29-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

barbara_ina.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

thomas-jefferson-.jpg

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

novemberrevolutie.jpg

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

tseliot.jpg

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

Arrow_Cross_Party.jpg

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

amos-gitai-.jpg

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

Gilles_Deleuze.jpg


4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele - volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ - teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ - en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: de zangeres Barbara; Thomas Jefferson; Duitse novemberrevolutie; TS Eliot; Hongaarse Pijlkruisers Partij; Bruce Springsteen, Born To Run; Amos Gitai; Gilles Deleuze; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.
...

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

16-07-16

EEN MIDDAG IN CADIZ

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 054.JPG

Een middag en avond met A. en mijn vrienden Maria Jesus (Menchu), Carmen, Harvey en Juan. Menchu is een en al liefde, caritas, passie, ze is voor mij al sinds 1999 de ziel van Cadiz. Na zeventien jaar nog steeds dezelfde fonkelende ogen.
Zoveel woorden aan politiek verspild. Menchu, Carmen en A. houden zich wat dat betreft enigszins afzijdig. Vooral de mannen voeren het woord. De blijvende corruptie in Spanje… Maar is corruptie niet van alle tijden en woekert ze niet in de harten van miljoenen mensen? Maakt ze niet telkens weer hele samenlevingen kapot? Corruptie en afgunst, de twee grote kwalen. In Cadiz is Podemos aan de macht gekomen. Mijn vrienden vragen zich af of er nu iets veranderen zal. De Panama Papers geven aanleiding tot veel achterdocht en zelfs paranoia. Mijn vrienden zijn al bij al pessimistisch: de grote massa blijft voor de Partido Popular stemmen, zeggen ze.
Ik verneem dat er weinig moslims in Andalusië leven. Degenen die hier destijds zijn aangekomen – ik heb ooit een groot schip vol Afrikaanse vluchtelingen in Algeciras zien binnenvaren - zijn naar andere streken vertrokken, vooral naar Duitsland, België, Nederland. Nogal wat meisjes en jonge vrouwen belanden in de prostitutie in Madrid en Barcelona. Ik hoor de onuitgesproken vraag of West-Europa zoals Spanje in 711 veroverd zal worden door de Arabieren? Zo’n vaart zal het niet lopen, maar we kunnen de toekomst niet voorspellen. Ik heb geen problemen met moslims, zeg ik. (Dat lijkt bijna een racistische uitspraak. Als je geen problemen met de moslims hebt hoeft dat ook niet verwoord te worden. Maar we praten Engels en Spaans ‘zonder moeite’, dan druk je je niet bepaald subtiel uit.)
2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 225.JPG

Harvey, een Canadees die al tientallen jaren in Spanje woont, was in 1973 in onze hoofdstad. Je zou de stad niet herkennen, zeg ik. Zelf ben ik in Brussel in de herfst van 1969 aangekomen. Een groot dorp was het hier, of zo leek het toch. Hoewel de stad nog steeds, zoals in de tijd van Lautréamont, Baudelaire en Marx, een internationaal subversief bolwerk was: ik herinner me Living Theatre, Mothers Of Invention, Free Press Book Shop, et cetera. Harvey herinnert zich dan weer dat de Brusselse Vlamingen gastvrij en open van geest waren.
Juan en Menchu hebben weinig mogelijkheden om te reizen. Ze gaan graag naar Marokko, houden van de lekkere maghrebijnse keuken. Essaouira is hun droombestemming. Maar ze zijn ook trots op hun Andalucia, en in het bijzonder op Granada, die parel aan de Andalusische kroon. Menchu is met ziekteverlof geweest, een depressie door omstandigheden op het werk. Haar baas is een fundamentalistische katholiek. Ja, die bestaan ook. Ik kom niet te weten wat Juan doet. Hij is intelligent en spreekt veel beter Engels zonder moeite dan ik. Carmen, uit Barcelona afkomstig, schildert. Ze is vol lof over Rafael Alberti uit Malaga. Ik herinner me dat ik ooit een boekje van hem las, ‘De 8 namen van Picasso’, maar dat krijg ik moeilijk uitgelegd. Rafael Alberti was een goede vriend van Picasso, hoewel hij twintig jaar jonger was dan de grootmeester van het kubisme. En dan bestellen we nog een rondje en lachen nog wat en worden wat melancholisch. Inmiddels is het donker geworden. We werpen ongemakkelijke blikken op de openstaande deur en denken aan de wegen die elk van ons in eenzaamheid zal moeten begaan, aan de vragen waarop niemand van ons een antwoord zal vinden.

