08-12-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (7)

bowwowwow1.jpg

Dag 4: 5 november 2016 (Het wilde denken*)

Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free
Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free

Bow Wow Wow – Go Wild in the Country


Wie heeft als kind nooit verlangd naar een wild en grenzeloos leven? Wie droomde niet van avonturen in de woestijn, in de jungle; van een gevecht op leven en dood met slangen, wolven, leeuwen, holbewoners, heidenen? Het leven dat voor een deel beschreven wordt in ‘Lord of the Flies’ van William Golding, in de gruwelijke romans van David Vann en in de avonturenboeken van Jack London (wie zou hem nog lezen?).
Volwassenen kennen dat verlangen net zo goed,  al zal het bij hen, bij ons, minder uitgesproken zijn. Ik bedoel ‘wild’ in elke betekenis van het woord. Ja, ik ben er wel zeker van dat wij in ons hart, in datgene wat wij ons hart noemen, allemaal wild zijn, wat David Lynch en Sigmund Freud heel goed weten/wisten. Sommigen onder ons houden het wilde kind een hele leven in bedwang, anderen zijn er de slaaf van. Het ene uiterste is de ‘edele wilde’ (of noem hem of haar de ‘gesublimeerde wilde’, dat mag ook), het andere de kannibaal of de massamoordenaar. Cultuur, techniek en beschaving zijn, zoals iedereen goed weet, dunne lagen, waaronder de chaos woekert. Vaker dan ons lief is krijgt onze wildheid de bovenhand, onze woestheid, ons geweld, onze buitensporige verlangens. We verlangen naar rust en vrede maar verzetten ons tegen conformisme, wetten, taboes. Rondom ons zien we het theater van de wreedheid opgevoerd worden, waar we als consumenten of toeschouwers gretig aan deelnemen.

tarzan.jpg

Al van in het begin trekt de wildernis ons aan, maar zij blijft voor de meesten van ons een lokroep, een mysterieuze, angstaanjagende duisternis in een zee van verblindend licht. Vaak stellen we ons tevreden met een gesymboliseerde wildheid, zoals die ons in films, romans, liedjes wordt aangereikt. Denk aan ‘Darkness On the Edge Of Town’, denk aan ‘Alien’, denk aan de romans van Stephen King. Maar dat doen we lang niet altijd. Heel wat kunstenaars, bohémiens, borderliners hebben op zijn minst voor een deel een wild leven geleid. Zij begaven zich naar de overzijde, de donkere kant van de stad, zij kozen voor een ‘walk on the wild side’, om het met een titel van een roman van Nelson Algren en van een lied van Lou Reed te zeggen.

Bijna gaf ik me helemaal over aan een wild en associatief denken. Maar ik moest een radioprogramma maken, en wel over het wilde leven. Het was de eerste zaterdag van de maand, tijd voor Zéro de conduite. Zodoende zochten mijn voeten weer vaste grond en nam ik de trein naar Antwerpen (dus toch niet zo’n vaste grond). Ik maakte mij geen zorgen over de eeuwige gauwdieven en ander gespuis maar bestudeerde nog een keer mijn playlist en plaatste hier en daar wat aantekeningen, waarbij ik eens te meer vaststelde hoezeer mijn geheugen erop achteruit gaat.

Ik weet niet hoe het met de luisteraars zat, maar zelf vond ik deze aflevering een succes, een van de beste programma’s die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt. Ik genoot van elke seconde en ook lang daarna, op restaurant en in de trein met Laura was ik opgewekt en soms zelfs gelukkig. Maar ook onder die momenten van geluk stroomde de duistere stroom van de tijd. De tijd waar we nu in leven, de zeer nabije en weinig goeds voorspellende toekomst. De verkiezingen in de Verenigde Staten, de bombardementen in Syrië en elders, de nieuwe martelaars, de nieuwe heidenen. Zo kwam het dat mijn euforische buien soms moesten plaatsmaken voor grote bezorgdheid. Niet alleen over mijn vrienden in Amerika en over de hele Amerikaanse cultuur, waar ik zo aan verknocht ben (waar mijn radioprogramma een uitdrukking van is), maar voor de hele menselijke werkelijkheid en voor de aarde zelf

2015-08-06-brusselkermis 062.JPG

Om middernacht staan we in het Zuidstation te wachten op tram 81. Achter me zie ik de daklozen in rijen naast elkaar liggen. Aangespoelde drenkelingen lijken ze wel, in de altijd naar urine ruikende, slecht verlichte tunnel – de schande van Brussel. Mijn blijdschap slaat om in verdriet en woede. Wat zijn wij voor mensen dat we onze soortgenoten toestaan zo af te zien? En waarom staat de stad Brussel dit toe? Waarom wordt er niet gezorgd voor deze arme, hongerige mensen – mensen zoals jij en ik. Dit is een wild leven waar niemand ooit naar heeft verlangd. Geen mens op aarde. Dit is zelfs geen wild leven. Dit is nood. De hoogste nood.

