16-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (2)

kinderdorprekem9.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (vroege ochtend)

In mijn dromen heb ik geen leeftijd, hoewel ik me vermoedelijk als jong ervaar. Ik ben niet aanwezig in mijn dromen. Maar wie ben ik daar dan eigenlijk? Misschien is het zogenaamde echte ‘ik’ en is het echte leven alleen maar schaduw van wat zich in de droom voordoet? Telkens als ik ‘ The Dark Is Rising’ hoor, dat liedje van Mercury Rev, krijg ik de tranen in de ogen als Jonathan Donahue ‘In my dreams I’m always strong’ zingt. Maar laat ik niet al te platonisch worden. Het is zo al erg genoeg met de liefde gesteld.
kinderdorprekem3.jpg

Ik zal het maar een mooie droom noemen. De tijd bestond niet. Nee, er bestonden meerdere tijden, die zich met elkaar vermengden als nog goudgele maar toch al rottende bladeren met zwarte modder. Ik liep hand in hand met een jong blond meisje, zeventien ongeveer en naar het me nu voorkomt uit Nederland afkomstig. Ze sprak met dat mooie Hollandse accent uit de jaren zestig. Ik was zielsgelukkig in haar nabijheid. Haar hand, die ik stevig vasthield, was een talisman, een bron van onbenoembare vreugde. Ze leek wat op mijn jeugdvriendinnetje Henriëtte P., maar als ik nu een blik werp op de enige foto die ik van Henriëtte heb zie ik dat ze slechts een schaduw is van het blonde meisje uit Nederland. Terwijl ik droomde voelde ik passie, sensualiteit, maar zonder de seksuele component. Je zou kunnen zeggen dat het om een emotie ging die het zinnelijke en het geestelijke oversteeg. Zoals de tijden versmolten ook die hoedanigheden met elkaar. Met het volwassen worden verliezen we zulke emoties uit het oog, of misschien herinneren we ze ons nog wel maar we hebben er geen toegang meer toe. Toch niet als we denken wakker te zijn en onze dagelijkse dingen doen.

DANTE BEATRICE.jpg


Het dicht bij elkaar zijn en mijn lichte kussen op haar lichte, roze lippen. We liepen over een bospad op weg naar het Kinderdorp Molenberg. Hoewel ik haar gids was zal ik haar voor het gemak Beatrice noemen. Zo hebben we een cultureel referentiepunt dat niet eens op toeval berust. Het meisje heette echt Beatrice, net zoals de koningin van haar land van herkomst. In het Kinderdorp was in al die jaren niets veranderd. Zelf waren we ook niet noemenswaardig veranderd. Al die tijd hadden we daar hand in hand in de klas van juffrouw B. gezeten en kort voor zonsondergang door de bossen gedoold (zonder ooit te verdwalen). Soms had ik haar Veronica genoemd. Want het gebeurde meer dan eens dat ze me vroeg: hoe heet ik nou eigenlijk, lieveling? Alleen in de kapel waar ik elke dag naar de mis ging en van mijn latere leven als priester zat te dromen was het kleine maar rijkversierde koorgestoelte verdwenen. Op de trap naar het vliegtuig een laatste zachte kus, een laatste zoete glimlach. En nu vliegt datzelfde vliegtuig hier hoog boven me voorbij. Westwaarts. Door mijn raam kan ik het zien glinsteren in de zon, een kleine, zilveren talisman, voor lange tijd onderweg naar een andere, nog onbekende tijd.
right stuff.png

 

31-10-16

AAN MIJ DE WRAAK

vengeance is mine imamura.jpg

Een man en een vrouw.

Een sterke vent trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Oosten naar het Westen.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen op haar donkere buik. Niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij neer in de schaduw van een magere vrouw. Ik heb genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de linkeroever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De volle maan vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Tijd verloopt.

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af. Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Brussel, 2010-2016

...