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 218.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Cadiz, april 2016

20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

01-04-16

PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is - niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto's: Martin Pulaski, Brussel, 2013

28-03-16

HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

 odani motohiko.jpg


And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only

Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Odani Motohiko; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

23-09-15

EPIC FAIL VAN DE MINISTER VAN PERFIDITEIT

2015-09-BERLIJN 152.JPG

Een Duitsland dat geen gastvrijheid voor vluchtelingen kent is niet langer mijn Duitsland. Dat waren vrij vertaald de emotionele woorden* van Angela Merkel in een Duitse krant die ik vorige week dinsdag in Berlijn tijdens de boodschappen in een warenhuis toevallig las. Ik las die woorden met verbazing en ontroering. Bijna stond ik daar midden in de Rewe te huilen. Is me dat al eerder overkomen? Ik geloof het niet. Nochtans ben ik geen bewonderaar van de Duitse bondskanselier. Hoe zij zich tegenover Griekenland opstelde vond ik wraakroepend. Nu echter zag ik Angela Merkel in een ander daglicht. Ik was blij dat ik me in haar land bevond, ik voelde me een klein beetje een Berlijner. Op dit ogenblik, twee dagen terug in het vaderland, voel ik me veel meer Berlijner dan Brusselaar. Vlaming voel ik me al lang niet meer.

De gastvrijheid van mevrouw Merkel kreeg meteen kritiek binnen haar eigen partij en vooral van de CSU, de zusterpartij van Merkels CDU. Die  wil dat de massale toestroom van vluchtelingen wordt beperkt. De Beierse minister Herrmann van Binnenlandse Zaken noemde het openstellen van de grens 'een verkeerd signaal'. In de Nederlandse Volkskrant wordt haar humanistisch standpunt als een sprookje weggewuifd. In zijn gastcollege aan de Universiteit Gent noemt de minister van perfiditeit Bart De Wever de bondskanselier ‘mutti Merkel’ en beschrijft hij haar humanisme als volgt: “’Herzlich wilkommen’. Dat is wat ik noem een epic fail.” Wat een epic fail precies is weet ik niet, maar ongetwijfeld niets fraais. Ik weiger me al te veel bezig te houden met de oproerkraaier, maar soms kan het niet anders. Vreemd blijft het echter wel dat een burgemeester van een middelgrote stad voortdurend de volle aandacht van zowat alle media in dit land krijgt. Hij heeft duidelijk een uitstekende knecht van propaganda, of mogelijk is hij zijn eigen Goebbels? Mijn enige troost is dan dat het duizendjarige rijk van de nazischurken niet echt lang heeft geduurd. Gisteren zag ik nog op televisie hoe hun verhaal geëindigd is. Wat van hen overbleef was een hoopje verpulverde botten; van Hitler, de massamoordenaar van allen die ‘anders’ waren en van zijn eigen volk, restte niet meer dan een kaakbeen.

Als Angela Merkel op de ingeslagen weg doorgaat zal ze in de geschiedenisboeken worden vermeld als de vrouw die het humanisme in Europa heeft gered. Maar ze heeft nog een lange weg te gaan. Die van de minister van perfiditeit loopt nu al dood. En aan het eind van zijn tunnel is alleen maar duisternis. To everything there is a season, turn, turn, turn.

...


*"Ich muss ganz ehrlich sagen: Wenn wir jetzt anfangen, uns noch entschuldigen zu müssen dafür, dass wir in Notsituationen ein freundliches Gesicht zeigen, dann ist das nicht mein Land."

Foto: Martin Pulaski, Berlijn, 9 9 2015

12-06-15

DE BOMEN VAN ANDERLECHT

IMG_2813.JPG

Brussel is op cultureel gebied wellicht een van de rijkste steden van de wereld. Dat stelde ik gisteren nog een keer vast tijdens een wandeling door Schaarbeek en Sint-Joost-Ten-Node. Tientallen talen, culturen, manieren van zich te kleden… Winkels en cafés in alle vormen en kleuren, en restaurants met ongeveer alle gerechten van de wereld op het menu.  Geen Michelin-sterren, gelukkig niet.