*Zie: Claude Lévi-Strauss, La pensée sauvage, 1962

Afbeeldingen: Bow Wow Wow; Johnny Weissmuller & Maureen O'Sullivan in 'Tarzan and his Mate'; Brussel Zuid, Martin Pulaski.

03-12-16

ZERO DE CONDUITE: HOGEROP, NAAR DE BERGEN

bill monroe.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in het universum. Stem af op 106.7 FM. 
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Je had genoeg van de stad. Ze had je afgemat: het rumoer, de kitsch, de uitlaatgassen, de shoppers, de junkies en dronkaards en het nachtelijk geweld. Het gebrek aan manieren, aan savoir-vivre. Je dacht aan Will Oldhams woorden, “I could fuck a mountain’. Zo kwam het dat je naar de bergen ging, één week, twee weken… Je vergat er de tijd, de dagen. Je was in goed gezelschap. Friedrich Nietzsche, Thomas Mann, Werner Herzog, Percy Shelley. Maar die mannen hadden nog een air van de stad. Je ging naar de hillbillies. Naar Dolly Parton met haar bergluchtstem. Naar Bill Monroe, en de vele bluegrassbroers, de McReynolds, de Stanleys, de Delmores… Je zag er muzikanten hun instrumenten inpluggen en hoorde ze je oren verdoven, maar onder die laag elektriciteit hoorde je nog steeds de ziel van de hillbilly. En zo, met een koffer vol bergliederen, keerde je terug naar de stad, waar je altijd naar bleef verlangen (omdat de stad nooit inslaapt en het er nooit helemaal donker is).

En dit zijn je songs. Veel luisterplezier!

dolly parton.jpg

The Mountain Choir - Viva Last Blues - Will Oldham - Palace Music

I would sell my belongings
In the mountains where she's living
Just to be there when she comes every morning

The Mountain - Eisenhower Blues - J.B. Lenoir - J.B. Lenoir

That House On The Hill - Singing and Swinging – Henry Ballard - Hank Ballard

The Mountain's High - Golden Age Of American Rock & Roll, Vol 8 - Dick St. John - Dick & Dee Dee

Over The Mountain, Across The Sea - Golden Age Of American Rock & Roll, Vol 5 - Rex Garvin - Johnnie & Joe

Wolverton Mountain - The Golden Age Of American Rock& Roll: Special Country Edition - Claude King, Merle Kilgore - Claude King

My Tennessee Mountain Home - My Tennessee Mountain Home - Dolly Parton - Dolly Parton

The Mountain - The Mountain - Steve Earle - Steve Earle & The Del McCoury Band

Fire On The Mountain - Kentucky Blue Grass - Bill Cody, Carl Eugster - Bill Monroe & His Blue Grass Boys

How Mountain Girls Can Love - Stanley Brothers And The Clinch Mountain Boys - Ruby Rakes - The Stanley Brothers

Foggy Mountain Breakdown – The Complete Mercury Sessions - E. Scruggs - Lester Flatt & Earl Scruggs & The Foggy Mountain Boys

She Left Me Standing On The Mountain - Y'All Come: The Essential Jim & Jesse – A. Delmore - Jim & Jesse and the Virginia Boys

Rocky Top - Through The Morning, Through The Night - Boudleaux Bryant, Felice Bryant - Dillard & Clark

Redwood Hill - Summer Side Of Life - Gordon Lightfoot - Gordon Lightfoot

She'll Be Coming Round The Mountain - The Basement Tapes Complete: The Bootleg Series, Vol. 11 - Traditional - Bob Dylan & The Band

Good Ol' Mountain Dew – The Dylan/Cash Sessions - Traditional - Johnny Cash & Bob Dylan

Blue Canadian Rockies - Sweetheart Of The Rodeo – Cindy Walker - The Byrds

Oklahoma Hills - Running Down the Road - Woody Guthrie, Jack Guthrie - Arlo Guthrie

