16-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (2)

kinderdorprekem9.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (vroege ochtend)

In mijn dromen heb ik geen leeftijd, hoewel ik me vermoedelijk als jong ervaar. Ik ben niet aanwezig in mijn dromen. Maar wie ben ik daar dan eigenlijk? Misschien is het zogenaamde echte ‘ik’ en is het echte leven alleen maar schaduw van wat zich in de droom voordoet? Telkens als ik ‘ The Dark Is Rising’ hoor, dat liedje van Mercury Rev, krijg ik de tranen in de ogen als Jonathan Donahue ‘In my dreams I’m always strong’ zingt. Maar laat ik niet al te platonisch worden. Het is zo al erg genoeg met de liefde gesteld.
kinderdorprekem3.jpg

Ik zal het maar een mooie droom noemen. De tijd bestond niet. Nee, er bestonden meerdere tijden, die zich met elkaar vermengden als nog goudgele maar toch al rottende bladeren met zwarte modder. Ik liep hand in hand met een jong blond meisje, zeventien ongeveer en naar het me nu voorkomt uit Nederland afkomstig. Ze sprak met dat mooie Hollandse accent uit de jaren zestig. Ik was zielsgelukkig in haar nabijheid. Haar hand, die ik stevig vasthield, was een talisman, een bron van onbenoembare vreugde. Ze leek wat op mijn jeugdvriendinnetje Henriëtte P., maar als ik nu een blik werp op de enige foto die ik van Henriëtte heb zie ik dat ze slechts een schaduw is van het blonde meisje uit Nederland. Terwijl ik droomde voelde ik passie, sensualiteit, maar zonder de seksuele component. Je zou kunnen zeggen dat het om een emotie ging die het zinnelijke en het geestelijke oversteeg. Zoals de tijden versmolten ook die hoedanigheden met elkaar. Met het volwassen worden verliezen we zulke emoties uit het oog, of misschien herinneren we ze ons nog wel maar we hebben er geen toegang meer toe. Toch niet als we denken wakker te zijn en onze dagelijkse dingen doen.

DANTE BEATRICE.jpg


Het dicht bij elkaar zijn en mijn lichte kussen op haar lichte, roze lippen. We liepen over een bospad op weg naar het Kinderdorp Molenberg. Hoewel ik haar gids was zal ik haar voor het gemak Beatrice noemen. Zo hebben we een cultureel referentiepunt dat niet eens op toeval berust. Het meisje heette echt Beatrice, net zoals de koningin van haar land van herkomst. In het Kinderdorp was in al die jaren niets veranderd. Zelf waren we ook niet noemenswaardig veranderd. Al die tijd hadden we daar hand in hand in de klas van juffrouw B. gezeten en kort voor zonsondergang door de bossen gedoold (zonder ooit te verdwalen). Soms had ik haar Veronica genoemd. Want het gebeurde meer dan eens dat ze me vroeg: hoe heet ik nou eigenlijk, lieveling? Alleen in de kapel waar ik elke dag naar de mis ging en van mijn latere leven als priester zat te dromen was het kleine maar rijkversierde koorgestoelte verdwenen. Op de trap naar het vliegtuig een laatste zachte kus, een laatste zoete glimlach. En nu vliegt datzelfde vliegtuig hier hoog boven me voorbij. Westwaarts. Door mijn raam kan ik het zien glinsteren in de zon, een kleine, zilveren talisman, voor lange tijd onderweg naar een andere, nog onbekende tijd.
right stuff.png

 

31-10-16

AAN MIJ DE WRAAK

vengeance is mine imamura.jpg

Een man en een vrouw.

Een sterke vent trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Oosten naar het Westen.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen op haar donkere buik. Niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij neer in de schaduw van een magere vrouw. Ik heb genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de linkeroever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De volle maan vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Tijd verloopt.

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af. Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Brussel, 2010-2016

...

Afbeelding: Vengeance Is Mine, Shohei Imamura, 1979

12-05-15

DRIE KLEUREN: ROOD

LEmpire-des-sens.jpg

LEMPIRE-DES-SENS-01.jpg

08.jpg

Rood van bloed. Rood van vuur. Rood van adem. Rood van de apocalyps. Rood van liefde en seks. Rood van vlees. Rood van steden. Rood van oorlog. Rood van passie. Verzengend rood.  Afschuwelijk rood. Magnifiek rood. Rood van de hemel. Rood van de bergen. Rood van de mijnen.