Maar dan stap ik in Anderlecht aan Veeweide uit de metro en zie de omgezaagde bomen in wat sinds mensenheugenis het Stadium wordt genoemd – en woord dat in beton gebeiteld is. Het Stadium, dat eigenlijk een speelpleintje, een klein parkje en een voetbaloefenveld is, is voortaan geheel blootgesteld aan de genadeloze zon. En dan overvalt me de boosheid die me nu al weken, misschien wel maanden, overvalt telkens als ik in die buurt kom. Een vijftiental prachtige oude bomen, kastanjes en als ik me niet vergis ook linden, werden er verwijderd. Opeens waren ze in stukken gezaagd. Misschien gebeurde het op een nacht, stiekem. De in stukken gezaagde boomstammen liggen er nog altijd. Alsof het om een conceptueel kunstwerk gaat. In de zomer, op een dag als gisteren, zorgden die bomen voor een verkwikkende schaduw. Als het regende vormden zij een dak boven je hoofd. In de lente verspreidden zij een geur die de uitlaatgassen enigszins neutraliseerde. Altijd dempten zij het lawaai van het eeuwige verkeer van en naar de ring en de steenweg naar Bergen.

De bomen zijn weg. Op geen enkel ogenblik werd ik als buurtbewoner over deze ingrijpende beslissing geïnformeerd. Het Anderlechtse gemeentebestuur kent geen overleg, geen inspraak, niets. En de bevolking is apathisch geworden, laat begaan, berust, loopt terneergeslagen – en bang - door de betonnen straten en vlaktes. Onze stemmen even stil als het oprukkende asfalt. De enigen die wellicht glunderend in hun handen wrijven zijn de bouwondernemers, de projectontwikkelaars, de managers en de ‘toppolitici’. Maar met uitzondering van die laatste groep zien we die mensen niet. Zitten ze te vergaderen of liggen ze in een hangmat ergens in de schaduw van een ginkgo biloba of een Libanese ceder? De laatste groep, die van de Anderlechtse politici, vertelt onzin en liegt dat ze zwart ziet.
 
En dit is nog maar het begin van het verhaal, en niet eens het begin, want het is al lang bezig. Binnenkort moeten de linden op het Dapperheidsplein, met de oude kerk van Sint-Guido, de parel van Anderlecht, er ook aan geloven. Er komt een parking op het plein en die bomen staan in de weg, zegt de burgemeester. Mocht ik Sint-Guido zijn, ik zou naar Jeruzalem terugkeren.

IMG_1971.JPG

IMG_1975.JPG

IMG_1974.JPG
Foto's: Martin Pualski, 2015

30-05-15

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders - zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.
IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d'Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.
IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015

16-02-15

LIEFDE IN BARRE LANDEN

sandro_Botticelli.jpg

Nog zwak en uitgeput van de voorbije griepweken zag ik op televisie de film ‘Groenland’ van Thomas Kaan, over onmogelijke liefde, jaloezie, obsessie. Was het dan toch Valentijn geworden? Een fotograaf, Belg in Amsterdam, en een jonge vrouw verlangen naar elkaar en lijken hun levens met elkaar te willen delen. Maar ze kijken helemaal verschillend naar wat hen omgeeft – en naar elkaar. Hoe zij kijken en wat zij zien is hoe en wat zij zijn. Hij heeft de blik van een fotograaf – iemand die veel wil behouden, wat hij ziet, de tijd, de momenten. Zij is beweeglijk en merkt scheuren in wat hij als ‘ideale’ beelden ziet. Wat verwacht hij van haar? Dat ze zoals hij wordt? Dat ze met elkaar versmelten? Dat ze zijn spiegelbeeld wordt? Of gewoonweg zijn beeld, een beeld waar hij alles voor over heeft? Maar dan moet ze wel stil staan, niet veranderen van de voorstelling die hij van haar heeft. Dat kan alleen maar heel slecht aflopen, zoals de liefdes in ‘A la recherche du temps perdu’. De liefde van Charles Swann voor Odette de Crécy bijvoorbeeld. Zoals zoveel obsessionele liefdes. In werkelijkheid is de fotograaf niet echt geïnteresseerd in de jonge vrouw. Het gaat alleen maar om liefde. Liefde die soms kouder is dan de dood.

‘Groenland’ is niet echt een geslaagde film. De fotografie is ondermaats en nogal willekeurig. Maar hij zet wel tot denken aan.  Ik herinnerde me dat ik een paar dagen eerder iets over de liefde had gelezen in Rüdiger Safranski’s biografie van Friedrich Schiller. Lang moest ik niet zoeken, heb boek lag nog binnen handbereik. Het fragment gaat over Schiller’s toneelstuk ‘Luise Millerin’ (Kabale und Liebe).