Blue Ridge Mountain - Small Town Heroes - Alynda Lee Segarra - Hurray For The Riff Raff

Climbing High Mountains - I See The Sign – Traditional - Sam Amidon

Over The Hill - Solid Air - John Martyn - John Martyn

These Hills - Infamous Angel – Iris Dement - Iris DeMent

Rocky Mountain Time - Diamonds In The Rough - John Prine - John Prine

Mansion On The Hill - Nebraska - Bruce Springsteen - Bruce Springsteen

ryan adams.jpg

Houses On The Hill - Strangers Almanac - Caitlin Cary - Whiskeytown

At the Mountains of Madness - H.P. Lovecraft II - Michaels, Edwards, Cavallari – H.P. Lovecraft

The Fool On The Hill - Magical Mystery Tour - John Lennon, Paul McCartney - The Beatles 

Bluebirds Over The Mountain - 20/20 - Ersel Hickey - The Beach Boys

I Am The Mountain - On My Way To Absence – Damien Jurado - Damien Jurado

Lookout Mountain - The Dirty South – Patterson Hood - Drive-By Truckers

Snake Mountain Blues - New West Motel - Townes Van Zandt - The Walkabouts

My Proud Mountains - Our Mother The Mountain - Townes Van Zandt - Townes Van Zandt

Riff-Raff.jpg

Bonus tracks

Black Mountain - Ballad Of The Broken Seas - Isobel Campbell - Isobel Campbell & Mark Lanegan

The Mountain - White Chalk  - PJ Harvey - PJ Harvey

Tiger Mountain Peasant Song - Fleet Foxes - Robin Pecknold - Fleet Foxes

Taking Tiger Mountain - Taking Tiger Mountain By Strategy - Brian Eno - Brian Eno

 Rif Mountain - Davy Graham (A Scholar & A Gentleman) - Davy Graham - Davy Graham

Rabbit Hills - Fully Qualified Survivor - Michael Chapman - Michael Chapman

Primrose Hill - The Road To Ruin – Beverly Martyn - John & Beverley Martyn

Ridge Rider - Judee Sill (1971) - Judee Sill - Judee Sill

High On A Hilltop - All The Same To You EP – Tommy Collins - Laura Cantrell

Silium's Hill - Acadie - Daniel Lanois - Daniel Lanois

It Covers The Hillsides - The Trials Of VAN Occupanther – Tim Smith - Midlake

Angry Hills - Zombie Birdhouse - Iggy Pop, Robert duPrey - Iggy Pop

Mountain Dew - Deliverance – Arr. Eric Weissberg & Steve Mandell - Eric Weissberg & Steve Mandell

The Mountain - Roll Back The Years -  Rainer Ptacek - Rainer Ptacek With Joey Burns & John Convertino

Moon Over Mount Olympus - The Ballad Of Evergreen Blueshoes – A.P. Rosenberg - Evergreen Blueshoes (Skip Battin)

Suicide On The Hillside Sunday Morning After Tea - A Gift From Euphoria - Hamilton Wesley/Willam Lincoln - Euphoria

deliverance-banjo.jpg
Research, presentatie, techniek: Martin Pulaski.

29-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

barbara_ina.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

thomas-jefferson-.jpg

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

novemberrevolutie.jpg

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

tseliot.jpg

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

Arrow_Cross_Party.jpg

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

amos-gitai-.jpg

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

Gilles_Deleuze.jpg


4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele - volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ - teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ - en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: de zangeres Barbara; Thomas Jefferson; Duitse novemberrevolutie; TS Eliot; Hongaarse Pijlkruisers Partij; Bruce Springsteen, Born To Run; Amos Gitai; Gilles Deleuze; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.
...

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

28-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (5)

jean-louis-barrault.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (voormiddag)

Als je een halve dag in bed ligt, het hoofd zwaar van teveel drank, kan het lijken alsof er buiten je slaapkamer volstrekt niets gebeurt. Misschien is het ook wel zo, misschien is de wereld en alles wat gebeurt slechts een voorstelling die wij ons maken. Maar ik geloof het niet. Als kind was ik bang voor overstromingen, politieagenten en de Bom. Niets wat ik zelf bedacht joeg me angst aan, alleen wat van buiten naar binnen kwam. Het is daarom best van al je voor de wereld af te sluiten, niets tot je te door te laten dringen, in je verbeelding te leven, naar je eigen muziekje te luisteren. Maar dat is een ijdele, onleefbare droom. In werkelijkheid ben je altijd met alles en iedereen verbonden.