Afbeelding: Vengeance Is Mine, Shohei Imamura, 1979

28-03-16

HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

 odani motohiko.jpg


And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only

Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Odani Motohiko; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

29-02-16

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.
P1020340.JPG

Foto's: Martin Pulaski (in Brussel)

 

24-02-16

OP ZOEK NAAR EEN VLAG DIE DE LADING DEKT

dagboek,journal,journaal,dagboeknotitie,kroniek,relaas,schrijfsel,aantekening,kenneth patchen,albion moonlight,henry miller,leuven,vriendschap,vriend,vriendin,boeken,sylvia plath,goncourt,george orwell,café,licht,pijn,verdriet,boosheid,gezelligheid,tekens,tekeningen,betekenis,begin,cultuur


Is het omdat ik herbegonnen ben met een soort van dagboeknotities dat ik gisteren drie dagboeken heb gekocht? Ik was in Leuven om er met een goede vriend enkele aangename uren door te brengen, pratend over de films die we onlangs hebben gezien, boeken die we hebben gelezen, en bijwijlen ook, als het niet anders kon, over politiek. Als ik in Leuven ben ga ik meestal even bij De Slegte binnen en soms ook bij Fnac. In Brussel is er al een tijd geen De Slegte meer, en de afdeling Nederlandstalige literatuur in de Fnac in de hoofdstad wordt elke dag wat kleiner. En zo kwam het dat mijn oog viel op de dagboeken van Sylvia Plath, Edmond en Jules de Goncourt en George Orwell.
De aankoop houdt met mijn eigen dagboeknotities geen verband. Mocht ik science-fiction schrijven of, om in mijn levensonderhoud te voorzien, Vlaamse pornofilmkens maken, zou ik deze werken ook aangeschaft hebben.
Overigens mag het wel duidelijk zijn dat mijn schrijfsels geen ‘echte’ dagboeknotities zijn. Indien dat wel het geval was zou ik ongetwijfeld schrijven over mijn vriend J. (met wie ik gisteren in Leuven een afspraak had), over hoe hij eruitziet, wat hij me vertelt, zijn fysieke conditie, de kleur van zijn jas, en zo meer; en ook zou ik het hebben over S. (bij wie we zondagmiddag op visite waren) en haar man en haar twee kinderen en de taartjes en de koffie en de kleur van de pas geverfde muren en de buren en zo meer. Wat ik duidelijk niet doe. Dus dit is geen dagboek. Maar wat is het dan wel?

Vorige nacht zat ik met R. en G. in een ouderwets café, zo een waar alle mogelijke soorten mensen iets komen drinken, een beetje zoals de Cirio maar beter verlicht en met minder pluche. We zaten aan het raam in het felle zonlicht. Al gauw zag ik dat R. ontevreden was over iets. Had ik iets verkeerds gezegd, was er iets mis met de kleur van mijn hemd? Ondanks het zonlicht was haar aangezicht in schaduw gehuld. Haar ogen, waar ik de glinstering en zachtheid in zocht die ik er altijd in zie, hadden iets hards gekregen, iets vijandigs. Weinig doet meer pijn dan de boosaardige blik van iemand die je als je beste vriendin beschouwt. Ze was echter nog niet bereid om te zeggen wat haar zo stoorde. Wel ging ze wat verder weg van me zitten, alsof ze al niet meer bij ons gezelschap hoorde, alsof ze zich al voor ons schaamde. ‘Kun jij nu nooit eens een plek kiezen die een beetje van deze tijd is, een beetje modern”, riep ze uit. “Want jij met je gezelligheid altijd!”.
kenneth patchen.jpg

Hoewel ik soms wat droomrafels onder woorden probeer te brengen is dit toch ook geen nachtboek. Ik heb al eens geschreven dat hoochiekoochie een ‘kroniek’ is, maar dat was bluf. Ik vond dat het woord goed klonk en de verwijzing naar Bob Dylans ‘Chronicles Volume One’ streelde mijn ego. Voor een deel dekken ‘kroniek’ en ‘relaas’ wel de lading. In het Engels heb je naast ‘diary’ ook nog ‘journal’. Misschien komen deze geschriften meer in de buurt van zo’n ‘journal’? Ik denk dan onder meer aan het waarschijnlijk al wat vergeten kleinood ‘The Journal Of Albion Moonlight’ van Kenneth Patchen. Over ‘Albion Moonlight’, het alter ego van Patchen, schreef Henry Miller dat hij “de meest naakte man [is] die ik ooit in de literatuur ben tegengekomen.” Kenneth Patchen brengt waarheidsgetrouw, onbevreesd verslag uit van het leven van zijn hoofdpersonage. Zo wil ik eigenlijk ook over mijn hoofdpersonage schrijven, het personage dat ik tegelijk zelf ben en niet ben. Ja, ‘Het dagboek van Albion Moonlight’ (titel van de vertaling door John Vandenbergh’) is een goed voorbeeld. Maar het woord ‘journaal’ is onbruikbaar. Weet je wat, ik zal het bij ‘aantekeningen’ houden. Daar kan ik alle kanten mee uit, zelfs die van de tekens en de tekeningen. Is onze cultuur niet begonnen met tekeningen?