“De volledige transparantie die Ferdinand van Luise verlangt laat bij de ander het verontrustende geheim verdwijnen. Maar leeft die liefde niet ook van de geheimzinnige ondoordringbaarheid van de ander? Kun je iemand nog liefhebben als je hem helemaal hebt doorzien? Zeker, je zult hem tot vervelens toe kunnen beheersen. Maar is het liefde als de geliefde je niet meer voor een verrassing kan plaatsen? In elk geval wil Ferdinand voor zijn liefde het volmaakt transparante ‘jij’. Maar zo’n transparante ander houdt op een ‘jij’ te zijn. Want elk ‘jij’ vormt een uitdagend andere wereld, waarmee je niet eindeloos een kunt worden. Zo’n verlangen naar eenheid berooft de ander van zijn realiteit en maakt hem, als is het maar in mijn beleving, aan mijzelf gelijk. Dat kan een tijdje goed gaan, maar uiteindelijk zal de ander in zijn anders-zijn des te nadrukkelijker uit de beelden waarin mijn verlangen naar eenheid hem heeft opgesloten, tevoorschijn treden. Zo komt het uiteindelijk tot dat zo pijnlijk heen en weer gaan tussen grote communie en hevige vijandigheid, tussen euforisch eenheidsgevoel en grenzeloos wantrouwen.”

Groenland werd veroverd door Erik de Noorman. Leif Erikson bracht er het christendom. Later werd het immense eiland een kolonie van Denemarken. Inmiddels is het een autonome regio, maar mij is de status niet helemaal duidelijk. Denemarken heeft er ongetwijfeld nog veel macht. Van de oorspronkelijke bevolking, de Inuit, schijnt er niet veel over te blijven. De bodem is er echter rijk, en nu de ijskap smelt zal er weldra wellicht ook olie kunnen worden ontgonnen. Erik de Noorman noemde het land Groenland als een vorm van public relations. Een land met zo’n naam leek hem heel wat interessanter dan bijvoorbeeld ‘Bar land’.
eric-de-noorman.jpg

Wat is dat toch met Denemarken? De avond dat ik ‘Groenland’ zag werden in Kopenhagen aanslagen gepleegd. Ik heb de reacties niet gezien, maar ik kan ze mij voorstellen: kil en afstandelijk. De voorbije weken zag ik de Deense serie ‘The Legacy’ (Arvingerne). Zo ben ik ertoe gekomen de Denen op die manier te zien, wat ongetwijfeld kortzichtig van me is. Baseer je oordeel nooit op snelle en populaire fictie. Maar een cultuur die zulke kille personages kan voortbrengen moet zelf toch ook iets kils hebben? In ‘Borgen’ zag ik al zulke ijskoude karakters de revue passeren. Ze slikken hun woorden in en tonen geen passie. Soms zijn ze wel heftig in hun negativiteit. Soms wil ik wel eens naar Kopenhagen. Er wordt verteld dat het een mooie stad is en heel vriendelijk voor voetgangers en fietsers. Echt ecologisch. Maar ik denk niet dat ik er ooit geraak. Wel wil ik mijn vriendin Agata – die ik nooit in het zogenaamde echte leven heb ontmoet – graag eens opzoeken. Ik ken Agata nu bijna tien jaar. We schrijven elkaar niet veel meer. Dat is ooit wel anders geweest. Ik geloof dat we elkaar goed kennen, maar er bestaat natuurlijk een groot verschil tussen geloven en weten. Soms denk ik dat zij het moeilijk heeft als Poolse vrouw in dat geestelijk barre land (zo stel ik het me voor). Maar ongetwijfeld vergis ik me. Agata is sterker dan om het even welke Deen die ik mij inbeeld. Haar eenzaamheid maakt haar hard en stralend als een kleine diamant. Misschien ontmoet ik haar best in een ander land, in Vietnam, Argentinië of ik weet veel waar. Ergens waar kleine diamanten op hun zachtst zijn. Of gewoon in een droom? Dat gaat ook als je ziek bent.

 

Schiller-Kabale-und-Liebe-3.-Akt-6.-Szene.jpg

...


20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

28-09-14

LA COUPOLE

IMG_0121.JPG

 

IMG_0124.JPG

 

IMG_0132.JPG

 

[Als ik in Parijs ben ga ik altijd een keer in La Coupole ontbijten. Voor twaalf euro - niet echt goedkoop - krijg je een kannetje echte koffie, een groot glas vers geperst sinaasappelsap, viennoiseries, een croissant, een broodje en confituur. En echte vorken en messen en glazen en kopjes en schoteltjes. In de goedkopere en vaak groezelige brasseries aan de stations kun je al ontbijten voor zeven of acht euro. Dan krijg je iets wat op sinaasappelsap lijkt, een kleine koffie en je hebt tevens de keuze tussen een croissant en een stukje brood met een klein potje smakeloze confituur. Geen bestek, of indien wel dan in plastiek. De herrie om je heen moet je er dan ook nog bijnemen. In La Coupole geniet ik bovendien van de vriendelijke, geciviliseerde sfeer. Er wordt nog gelezen en zelfs geschreven.]

