juliet Berto en Angie Dickinson. Acteurs: Ernest Borgnine, Karl Malden, Jean-Pierre Léaud, Marlon Brando en Richard Burton. Met uitzondering van Jean-Pierre Léaud hebben ze stuk voor stuk in abominabele films gespeeld. En een acteur die ik eigenlijk verafschuw, Jean Gabin, heeft in meesterwerken als 'Le jour se lève' gespeeld. Je kunt je daar dus niet op baseren bij het beoordelen van een film. Je moet een film ook niet beoordelen. Je moet hem ondergaan. Je moet ervan genieten. Critici en recensenten kunnen we missen als kiespijn.

Word je bij het schrijven beïnvloed door film?

Ik denk het wel. Onbewust zeker wel. In mijn proza wordt nogal eens verwezen naar bepaalde films, of bepaalde scènes en beelden uit films. Sommige van mijn gedichten vinden hun oorsprong in een film. In een sterk beeld van Nicholas Roeg bijvoorbeeld.

Naar welke muziek gaat je voorkeur ?

Ik houd van pop. Maar wat bedoel ik daar mee? 'Pure pop for now people' zegt Nick Lowe met enige ironie. Pop komt zoals iedereen weet van populair. Het is dus een zeer breed genre. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen rock en pop. Pop is voor zulke mensen dan het lichtere genre: Sandie Shaw, Cliff Richard, Bonie M, Blondie. Ik maak dat onderscheid niet. Rock is een onderdeel van de populaire muziek. Blues, rhythm & blues, soul, country & western, bluegrass, folk en zelfs jazz horen daar ook bij. Je zou bepaalde klassieke composities al net zo goed pop kunnen noemen, mazurkas en polonaises van Chopin, Gymnopédies van Erik Satie en zo. Een levend bewijs voor mijn theorie is James Osterberg. Zijn 'artiestennaam' is niet Iggy Rock maar Iggy Pop. Toch maakt hij allesbehalve popmuziek in de enge betekenis.Elvis Presley zal wel altijd mijn held blijven, hoezeer ik ook tegen heldenverering ben gekant. Elvis is eigenlijk ook een mythische held, zoals Shane in de gelijknamige film. Waarom zou ik me daar tegen verzetten? Die man (of die mythe) legt niemand iets in de weg. Bedriegers en leefhoofden als Ronald Reagan, Margaret Thatcher of Guy Verhofstadt, met hun politiek voor de twee procent rijken van de wereld, de woekeraars en vampiers die ons bloed uitzuigen, en vooral het bloed van degenen die in de ‘ontwikkelingslanden’ overleven, dat zijn de vijanden van de samenleving. En de smeerlappen die achter de schermen werken, van wie we de namen niet kennen maar die het volk onderdrukken en die niet terugschrikken voor foltering en moord, allemaal voor macht en bezit. Dat zijn de ware vijanden. Niet Elvis Presley en ook niet Tom Jones, Will Tura of Anneke Grönloh.
De eerste singles van The Who waren fantastisch: 'Anyway, Anyhow, Anywhere', 'My Generation', 'Substitute'. The Kinks met 'Waterloo Sunset'. Zowat alles van Bob Dylan. The Velvet Underground was uniek: Lou Reed, John Cale, Sterling Morrison, Maureen Tucker en Nico. Grote persoonlijkheden (Sterling en Moe iets minder groot); een unieke sound, die nooit zal overtroffen worden. Van Captain Beefheart kan hetzelfde worden gezegd. Hij is een van de weinige genieën in de popmuziek. Hij heeft nooit ergens rekening mee gehouden, met geen enkele mode of trend. Van de zogenaamd zwarte muziek wil ik Aretha Franklin noemen, Irma Thomas, Howlin' Wolf, Muddy Waters en Jimmie Reed.
Hank Williams, George Jones en Tammy Wynette bewonder ik zeer. Je mag niet bewonderen, zegt Sartre. Waarom zou ik niet mogen bewonderen? Sartre is zot. Nu vind ik the Fall erg goed, Public Image Ltd., Talking Heads, Pere Ubu, the Buzzcocks, the Jam, Joy Division, Lydia Lunch.

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Lydia Lunch

Je mag het tegenwoordig niet luidop zeggen, want dan ben je een ‘ouwe hippie’, maar de jaren '60 waren het nirvana van de popmuziek: Jimi Hendrix Experience, The Byrds, Love, Buffalo Springfield, Moby Grape, Pink Floyd, Beach Boys. Het was het decennium van de popgroep. Heel wat minder bekende groepen hebben toen prachtige singles en LP's gemaakt. En natuurlijk had je toen ook de Phil Spector Sound, Motown en Stax. The Beatles en The Rolling Stones.
In de jaren '50 had je de unieke Sun Sound van Sam Phillips: Elvis, Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Charlie Rich, Johnny Cash en Roy Orbison. Maar ook Howlin' Wolf, Little Junior Parker en Rufus Thomas namen platen op in de Sun-studio in Memphis. Dat is nog altijd allemaal even schitterend. Ray Charles mag ik ook niet vergeten. Ik moet toegeven dat ik soms zelfs plaatjes draai van Gene Vincent, Ricky Nelson en Del Shannon. Over Connie Francis zal ik maar zwijgen.


