28-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (5)

jean-louis-barrault.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (voormiddag)

Als je een halve dag in bed ligt, het hoofd zwaar van teveel drank, kan het lijken alsof er buiten je slaapkamer volstrekt niets gebeurt. Misschien is het ook wel zo, misschien is de wereld en alles wat gebeurt slechts een voorstelling die wij ons maken. Maar ik geloof het niet. Als kind was ik bang voor overstromingen, politieagenten en de Bom. Niets wat ik zelf bedacht joeg me angst aan, alleen wat van buiten naar binnen kwam. Het is daarom best van al je voor de wereld af te sluiten, niets tot je te door te laten dringen, in je verbeelding te leven, naar je eigen muziekje te luisteren. Maar dat is een ijdele, onleefbare droom. In werkelijkheid ben je altijd met alles en iedereen verbonden.

Na deze overwegingen tijdens een laat ontbijt was ik nieuwsgierig geworden naar wat er gisteren en deze voormiddag zoal gebeurd was. Ik herinnerde me een gedicht van Lawrence Ferlinghetti, “The world is a beautiful place”:

“The world is a beautiful place
to be born into
if you don't mind happiness
not always being
so very much fun
if you don't mind a touch of hell
now and then
just when everything is fine
because even in heaven
they don't sing
all the time”

(Maar opgelet, wat hier staat is niet het hele gedicht.)

Hillary Clinton poses with singer Pharrell.jpg

Hillary Clinton poseert met Pharrell Williams in Raleigh, North Carolina.

the blast trail of China27s heavy-lift rocket Lon-.jpg

In Wenchang, op het eiland Hainan in China, wordt een zeer krachtige raket gelanceerd, de Long-Mars 5. Met de lancering van de Long March 5 hoopt China Europa en Amerika in te halen. De Long March 5, waaraan ruim vijftien jaar is gewerkt, is de grootste raket die China ooit heeft afgeschoten en geldt als het vlaggenschip van een nieuwe generatie Chinese raketten. Wereldwijd kent de raket slechts één evenknie: de Amerikaanse Delta IV.

112886273_A woman sits in her damaged apartment on the explosion site on November 4 2016.jpg

Een vrouw in haar appartement na een explosie in een gebouw in Dyarbakir in Turkije. Als ik het goed voorheb is Dyarbakir het centrum van de Koerdische minderheid in Turkije. Mijn vriend J. zal er mij meer over weten te vertellen. Om sentimentele redenen voel ik me verbonden met Turkije, voornamelijk met Istanbul, maar ik weet weinig over het land en ben er nooit geweest. Lang geleden, in het najaar van 1969, wilde mijn broer met mij naar Istanbul rijden om er eindelijk Helena te ontmoeten, maar toen was het voor mij al te laat. Ik had mijn hart in Brussel verloren.

firenze - overstroming.jpg


In 1966 waren er op 4 november grote overstromingen in Venetië en Firenze. Ik herinner me foto’s van mensen die boeken uit bibliotheken redden als waren het drenkelingen. Nu, vijftig jaar later, kan ik me dergelijke vormen van heldhaftigheid niet meer voorstellen. Maar vergeet niet dat je nooit cynisch mag worden. Jan Fabre waarschuwt daar ook voor. Als je cynisch word is het met je menselijkheid gedaan. (Hoewel ik geen bewonderaar ben van Jan Fabre, eerder integendeel, voel ik toch een grote verwantschap met hem. Ik denk dat Jan Fabre degene is die ik wilde worden, maar niet geworden ben. Daar moet ik eens goed over nadenken.)

Ik zie dat ik al op de vlucht ben voor het heden. Maar zal ik aan het verleden meer genoegen beleven? Die overstroming in Florence en Venetië voorspelt alvast niet veel goeds.

24-08-15

LEVE WOODSTOCK

joan baez woodstock-1970-03-g.jpg


Als twintigjarige keek ik neer op het hele gedoe dat Woodstock heet. Of ik er al in 1969 over gelezen of gehoord had, kan ik me niet herinneren: ik had geen televisie, geen radio en las geen kranten. Wel is de maanlanding me bijgebleven: ik zag er beelden van door het raam van een of ander huis of appartement ergens aan de Belgische kust toen ik daar een wandeling maakte. Omdat the Byrds er een mooie kleine song over maakten, ‘Armstrong, Aldrin and Collins’, herinner ik mij het evenement des te beter. Ook weet ik nog hoe de moorden van de Manson Family me schokten, en enkele beelden van Altamont zijn me eveneens bijgebleven.

De film Woodstock zag ik in 1970 in de Variétés, een mooie bioscoop met groot scherm, nu verloederd of afgebroken, zoals bijna alle waardevolle gebouwen in Brussel. Ondanks de technische hoogstandjes en de geweldige sound maakte hij niet veel indruk op me. Hoewel ik langharig en werkschuw was herkende ik me niet in de bezoekers van het festival, een kudde hippies, vond ik, die the Woodstock Nation werd genoemd, alsof elke festivalganger deel uitmaakte van een stralende nieuwe wereld, terwijl ze er toch alleen maar stoned bijliepen, ‘no more rain’ scandeerden en pret maakten in de modder. Joni Mitchell, die zelf niet in Woodstock optrad, benadrukte het utopische aspect in haar lied over het festival:

By the time we got to Woodstock
We were half a million strong
And everywhere there was song and celebration
And I dreamed I saw the bombers
Riding shotgun in the sky
And they were turning into butterflies
Above our nation

In weerwil van mijn afkeer, al is dat een te sterk woord, van wat ik in de bioscoop zag, was ik in die dagen toch ook zeer hoopvol gestemd en geloofde ik in de utopie die Joni bezong, al hoorde ik de versie van Crosby, Stills, Nash & Young toen liever. Ik denk dat ik nogal gespleten was: een idealistische dromer maar tegelijk tegen het spektakel en het kuddegedrag van de andere dromende jongeren. Woodstock zei me niets, maar ik las met vuur in mijn hart de berichtgeving in Rolling Stone en andere undergroundbladen over communes, ecologie, vrije liefde en zo meer.

Woodstock 1969-2.jpg

Doorheen de jaren veranderde er niet erg veel aan mijn kijk op het fenomeen Woodstock. Een te gek feest in de modder, met weliswaar geweldige muziek. Maar… things have changed. De voorbije maanden luister ik veel naar pop, rock en soul uit de sixties in de overtuiging dat de kwaliteit van die muziekgenres nooit werd of zal worden geëvenaard. Ik heb mijn best gedaan om iets beters – of ten minste even goed – te vinden, maar tevergeefs. Punk, New Wave, Paisley Underground, Grunge, R&B, Indierock, noem maar op: ik heb het allemaal op de voet gevolgd, en vaak was ik enthousiast, maar nooit was iets even opwindend als ‘I’m Down’ van the Beatles, ‘Paint It Black’ van the Rolling Stones of ‘I Want You’ van Bob Dylan. Ik zou hier honderden songs kunnen noemen, maar deze drie voorbeelden volstaan.

Een week geleden nam ik Woodstock op. Ik neem wel vaker films op die ik nooit bekijk. Enkele dagen geleden zag ik op Canvas terloops enkele fragmenten van Pukkelpop. Welke bands of zangers of zangeressen het precies waren weet ik niet: daar was mijn walging te groot voor. Ik werd er werkelijk misselijk van. Ik besefte, wellicht niet voor de eerste keer, dat een evenement als Pukkelpop in alles het tegenovergestelde is van de festivals in de jaren zestig. In de eerste plaats door de ondermaatse muziek, wat essentieel is, maar zeker ook omdat de droom ontbreekt, ook al is die naïef. Alles wat ik zag was fake. Maar omdat ik een verdediger ben van de populaire cultuur twijfelde ik meteen. Was het geen vooroordeel? Werd ik misschien toch oud?

Ter vergelijking bekeek ik vervolgens een flink deel van Woodstock. Glorieus, vond ik nu. Een wonder. Richie Heavens*, die ik nooit echt heb gemogen, was pure passie: Freedom, freedom, freedom. Canned Heat, met de beer Bob Hite en Blind Owl Alan Wilson, con brio geslaagde studenten van de blues, ingehouden intensiteit, bezetenheid, de ziel vastgeklonken aan iets hogers; en dan Joan Baez, waar ik evenmin een bewonderaar van was, die helemaal alleen met haar gitaar voor een half miljoen muisstille luisteraars, haar stem puur als de sneeuw van toen (niet van nu), het opzwepende vakbondslied ‘Joe Hill’ ten gehore gaf, vervolgens, nu alleen nog haar kristalheldere stem, zelfs geen gitaar meer, de oude negro spiritual ‘Swing Low, Sweet Chariot’. En wat te denken van Joe Cockers ‘With A Little Help From My Friends’? Vertel het me maar, ik heb er geen woorden voor, net zomin als voor de molenwiekende rockarbeider Pete Townshend tijdens de uitvoering van ‘Summertime Blues’. In 1970 hadden de blote borst van Roger Daltrey, de jurk van Richie Havens, het schijnbaar stuntelige gedrum van Adolfo de la Parra en het kapsel van Joan Baez me gestoord; nu zag ik in dat dat uiterlijke details waren, het echte grandioze zat hem in de muziek, in elk detail, in elke noot, maar ook in elk dromerig gezicht van elke festivalganger. Niet een van hen leek op een andere, ze waren stuk voor stuk individuen, jongeren op zoek naar een betere wereld in zichzelf en buiten zichzelf. Ik zag nu dat de jonge hippies de vlinders van Joni Mitchell waren – de bommenwerpers gingen door met bommen werpen.