[Als titel had ik eerst ‘Op zoek naar een vlaag die de landing denkt’, maar dat was wat vergezocht. Dat was weer ander proza.]
albion moonlight.jpg

 

08-10-15

DE WEERBARSTIGE SCHOONHEID VAN LES RENDEZ-VOUS D’ANNA

rendezvous-anna5.jpg

Gisteravond, twee dagen na het overlijden van Chantal Akerman, “uit het leven gestapt”, zag ik na vele jaren opnieuw ‘Les rendez-vous d’Anna’, met Aurore Clément in de titelrol. Anna is het alter ego van Chantal Akerman. In de film is iedereen ongelukkig, de zwijgzame maar alles observerende en aanvoelende Anna misschien nog het meest van allemaal. De film is adembenemend mooi, op elk gebied: fotografie, acteursprestaties, licht, locaties, dialogen en monologen, geluid. Hoewel ‘Les rendez-vous d’Anna’ al in 1978 uitkwam, Chantal Akerman was toen 28, is er niets verouderd of gedateerd aan. De locaties zijn veranderd, maar dat heeft geen belang. Of toch wel: het maakt de droefheid die van de beelden uitgaat nog intenser. Wie heeft beslist om het schitterende gebouw dat het Brusselse Zuidstation was zo te verminken? Ik was vergeten hoe mooi het was. De lokettenzaal, de prachtige art-deco cafetaria… En de sfeervolle cafés als je buitenkwam… Allemaal weg. Nu staan er aan beide zijden van het station niets dan 21ste-eeuwse misbaksels. Wat verderop lijkt het alsof er een burgeroorlog heeft gewoed. Verwoesting, braakland wachtend op wild ondernemerschap, ontwikkelaars die er vluchtige bunkers neer zullen zetten, zeer tijdelijke ruimtes voor financiële transacties, het verkopen van niets aan niemand. “De bouw van bedrijfsruimten en winkels neemt de komende jaren fors toe.”

Er gaat veel droefheid uit van de film, zeker, maar de beelden bieden ook troost, omdat ze zo mooi zijn. Waarom zijn ze zo mooi? Wat maakt ze zo mooi? Dat valt moeilijk uit te leggen. Je kunt het alleen maar zo verwoorden: kijk zelf een keer, twee keer, drie keer. De beelden spreken hun eigen taal, die traag is, aandachtig, goed gearticuleerd, zonder opsmuk. Onder de beelden zit niets, een station is een station, een telefooncel een telefooncel, een hotelkamer een hotelkamer. Onder de beelden zit niets, zoals er onder de pullover en de rok van Aurore Clément ook niets zit. Ze draagt geen ondergoed, dat is nergens voor nodig in een vluchtig bestaan, onderweg van de ene kamer naar de andere, nergens thuis. Een man zou zeggen: waar ik mijn hoed leg ben ik thuis. Maar die man is natuurlijk ook nergens thuis.

Chantal Akermans beelden zijn essenties. In de werkelijkheid zien een station  en een hotelkamer er net zo uit als in ‘Les rendez-vous d’ Anna’, maar toch anders, aangetast door de dagen, geschonden door voetstappen en blikken, door huid, zweet, urine, sperma. In de film zijn die sporen net zo goed aanwezig, maar je hoeft ze niet te zien, je kunt je bijvoorbeeld concentreren op de ogen van Aurore Clément, hoe ze wegkijkt van iemand, of hoe ze iemand aankijkt, met tristesse, geconcentreerd, geïnteresseerd, wegdromend, nooit met afschuw of boosheid. Aan haar ogen zie je dat Anna alles hoort, ook als ze lijkt te dagdromen. Anna luistert. Ze neemt de waarheid waar. Dat is wat Chantal Akerman zelf ook doet: de waarheid waarnemen en die in beelden omzetten, beelden van een sublieme, weerbarstige schoonheid. Zo weerbarstig dat je er twee uur lang geen seconde naast kunt kijken.
rendezvous-anna7.jpg