Ben jij eigenlijk wel geïnteresseerd in Schone Kunsten !

Dat is onzin, die benaming. Maar je bedoelt het waarschijnlijk ironisch, niet? We hebben in ieder geval niet voldoende tijd om hier te gaan definiëren wat kunst is. Overigens, kun je dat wel definiëren? "All art is quite useless" zei Oscar Wilde. Ik ben het daar volkomen mee eens. Hoe nuttelozer, hoe beter. Ik houd het meest van schilderkunst. Beeldhouwkunst zegt mij niet zo veel. Op dit moment bewonder ik Rothko (kleuren!), Nicolas de Staël, Francis Bacon, Richard Hamilton, Edward Kienholz. De grootste schilder vind ik Max Beckmann. Uiteraard mag ik de Oude Helden niet vergeten: Van Eyck, Velazquez, Rembrandt, Giotto, en het hoogtepunt van de renaissance schilderkunst: Tintoretto. Als je tijd hebt moet je in Verona, nadat je dag hebt gezegd tegen Romeo en Julia, eens naar zijn 'Musicerende Engelen' gaan kijken.

We hebben het nog niet over de letteren gehad...

Neen. En misschien is het heel wijs om daarover maar te zwijgen. Wat kun je zeggen over de literatuur? Het staat allemaal in de boeken. In die moeilijke werkjes van Philippe Sollers, Octavio Paz, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard. Doorgaans zijn het Fransen die zich daarmee bezighouden. Die hebben mijn hoofd goed op hol gebracht, die mannen! Bij uitzondering vertoeft er wel eens een dame in hun midden. Julia Kristeva, bijvoorbeeld. Die is zelfs knap. Enfin, het staat allemaal in hun boekjes. Wat kun je daar nog aan toevoegen, zoals ik al zei.
De meeste schrijvers zijn aanstellers, leugenaars, would-be-mediafiguren. De meesten kunnen niet eens schrijven. Of ze hebben niets te vertellen. Zo van die leraar-schrijvers in wier leven niets is gebeurd, tenzij dat ene slippertje en dat glaasje teveel op een feestje of dat reisje naar Egypte met de flauwte bij de piramiden. Ik denk dat zij negen kansen op tien niet aangetast zijn door het virus, dat ze die doorn niet in het vlees hebben zitten, dat zij niet bezeten zijn. Dat moet niet, neen, maar ik vind het wel belangrijk. Het heilige vuur, werd dat vroeger genoemd. Maar dat 'heilige' mag er wel af. Ja, laat dat er maar af. Dat heilige. Je moet je spraakkunst kennen. Je moet wat woorden kennen. Je moet al eens een keer over iets nadenken. Je moet al eens in een ziekenhuis zijn geweest. Je moet al eens gevochten hebben. Je moet de zee hebben gezien. Al eens een keer een museum binnenstappen, met een kunstenaar praten, een film of een toneelstuk gaan zien. Een concert bijwonen. Al eens van gedacht veranderen. Een pakje sigaretten gaan kopen en pas twee jaar later terugkeren. Dat laatste is niet echt noodzakelijk. Zeker niet als je niet rookt. De dingen eens van een andere kant bekijken.
Een gekunstelde woordenschat en een doorwrocht verhaal zijn bijkomstig, het verlangen en de bezetenheid zijn essentieel. Dat impliceert uiteraard dat je bloed uitzweet en tranen laat als je een tekst maakt. Je schudt die niet zomaar uit je mouw.
Nu moet je vooral niet denken dat ik niet van schrijvers of van boeken houd. Ik houd van William Blake, August Strindberg, Percy Shelley, Marcel Proust, Rober Musil, Arthur Schnitzler, Herman Gorter, Nicolaj Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, James Joyce (zij het met een half hart en Finnegans Wake heb ik meteen in het rek gezet, dat is gekkenwerk), Franz Kafka, Heinrich Von Kleist, Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Walt Whitman, Lautréamont, Carson McCullers, Arthur Rimbaud, Céline, Thomas Mann (hoewel), T.S. Eliot, Gerrit Achterberg, Lucebert, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman. Van tientallen anderen. Van mijn vrienden die schrijven (of schilderen of iets anders doen dat waardevol is).

Waarom schrijf je ?

Als ik dat eens wist. Ik schrijf omdat ik schrijven moet. Dat is één. En ik schrijf om sommige dingen die al gezegd zijn nogmaals te benadrukken. Ik heb er plezier in iets te zeggen dat ooit al is gezegd. Maar dan nog eens een keer. Dan horen de mensen het opnieuw, of liever, dan lezen ze het opnieuw. Dan gaat wat ik waardevol vind niet zo vlug verloren. Dat is twee. Ja, ik geloof dat ik vrij behoudsgezind ben. Maar dat moet je uiteraard niet politiek interpreteren. Meer kan ik er nu niet over zeggen. 't Moest kort blijven. Mijn tijd zit erop. Ik moet nog een hemd gaan kopen.

Tot daar het interview met mezelf uit 1982. Veel heeft het allemaal niet om het lijf, sub specie aeternitatis.