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 23 september 2014.

08-09-14

NAAKTE LUNCH

goya- saturn_1000.jpg

‘Saturnus verzwelgt een van zijn zonen’, een beeld van Goya als illustere voetnoot bij mijn tekst over het kannibalisme in Canto XXXIII van Dante’s ‘Inferno’. Een reproductie van dit werk siert ook de kaft van de eerste Nederlandse uitgave van William Burroughs’ ‘Naakte Lunch’. Een roman, als je dat werk zo kunt noemen, die destijds veel indruk op me heeft gemaakt, en nog altijd blijft nazinderen, zij het meer en meer latent. De voortreffelijke vertaling was van Joyce & Co., een groepje verfijnde literatuurminnaars dat bestond uit Erwin Garden en Keith Snell. In 1972, toen die vertaling verscheen, had ik geen idee wie die heren waren.

Drie jaar later, ik werkte toen in Boekhandel / Librairie Corman te Brussel, kwam daar verandering in. Zoals Saturnus zijn zoon verzwelgt, verslond ik elk woord waaruit de roman ‘Erwin’ van het schrijverscollectief was opgetrokken. Net als de naakte lunch was het een trage maaltijd, vanwege de moeilijkheidsgraad, met name de taalregisters waar ik als niet-classicus weinig of niet vertrouwd mee was. En net als ‘Naked Lunch’ zou ‘Erwin’ me bijblijven; samen met ‘The Romantic Agony’ van Mario Praz gold het als een introductie tot de zwarte romantiek.

Niet veel later bleek dat ‘Erwin’ vooral het geesteskind was van Geerten Meijsing. Tot op vandaag blijft hij voor mij een van de grootste Nederlandstalige schrijvers. Ooit wilde ik worden als hij, wat me niet is gelukt – uiteindelijk een goede zaak, want in deze Lage Landen is maar plaats voor één prins. Een van de volgende dagen (of weken, met mij ben je nooit zeker) vertel ik over onze ‘historische ontmoeting’ (zijn woorden) in Syracuse in mei 2013. Geerten Meijsing zal in mijn relaas verschijnen als een hedendaagse Charles Baudelaire – Geerten heeft ‘Pauvre Belgique vertaald - in ballingschap, ikzelf als een hoestende, naar liefde hunkerende Edgar Allan Poe. Een fototoestel had ik niet bij me, gelukkig: zo zie ik Geerten Meijsing nu weer helder voor me als hij zegt “ik ga hier niets drinken, ik wil alleen maar even naar dat meisje kijken...” of als hij zich luidop afvraagt wanneer ik eindelijk eens wat dichtersbloed ga ophoesten. Ja, en zoveel andere dingen herinner ik me, hier in mijn eigen House Of Usher.

 

“Toen wij in de winter van ’67 op ’68  met een koffertje vol boeken naar Calci (Pisa) liften om in de boekbinderij van het kartuizerklooster aldaar onze lievelingsboeken, in navolging van Des Esseintes uit A Rebours, in leren bandjes met gouden lettertjes te binden, was Naked Lunch één van die boeken.” (Uit het nawoord van Geerten Meijsing en Kees Snell bij de vertaling van ‘Naked Lunch’)

saturnus, goya, william burroughs, naked lunch, naakte lunch, voetnoot, dante, inferno, vertaling, joyce & co, geerten meijsing, erwin, italië, sicilië, syracuse, ontmoeting, charles baudelaire, edgar allen poe

15-07-14

REGIONEN VAN DE VERBEELDING

IMG_7951.JPG

In jouw Londen zwerf je rond in een boek, in meerdere boeken, in een hele bibliotheek. De ene wijk is een roman van Virginia Woolf, de andere een gedicht van Keats, wat verderop houden Ian McEwan en Martin Amis de wacht. In de vuile lucht die je inademt zitten, nauwelijks zichtbaar, letters van Shakespeare, het gras op Primrose Hill groeit uit de buik van William Blake. In je Londen bestaat het reële niet. Je wandelt door straten van the Beatles, the Rolling Stones, David Bowie, the Clash en Marianne Faithfull. De meisjes en jongens in Soho, Chelsea, in Brick Lane en Camden Town zijn figuranten in een lange, coole film van een Antonioni-adept. De gevels zijn schilderijen van Peter Blake en Richard Hamilton, de interieurs en de figuren die je je achter de ramen voorstelt creaties van Francis Bacon, Lucian Freud, RB Kitaj en David Hockney. 