Na deze overwegingen tijdens een laat ontbijt was ik nieuwsgierig geworden naar wat er gisteren en deze voormiddag zoal gebeurd was. Ik herinnerde me een gedicht van Lawrence Ferlinghetti, “The world is a beautiful place”:

“The world is a beautiful place
to be born into
if you don't mind happiness
not always being
so very much fun
if you don't mind a touch of hell
now and then
just when everything is fine
because even in heaven
they don't sing
all the time”

(Maar opgelet, wat hier staat is niet het hele gedicht.)

Hillary Clinton poses with singer Pharrell.jpg

Hillary Clinton poseert met Pharrell Williams in Raleigh, North Carolina.

the blast trail of China27s heavy-lift rocket Lon-.jpg

In Wenchang, op het eiland Hainan in China, wordt een zeer krachtige raket gelanceerd, de Long-Mars 5. Met de lancering van de Long March 5 hoopt China Europa en Amerika in te halen. De Long March 5, waaraan ruim vijftien jaar is gewerkt, is de grootste raket die China ooit heeft afgeschoten en geldt als het vlaggenschip van een nieuwe generatie Chinese raketten. Wereldwijd kent de raket slechts één evenknie: de Amerikaanse Delta IV.

112886273_A woman sits in her damaged apartment on the explosion site on November 4 2016.jpg

Een vrouw in haar appartement na een explosie in een gebouw in Dyarbakir in Turkije. Als ik het goed voorheb is Dyarbakir het centrum van de Koerdische minderheid in Turkije. Mijn vriend J. zal er mij meer over weten te vertellen. Om sentimentele redenen voel ik me verbonden met Turkije, voornamelijk met Istanbul, maar ik weet weinig over het land en ben er nooit geweest. Lang geleden, in het najaar van 1969, wilde mijn broer met mij naar Istanbul rijden om er eindelijk Helena te ontmoeten, maar toen was het voor mij al te laat. Ik had mijn hart in Brussel verloren.

firenze - overstroming.jpg


In 1966 waren er op 4 november grote overstromingen in Venetië en Firenze. Ik herinner me foto’s van mensen die boeken uit bibliotheken redden als waren het drenkelingen. Nu, vijftig jaar later, kan ik me dergelijke vormen van heldhaftigheid niet meer voorstellen. Maar vergeet niet dat je nooit cynisch mag worden. Jan Fabre waarschuwt daar ook voor. Als je cynisch word is het met je menselijkheid gedaan. (Hoewel ik geen bewonderaar ben van Jan Fabre, eerder integendeel, voel ik toch een grote verwantschap met hem. Ik denk dat Jan Fabre degene is die ik wilde worden, maar niet geworden ben. Daar moet ik eens goed over nadenken.)

Ik zie dat ik al op de vlucht ben voor het heden. Maar zal ik aan het verleden meer genoegen beleven? Die overstroming in Florence en Venetië voorspelt alvast niet veel goeds.

24-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

Il_gattopardo_ballo01.jpg


Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

le coq.jpg



Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens "Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)" van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)
Sidney, Sylvia (Fury).jpg

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

claudia-cardinale-and-alain-delon-in-il-gattopardo-directed-by-luchino-visconti-1963.jpg

 

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, 'maar hij blijft een uitstekend acteur.' 
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
 ‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

helmut berger damned.jpg


Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.
WinnerTakeAll7.png



*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once' en 'Fury', van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: 'Il Gattopardo, Luchino Visconti'; Le Coq, Martin Pulaski; Sylvia Sydney in 'Fury', Fritz Lang; 'Il Gattopardo', Luchino Visconti; 'The Damned', Luchino Visconti; 'Winner Take All', Roy Del Ruth.

19-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (3)

tilda swinton - young adam.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (middag)

[‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende (min of meer) acht notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.]