 

24-07-15

BLUE VELVET, OPNIEUW

BLUE VELVET 1.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Blue Velvet’, de magistrale film van David Lynch. Na al die jaren – hij kwam uit in 1986 – is ‘Blue Velvet’ een andere film geworden. Films bestaan niet als ze niet worden bekeken. Geldt niet hetzelfde voor alle andere kunstvormen? Er wordt wel eens gezegd dat de tijd geen vat heeft op dit of dat werk – maar dat is niet zo. Weinig kunstwerken zijn niet gedateerd – ze zijn in grote mate bepaald door de tijd waarin ze werden gemaakt. De grootste kunstwerken echter zijn tijdloos, maar tegelijk moeten ze elke keer als ze worden bekeken of aangevoeld of op een andere manier waargenomen en ervaren terugkeren in de tijd. ‘Blue Velvet’ is zo’n paradoxaal tijdloos kunstwerk. Je kunt ‘Blue Velvet’ als toeschouwer niet heel precies situeren in een bepaalde periode, de jaren vijftig, zestig, zeventig of de tijd waarin hij werd gedraaid*. De plaats van handeling is een stadje in de Verenigde Staten, maar welk stadje? Ik heb er heel wat rondgereisd en ben gelukkig – of ongelukkig – nooit in zo’n ‘small town’ terechtgekomen. Lumberton lijkt een typisch Amerikaans slaapstadje, maar het bevindt zich nergens anders dan in Lynchland – en in het hoofd van de toeschouwer.
BLUE VELVET 3.jpg


‘Blue Velvet’ is een andere film geworden omdat je zelf een andere mens bent geworden. Je fascinatie voor de personages, die destijds mogelijk enige perverse trekjes had, is in mededogen veranderd. In mededogen voor vrouwen als Dorothy Vallens, in met afgrijzen gemengd begrip voor mannen als Frank Booth. Was Frank Booth in 1986 een waanzinnige sadist, van wiens geweld je in stilte genoot, dan is hij nu veel meer een clown, de ‘candy-colored clown’ uit ‘In Dreams’, de geniale song van Roy Orbison. Dat lied is niet alleen het muzikaal hoogtepunt van ‘Blue Velvet’, het is ook een commentaar op de film. Het verhaal is niet realistisch of surrealistisch maar het is een droom. Of noem het een mysterie. Zodra je het oor wordt binnengezogen beland je in het avontuur van Jeffrey Beaumont. Een jongeman met een goed hart en goede bedoelingen, die niet alleen de donkere zijde in de andere leert kennen maar ook die in hemzelf. Een mooie en wat dromerige, maar bijzonder nieuwsgierige jongen die de strijd aangaat met het Kwaad en daar als een geschonden maar toch gelouterde man weer uit tevoorschijn komt. Daarna mag je het oor weer uit en heel de nare geschiedenis vergeten in een zee van romantiek en kitscherige kleuren.

‘Blue Velvet’ is niet alleen een superieure film-noir in kleuren, niet alleen een geniale psychologische horrorfilm, niet alleen een ijzingwekkende en zenuwslopende thriller – het is een van de grootste films die in de Verenigde Staten ooit werden gemaakt. Dat hij Roy Orbison – een zanger op wie door de coole jongeren in die dagen met misprijzen werd neergekeken - opnieuw onder de aandacht bracht is mooi meegenomen. Zelfs al wilde Roy aanvankelijk niets te maken hebben met wat hij - samen met vele anderen - als de geperverteerde wereld van Lynch beschouwde. Terwijl het werk van Lynch, dat - toegegeven - bijna alle denkbare boosaardigheid toont waartoe de mens in staat is, toch in teken staat van het goede. Want David Lynch is een moralist, maar wel dan wel een moralist buiten categorie.
BLUE VELVET 2.jpg

*(De tijd waarin hij werd gedraaid: misschien vind je hier en daar enige sporen van Ronald Reagan en New Wave).