Wij mogen ons gelukkig noemen. We zijn opgegroeid in vermoedelijk een van de mooiste en meest creatieve periodes in de recente geschiedenis. Lang leve Woodstock!

Woodstock 1969-1.jpg


...

*Jimi Hendrix, John Sebastian, Tim Hardin, Sly & the Family Stone, et cetera, heb ik nog niet herbekeken.

17-04-15

JUDITH MALINA IS DOOD

JMJB-photo-74.jpg

Judith Malina, een van de heldinnen uit de lange en mooie dagen van mijn adolescentie, overleed een week geleden. Ik verneem het nu pas - terwijl ik een film van Mike Leigh programmeer om later te bekijken. Het valt me moeilijk om over haar te schrijven. Wat kun je vertellen over iemand die je nooit hebt gekend maar die desondanks je enigszins starre en zelfingenomen wereldbeeld mede heeft verbrijzeld? Want dat heeft ze samen met haar partner Julian Beck en hun radicaal en experimenteel theatergezelschap Living Theatre gedaan. Hun voorstellingen, als je ze zo mag noemen, van ‘Paradise Now’ in Théâtre 140 in Brussel in 1969 hebben mijn leven voor altijd veranderd, hoezeer de utopie die Judith Malina en Julian Beck - een droom van liefde en geweldloosheid - ook is mislukt. In ‘Paradise Now’ herkende ik mezelf zoals ik nooit geweest was en zoals ik dacht nooit te zullen worden: bevrijd van de ketens van religie, gezin en onderwijs; open voor het stichten van een paradijs op aarde, een paradijs zoals John Lennon het bezingt in ‘Imagine’.

Wellicht omdat de ervaring die wij – langharig werkschuw tuig - toen deelden zo intens was valt het nu zo moeilijk om er iets over te zeggen. De barrières die worden opgeworpen door de ‘helden van deze tijd’, mannen en vrouwen die een reële dystopie willen installeren, een maatschappij van beschuldiging, vernedering, racisme, geweld, wild kapitalisme en permanente oorlog, zijn te groot. Van de utopische schoonheid die uitging van het werk van Judith Malina en Julian Beck blijft zo te zien niets meer over. Het radicale theater, gebaseerd op de ideeën van Erwin Piscator en een hele reeks anarchistische denkers, is al lang ten grave gedragen. Fijnzinnig tijdverdrijf voor belezen mensen, wonend in ruime lofts of in groene zones gelegen woningen met grote ramen waar veel oogverblindend licht binnenvalt, is ervoor in de plaats gekomen. Of zou er op aarde toch nog een Pasolini, een Pierre Clementi, rondlopen?

En teruggaan in de tijd, zoals hij in 1969 voor mij was, is onmogelijk. Of anders gezegd: ik ben er te moe, te zwak voor, mijn herinneringen zijn door zwaarmoedigheid zo aan banden gelegd dat ik er onmogelijk nog woorden voor kan vinden. Tenzij ik ze zou kunnen uitschreeuwen op een groot plein, niets dan woede, razernij… Maar dat zou niet in overeenstemming zijn met de woorden van Judith Malina, woorden waarmee ze haar dagboek ‘The Diaries of Judith Malina. 1947-1957’ besluit:

Where there is love
There is only love.

Judith Malina is dood. Nu is het tijd voor nieuwe woorden en nieuw leven. Laat het dan komen.

judith-malina-julian-beck-prison-1971.jpg

19-09-13

GRAM PARSONS IN NEERHAREN EN ELDERS

anita-pallenberg-gram-parsons-keith-richards.jpg

Op 19 november 1973, vandaag veertig jaar geleden, overleed Cecil Ingram Connor III, nu ook in deze streken beter bekend als Gram Parsons.

De grondlegger van de countryrock en van wat soms Americana wordt genoemd was en is een van mijn muzikale helden. Zijn breekbare stem hoorde ik voor het eerst in 1968 op de elpee ‘Sweetheart Of The Rodeo’ van The Byrds. Een jaar later wist hij me samen met zijn kompanen van The Flying Burrito Brothers helemaal voor zich te winnen.

Hun elpee ‘The Gilded Palace Of Sin’, een juwelenkist zo groot als ‘The Gilded Palace Of Sin’ (er is geen vergelijking mogelijk), heeft mij en sommige van mijn vrienden de weg gewezen naar het Amerikaanse platteland, naar de weidse landschappen die ik hier onlangs al noemde, en vooral naar het muziekgenre dat daar ontstaan is, country.

Toen de eerste elpee van The Flying Burrito Brothers verscheen bracht ik mijn weekends en vakanties nog door op het binnenvaartschip van mijn ouders, meestal in Neerharen aangemeerd. Ik draaide de plaat daar op mijn kleine gele platenspeler, die ik buiten op het voordek had geplaatst.  Het valt onmogelijk te beschrijven hoe ik me voelde bij het horen van de hemelse samenzang van Gram Parsons en Chris Hillman en van de bijna onwerelds klinkende steelgitaar van ‘Sneaky’ Pete Kleinow. Hoe die klanken over het veld golfden, waar zelfs de paarden verwonderd leken te staan luisteren, en tegen de brug botsten en daarna bij me terugkeerden. Magie die mijn kleine wereld voor altijd verruimde. De rest is mooie en bijzonder droeve geschiedenis.

Weinigen hadden in die dagen gedacht dat Gram Parsons de erkenning zou krijgen die hij zo verdiende. Wat is het dan ook geweldig dat hij hier nu zomaar op de vaderlandse radio wordt herdacht en geëerd.

 

gram parsons,1973,1968,1969,2013,legende,held,country,country rock,americana,roots,neerharen,flying burrito brothers,byrds,muziek,landschap,ruimte,tijd


...

Foto'sAnita Pallenberg, Keith Richards en Gram Parsons in Joshua Tree © MICHAEL COOPER; Gram Parsons in Joshua Tree © MICHAEL COOPER

07-03-13

IN MEMORIAM ALVIN LEE (EN 1969)

Ten Years After.jpg

Een in memoriam van weinig woorden.  Ik heb maar korte tijd van de muziek  van Ten Years After en Alvin Lee gehouden. Ik herinner me weinig. Alleen een concert in het Brusselse Théâtre 140 in oktober 1969 (het jaar van de eeuw zeggen sommigen die het kunnen weten) is me bijgebleven. Hoe kan het ook anders: de hele prachtige theaterzaal vatte vuur, bijna letterlijk. Later besefte ik dat het het vuur was geweest van de jeugd die me verliet. En van de vlammen van de onschuld die ik samen met mijn generatiegenoten verloor. Denk maar aan Altamont en Charles Manson. Maar goed, heel even was Alvin Lee een god, een afgod, een duivelskunstenaar.  Toen we onze jassen al aangetrokken hadden, het was een wat kille herfstavond, stond Frank Zappa daar opeens op het podium. Twee van onze gitaarhelden ontmoetten elkaar. Na hun bliksems duel gingen we wat verslagen de nacht in. En nu is Alvin Lee dood.

06-12-10

DE RODE DRAAD: 6 DECEMBER 1969

redshoes_emeric_presburger_emmar_ shearer.jpg

Drink het bloed van een lam. Nee. Kijk uit. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed. Dik en dun. Terneergeslagen bloed. Bloed voor niets.

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een gelijknamige roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Of rijmen ze op een sprookje? Verfoeide verkleinwoorden, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vervuld met rood licht boven de warme golven van de Schelde.

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld. In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. In elkaar zijn we elkaar, zijn we wie we zijn. Of wat dacht je? Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf spreekt niet, de wolf is stil, of huilt. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken. De wolf is de wolf. Hij is alleen maar een dier in de taal en een beeld in een gedicht.
 

Toen ik jong was, was het onweer rood en donker. Als we fietsten, alsof op de vlucht voor de dood. Talloze rode en blauwe fietsers waren er in die tijd, zoveel van hen gingen zo vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsten naar het verleden, pijlsnel naar een luguber bal van Edgar Allan Poe. Alle aanwezigen droegen er het masker van de rode dood.