Grapes of Wrath.jpeg

Dat bemoedigend gevoel als je op zoek bent naar een woord, het ligt op het tipje van je tong, en je partner, vriend of vriendin vindt het voor jou! Mij overkwam het nog een keer tijdens een gesprek met Ever M. Ik kon maar niet op het woord ‘…’ komen. ‘Carter’* zei Ever bijna meteen. Ik was al een paar dagen in ‘The Grapes Of Wrath’ aan het lezen en vertelde Ever over een passage uit dat boek omdat hij het over auto’s en motoren had. Zo was er iets wat we konden delen. Ik ken helemaal niets van auto’s, van motoren, van machines, ook de terminologie (waar Steinbeck duidelijk wel vertrouwd mee was) is me vreemd. Voor Ever zal het een koud kunstje geweest zijn om het woord voor me uit zijn geheugen op te diepen. Auto’s en vooral oldtimers zijn z’n passie. Het is een passie die ik niet deel maar die me ook niet onverschillig laat, want veel van die oldtimers zijn zulke mooie auto’s. Alleen al voor de elegante wagens die erin rondgereden worden vind ik Hitchcocks ‘Vertigo’ en ‘Psycho’ meesterwerken. Het gebeurt wel eens dat ik alleen maar naar een film van Nicholas Ray of om het even welke film uit de jaren vijftig kijk voor de auto’s. Wat een verschil in stijl met de gedrochten die ik dagelijks in onze straat zie geparkeerd staan. Maar Ever bewonder ik vooral als tekenaar. Hij is een van de originelen. Velen, vooral jonge tekenaars, kopiëren zijn stijl, maar niemand kan zijn vakkundigheid evenaren, en zijn verbeeldingskracht nog minder.

psycho car 2.png

Ik had in metrostation Veeweide zitten lezen. Opeens stond Ever voor me. Ik had hem al jaren niet meer gezien en schrok even, hoewel hij daar toch vriendelijk voor me stond te glimlachen. O, Eddie, zei ik, ik had je bijna niet herkend. Dat zal door mijn pet komen, zei hij bescheiden, normaal draag ik een hoedje. We hebben nooit veel tegen elkaar gezegd, waarschijnlijk omdat we allebei schuchter zijn, in onszelf gekeerd. Maar nu kwam het opeens allemaal vanzelf. We herkenden elkaar als mensen die nog veel willen doen maar die beseffen dat ze zo weinig tijd hebben. Je ontbijt, drinkt een tweede kop koffie en het is alweer tijd voor de lunch. Je hebt een uur naar onzin op de radio zitten luisteren, wachtend op een interessant onderwerp. Je kunt nog beter wachten op de dode god (die je het eeuwige leven zal schenken). Ik praatte met Ever over mijn passies, op dat ogenblik Steinbeck en de Depressie, en hij over die van hem, het werken aan die mooie oude auto’s dus, maar ook over de eenzaamheid van een tekenaar, dagenlang alleen op zijn kamer. Ik begreep dat er overeenkomsten tussen ons bestaan die ik vroeger nooit gezien had. Maar ik was zoveel ouder toen… Wat jammer dat ik aan Beekkant de metro verlaten moest en zo noodgedwongen het gesprek afbreken.