05-11-14

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

17-03-14

NOG VOOR DE TIJD BEGON

la luna.jpg

Nog voor de tijd begon. Nog voor de tijd begon kende ik je naam, reikte ik naar je handen, nam ik je in mijn armen. Je handen schilderden bloemen in de velden waar we gingen, wolken in de lucht. En altijd lagen we bij het water te lachen of te drinken. Altijd was er muziek van sterren en dansten we en zeiden we: je bent mijn spiegelbeeld, je bent mijn a tot z, altijd nog voor de tijd begon.

Zo kon je mij verkwikken, je dorstige en onbekende soldaat. Van voor het begin ongewapend en ontregeld à la Rimbaud, elk ogenblik vurig als je woorden, de schaarse en sublieme woorden die je me schonk. En zo kon ik je zingen, je hele lichaam, je stem, je bliksem, jij gekke soprano!

Nog voor de tijd begon ging ik al niet meer op zoek naar jou. Ik herkende je in de velden, in de wolken, in het bergpad, in de wassende maan. Overal riep je me toe, met zachte stem, dat ik moest ontstaan, dat ik je toe moest roepen, met zachte stem. Overal zong je me tot leven en herkende je me. In de velden herkende je me, in de bomen, in de irissen en het riet, in de afwezigheid van clausules en argumenten. Je herkende me in mijn lied voor jou. Het lied dat je nog voor de tijd begon voor me zong, het lied dat ik dronk, dat me dronken maakte, waarin ik verdronk en waaruit ik ontstond. Ontsta!, riep je. Je stem een droom van wolken, een droom van rivieren.

Herken mij. Herken je mij? Ik herken je. In jou herken ik je. Ik blijf mij jou in mij herkennen. Nog voor de tijd begint blijf ik zo. Of klim ik zoals in een ander lied, vergeten al, langs de letters van je naam omhoog, een touwladder naar de maan. Daar zit ik dan naast jou te kijken naar onze tijd hier op aarde, nog voor de tijd begon. Het gerinkel van de tijd hier en alles wat ik over jou en mij verzon.

le-voyage-dans-la-lune-oeil (1).jpg

14-12-13

DROMEN VAN FILMS EN FOTO'S

memento.jpg

Ik geloof niet dat ik ooit heb stilgestaan of –gezeten bij de rol van foto’s in de speelfilm. Misschien wel, omdat het onderwerp zo voor de hand ligt, maar dan ben ik het vergeten. Afgelopen nacht werd ik wakker nadat een oude vriend me uitgescholden had om iets wat ik gezegd had aan tafel, terwijl ik nochtans al de hele tijd had zitten zwijgen. Vervolgens viel zijn vriendin me aan, dat ik moest zwijgen over al dat onheil, en vooral over mijn kwalen, want dat ik van dat gekanker van mij vast kanker zou krijgen, en dat ik er anderen, mijn goede vrienden allemaal gezellig rond de tafel, ook kanker mee bezorgde. Helemaal wakker dacht ik opeens aan die foto’s in films. Ik probeerde me te herinneren welke films essentieel zijn in die context. Gelukkig duurde dat denken niet al te lang en viel ik weer in slaap. Een blauwe schuit voerde me over stille wateren en door kleine sluizen naar mijn bestemming, het Entella Hotel, dat zich in het 14de arrondissement in Parijs bleek te bevinden. Wat me nauwelijks verbaasde. Al gauw zat ik met een zekere Wanda Kosakiewicz de ene koffie na de andere te drinken, zodat ik opnieuw wakker werd en aan deze tekst dacht te kunnen beginnen.

Geen sprake van. Het zou een boek moeten worden. Tien delen, op z’n minst. Mijn geheugen is nog niet in gang geschoten of ik vind al enkele schitterende voorbeelden.