Niet ver daar vandaan danst op rode muziek het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang. Je kunt je geen soldaat voorstellen zonder rood. George Stevens heeft ze gefilmd. Ze zijn op mijn netvlies gebrand. Hun dode ogen, jong, alle dromen dood.

Het gevaarlijk scharlaken in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. 'Le rouge et le noir' en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Wie is de verteller? De bladomslaander? Dat meisje met de rode lippen.. Les lèvres rouges, zeg je, dat klinkt mooier. Made in Belgium, antwoord ik.
   

daughters-of-darkness-.jpg


Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gezoend. Tot de lippen stuk worden gekust, tot ze aan flarden hangen, als kleine stukjes vlees aan een haak op een mercado. Schamen ze zich niet! Niemand schaamt zich om rood. Rood? C’est chic!

Terwijl vampieren zich vermaken op net zo'n bal - in de nadagen van swinging London, in 1969, is Roman Polanski's vriend John Philips, bijgenaamd The Wolfking Of LA, van the Mamas & the Papas, vlijtig op zoek naar cocaïne, naar heroïne; hij zakt dagenlang door in een pand op Powis Square in Notting Hill - stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis aan Cielo Drive 100050 in Benedict Canyon. Het bloed van Sharon Tate, van haar ongeboren baby, moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’: het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes. De Maysles broers maken er geen documentaire over. Wel over the Rolling Stones gratis en voor niets op de Altamont Speedway, ook in Californië - het einde van de droom, 6 december 1969, zeggen de journalisten. Ed Sanders lid van The Fugs, oprichter van het tijdschrift Fuck You, schrijft een huiveringwekkend boek over The Family. Het verschijnt in 1971. Ondanks mijn onverklaarbare schrik voor bloed lees ik het in een ruk uit. Het lijkt wel of heel Death Valley doordrenkt is met bloed. Honderden sektes begraven er hun mensenoffers.
charlesmanson.jpg
Het bloeden is geen Amerikaans fenomeen, maar zoals John Philips in Powis Square blijf ik in Los Angeles hangen. Er gaan jaren voorbij. De koude oorlog, het rode gevaar. En Hollywood, altijd Hollywood. 

Michael Madsen snijdt met genoegen iemands oor af, Steeler's Wheel vrolijk op de voorgrond. Met hetzelfde genoegen beluisteren we in 2010 in Antwerpen zijn geschonden stem. Elk woord is een beschadigd gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gefluister. Waardoor we vluchten. Vluchten in de nacht, zoals we in een oude film noir zouden hebben gedaan. Vluchten in elkaar. Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars.

Hoest je al bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen Castorp, geen Chauchat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij deze moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?
L'amor che muove il sole e l'altre stelle.

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

19-12-08

2008: MUSIC MAESTRO, PLEASE!


dillard&clark

Ik schreef het al op Roens blog: er valt voor mij niet aan overzichtslijsten te ontsnappen, het zit me in het bloed, ik doe het al sinds 1969, it’s too late to stop now. Eigenlijk doe ik dit al veel langer. Ik was een van de eerste medewerkers aan Humo’s Toppers van Tobbers. Elke week liet ik mijn medeleerlingen aan het Atheneum in Tongeren stemmen op een hitlijst die ik zelf had samengesteld. Meestal was ik eerlijk, maar ik moet tot mijn schaamte toegeven dat ik soms wel eens vals speelde om the Rolling Stones, the Kinks of the Who op nummer één te krijgen. Die lijsten werden aanvankelijk integraal per school gepubliceerd, met de naam van de samensteller erbij. Daar was ik dan zo trots op, mijn naam daar gedrukt te zien. Wilde ik eigenlijk in het diepst van mijn gedachten al een bekende Vlaming worden, een diersoort die toen nog niet bestond?

Er is geen weg terug, ik zal mijn voornemens van een week of zo geleden voornemens laten en mij naar het onvermijdelijke plooien. Verwacht van mij echter geen sterke uitspraken, sluitende argumenten, kreten van bewondering, krachttermen om mijn keuzes kracht bij te zetten. Niets van dat alles. Verwacht van mij enkele bondige lijstjes, gebaseerd op wat ik me nog herinner, op wat me ontroerd heeft of anderszins getroffen. Mijn kennis van de hedendaagse populaire muziek is beperkt. Ik vind het erg dat de zwarte muziek van nu mij zo vreemd is, terwijl ik toch door en door een soulliefhebber ben. Erg is ook dat ik bijna uitsluitend de Angelsaksische muziek ken, en dan nog vooral het genre dat Americana wordt genoemd. Mijn kennis van oudere populaire en minder populaire muziek is gelukkig wat ruimer. Ik mag graag luisteren naar coole jazz, reggae, blues, western swing, bepaalde klassieke muziek, soundtracks, Franse zangeressen, fado, flamenco, rockabilly, boogie woogie, tin pan alley deuntjes, gospel, muziek uit Mali en Pakistan. Maar dat is allemaal oud en onmogelijk in categorieën of lijsten onder te brengen.

Om al enigszins aan de mogelijke nieuwsgierigheid van de lezer tegemoet te komen volgt hier een overzicht van langspeelplaten die in 2008 opnieuw werden uitgebracht, en nieuwe compilaties, iets waar vooral het Britse label Ace bijzonder goed in is. Neem gerust van me aan dat dit geen volledige lijst is, ook niet van wat ik graag heb gehoord. Er zijn grote gaten in mijn geheugen.

Opnieuw uitgebracht

jesus of cool

Dillard & Clark – The Fantastic Expedition Of Dillard and Clark
The Lemonheads – It’s A Shame About Ray
Nick Lowe – Jesus Of Cool
Dennis Wilson – Pacific Ocean Blue
Creedence Clearwater Revival – Cosmo’s Factory
The Flying Burrito Bros – The Flying Burrito Bros / Last Of the Red Hot Burritos
Dave Mason & Cass Elliot - Dave Mason & Cass Elliott

Compilaties

jackie

Various Artists - Break-A-Way - The Songs Of Jackie DeShannon  1961-1967
Various Artists - Time Is On My Side - The Jerry Ragavoy Story 1953-2003
Various Artists - Blame It On the Dogg - The Swamp Dogg Anthology 1968-1978
Various Artists - Do-Wah-Diddy – Words And Music By Ellie Greenwich And Jeff Barry
Various Artists - On Vine Street - The Early Songs Of Randy Newman
Various Artists - Twist And Shout Volume 1 – The Bert Berns Story 1960-1964
Various Artists - In the Naked City
PF Sloan – Here’s Where I Belong – The Best Of the Dunhill Years 1965-1967
Bob Lind – Elusive Butterfly – The Complete Jack Nitzsche Sessions
The Undertones – An Anthology
Ry Cooder – The UFO has landed
Kevin Ayers – Songs For Insane Times: An Anthology 1969-1980
Eels – Useless Trinkets
Tammy Wynette & George Jones – Duets

Varia

bo diddley3

Enkele plaatjes die ik in het buitenland (Berlijn, Lissabon) en in de koopjes vond en die me plezierige momenten hebben verschaft:

Arlo Guthrie – Running Down the Road (met Ry Cooder en Clarence White!)
Blossom Toes – We Are Ever So Clean
Jackson Browne – Saturate Before Using
The Clique – Sugar On Sunday
Bo Diddley – Bo Diddley Is A Gunslinger (+ bonustracks)
The Adverts – Crossing the Red Sea with the Adverts
Aretha Franklin – Amazing Grace – The Complete Recordings
New York Dolls - New York Dolls
Richard & Linda Thompson - in Concert, November 1975

Deze laatste lijst moet zeker nog aangevuld worden, maar daar heb ik nu even geen zin in. In een volgende aflevering lees je wat ik gekozen heb als beste nieuwe elpees van 2008.

 

01-10-08

IT'S ALL IN THE MIND, MAN

pop,vriendschap,droom,licht,autobiografie,cannabis,revolver,gitaar,elpees,rolling stones,wapen,the band,the beatles,nostalgia,led zeppelin,treinreis,1970,mondharmonica,1969,shangri-las,yellow submarine,der amerikanische freund,wim wenders,peter handke,voetnoot,middellandse zee,falsche bewegung,crosby stills nash   young

Blue Meanies.