Onontgonnen rood. Jouw rood. Mijn rood.  Onbegonnen rood. Morgenrood. Avondrood.
...

Het woord rood, een leeg omhulsel, een nietszeggend beeld, een eindeloze metafoor. Het rood van ‘Rode Psalm’, van ‘La Chinoise’, van ‘Trois couleurs: rouge’, van ‘Het rijk der zinnen’, van ‘Le rouge et le noir’.
...

"La Chinoise is een film over rood als de kleur van het denken."
De fabel van de cinema, Jacques Rancière, 2001.

...

Beelden: Nagisa Oshima; Martin Pulaski.

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

03-12-12

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

04-03-10

LOOP NIET WEG KLEINE GARNAAL

Opgedragen aan Gil-Scott Heron en Toutou.

Je bent jezelf niet, nooit.

Je hebt geen identiteit.

Maar je bent zo trots op jezelf

Alsof je een Lord Byron bent

(die ook maar van een griepje omkwam,

Niet van een Turks kromzwaard.)

Je bent trots op jezelf

Omdat je dit en dat weet en denkt

Ik ben de enige.

Maar Wikipedia, en mensen met een inschikkelijk

Geheugen?


(Of was het verschrikkelijk?

Is er iets vreselijks gebeurd?

Iets wat je je niet meer herinnert?

Verzonken met zeeroversschatten, dubloenen,

Verzonken met Atlantis in de oceaan.)

Je moest de slimste zijn.

De snelste.

Ook al ontbrak de adem

En de lange arm van oudere generaties.

Wat kon je doen?

Kotsen in een of ander bouwvallig centraal station.

Hopeloos wachten op een vrouw

Die je haar geslacht zou tonen,

Haar clitoris, desnoods.

Er was geen centraal station.

Er stopte af en toe een bus naar nergens.

Daar slikte je pillen zoals de beatniks deden.

Cafeïne, onschuldig, onschuldig – heilig.

Koffie. Voor de moed, het zelfvertrouwen.

In Antwerpen kwam je terecht.

The Incredible String Band in een kroeg klonk

Als muziek uit een voorbije, nieuwe wereld.

Terwijl je praatte met je vrienden groeiden je haren

Uit je hoofd en uit je oren.

Er was geen wanhoop, geen doelgroepenbeleid,

Er was verstandhouding, verstand verliezen

In gras, in donkerbruine smurrie,

Of rood uit Afghanistan. Het land

Van de ellende, waar nu kinderen sterven.

Je bent een van die soldaten die kinderen doden.

Je schakelt jezelf uit in alcohol.

Je schakelt jezelf uit in rock & roll.

Je schakelt jezelf uit in Apocalypse Now.

In de filosofie van Deleuze & Guattari

Een Oedipus ben je nooit geweest.

Duizend plateaus om je onzekerheid te rechtvaardigen.

En toch zing je al al die jaren

I’ll take care of you, I’ll take care of you.

En je meende en meent het.

Waar is de nacht heen? Vraagt de dichter.

Ik had wakker moeten zijn en handelen

In plaats van dronken in bars bier zitten te drinken

En te lullen. De lucht is blauwgrijs. De duiven

Vliegen langs mijn raam.

Zal ik in mijn handen klappen?

Ben je gelukkig als je op het groezelige trottoir

Met eeuwenoude kauwgum

Een edele steen vindt? Een edelsteen?

Nee, je bent niet gelukkig.

Hoe kun je gelukkig zijn als niemand het is?

De lucht is blauwgrijs. Je bent nuchter

Na jaren verzonken rood en blauw.

Je lacht in je vuist. Je lacht in de plooien van je mouw.

Je lacht omdat niets zeker is en vast en omdat niets blijft.

Loop niet meer weg, kleine garnaal.

Ik zal je pellen. Je bent zo lekker.

Je lekkere nek. Loop niet weg, warme zuidzeevis.

Je hebt duizend handen, duizend dromen,

Je hebt duizend geloven in duizend goden.