a you only live once lang fonda.jpg

Ik heb er geen idee van maar ik vermoed dat er alleen reeds over Antonioni’s ‘Blow-Up’ en de foto als belangrijk narratief element tientallen studies zullen verschenen zijn. Een paar dagen geleden zag ik nog een keer het geweldige ‘You Only Live Once’ van Fritz Lang met Henry Fonda en Sylvia Sydney. Daar komt de foto in voor zoals die in massa’s andere Amerikaanse misdaadfilms wordt gebruikt: een misdadiger wordt gezocht, er staat een prijs op zijn hoofd. “WANTED - $10.000 REWARD”. Alleen zien de foto’s bij Fritz Lang er beter uit dan in de doorsnee ‘crime films’. Henry Fonda, een man met een goede inborst en zachtaardige trekken, krijgt op de foto van de politie of FBI een groezelige kop aangemeten, de kop van iemand wiens slechtheid tot de verbeelding van de gemiddelde Amerikaan spreekt. Hoewel ze hem ongetwijfeld voor het geld aangeven. Je hebt die ‘Wanted’-foto’s natuurlijk ook in westerns, maar in dat genre zien ze er altijd wat kitscheriger uit, net zoals de decors.

bonnie and clyde.jpg

Van ongeveer dezelfde aard zijn de foto’s van misdadigers in kranten. Bijvoorbeeld in ‘Bonnie And Clyde’ van Arthur Penn: vond Clyde Barrow zo’n foto nu weer bijzonder geslaagd of werd hij er integendeel helemaal niet door gecharmeerd, dat kan ik me niet meer herinneren. Het is wel een typische scène. Er is ‘Alice in den Städten’ van Wim Wenders, die in zekere zin fotografie als onderwerp heeft. Ik denk dat Rüdiger Vogler van ongeveer alles foto’s maakt omdat hij de werkelijkheid van wat hij ziet in twijfel trekt. De foto’s moeten dan bewijzen dat wat er is er is, net zoals in het liedje van the Kinks (van in het begin al favorieten van Wenders):

People take pictures of each other
Just to prove that they really existed

aliceimg5za3.jpg

De film is heel wat meer dan dat. Het personage van Rüdiger Vogler leert anders naar de wereld en de mensen kijken dankzij het meisje Alice en uiteindelijk kan hij er zich mee verzoenen. In ‘Der Amerikanische Freund’, ook van Wim Wenders, maakt Ripley (Dennis Hopper) polaroids van zichzelf. Zeer waarschijnlijk omdat hij, als oplichter, twijfelt aan zijn identiteit.

hopper polaroids.jpg

In het sublieme ‘Memento’ van Christopher Nolan lijdt het hoofdpersonage aan geheugenverlies: Polaroids zijn veel meer dan een geheugensteun, ze nemen er de plaats van in.

Geen sprake van dus dat ik hier dieper op inga. Ik ben een man van de oppervlakte, wat niet betekent, mag ik hopen, dat ik oppervlakkig ben. De werkelijke diepte bevindt zich aan de oppervlakte – dat is toch een sterk vermoeden van me. Laat me dan liever aan de oppervlakte blijven en niet verdrinken in een zee van details.

...

Afbeeldingen:
Memento, Christopher Nolan; You Only Live Once, Fritz Lang; Bonnie And Clyde, Arthur Penn; Alice in den Städten, Wim Wenders; Der Amerikanische Freund, Wim Wenders. 

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

07-10-13

IN DEN BEGINNE

IMG_4499.JPG

In den beginne, op het groene gras van je uitverkoren oord, waar het altijd elders is, kronkelt van lieve lust een adder. Hij wendt zich een poos naar het stralen van je zonnestelsel, daarna weer weg, naar waar zelfs een duivel zich niet waagt.

Op die dag – of was het vandaag? -  dacht je terug aan de dag toen het leek of Renata's lichaam een onbegonnen lied voor je zong. Een lied waar ze altijd opnieuw aan zou beginnen, op die dag. Een lied om later te kunnen ontginnen. In haar handen hield ze volstrekt genadevol erts. Zie hoe het fonkelt, hier in deze zinnelijke alchimistenkamer.

De tonen van het lied bouwden een ladder waarlangs je ontsnapte, gevleugeld je woorden, naar weer een ander oord, een ander licht. Of gelijkend op het licht dat je in de korenbloemenogen scheen op de dag dat je terugdacht aan haar lange dag – en na die wedergeboorte de reis naar een donker dat ogenschijnlijk al lang achter je lag, maar in werkelijkheid in de nabije verte, net voorbij de heuvel van het Verdriet.


Het licht dat uit je ogen straalt, je ogen op het gras gericht, op de adder, zijn kronkelig pad. De schaduwtonen in haar stem, elke noot in haar gezang, denk je, de aanvang van een verhaal dat altijd begint met ‘in den beginne’.