Vorige nacht, ergens in een kleine stad aan de Middellandse Zee, zag ik E. terug, een oude vriend uit de tijd toen de Karmelietenstraat in Brussel nog niet was afgebroken. Hij deelde gedurende enkele maanden mijn kamer daar. We luisterden elke dag naar The Band, A Whole Lotte Love, Dèja Vu en Let It Bleed. We spraken niet veel, maar schreven gedichten. Als we toch iets zegden was het: It’s all in the mind, man. Dat kwam uit Yellow Submarine. In 1970 werd E. vanwege het schrijven over cannabis in de gevangenis gestopt. Toen hij weer vrij was, was hij zijn verstand kwijt. Kort nadien werd hij  in een instelling geplaatst. Terug in de ‘normale’ wereld heeft hij ons in 1977 van Brussel naar Antwerpen helpen verhuizen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht.

Ik herkende E. meteen. Hij was nog helemaal dezelfde: jong, speels, een beetje onbezonnen, onberekenbaar. Hij leefde in een krotwoning en stal zijn eten op de markt. Van een louche handelaar kocht ik twee revolvers, een alarmpistool en een Lüger. E. wilde die wapens graag een tijdje houden. Dan kreeg ik zijn gitaar.  Maar ik kon niet meteen afstand doen van die aantrekkelijke gebruiksvoorwerpen, die ik nog maar pas had aangeschaft.

We brachten enkele dagen samen door. Dagen van onbezorgdheid, honger en dorst. Voor we afscheid namen wisselden we adressen uit. Ik maakte me er zorgen over dat ik het zijne zou verliezen. Ik wilde mijn oude vriend niet nog eens kwijtraken.

Terug naar ‘huis’ stapte ik op de eerste trein die het station binnenreed Het kon me tegelijk niet en wel schelen of hij in de goede richting reed. Ik verlangde naar mijn gitaar en mijn mondharmonica thuis. Het was overvloedig licht in de trein. De reis mocht dagen, weken duren.

Daarna werd alles weer alledaags en onwerkelijk.

17-09-08

MORE : IN MEMORIAM RICK WRIGHT II


De dood van Pink Floyds Rick Wright heeft me letterlijk met verstomming geslagen. Ik kon er geen woord over kwijt. Ik was bedroefd, maar dacht ook meteen: weer schrijven over iemand die ik in mijn jeugd bewonderde en die nu dood is, iemand van mijn generatie, net iets ouder. Ik had er geen zin meer in. Straks doe ik niets anders meer dan over doden schrijven. En de levenden dan?

En toch. Samen met Syd Barrett, Brian Jones en Steve Marriott was Rick Wright een van mijn jeugdhelden, ik vond hem mooi, hield van zijn stijl en van zijn orgel- en pianospel. De rol van Rick Wright in Pink Floyd is altijd te weinig aan bod gekomen. Terecht werd Syd Barrett als de meest creatieve geest beschouwd. Sommigen noemen hem een genie, maar dat woord gebruik ik niet graag. Syd Barrett was Pink Floyd, de anderen begeleidden hem, Nick Mason op drums, Rick Wright op de hiervoor genoemde instrumenten, Roger Waters op bas. Toen Syd de band verliet, wellicht wegens een vertroebelde geest, zoniet waanzin, ontstond er een vacuüm: de jonge muzikanten wisten niet waarheen. Het was een goede zaak dat Syds vriend, David Gilmour, Syd verving. Niet alleen was hij een uitstekend gitarist, hij zong ook mooi, en schreef songs. Rick Wright was in die overgangsperiode van psychedelische undergroundgroep naar commercieel instituut het meest creatief. Hij zorgde ervoor dat de ruimtelijke sfeer in het geluid van de groep aanwezig bleef. Van de vier oorspronkelijke leden vind ik dat hij na Syd Barrett het meest ‘Pink Floyd’ was. Dat kun je ook horen op de songs die hij in die tijd schreef: 'Paint Box' (de b-kant van de single 'Apples and Oranges' uit 1967, nog geschreven door Syd) en de single A-kant 'It Would Be So Nice' uit 1968. Op de tweede elpee van Pink Floyd, ‘A Saucerful Of Secrets’, een werk vol ruimte, licht (en de woedeuitbarstingen van Roger Waters), stonden twee heerlijke composities van Rick Wright: het sublieme ‘Remember A Day’, helemaal in de sfeer van Syd Barretts meesterwerk ‘See Emily Play’, en ‘See-Saw’, dat ook weer bijzonder sprookjesachtig is.

In 1969 bracht Pink Floyd de soundtrack van Barbet Schroeders hippiefilm ‘More’ uit. Het is de mooiste plaat van de groep, na het debuut, 'The Piper at  the Gates of Dawn’, uiteraard. Rick Wright schrijft mee aan de meeste songs van de soundtrack. De teksten zijn van Roger Waters. Na de interessante mislukking 'Ummagumma', een dubbel-elpee uit 1969, met één minder boeiende, experimentele kant gecomponeerd en geïmproviseerd door Rick Wright. Ik moet echter toegeven dat ik er in 1970 dol op was.  Ik moet er honderden keren naar hebben geluisterd, daar op mijn kamer in de Karmelietenstraat, die nu al lang afgebroken is. In plaats van de kapperszaak waarboven ik woonde staat nu een ministeriegebouw lelijk te wezen. Vervolgens krijgt het zogenaamde progresssieve aspect van de groep de bovenhand. Pink Floyd is geen undergroundband meer, wordt geaccepteerd door het grote publiek, brengt elpees uit die veertig miljoen exemplaren verkopen. Rick Wright schreef ook aan deze platen mee, maar ze werden beheerst door Roger Waters, en in mindere mate door David Gilmour. Ik kan er weinig over zeggen omdat ik ze nauwelijks beluisterd heb. Ik heb nooit van bombast gehouden.

Ik heb er bovendien helemaal geen idee van wat Rick Wright van dit alles heeft gedacht. Hij was een stille, bescheiden man. In interviews nam hij zelden het woord. Vrienden van vroeger vonden dat ik – uiterlijk – op Rick Wright leek. Dat beschouwde ik als een compliment. Nu denk ik dat mijn karakter meer op het zijne lijkt: ik zou mijn stempel wel willen drukken op mijn omgeving, en in zekere zin op mijn tijd, maar ik beschik niet op de sociale vaardigheden om daarin te slagen.

Ik zag Pink Floyd drie keer live. Op 23 februari 1968 in Antwerpen in café Het Pannenhuis, ik had Rick Wright kunnen aanraken, maar zo gek was ik nu ook weer niet, op 26 september 1969 in théâtre 140 in Brussel (dag Marc, hoe gaat het met je?) en op 12 juli 1970 op een hippiefestival in Aken, waar mijn vrouw en ik, samen met Amerikaanse ‘soldaten’ en Duitse hippies, in een oude oorlogsbunker moesten overnachten. Het eerste en het tweede concert waren overweldigend mooi, met die zeer ruimtelijke muziek, het derde, in Aken, was weinig geïnspireerd. Ik ben erbij in slaap gevallen. De groep was op zoek naar iets anders. De muzikanten wisten ongetwijfeld nog niet dat ze enkele jaren later schatrijk zouden zijn.

Rick Wright cijferde zichzelf weg. En dat heb ik in deze tekst ook gedaan: Rick Wright weggecijferd. Rick Wright is definitief weg. Maar nog vaak zal de lieve man opduiken als we weer een keer 'Paint Box', 'It Would Be So Nice' en 'Remember A Day' beluisteren. En ‘More’.


in memory of rick wright II

De eerste single van Pink Floyd zonder Syd Barrett. Rick Wright schreef de A-kant, 'It Would Be So Nice'.

22-05-08

JOHNNY JENKINS / DUANE ALLMAN: TON-TON MACOUTE

 

Mensen die me lang geleden goed of minder goed hebben gekend zeggen bijna allemaal dat ik een hippie was. Zelfs mijn beste vrienden zeggen het. Telkens voel ik me dan min of meer gedwongen om die bewering te ontkennen. Nee, ik ben nooit een hippie geweest. Jawel, zeggen ze dan, een echte hippie. Als ze met ‘hippie’ iemand met lange haren bedoelen, dan klopt het. Maar ik bedoel met ‘hippie’ iets helemaal anders. Mensen die ‘hippie’ werden en worden genoemd gaven alles op en gingen buiten de maatschappij leven. Ze ontkenden alles wat met de gevestigde orde te maken had. Ik heb niets tegen hippies, ik vind dat ze een aantal goede dingen in gang hebben gezet, vooral op ecologisch gebied. Met zulke echte hippiezaken heb ik me nooit ingelaten.  Maar ik heb dit allemaal al eens uit de doeken gedaan, zodat ik het hierbij laat.