Na zo’n dérive begeef je je naar the Dog & Duck waar Hanif Kureishi achter de toog staat. Hoe lekker, dat Spaanse bier!

IMG_8100.JPG

Peter Ackroyd houdt het allemaal bij elkaar, geeft er betekenis en zin aan.

IMG_8646 baillementshysteriques2.jpg

Als je thuiskomt moet je je, zoals Zizek schrijft, weer laten neerploffen in le réel, wat wel eens een moeilijke opgave zou kunnen zijn. Echt, meen je dat? Ja, want ook in je eigen stad slenter je graag dagdromend door de straten en in de parken, met de stemmen van schrijvers en de beelden van fotografen en kunstenaars in je hoofd. Een estheticus, een schone ziel, een aanhanger van l’art pour l’art dan toch nog altijd? De teleurstelling als je thuiskomt is echter groot. Hoezeer je je ook verzet tegen de val: de zuigkracht van het reële is te sterk. Er zijn niet alleen de grijze, verloederde straten van Anderlecht en de lelijke*, slecht geklede mensen (waar jij deel van uitmaakt). Er zijn ook het WK, de Ronde van Frankrijk, de honderden popfestivals, waar namaakmuziek een alibi is voor het consumeren van slecht bier en zielloze seks; bovenal zijn er de verschrikkingen die Israël in zijn bezette gebieden tegen de bevolking begaat. Je stort onherroepelijk en noodzakelijkerwijs neer in de dagelijkse miserie. En terwijl je neerstort kom je al opnieuw in opstand, of verzin je een nieuwe vlucht in andere regio’s van de verbeelding.IMG_8952.JPG

... 

 

*In ‘De ringen van Saturnus’ schrijft W.G. Sebald dat de Belgen, en met name de Brusselaars, zo lelijk en zo misvormd zijn ten gevolge van de ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie. “In elke geval herinner ik mij heel goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Brussel in december 1964 meer gebochelden en gekken ben tegengekomen dan anders in een heel jaar.”, lees ik op pagina 129. In Sint-Genesius Rode ziet Sebald een scheefgegroeide, spastische biljartspeler “met onfeilbare zekerheid de moeilijkste caramboles maken.”

Foto's: Martin Pulaski, London, juni 2014. Een vrouw in Chinatown; de bibliotheek van John Keats in Keats House; "bouillements hystériques" in Whitechapel Gallery; een meisje in Baker Street Station.

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

10-10-13

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

STOCKHOLM 069.JPG


“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England's Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

 

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

09-10-13

DE MAN ACHTER HET LOKET

IMG_4188.JPG

Vorige zaterdag dacht ik onwillekeurig terug aan een essay van Stefan Hertmans over de woordenloosheid, getiteld ‘Een wak in het spreken’. Niet dat ik er mij nog veel van herinnerde, er zijn sinds 1993 al zoveel - meestal overbodige - woorden door me heen gegaan dat ik er, opstandig als ik vaak ben, nagenoeg sprakeloos van ben geworden. Nee, ik wil het hier en nu niet hebben over de poel des verderfs die ‘Vlaamse literatuur’ wordt genoemd (waarop Hertmans een uitzondering blijft). Ik wil het hier en nu hebben over het dagelijks leven in de hoofdstad van het Koninkrijk.