Maar voor alle zekerheid  kom ik je toch onttoveren.

Voor alle zekerheid kom ik je ontvoeren, ontroeren.

Want elke vervoering van mij en elk woord daarover,

Elke vingerwijzing, elke stroomopstoot,

Is jouw vervoering. (Jouw ontroering is = mijn ontroering.).

En altijd is er wat er is en stroomt naar de zee de rivier.

Altijd is er in het dier een verlangen dat ongebonden gaat

Naar waar het gaat. Trouw zijn echter deze dieren

En uitzinnig de mensen die op de nacht wachten

En op de volle maan om zich elkaar volledig te geven.

01-04-09

VERGETEN DROMEN, GRENZEN VAN HET HART

Het is altijd moeilijk om een droom die je had na te vertellen. Niemand leest graag dromen van onbekenden, zelfs niet van bekenden. Ik heb een droomboek van Jack Kerouac waar ik alleen wat in heb gebladerd, ik geloof in 1972, toen ik bij Leopold Flam filosofie studeerde. De man wees ons bijna dagelijks op het immense belang van dromen en sprookjes voor het leven. Nu lees ik helemaal geen dromen meer, geloof ik. Lange tijd heb ik me geoefend in het noteren ervan, en in ze analyseren. Dat was in de dagen dat ik de luxe had om ’s nachts op te staan om wat dingen te noteren; ik kon mijn tijdsgebruik zelf bepalen. Nu noteer ik bijna nooit meer een droom. En zeker kom ik er niet voor uit bed. Als ik een gedicht schrijf is het nooit, in tegenstelling tot bij iemand als Coleridge, op een droom gebaseerd.  Dromen interesseren me nog, maar alleen zijdelings. Het lijkt wel of ik van de nachtbruid ben gescheiden.
Dream_Vision_1525-Dürer
 
Op een nacht heb ik van je gedroomd. Door de ruis van de dagen is hij weliswaar al wat uitgewist, zo gaat dat met dromen. Ik vraag me af waar die uitgewiste dromen naartoe gaan? Is die informatie definitief weg, of zit ze ergens voor wie weet welk eventueel gebruik in de toekomst opgeslagen?

We bevonden ons in een soort vakantiekolonie. Een heel groot gebouw, met een zestal verdiepingen, een immense keuken, allerlei zaaltjes bestemd voor vergaderingen en vreemde, wellicht perverse zaken. Overdag hadden we met elkaar gepraat. Een intens, diep, beklijvend gesprek. Woorden als sterrenstof, zinnen als vallende sterren. Daarna verloor ik je, zoals Orpheus Eurydike. Mijn verlangen om bij je te zijn was groot. We waren als kinderen onschuldig, zoals de mensen zeggen. Ik ging je zoeken, door lange gangen, een labyrint: de vakantiekolonie.

Na ‘uren’ vond ik jouw kamer, waarvan de deur op een kier stond. Ik was niet helemaal zeker of het wel jouw kamer was - en zelfs al was het jouw kamer: ik liet de kier een kier en liet je slapen, als je al sliep. Ik verwijderde me, met veel spijt in mijn hart. Want ik had je graag in mijn armen gehouden en gekust. Maar die kamer was vreemd, de deur als een grens waar je niet door mag.

 Afbeelding: droom van Albrecht Dürer, 1525 (Antwerpen).

10-10-07

PRIMAIRE HEILIGEN


titian - maria magdalena

Is het een toeval dat de zeven primaire heiligen zulke mooie, welluidende namen hebben? En zal de letter A een belangrijke rol hebben gespeeld om heilig te worden verklaard, of om een goed leven te hebben geleid, zoals Αγαθα van Sicilië? Maria Magdalena, de eerste persoon die Jezus zag na zijn opstanding (αναστασις), met haar vijf A’s spant natuurlijk de kroon. Wijzen al die A’s dan niet alleen op heiligheid maar ook op ‘lichte zeden’, wat overigens net zo goed een vorm van heiligheid is?

  • Heilige Agatha
  • Heilige Agnes
  • Heilige Anastasia
  • Heilige Cecilia
  • Heilige Catharina
  • Heilige Lucia
  • Heilige Maria Magdalena


Afbeelding: Maria Magdalena door Titiaan.