Johnny-Jenkins


Ik wilde het eigenlijk over een elpee van Johnny Jenkins hebben, de unieke verzameling songs die ‘Ton-Ton Macoute’ heet. In mijn zogenaamde hippieperiode was ik een tijdlang een grote fan van Derek& the Dominoes, vooral de dubbelelpee ‘Layla And Other Assorted Love Songs’ (1970) vond ik geweldig, en aanbad ik the Allman Brothers Band, in het bijzonder de gitarist Duane Allman. Via ‘Layla’, waar Duane Allman op meespeelde, was ik bij de blues- en rockband uit Georgia terechtgekomen. In interviews vertelde Eric Clapton wat voor schitterende gitarist Duane Allman wel niet was. Hij speelde op talloze soulplaten, waarvan ik er veel kende, zonder echter te weten wie die funky gitarist was. Na het verschijnen van ‘Layla And Other Assorted Love Songs’, die ik al spoedig voor weinig geld op het Vossenplein aantrof, ging ik op zoek naar alles waar Duane Allman op meespeelde (en wat ik  kon betalen). Daardoor kwam het dat ik op een dag met ‘Ton-Ton Macoute’ naar huis ging (zeker wel drie Allman Brothers stonden op de hoes als sessiemuzikanten vermeld). Op bus 95 naar Watermaal-Bosvoorde, de mooie gemeente waar ik toen woonde, bekeek ik de donkere hoes, met de expressieve foto van Johnny Jenkins. Ik las de titels, de namen van de muzikanten, las de bijna magische naam van het platenlabel, ‘Capricorn’. Het was duidelijk dat de elpee iets met voodoo had. Na de zenuwslopende rit met de bus – aan die ritten kwam nooit een eind, zeker niet als ik nieuwsgierig was naar nieuwe muziek – legde ik de langspeelplaat meteen op mijn Lenco en ging in mijn knusse zelfgemaakte hippiecanapé zitten. Die canapé bestond uit een aantal houten kratten, met een plank op, en daarover een Perzisch tapijt gedrapeerd. Het leek een beetje op de interieurs in de film ‘Performance’ (1968), zij het minder duur en chic. Was mijn toenmalige vrouw ook een hippie? Ze had hennahaar, droeg korte doorzichtige jurkjes en had best een kleine rol kunnen spelen in die paddenstoelenfilm van Donald Cammell en Nicholas Roeg. Ze maakte heerlijke jasmijnthee.

anita pallenberg

Anita Pallenberg in 'Performance'.

Maar ik had het over Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins… De elpee komt meteen op gang met  ‘I Walk On Guilded Splinters’ van Doctor John the Night Tripper. De originele versie die al buitengewoon indrukwekkend en spooky is, staat op Gris-Gris, het eigenlijk debuut van de goede doctor. Doctor John maakte in de jaren vijftig en begin zestig ook al plaatjes in New Orleans. Onder zijn echte naam, Mac Rebennack bracht hij het gedenkwaardige ‘Storm Warning’ uit en als lid van Morgus and the Ghouls was hij verantwoordelijk voor ‘Morgus the Magnificent’, allebei verschenen op het nu nog weinig bekende Ace-label van Johnny Vincent. Dr. John schreef in samenwerking met Jack Rummel een hilarische autobiografie, getiteld ‘Under A Hoodoo Moon – The Life of the Night Tripper’.

grisgris


Ik kende ‘I Walk On Guilded Splinters’ ook van op weide van Jazz Bilzen in 1969 waar Humble Pie het uitvoerde met de bezwerende achtergrondzang van Marsha Hunt. Ik kende het eveneens van op een feestje voor mijn achttiende verjaardag – maar dat is stof voor een ander verhaal. (Doctor Johns ‘Gris-Gris’ zorgde toen wel voor een natural high, met wat gin gemengd. Een uitstekend cocktail, als je het met mate tot je neemt.)
Deze Johnny Jenkins was echter uit nog veel donkerder voodoo-hout gesneden dan Mac Rebennack, en ik heb het vooral niet over zijn huidskleur, want die speelt geen rol. Dit was muziek van een bezwerende, angstaanjagende schoonheid. Als je je ogen sloot waande je je meteen in de swamps van Louisiana. De dreigende stem van Jenkins, het bezwerende achtergrondgezang van Southern Comfort, de opzwepende drumpartij van Butch Trucks, ook een brother, en de subtiele dobro van Duane Allman. Je zag de bomen met hun stammen in het water staan, overal mos aan de kruinen. In het bruine water dreigden alligators. In kleine, donkere vissersbootjes passeerden cajuns op weg naar een fais-dodo. Exotische vogels zongen en krijsten. De zwarte Indianen dansten in hun veelkleurige uitrusting op Congo Square, tot de zon opkwam… En bij zonsopgang begon de volgende  song, ‘Leaving Trunk’, oorspronkelijk van Sleepy John Estes, maar bekend dank zij de geïnspireerde versie van Taj Mahal, ook een van de grootmeesters van de ‘ontspoorde’ blues. Je opent je ogen en krijgt zin om te dansen, ook al is de tekst niet bepaald opgewekt.

“I went upstairs to pack my leavin' trunk

I ain't see no blues, whiskey made me sloppy drunk

I ain't never seen no whiskey, the blues made me sloppy drunk

I'm going back to Memphis babe, where I'll have much better luck.”

Het volgende nummer is weer voor de nacht, het gaat immers over blinde vleermuizen en moerasratten. Daarna volgt een weergaloze versie van ‘Rollin’ Stone’, waarbij Jenkins de meester zelf, Muddy Waters, overtreft. Met een glansrol voor Duane Allman op slidegitaar.

Kant twee opent met een typisch New Orleans-nummer, ‘Sick And Tired’, vooral bekend van Fats Domino en Chris Kenner, waarna Jenkins zich ‘Down Along the Cove’ (uit ‘John Wesley Harding’) geheel eigen maakt. ‘Bad News’, is een countrynummer van John D. Loudermilk, vooral bekend in de uitvoering van Johnny Cash en ook op ‘Ton-Ton Macoute’ zeer aanstekelijk. De elpee eindigt enigszins in mineur met John Lee Hookers ‘Dimples’ en nog een voodoo-song, ‘Voodoo in You’. Later heb ik de cd-versie gekocht, waar twee nogal overbodige bonustracks toegevoegd zijn. Voor geen geld van de wereld doe ik mijn vinyl-versie van de hand. De plaat is uitstekend geproduceerd door Johnny Sandlin en Duane Allman: ze klinkt alsof ze morgen nog moet worden gemaakt. Wat ‘Ton-Ton Macoute’ betekent moet je zelf maar opzoeken. Ik raad je ten stelligste aan om daarna ‘I Walked With a Zombie’ van Jacques Tourneur te bekijken, een nogal bizarre maar genadeloos mooie film, die zich in Haïti afspeelt.

duanaallman


Duane Allman

Na aanschaf van ‘Ton-Ton Macoute’ ben ik zoek gegaan naar meer informatie. Johnny Jenkins was in het begin van de jaren zestig de leider van een band die The Pallbearers heette. Otis Redding was hun chauffeur, die af en toe een stukje zong. Johnny Jenkins speelde gitaar op Reddings eerste succesnummer, de emotioneel geladen ballad ‘These Arms Of Mine’. Volgens een aantal publicisten zou Jenkins nogal wat invloed uitgeoefend hebben op de gitaartechniek van Jimi Hendrix. Johnny Jenkins stierf in 2006 in Macon, waar hij geboren was. Macon, Georgia is een gedenkwaardig oord voor de popcultuur: niet alleen de Allman Brothers en de platenbaas van Capricorn Records Phil Walden, maar ook Emmett Miller, Little Richard, Otis Redding en de helft van R.E.M. kwamen of komen uit die stad in het diepe Zuiden.

macon, georgia

 Als toemaatje de tekst van ‘I Washed My Hands in Muddy Waters’, waarin Macon, Georgia wordt vermeld. Ik heb altijd gedacht dat het van Charlie Rich was. Maar ja, wat denk ik niet allemaal. Ik denk zelfs dat ik geen hippie ben geweest… ‘Hipster’ vind ik een beter woord, maar het duidt net zo goed een hokje aan, een term waarmee mensen kunnen ingedeeld worden en van elkaar verwijderd.

I Washed My Hands in Muddy Water
(words & music by Joe Babcock)

I was born in Macon Georgia
They kept my daddy over in Macon jail
He told me if you keep your hands clean
You won't hear them bloodhounds on your trail

Well I fell in with bad companions
Robbed a man, oh up in Tennessee
They caught me way up in Nashville
They locked me up and threw away the key

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Well I asked the judge now when's my time up
He said son, oh you know we won't forget
If you try just to keep your hands clean
We might just make a good man of you yet

Oh I couldn't wait to get my time up
I broke out, broke out of Nashville jail
I just crossed the state-line of Georgia
Well I can hear those bloodhounds on my trail

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream


Voor de geïnteresseerden: Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins werd in 1997 door PolyGram op cd uitgebracht en dit jaar verscheen de cd op het Acadia-label.