 


...

Foto, Martin Pulaski, 30 september 2013 

01-09-13

MELANCHOLIE VAN HET GEMIS

IMG_6294.JPG


Eind mei hadden we, al liftend, onze bestemming bereikt: een vredig dorp in een wondermooi en geurig landschap in de omgeving van Arles. Een dag later, zonnig en zacht, onze zintuigen als herboren, fietsten we langs een kanaaltje en lachten zomaar wat voor ons uit, om niets, om alles. Zelfs de krekels vervulden me met een diep gevoel van geluk en voldaanheid.

Ik herinner me nu ook weer de vriendelijke, joviale buschauffeur die grapjes maakte die we niet begrepen evenals de manier waarop hij jouw sensuele aantrekkelijkheid in zich opnam. Hij reed met ons naar je school in een ander dorp, een vijftal kilometer verderop. Je zou er een gesprek hebben met je nieuwe directeur, een sympathisant van een rechts-nationalistische partij. De man bekeek me minachtend en eiste je meteen helemaal op. Hij gaf ons zelfs niet de gelegenheid om afscheid te nemen. Ik keek nog om, maar je liep al van me weg, je rug donker in het felle zonlicht. Ik droeg een boekentas vol zware stenen, en mijn schoenen waren van lood. Zo verliet ik het schoolgebouw: ik wist dat ik nooit iemand zou ontmoeten met wie ik dit verdriet zou kunnen delen.

Toen ik de fietsen, roestig en vuil, naar het fietsenkerkhof bracht lag het landschap van de Provence er laf en kleurloos bij. Mijn zintuigen hadden geen zin meer.

...

Foto: © Martin Pulaski 

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

16-07-13

EEN MIDDAG IN HET TER KAMERENBOS

IMG_0686.JPG

Ze is nog eens op visite geweest. De muze. Ik weet niet hoe dat met vrouwen zit, maar voor mij is de muze altijd een vrouw. De muze hing aan een stevige tak, die zich over het donkere water in de grote vijver van het Ter Kamerenbos boog. Zo leek het alleszins, want goed kon ik haar niet zien; misschien zat ze er wel op, als een amazone. Want aan een tak hangen lijkt me wat ongewoon voor een muze. Verliefde stellen in roeibootjes konden hem moeilijk ontwijken. Sommigen, kussend en ver weg van deze wereld, raakten verstrikt in de kleinere, groenere takjes, maar gaven daar niet om.


Dat zij de muze zagen of hoorden betwijfel ik. Ik wel, ik zag haar en hoorde haar fluisteren. Was ze er niet voor mij verschenen? Maar ik dwaalde af. Misschien verlangde ik ernaar om ook in zo’n bootje te zitten, verstrengeld met een geliefde; ik weet het niet. Zomaar, zonder reden, dacht ik opeens dat ze moe was. Ze moest dringend gaan rusten. Neen, ze was al in slaap gevallen. Daarom keerde ik haar de rug toe, en de verliefde stelletjes in de boten keerde ik ook de rug toe.


Ik geloof nu dat ik dat niet had mogen doen. Ze had me stellig nog wat rudimentaire, maar rijkgeschakeerde woorden toegefluisterd. Vruchtbare grondstof voor stevige bloemen – noem ze bloemen van het kwaad, of wat je maar wilt. Het is echter moeilijk om lang bij de muze te blijven – en afstand te houden, want zoals ik al zei: ze is altijd een vrouw, en ik heb haar nooit in een andere gedaante gezien dan in die van een buitengewoon aantrekkelijke vrouw. Sommigen beweren echter dat zij vaak, of bijna altijd, een belle dame sans merci is, of een femme fatale. Dat is heel goed mogelijk. Maar elke regel kent uitzonderingen. En als het hier dag is, is het ergens anders nacht.