10-07-07

DE WARE BETEKENIS VAN HOOCHIEKOOCHIE

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Romance, Cathérine Breillat.


Het woord ‘hooch’ is slang – of bargoens, nu je toch aandringt – voor sterke alcohol, ‘strong liquor’ zeggen de Amerikanen, meer bepaald als het spul van inferieure kwaliteit is of illegaal gestookt werd. De uitdrukking komt nogal veel voor in oude gangsterfilms en meer nog in de blues. ‘Coochie’ verwijst naar de vrouwelijke genitaliën. Voor de naam van mijn weblog heb ik van de C een K gemaakt, hoochieKoochie, niet omdat ik meer van de K dan van C houd, want het tegendeel is het geval, maar om vooral niet de indruk te geven dat mijn blog een creatie is voor bluespuristen. De K moet monomanen en volbloed ‘hoochie coochie men’ op een dwaalspoor zetten, of zelfs verhinderen dat ze me vinden. Ze zullen de uitdrukking nooit met een K spellen, geen sprake van. Voor Amerikanen, en zeker voor zwarte Amerikanen, heeft de K nogal negatieve connotaties, in zoverre een letter connotaties kan hebben. Als ik naar de KKK verwijs, wordt echter alles duidelijk. Het was bij het opstarten van mijn blog uiteraard niet mijn bedoeling dat mijn K naar die diabolische organisatie zou verwijzen. Als ‘coochie’ een benaming is van het vrouwelijke geslachtsorgaan, dan kan mijn K alleen maar naar het woord ‘kut’ verwijzen, hoe lelijk ik dat woord ook vind (wat ik hier al meermaals ter sprake heb gebracht, dacht ik).

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Maria Schneider & Marlon Brando. Last Tango In Paris.


Ik wil vooral benadrukken dat mannen en vrouwen van om het even welke kleur hier welkom zijn, alleen heb ik een aversie tegen - vooral blanke – door blues geobsedeerde puristen, degenen die bijvoorbeeld weten op welke dag Blind Lemon Jefferson ‘Matchbox Blues’ opnam.

‘Hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ houdt tevens verband met voodoo en in het bijzonder met de voodoo ‘priesters’ en ‘predikers’, en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Het fenomeen voodoo staat bekend om zijn ‘voodoo queens’; de beroemdste is Marie Laveaux, begraven op het Lafayette-kerkhof in New Orleans. Of er nog iets van haar stoffelijke resten overblijft is twijfelachtig. De zwarte cultuur is in New Orleans na de orkaan Katrina voor een groot deel uitgeroeid. Blanke mannetjes in de regering-Bush – en bij haar slaafjes in dienst van de federale overheid - willen van de stad een soort van permanente Disneyland-achtige Mardi Gras voor blanke vrouwtjes en mannetjes maken. Alle dagen feest, alle dagen kermis: laat de toeristen maar komen, maar houd ze weg van de echte stad, de stad van dood en verderf. (Ja, ik heb de documentaire van Spike Lee gezien.)

Niets wat betreft ‘hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ is echt zeker. Het is een twilight zone van de begrippen. Sommigen beweren dat de twee woorden samen, ‘hoochie coochie’, niets meer of minder betekenen dan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Drank (foezel) komt in deze betekenis niet aan bod. Een ‘hoochie coochie’ is de vagina, de ‘hoochie coochie man’ is degene die erop belust is. Sommige van die mannen willen het liever kort houden en korten het geslacht af tot ‘coochie’, zeker in een gesprek van man tot man.

Een bravere betekenis, in zekere zin, is die van de dans, de ‘hoochie coochie’. Het is alleszins een zeer seksueel beladen en geladen dans. De lichamen worden elastisch, zitten opeens vol dynamiet, elk spoor van gelatenheid verdwijnt als een blokje ijs in een glas Southern Comfort. Er wordt veel met de heupen gewiegd, met de bekkens geschud. Bovendien is elke dans een vorm van voorspel tot de daad, of alvast tot een poging tot de daad, want niet altijd lukt het de ‘hoochie koochie man’ om zich staande te houden, en vooral niet om te ejaculeren, meestal vanwege teveel ‘hooch’, maar vaak eisen ook de jaren hun tol.