01-05-08

MARGINAAL

marginaal,schrijven,lay-out,marges,opmaak,1969,informatie

La Marge, Walerian Borowczyk.

Een marginaal ben ik geloof ik nooit geweest, tenzij een korte periode, tijdens die beruchte zomer van 1969, een mooie zomer, maar definitief verknoeid door een ‘zanger’ van wie ik de naam niet wens uit te spreken. Ik wil het overigens helemaal niet over 1969 hebben , maar wel over mijn voorliefde voor marges. Toen ik nog veel tijd en geduld had schreef ik in de marges van mijn boeken – niet die van de bibliotheek – allerlei opmerkingen, met potlood, zodat ik ze nog kon uitgommen. De marges van mijn cahiers waren volgens mij niet breed genoeg. Daarom schreef ik alleen op de rechterpagina, de linkerpagina gebruikte ik voor voetnoten of opmerkingen.

Toen ik met hoochiekoochie begon heb ik meteen veel aandacht gegeven aan de marges. Ik vind die sobere blogs met links en rechts niets dan wit heel mooi en aantrekkelijk. Op die manier leiden de marges de aandacht niet af van de tekst of het beeld. Maar bij mij gaat dat niet. Mijn marges staan vol met allerlei dingen die ik niet in mijn teksten kwijt kan.

Nu heb ik een paar dagen zitten zwoegen op mijn marges, zodat er wat leven in zou komen. Het verheugt me  dan ook u te kunnen melden dat voortaan op de afbeeldingen in de marges kan worden geklikt voor allerlei informatie en clips. Ik hoop nu maar dat u nog tijd vindt om mijn teksten ook nog te lezen.

05-02-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (3)

 

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament

Brussel, 1969


Vervolg.

Een andere Ritcs-student die ik een paar weken later leerde kennen was Oswald. Zijn vader was een ex-nazi, die aan zijn stupide en mensonterende overtuigingen trouw was gebleven. Oswalds gedrag was soms een beetje bizar, en om in die dagen bizar te worden gevonden moest je wel heel erg bizar zijn. Toch was hij een lieve jongeman en een dichter. Hij heeft een aantal schitterende gedichten geschreven, waar weinig mee is gebeurd. Mijn toenmalige vriend uit Wellen, Guy B., die ook zeer onder de indruk was van Oswalds poëzie, heeft enkele gedichten uit de bundel ‘De val van de tandloze kannunik’, opgenomen in het Tongerse tijdschrift Subterranean. Dat was een tijdschrift dat ik had opgericht in 1966; eerst heette het Testament, later Subterranean. Eens weg uit Limburg had ik me over dat provokind niet langer ontfermd. Guy heeft nog een mooi exemplaar uitgegeven. Ik bedoel mooi van inhoud, niet van vorm. Voor mooi drukwerk was er geen geld. Oswalds gedichten in ‘De val van de tandloze kannunik’ waren uniek in hun beeldspraak, met ongewone maar toch niet al te gezochte metaforen.

Oswalds vriendin kwam uit Breda, waar het gemakkelijk was om aan shit te geraken. Geregeld gingen ze zich daar bevoorraden en dan kwamen ze op mijn kamer in de Karmelietenstraat blowen. Af en toe nam ik ook eens een trekje. Josie was een erg aantrekkelijk meisje, en het feit dat ik een joint in mijn mond nam waar zij eerst al aan had getrokken gaf mij een kick. Je zou kunnen zeggen dat het een heel brave vorm van groepsseks was.

Voortaan was Oswald mijn gast. Hij had geen zin om weer bij zijn nazi-vader te gaan overnachten. Een viertal maanden heeft hij bij me gelogeerd. Oswald was het type mens waar Marc niet erg op gesteld was. Hij was een ‘hippie’ en had, net als ik, weinig of geen ambities. Marc was wel ambitieus, en nu terugkijkend volkomen terecht. Ik leefde van dag tot dag, min of meer tevreden met wat er met mij gebeurde. Nog steeds leef ik zonder een plan voor de toekomst. Ik bevond me tussen twee vuren: Marc, de halve ‘rationalist’ en Oswald, de halve ‘heilig waanzinnige’. Marc, die iets wilde bereiken en verwezenlijken in de wereld en Oswald die wilde ontsnappen aan verschrikkingen uit zijn jeugd. Ik heb de vader van Oswald een keer ontmoet. Een van de dingen die hij toen zei was dat hij nog planken had gezaagd waar doodskisten van werden gemaakt. Daar werden de Joden in begraven, zei hij. Hij betreurde het dat hij daarmee had moeten ophouden. Die vader had zijn hele gezin ontwricht. Als ik het goed voor heb is het met niemand van de kinderen goed gekomen. Met Oswald heb ik geen contact meer. Ik weet zelfs niet waar hij verblijft. Het leek er sterk op dat ik moest kiezen tussen twee vrienden, maar dat kon ik niet. Ik was graag in het gezelschap van Marc, vond het heerlijk om met hem te praten en liedjes te zingen. Maar ook Oswald was me dierbaar. Zodra hij bij me was ingetrokken deden we alles samen.

Ik begon meer te blowen, ging veel minder vaak naar de cursussen, koos voor het onmiddellijke genot. We gingen samen naar de film. Ik herinner me nog hoe we ons purper lachten met ‘Yellow Submarine’, “It’s all in the mind, man…” bleven we maar herhalen. Ik wil nog eens benadrukken dat we toen nooit alcohol dronken, tenzij op een verjaardagsfeestje of iets dergelijks. We waren gewoon gezond gek en genoten van het leven in Brussel in de buurt van de Naamse Poort, waar toen een bohemiensfeer heerste, vanwege de nabijheid van Ritcs en Insas (de Franstalige tegenhanger van het Ritcs). In die buurt waren overigens ook veel luxebordelen en uitzuipkroegen.

Ik sliep in een klein bed, Oswald op de canapé. Een meningsverschil hadden we nooit. Alle taken werden mooi verdeeld. Misschien was dat dan toch een soort van commune?  Een commune van twee. Het was evenwel geen homoseksuele relatie. Ik vond homo’s fijne mensen, maar zelf had ik geen homo-erotische gevoelens en Oswald evenmin. Later heb ik eens in bed gelegen met mijn beste vriend J., zijn vriendin lag tussen ons in en zei, laat hem slapen, maar ik wilde hem iets van mijn tederheid geven, en streelde zijn haren, maar hij bleef snurken. Over het algemeen ben ik als een slak als een man mij probeert te knuffelen. Met Oswald had ik een perfecte aseksuele relatie. Hij bleek wel een perfecte seksuele relatie te hebben met Josie – wellicht zat de rode libanon die ze meebracht uit Breda er voor iets tussen. In die tijd was het ‘cool’ om een Hollands liefje te hebben; alle goede dingen kwamen uit Nederland. Zelfs aan de Free Press Bookshop van Herman Claeys werd daar aandacht besteed, en aan alle mogelijk studentenprotesten en vooral aan de performances op het Conscienceplein en de Groenplaats in Antwerpen. In Nederland had men de indruk dat wij in een zeer repressief land leefden. In het weekblad Aloha werd daar meermaals aandacht aan gegeven. Mijn twee stukjes voor dat undergroundblad versterkten die indruk wellicht nog. In België heerste het ‘klootjesvolk’, vond ik. Het ‘klootjesvolk’, dat was Jan-met-de-pet. Van Marx had ik toen nog niets gelezen, ik keek vooral op naar Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Simon Vinkenoog. En ik voedde mijn geest met wat ik in undergroundtijdschriften las. Vaak lag daaraan een sfeer van paranoia ten grondslag, die zeer waarschijnlijk voortkwam uit het gebruik van zogeheten soft drugs, maar wisten wij veel.

Zoals ik al zei had ik een bijna perfecte vriendschapsrelatie met Oswald. Maar we hadden weinig of geen pecunia. Ik kreeg van mijn ouders wat geld toegestuurd in de vorm van postcheques. Dat was telkens een stukje van mijn studiebeurs. Om het geld te in de hand te hebben moest ik dan naar de post, in de rij gaan staan. Ik heb dat altijd vreselijk gevonden, in een rij staan. Voor dat eerste jaar aan het Ritcs had ik inderdaad een studiebeurs, maar het bedrag was niet bepaald hoog. Mijn vader geloofde helemaal niet in die studie van mij, dus hij wilde zeker niet bijpassen – bovendien waren mijn ouders niet welgesteld. Oswald ging toch af en toe naar huis, naar de nazi, om wat geld te vragen en dan wist hij wel wat los te peuteren. Maar veel meer dan brood, jam, groenten en de allergoedkoopste Spaanse wijn (voor eventuele gasten) konden we ons daar niet mee veroorloven. Het filmbezoek moesten we daar ook mee betalen en Oswalds reisjes naar Breda. Dan was het geld weer op en moesten we soms een week lang van aardappelen leven. Met water uit het kraantje. En van die joints kreeg je een geweldige honger, had ik al gemerkt.