Aan een van de twee open loketten in het Centraal Station te Brussel, hoofdstad van Europa, wilde ik na enig tevergeefs zoeken naar een open krantenwinkel, een kaartje kopen voor de trein naar Antwerpen, cultuurhoofdstad van Europa in 1993, naar aanleiding waarvan Stefan Hertmans het hierboven genoemde essay  schreef. Eerst was ik door de opgefriste lange gang gelopen die het metrostation met de laatste nachtmerrie van Baron Horta verbindt: wat een herademing! Die schoonmaakbeurt werd al zo’n dertig jaar aangekondigd. De gang stonk al die jaren al niet alleen naar faeces en urine: je was nooit zeker of je wel levend de uitgang zou bereiken. Waarom er zo werd getalmd weten alleen enkele hooggeplaatste notabelen, die wellicht verkiezen om te zwijgen, een beetje zoals Bartleby the scrivener; alleszins werd er over getwist door aannemers, dorpspolitici, notarissen, advocaten, hamburgerverkopers, poetspersoneel, daklozenverenigingen, de negentien Brusselse burgemeesters en een onoverzichtelijk aantal schepenen, de Brusselse gewestregering, de COCOF en de VGC, Infrabel, de Waalse regering, de Vlaamse Overheid, de NVA-Brussel, het Vlaams Belang, FDF, diverse bouwpromoteren, de Vlaamse minister-president en zijn regering, de federale regering en het Koningshuis. Maar goed, de gang is schoongemaakt en opgefleurd. In het station zelf echter stinkt het nog altijd naar urine, wat niet zo verwonderlijk is: er is maar een wc en dat is zo goed als altijd gesloten. De winkels in de vrij recent geopende Horta-galerij zijn ook bijna allemaal dicht, of bankroet, dat kan ook.

Na enig aanschuiven in de kortste van de twee rijen - een zestal loketten waren gesloten - was het mijn beurt. De man achter het loket bleek me niet meteen te zien of te horen. Had ik geen stem meer, was ik sprakeloos geworden? Dat zou dan slecht aflopen want ik was op weg om een radioprogramma te gaan presenteren. Na enkele seconden drong het tot me door dat de loketpersoon zelf geen stem had, en ook geen ogen. Hij tikte iets in in zijn computer, en op bijna miraculeuze wijze zag ik vervolgens een kaartje door de gleuf in het beroete glas tussen ons me toegeschoven worden. De man echter keek me niet aan en zei niets. Het verschuldigde bedrag verscheen op het scherm van het betaalapparaat. Voor ik vertrok zei ik nog ‘dank u’ tegen de man zijn linkeroor en voegde er ‘tot ziens, nog een prettige dag’ aan toe. Ik wist natuurlijk wel dat dat geen zin had: de man had er al van in het begin de voorkeur aan gegeven me volstrekt te negeren. Maar waarom?


Later, toen ik in de trein, die met ongeveer een half uur vertraging in Antwerpen zou aankomen, maar dat is een detail, mijn kaartje moest tonen meende ik het te begrijpen. Het ‘weekendticket’ was in het Frans opgesteld. Daar lig ik in normale omstandigheden niet van wakker. Ik ben geen flamingant, noem mezelf ook geen Vlaming maar een Belg en zo. In een situatie als deze lig ik er echter wel van wakker, want het gaat om bewuste vijandigheid. Waarop berust die vijandigheid, en waar leidt ze toe? Heeft een loketbediende het recht om een klant op die manier te behandelen? Te doen alsof je niet bestaat, je tot een sprakeloze paria te herleiden, alleen vanwege je taal? En ik spreek dan ook nog een beetje Nederlands, geen Vloms zoals in comedyshows allerhande op televisie. Daar is toch niets mis mee? Het Nederlands is een van de belangrijkste talen van Europa. Het Nederlands is een bijzonder mooie taal, net zo mooi als het Frans of het Engels of het Hongaars, of welke taal dan ook. Bovendien heeft de man mij niet gezegd dat hij geen Nederlands verstaat (wat een vereiste is in zijn functie).

Het is erg, zeggen de mensen dan. Maar het is niet alleen erg. Het is verontrustend. Je wordt sprakeloos van zulke toestanden. Misschien vind je dat het een detail is? Ik niet. Het is geen detail. Het is een symptoom. In een land waar vrouwen met een hoofddoek vaak worden gehaat en van de arbeidsmarkt uitgesloten, zelfs als ze vriendelijk zijn en drie talen spreken, vindt men het onbeschoft gedrag van bedienden die sommige burgers als paria, als onzichtbare behandelen normaal.

"... de woordenloosheid als een noodlot. Dit lot te ondergaan is het laatste restant van heldhaftigheid, van het lot van de antieke held, een lot dat is ondergedoken in een aan woordzwendel stervende beschaving, in de enige vorm van antwoord die haar overbleef: de stilte als een ruimte waarin geschiedenis over zichzelf mediteert."

...

 

Nu wil ik tot slot wel een ding heel duidelijk stellen: dit gaat niet over dé Franstaligen of dé ambtenaren, of dé Belgische spoorwegen. Dit gaat over symptomatisch gedrag van een enkeling en het gaat eveneens over de teloorgang van onze instellingen en onze openbare ruimte.

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 19 september 2013. 
Citaat Stefan Hertmans, uit: Vertoog en Literatuur, Cahier 2, Woordenloosheid, "Een wak in het spreken". 