Er wordt met stelligheid beweerd dat ‘coochie’ gelijk staat aan ‘cunt’, vagina. Vagina vind ik wel een mooi woord. Het roept bij mij altijd associaties op met Virginia Woolf en vooral met haar zuster, Vanessa. Ik heb daar geen duidelijke verklaring voor. Dat van die vagina wisten we inmiddels al. De ‘hoochie coochie’ doen echter is in deze versie niet zomaar wat schuifelen op de dansvloer, maar is echt de daad begaan. In niet zo lang vervlogen dagen was het datgene waarover niet mocht worden gesproken. En indien er echt niet over gesproken kon worden dan moest er ook niet over gesproken worden. Men kon nog altijd zingen en, tientallen jaren later, schreeuwen en brullen zoals Yoko Ono, John Lennon, John Lydon en Kurt Cobain.

Voilà, beste lezers, zo weet u in welk wespennest u terecht bent gekomen. Maar schrik niet, het is niet alleen een wespennest, het is ook een labyrint – en elk labyrint is aangenaam om in te vertoeven, ook al wil je voor het donker naar huis.

 

hooch,blues,kkk,c,flamoes,drank,booze,k,foezel,geslacht,hoochie coochie,kut,hoochiekoochie,vagina,seks,dt-fouten verwijderd,diversiteit,iedereen,voodoo

Hooch - of 'moonshine whiskey'.

15-03-06

DE VAGINA ALS REMEDIE


ORLAC ZWART WIT


Ik ga met hoofdpijn naar bed. De ene bizarre droom verjaagt de andere. Een vrouw zit in een zetel, in een alledaagse, onverschillige houding, met de vagina wijd opengesperd, goed zichtbaar in het daglicht. Een vreemde man in een stoel recht tegenover haar lijkt heel sterk naar dat geslacht te verlangen. Voor de vrouw is er niets aan de hand. Ze werpt een blik door het open raam. Het lijkt of haar vagina nog groter wordt. De man wrijft met zijn handen over zijn slapen, wendt zijn blik af, sluit zijn ogen, en kijkt daarna weer heel geconcentreerd naar het opengesperde geslacht. Heeft hij last van migraine? Dit moet dan wel de ultieme remedie zijn: het hoofd helemaal in het lichaam van de vrouw stoppen. Zijn hoofd gaat er zonder problemen volledig in.

Wat is er gebeurd? Ik heb op een ingewikkeld toestel naar een videofilm van David Cronenberg zitten kijken. Je kunt met dat ding moeilijk vooruit en achteruit spoelen. Wat een ellende: ik kan die passage maar niet terugvinden. En nu is er visite, dan durf ik ook niet de hele tijd zitten spoelen. Ze zouden kunnen denken dat ik niet geïnteresseerd ben in hun conversatie. Dat die bezoekers nu toch maar snel weer vertrekken! Ik wil zien hoe dat afloopt, die man met zijn hoofd in de vagina van die onverschillige vrouw. Zou dat echt een goede remedie zijn? Ik heb zelf ook zulke hoofdpijn.

Ik rijd op een brommer blindelings naar het centrum. Op die brommer zit ik geconcentreerd naar mijn beeldscherm te kijken, terwijl ik nog steeds pogingen onderneem om dat fragment terug te vinden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik iets belangrijks heb gemist.
Plotseling stel ik vast dat ik me op een drukke straat bevind. Ik rijd tussen gevaarlijk verkeer. Scherpe bochten, er ligt gebroken glas op de weg.

Later zit ik in een heldere kamer samen met een vriend in een groot oud Boek te bladeren. Ik herinner me dat het fascinerend is als een antieke atlas. Er zitten relikwieën in: bloed, sperma, een afgehakte hand. Het is het boek van een soldaat, denk ik.
De hand is vies, dat ik er maar niet ziek van word. Toch wil ik alles bewaren. Ik zoek een geschikte plaats om het boek in op te bergen. Een grote scheepskoffer, daarin een kleiner houten kistje dat ik van een reis naar Marokko heb meegebracht. Maar ik vrees dat de hand niet in het kistje kan.