Ja, ja, we waren vegetariërs. Ik had op het Ritcs nog iemand ontmoet, een ‘kortstondige’ vriend, zal ik maar zeggen, waardoor ik me zijn naam niet meer kan herinneren. Maar dat is niet zo belangrijk want ik verander toch alle namen, zoals Bob Dylan in ‘Desolation Row’. Ik zal hem Ismaël noemen. Hij was een vegetariër die wist wat dat inhield. We aten zowat elke doordeweekse middag groenten die ik bereid had in een grote kookpan; aardappelen, uien, bloemkool, wortels met flink wat cayennepeper erin. Dat ‘gerecht’ zette ik in een grote kom op tafel. We zaten dan met een zestal vrienden op mijn kamer en aten met zijn allen uit die kom, met onze handen, want ik had maar twee messen en twee vorken. We praatten over de films van Godard, Truffaut, Pasolini en aten onze groenten doorgespoeld met water uit de kraan. Als dessert zorgde ik voor een jasmijnthee. Smakelijker heb ik zelden gegeten. Ismaël bracht grote blikken dozen mee, waarin geconcentreerde proteïne zat. Dat moesten we gewoon mixen met onze melk of in water oplossen, een glas had evenveel voedingswaarde als een biefstuk.

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament

Foto: François B., Karmelietenstraat, Brussel 1969. 

01-02-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (2)

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Toen ik jong was vond ik mezelf belangrijk, uiterst hip, bijna een uitverkorene, een genie. Terugblikkend weet ik niet goed waar mijn zelfverklaarde genialiteit op gebaseerd was. Het is evenwel een belangrijk element bij het lezen van de volgende autobiografische notities.

Het feit dat ik vanaf oktober 1969 door een bende imbecielen was omringd heeft mijn carrière als toneel- of filmregisseur ongetwijfeld mee in de kiem gesmoord. Ik haatte die kleinkunstjongens met hun goedkope gitaren en hun ringbaardjes. Ik hield van the Rolling Stones, Blue Cheer op z’n luidst, Bob Dylan, the Band en de countrymuziek van the Flying Burrito Brothers, Poco, Buck Owens en George Jones. Ik had helemaal in het begin van mijn studies aan het Ritcs maar een vriend, en wel bijna meteen, en dat was Marc D. Die jongeman wist net als ik altijd wat goed was op gebied van populaire muziek en wat bullshit. Hij was – ook net als ik - als jongetje een fan geweest van Cliff Richard & the Shadows en van Elvis Presley en hij had een Franstalige vriend die van Baudelaire en Rimbaud hield. Ik denk dat hijzelf die voortreffelijke dichters ook bewonderde, maar dat niet durfde te zeggen tegen iemand die zo ‘modern’ en ‘hip’ was als ik. Ik moest in die tijd echter nog ongeveer alles leren over Rimbaud en Baudelaire, hoewel ik ‘L’albatros’ uit het hoofd kende. Ik was zelf een beetje een Rimbaud, maar wist het niet. Ik bedoel niet dat ik zulke geniale gedichten schreef, maar heb het over mijn manier van leven als bohemien.

Ondanks die vriendschap was ik de eerste weken in Brussel erg eenzaam. Voor mij was het een grote stad, hoewel het in vergelijking met Londen of New York maar een klein gat is. In Brussel viel in die dagen niet veel te beleven. Je kon wel veel uitstekende films zien en er was het heerlijke Theâtre 140 van Jo Dekmine, waar alle underground bands die België aandeden optraden. Marc en ik waren fans van Pink Floyd en betreurden het dat Syd Barrett de groep had moeten verlaten. We behielpen ons dan maar met de versie met David Gilmour, een groep die een vrij slaapverwekkend concert gaf in 140. En toch vonden we het prachtig! Ik ben overigens nooit met Marc naar een concert geweest dat we niet prachtig vonden, behalve dat van het Mahavishnu Orchestra: toen zijn we Vorst Nationaal uitgevlucht. Pink Floyd was in die periode echt nog wel een band met een eigen gezicht, alleen misten wij de betovering van Syd Barrett. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels


“Het verschil tussen ons en de hippies is dat wij van rock & roll houden en drinken en dat zij gek zijn op die Duitsers en altijd maar zitten te trippen en joints te roken”, zei Marc vaak. Met die Duitsers bedoelde hij de bands die later onder de noemer ‘krautrock’ zouden vallen. Ik had niet een krautrockplaat in die tijd. Wel hoorde ik graag ‘Marmor, Stein Und Eisen Bricht’, van Drafi Deutscher, en dat hoorde Marc ook graag, omdat het rock & roll was. Bij ‘Black is Black’ had hij evenwel zijn twijfels, vanwege de Duitse zanger bij Los Bravos, een groep die voor de rest uit Spanjaarden bestond (in Spanje was Franco nog aan de macht). Ik vond ‘Black is Black’ zeer opwindend.

Aan Marc heb ik alleszins veel te danken. Hij waarschijnlijk ook aan mij, maar dat moet hij maar vertellen. Hij bracht me in contact met Herman Claeys en zijn bookshop, met de Dolle Mol en met rode wijn. Nooit in mijn weliswaar nog jonge leven had ik gebraakt. In café Florio had ik op een avond echter zoveel wijn gedronken (drie of vier glazen, het was puur vergif wat ze in de Florio als wijn schonken), dat ik me naar buiten moest reppen. Marc en Herman ondersteunden me terwijl ik stond te kotsen in de goot. Later die avond stond ik opnieuw te kotsen in mijn lavabo. Ik vroeg me af waar al die kots vandaan kwam, want eten deed ik nauwelijks.


Als ik niet in het gezelschap van Marc was, was ik alleen. Ik had wel wat Franstalige kennissen, hippies die ik kende van aan zee, maar mijn Frans was te slecht voor een diepgaand gesprek. Wat ik vooral nodig had was een vriendin. Marc had wel een vriendin, al heel lang, sinds zijn kinderjaren. Zij waren nog steeds smoorverliefd. Soms spraken we af in de Florio, zij met hun beiden en ik alleen. Ik vermoed dat Angie zal gezegd hebben, “die Martin ziet er zo eenzaam en verdrietig uit, zouden we voor hem geen vriendin kunnen vinden?” De beste vriendin van Angie was Sarah. En zo kwam het dat we aan elkaar werden voorgesteld, maar zonder rechtstreeks resultaat. Ik was bijzonder schuchter. Sarah was een mooi en zeer speciaal meisje maar ik vond dat ze ook iets cynisch had, en soms leek het of ze op iedereen neerkeek die niet even hip was als zij. Ik voelde mij geïntimideerd. Wel bleek dat we elkaar al eerder gezien hadden, in een verlaten huis, na een concert van Jethro Tull.


Op school gebeurde niet veel. Marc en ik zaten tijdens de cursussen meestal te kletsen, hitlijsten te maken (de beste elpees allertijden!), of surrealistische woordspelletjes te spelen; af en toe kregen we opmerkingen van professoren, zoals van Tone Brulin, die echt niet met ons gebrek aan aandacht opgezet was. Maar wij waren – zeker in die periode - nu eenmaal meer geïnteresseerd in Soft Machine, Led Zeppelin II en Incredible String Band (wow, jongen ‘The Hangman’s Beautiful Daughter’, nog altijd even mooi, heb ik van Marc, maar Marc heeft van mij ‘The Velvet Underground & Nico’ en ‘White Light White Heat’, die decadente New Yorkse scène was hem volkomen vreemd – de Britse weirdo folk is echter de New Yorkse underground waard, of niet soms?).

 

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Andy Robinson's 'Patterns Of Reality' (1968). Ook gekoesterd.


Ik had een zogenaamde anti-progressieve partij opgericht, om de pseudo-progressieven belachelijk te maken. Die partij van mij had een aantal harde regels, waar niemand zich aan kon houden, veel succes had ze dan ook niet. De documenten die ik nog heb, koester ik wel. Het was allemaal nogal dadaïstisch, terwijl ik van die kunststroming in Tongeren nooit had gehoord. Tongeren was een stadje in de toendra, niemand had daar ooit van iets gehoord. Het meeste van wat ik nu weet heb ik trouwens zelf moeten leren. Ook op het Ritcs heb ik weinig opgestoken. Maar de vrienden die ik er heb ontmoet zijn veel meer dan goud waard. Marc, Leo S., Oswald G., Guillaume B.