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

03-12-12

HET WARE BEELD VAN DE HEER*

ware beeld.jpg
Martin Pulaski, Via Dolorosa, Guimarães, 12 november 2012. 
"Jezus wordt van zijn kleren beroofd."

Voorlopige stuur ik je gedachtensnippers, flarden van denkbeeldige gesprekken met jou. Je antwoordt me niet, wat ik begrijp: antwoorden is een kwestie van tijd en temperament. Om van die conversaties geen monologen te maken verzin ik je reacties. Waarom ben je het over alles wat ik beweer met me eens? Of vergis ik me in wat ik verzin?


Zo kort duurt mijn verblijf in Guimarães dat het lijkt op een droom die ik ergens tussen vijf voor zeven en zeven uur ’s ochtends had. Deze oorspronkelijke hoofdstad in het Noorden van Portugal is een mooie, relatief klein en proper, vergelijkbaar met Brugge maar dan op zijn Portugees. Geen Minnewater maar groene, glooiende heuvels rondom. Veel pleinen en terrassen waar bijna geen mens te zien is. Het is maandag, de musea en andere bezienswaardigheden zijn gesloten. Een ideale dag om hier te lanterfanten. 

Waarom lijkt alles veel duurder dan in Porto, dan in Lissabon? Waarschijnlijk omdat het de culturele hoofdstad van Europa is… Maar volgend jaar dan? Blijft alles dan net zo duur als nu? Gelukkig geldt dat niet voor de sardienen… Die zullen wel altijd goedkoop zijn.

’s Avonds, opnieuw aan tafel, in Porto, vroeg ik mijn vriend José of het normaal is dat er zoveel helder bloed in die vissen zit. Terwijl ik daar in dat oude Guimarães aan die sardienen zat te wriemelen vreesde ik even dat de kok mij wilde vergiftigen. Zulke dingen gebeuren in zulke stadjes. Misschien kwam die gedachte ook wel bij me op door de Vinho Verde die mij werd uitgeschonken. Ik houd van zowat alle Portugese wijnen, alleen de Vinho Verde smaakt me niet. Ja, zei José, dat heldere bloed wijst erop dat de sardienen vers waren. Prijs jezelf gelukkig, vriend.

Niet alleen in Porto is iedereen vriendelijk tegen me, ook in Guimarães is dat het geval. Zelfs de garçon die me Vinho Verde brengt is vriendelijk. En nog ongewoner: het meisje in het toeristisch informatiecentrum is vriendelijk. Ze is vriendelijk en schuchter en lijkt op een Portugese heilige – een bevallige combinatie, hoewel ik een voorkeur heb voor zondaars. Een vriend van me, overleden in 1991, schreef me ooit uit Lissabon – in de zomer van de grote brand - dat de Portugezen een ‘onbeschoft volkje’ waren. Onzin, maar dat wist ik toen niet. Ik ben al vaak in Portugal geweest en heb nog maar een onbeschofte Portugees ontmoet. Dat was in het toeristisch informatiecentrum van Sagres, van god en bijna alle mensen verlaten stadje.  Mocht er toch een god bestaan, hij zou die man streng straffen. Ja, zijn lijden zou misschien vergelijkbaar zijn met wat ik zag op afbeeldingen van de veertien staties van de via dolorosa, in de buurt van Lagos.

Wat later, mijn glas rode wijn was leeg, vertelde ik José, nogal enthousiast denk ik, over de staties die ik in Guimarães aandachtig bekeken had, in het bijzonder over statie zes, “Veronica droogt het aangezicht van Jezus af”. Maar wie is toch die Veronica, ik heb al zoveel over haar gehoord, zei hij. Veronica, zei ik, is het ware beeld van de heer, Vera Icona… Moest ik nu echter die hele geschiedenis weer uit de doeken doen, vroeg ik me af. Ach nee, vervolgde ik, Veronica, dat was mijn eerste liefje. Mijn Portugese vriend lachten hartelijk, wat waarschijnlijk mijn bedoeling was; toch was ik zelden zo ernstig geweest.

Meer snippers volgen later misschien. Als ik minder overhoop lig met de tijd en met mijn temperament. Als je het in mijn monologen met jou wat minder met me eens bent. En zeker als ik snippers van jou ontvang. Snippers van je dagelijks geluk en je dagelijks afzien. Snippers van je denkbeeldige gesprekken.


*Bewerking van een notie van 30 november 2012. Gepubliceerd op 3-12-2012.