Die nacht, nadat ik als een prairieroos na een hete dag, in slaap was gevallen vertelde een oude vriend uit Baarle-Nassau me dat een dichter die me zeer dierbaar is, iemand die ik al sinds 1975 bewonder en als een voorbeeld zie, in zijn jeugd antisemitische pamfletten heeft geschreven. Ik was geneigd hem te geloven. In zijn stem klonk overtuigingskracht en hij beweerde dat hij het kon bewijzen. Hoe kon ik zijn laster, want ik voelde meteen aan dat het ook dat was,  verzoenen met het verheven beeld dat ik al zo lang van hem heb? Ik nam me voor die aantijging uit mijn memorie te bannen. Nooit zou ik die vriendschap met jou – door wat dan ook – laten aantasten Wat later vroeg iemand me wie mijn favoriete vrouwelijk dichter is. Ik wilde meteen het antwoord geven, maar haar naam ontsnapte me. Iedereen weet dat je schuldig bent als je geen antwoord geeft… De naam Emily Dickinson.


Wat had ik die droom zo graag niet gedroomd! Ik geloof dat ik nooit van die laster zou hebben gehoord als ik de muze daar in het idyllische Ter Kamerenbos niet de rug had toegekeerd.


...

Foto: Martin Pulaski, 20 juli 2005. 

14-07-13

EEN MEI

back (2).jpg

Antwerpen, 1968.

 

Op één mei stichtte je een stad van bloed, van nachtmerries. Drassige bodem waarop je sliep. In je glazen doolhof razend met het rode hoofd van een nabij gevaar.

Wat je gewaarwordt is niet de waarheid. Is maar een boze droom, en slechts een wanhopige aap die hem droomt. Neen, wie hem droomt weet hij zelf niet. Wel dit: het was op één mei, in de stad van angst en feest en pijn.

Je zag er zo onheilspellend blauw uit en ietwat gespleten. De bliksem sloeg niet op het veld in, die uit je ogen, die schichtige ogen van jou. Niet op het veld buiten de stad, waar mijn paarden stilaan gek worden en misselijk van de donkere wolken uit het Westen.

Wie is de keizer van die nieuwe stad? En is een kroon een kledingstuk?




Brussel, 8 juni 2012.

27-05-13

VERLOREN

2013-05-SICILIE-panasonic 039.JPG

Foto: Martin Pulaski, Siracusa, 12 mei 2013.

Vorige nacht viel mijn oog op een beker van zilver en goud waaruit eeuwen geleden, toen wij nog in mysteriën geloofden, het bloed van Christus werd gedronken. In het zilver stonden de sierlijke woorden ingegrift van een gedicht dat ik in werkelijkheid niet eens zou durven schrijven: overmoed en hybris zijn me vreemd. Ik denk er zelfs niet aan me te wagen aan een schepping die grootser en dieper is dan wat zich in mijn geest manifesteert. Het waren woorden van een hymne, van een gezang van Orpheus of van zijn broer Linus. Maar ik herkende ze als die van mij. De enkele regels die ik las openden vruchtbare landschappen, velden, boomgaarden, riepen schitterende steden op, straten, pleinen waar feest werd gevierd; oude en nog niet bestaande culturen kwamen in bonte schakeringen tevoorschijn. 


Een grote vreugde maakte zich van me meester, maar niet voor lang. De sacrale beker was zoek geraakt in een hooimijt. Een jongen, misschien mijn zoon, ging er koortsachtig naar op zoek, vergeefs. De vreugde sloeg om in diep verdriet. Het leek of ik mijn geliefde was verloren, de enige voor wie ik leefde.

Later, terwijl ik in Arco Rosso een glas Ben Ryé zat te drinken schoot een fragment van het verloren gedicht me weer te binnen. Dat dacht ik althans. Maar kon het zo’n banale onzin zijn geweest? Neen, onmogelijk, zulke regels konden niet op die zo volmaakte beker hebben gestaan. Tot op dat ogenblik had ik me nog jong gevoeld, voldoende sterk, het vuur van de kunstenaar brandend in mij. Nu veranderde ik in een oude man, nutteloos en zonder verhaal, verlaten door de vreselijke muze, zoals zo vaak in een kunstenaarsleven gebeurt. Ik wist met grote zekerheid dat ze niet terug zou keren en dat geen andere vrouw haar plaats in zou nemen. Mijn tijd was gekomen, mijn woorden uitgeleefd, opgebruikt. Nu was het uur aangebroken om alle landen, steden, vrouwen te vergeten. In jou, in wie dat alles en veel meer aanwezig was geweest.