Het leven op het Ritcs hing mij al een beetje de keel uit. Wij hadden les in elektriciteit en scheikunde, vakken waaraan ik dacht te zijn ontsnapt bij mijn vertrek uit Tongeren. Niet dus. Of toch wel. Na een paar maanden bleef ik uit de meeste cursussen weg. Dinsdagmiddag was ik altijd aanwezig: dan werden twee films vertoond, stuk voor stuk klassiekers, van Truffaut, Godard, Antonioni, Fellini, enz., allemaal regisseurs die ik ben blijven bewonderen. Ik bleef ook naar de ‘praatjes’ van Jo Röpke over film gaan, en hij vond me een goede leerling omdat ik een degelijke analyse van de film ‘Easy Rider’ had gemaakt. Wat ik ook nooit miste was de scenariocursus van Ivo Michiels, een zeer beminnelijke man. En nooit miste ik de lessen fotografie, omdat ik graag wilde leren fotograferen en omdat we een uitstekende kleinbeeldreflexcamera ter beschikking kregen. Uit de andere cursussen bleef ik weg.

easy rider

Easy Rider, Dennis Hopper

28-01-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (1)

tests,studies,brussel,toneel,ritcs,film,1969,rits,kleinkunst,de droom,muziek,1968
Karmelietenstraat, Brussel, 1969.

In 1968 kreeg ik een tweede ‘roeping’: ik wilde toneelregisseur worden. Dat was nu mijn grote droom. Ik had al een stuk geschreven en geregisseerd en dat heette ook ‘De droom’. Moeilijk te realiseren, omdat ik niet met meisjes mocht repeteren aan het Koninklijk Atheneum Tongeren, terwijl meisjes in de gedaante van witgeklede elfjes net zo’n belangrijke rol speelden in het stuk, met name om de vrede op de wereld te stichten. Er kwam een prins in voor en een slechte held die ik Avantokani had genoemd. Later, op een reünie van de klassen van 1969, ontmoette ik de jongen die de rol had gespeeld, hij was inmiddels burgemeester van Peer of een van die bijzondere plekken in Limburg, waar zulke voortreffelijke festivals worden georganiseerd. Een andere medeleerling van me, uit de Wetenschappelijke A, deed iets met de crematoria in Oost- en West-Vlaanderen. De zoon van de leraar fysica had, meen ik, de rol van zijn vader overgenomen. Spijbelaars waren nu dronkaards. Van al mijn vroegere leraars was alleen de leraar wiskunde, die ik zo had gehaat, nog aanwezig, de anderen waren dood en begraven.


De film- en toneelschool, het Ritcs in Brussel – nu Rits - was een geheel andere zaak. Ik dacht dat mijn studietijd daar een soort van hemelse ervaring zou worden. Toneelregisseur, bevelhebber, god! Geloof het maar... De meeste jongens (meisjes waren er nauwelijks) die meededen aan de toegangstests waren weg van kleinkunst. Weet je wat kleinkunst was? Vlamingen die Vlaamse liedjes zongen en drie akkoorden konden spelen op een goedkope gitaar. Punks eigenlijk, met een afzichtelijke ringbaard, pijprokers die zichzelf zeer au sérieux namen.


Desalniettemin waren die toegangstests voor het Ritcs een aangename ervaring. We moesten iets schrijven over een film van een Vlaamse regisseur, ‘Palaver’ van Emile Degelin, een man die later ook enkele romans zou schrijven. Een oude vriend van me uit Tongeren had me gezegd dat ik iets over de slechte techniek moest vermelden in mijn kritiek, een onbedoeld optisch effect of iets dergelijks. Misschien heb ik dat ook gedaan, maar ik heb zeker ook opgemerkt dat ik het een mooie film vond. Een dag later moesten we een toneelstuk bespreken. Ik weet niet meer precies welk stuk het was, alleszins een Griekse tragedie. Ik herinner me nog dat ik heel vlot geschreven heb over een van de heldinnen, Klytaemnestra, gespeeld door een actrice die een diepe indruk op me had gemaakt.


Een zwaardere opdracht was het filmpje dat we moesten maken. Dat moest meteen een afgewerkt product zijn; het mocht niet gemonteerd worden, daar was geen tijd en geen geld voor. We werden in ploegjes ingedeeld. Ik werd tot regisseur uitgeroepen, waarschijnlijk omdat ik het langste haar had. Een verwante ziel die ik nog maar pas had leren kennen, Leo Steculorum (nog altijd een goede vriend), wilde graag de hoofdrol spelen; dan waren er ook nog een cameraman en een scenarist. Het scenario hebben we, als ik me nog goed herinner, samen geschreven, vooral Leo en ik. De titel was ‘Nowhere Man’; het ging over een schilder die zijn levenswerk ging offeren aan de onbekende soldaat. Het feit dat we daar het mooiste zicht op Brussel hadden, had zeker bijgedragen tot de keuze van de locatie. Toen de tests afgelopen waren werden de filmpjes aan ons vertoond. De profs waren tevreden over ‘Nowhere Man’, wij vonden het echter een mislukking. Maar we hadden er hoe dan ook veel plezier aan beleefd.

Tijdens de zomer die vooraf ging aan de ingangstests hadden we een ‘werkstuk’ moeten klaarstomen. Voor mij was dat een dichtbundel geworden, waar ik echt wel op gezwoegd had (nu durf ik die gedichten niet meer lezen), getiteld ‘Vechtende Kinderen’.

Op die twee elementen, werkstuk en tests, werden we beoordeeld om toegelaten te worden tot de toch wel wat elitaire school. Velen waren niet geslaagd. Ik was en ben er nog steeds trots op dat ik wel met glans geslaagd was. Het onrechtvaardige van die hele zaak was dat die tests en die uitslagen niet bindend waren, het kwam neer op aanbevelingen. Zelfs de allerdomste idioten mochten aan de studies beginnen en een groot aantal van hen zijn ook afgestudeerd. Waarmee ik niet wil zeggen dat alleen dommeriken zijn afgestudeerd. Eigenlijk kwam het er niet zozeer op aan of je een visie had, of je creatief was, of je een kunstenaar was, maar wel dat je hard werkte.

15-06-07

MOMENTEN VAN GELUK: TIM BUCKLEY

 

Ik heb op YouTube een opname gevonden van Tim Buckleys Happy Time, een van mijn favoriete songs aller tijden. Ik heb zelden een sterkere uitdrukking van het geluksgevoel gehoord, ook al heeft het geheel een melancholische ondertoon, waardoor het eigenlijk nog sterker wordt. Hier heet het lied echter nog I’m Coming Home Again. De clip dateert uit 1968, een periode waarin Buckley afscheid nam van de poëtische folk en steeds meer free jazz en avant-garde in zijn composities integreerde. De elpee Blue Afternoon uit 1969, waar de originele versie van Happy Time op terug te vinden is, is naar mijn weten nooit op cd verschenen. Al het andere werk van Tim Buckley wel, ook zijn twee laatste elpees, Look At The Fool en Sefronia, die – waarschijnlijk ten gevolge van zwaar druggebruik – grotendeels mislukkingen moeten worden genoemd, maar nog altijd beter klinken dan 99 procent van de ‘popmuziek’ die de radiostations nu op ons uitspuwen.

Tim Buckley stierf op 28-jarige leeftijd. De klank van onderstaande clip is niet schitterend, maar het blijft me verrassen dat zulke documenten al die tijd al hebben bestaan en dat we ze nooit eerder konden zien.

Happy Time

Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay

Ah, lord, it's just the same old story
Something about love for glory
A nickel and a dime a dozen
Fame
Ah, it's such a shame
Ah, the way they use your name
Ah, you know it's such a shame
When it's only mine to sing a song
Hoping that you'd cross along my way
Before I have to move along
Ah, now move along
Ah, but I'll be back again
Ooh back again

Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay

Sleep late now mama
Let the mornin' sun warm your bed
While I'm away
While I'm away

Tim Buckley / Blue Afternoon, 1969

06-03-07

HUMBLE PIE IN BILZEN (1969)

Aansluitend op mijn radioprogramma van vorige zaterdag toon ik hier wat blanke blues van de toenmalige supergroep Humble Pie. Dit is een fragment van een concert opgenomen tijdens Jazz Bilzen, op 29 augustus 1969. Het was een koude, regenachtige dag. We hadden allemaal teveel gin en hoestsiroop gedronken. 

Humble Pie bestond uit Stever Marriott, Peter Frampton, Greg Ridley en Jerry Shirley. Zanger Steve Marriott was een van mijn grote voorbeelden inzake haarsnit en klederdracht. In 1969 zat hij volop in een overgangsperiode van mod naar acid freak. Humble Pie speelt hier naast eigen werk covers van Doctor John The Night Tripper (Gris Gris Gumbo Ya Ya en Walk On Gilded Splinters). De band was nog maar net opgericht.

27-02-07

EENZAAM OF ALLEEN


damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard 's morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren '70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.