ever-meulen-40.jpg

Wat kom ik hier toch graag, zei ik. Maar dat zal wel niet de bedoeling zijn van de therapie, neem ik aan. Ach, zei ze ad rem, dan kom je nog eens buiten. Het was een grappig antwoord, maar het maakte me ook triest. Was de ondertoon van haar opmerking niet dat er binnen afzienbare tijd wel eens een einde zou kunnen komen aan onze wekelijkse gesprekken – of veeleer monologen? Sinds 1997 ga ik – met twee onderbrekingen – op visite bij deze begripvolle, empathische vrouw. Een veertigtal minuten in haar elegant gezelschap maakt me niet gelukkig maar geeft me meestal wel voldoende kracht om weer een tijdje met mezelf en mijn kleine wereld om te gaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er niets anders bestaat dan “ikzelf en mijn kleine wereld”. Ik voel het aan zoals Walt Whitman: ik ben een kosmos, ik omvat veel dingen. Daar maak jij ook deel van uit, lieve vriendin, lieve vriend, lieve lezer. Maar ook de verwoesting van Aleppo en Mosul en veel van het andere vreselijke dat zich voordoet. Waarom kom ik toch zo graag bij jou, vroeg ik. Omdat je hier helemaal vrij bent, antwoordde ze. Ik zweeg even maar vond dan toch de moed om iets over met haar vrijen te mompelen. Normaal zou zoiets nooit in mijn hoofd opkomen, daar ben ik veel te schuchter voor. Maar nu had ik het gezegd, ook al was het maar een woordspeling. Ik bedoel wel vrij om te zeggen wat je wilt, zei ze, na een korte stilte. Ik schoot in de lach, zij ook. Natuurlijk, zei ik, ik maakte een flauwe grap. Ik vind ‘The Leftovers’ een geweldige serie, zei ik. Heb je daar al iets van gezien? Meestal als ik naar boeken of films verwijs en haar vraag of ze die gelezen of gezien heeft is het antwoord negatief. Dan ben ik altijd enigszins teleurgesteld. Ik weet zo weinig over haar, zo weinig. Op een keer, toen ze in een vertrouwelijke bui was, zei ze me dat ze van Trixie Whitley hield. Wat een ontgoocheling! Maar ik geloof niet dat ze dat heeft gemerkt. Meestal vertel ik haar alles wat er in mijn hoofd opduikt, maar er zijn grenzen. Ik twijfel niet aan haar intelligentie ook al heeft ze Daniel Menaker’s ‘De behandeling’ niet gelezen of ‘Het rijk der zinnen’ niet gezien. Meermaals probeer ik haar duidelijk te maken dat ik onmogelijk ‘neen’ kan zeggen, waarop zij steevast antwoordt dat ik dat wel kan. Jij kunt heel goed 'neen' zeggen, zegt ze dan. Waarop ik me telkens moet bedwingen om niet de slappe lach te krijgen, vraag me niet waarom. Op een gegeven moment dacht ik dat ik haar zag slapen. Je bent niet aan het luisteren, zei ik. Jawel, zei ze, en ze herhaalde de laatste zinnen die ik uitgesproken had.

SanFranciscoErdbeben1906.jpg

Daarna stond ik opnieuw in de lelijke straat met de lelijke flatgebouwen waar de onbereikbare mensen lopen en de vreselijke auto’s voorbijrazen. Met mijn hoofd nog in een soort van mistig gebergte stak ik de straat over naar de bushalte. Ik was gehaast want een half uur later zou ik na drie maanden ontbering nog een keer mijn hartsvriendin zien. We hadden al heel wat afspraken moeten afzeggen wegens ziekte van een van ons beiden, hevige regens, hittegolven, gijzelingen en een aardbeving met een magnitude van zes op de schaal van Richter. Daarover gaat mijn volgend verslag. Nog één of twee keer slapen. En vooral wakker blijven, want het leven is kort.

***

*Carter: niet president Jimmy Carter maar “omhulsel, huis waarin de kruk of –excentriekas van een motor ligt, genoemd naar J.H. Carter (geen lid van the Carter Family).

Afbeeldingen: 'Young Adam', David McKenzie; 'The Grapes Of Wrath', John Ford; 'Pscho', Alfred Hitchcock; Tekening Ever Meulen; Aardbeving San Francisco, 1906.

 

15-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN

shininf-hedge.jpg

Woord vooraf

Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.

Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.

‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende tien notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.

John Reed at desk.jpg

Dag 1: 2 november 2016 / Eight Days A Week

Het is mooi weer, maar er waait een koude wind. De metro naar het centrum heeft meer dan een kwartier oponthoud. “Zodra het metrostel kan vertrekken vertrekt het,” blijft de omroepstem herhalen. Waarom blijven we stilstaan? Heel wat reizigers stappen uit, verlaten het metrostation. Ik heb met enkele vrienden afgesproken om in de Aventure samen naar ‘Eight Days A Week’ te gaan kijken, een film over beatlemania, maar over zoveel meer dan dat merkwaardige fenomeen. Ik ben vooral ontroerd door de diepe vriendschap die er tussen de vier muzikanten bestond. Maar zeker ook door de muziek, lekker luid in de bioscoopzaal, die nog steeds fris en aanstekelijk klinkt. De periode in de loopbaan van the Beatles die mij echter het meest fascineert komt in de film niet aan bod, die na beatlemania, na de hectische tournees, de periode vanaf ‘Rubber Soul’, vanaf januari 1966. (1966 was overigens een magisch jaar voor de popmuziek en voor de jeugdcultuur. Jon Savage heeft er een zeer lezenswaardig boek over geschreven.)
Als we buitenkomen regent het. We haasten ons naar het fish & chips-eethuis Bia Mara aan de Kiekenmarkt, de straat – een markt is het niet - waar ik in juni 1997 op het nippertje aan de dood ontsnapte.

the_beatles 8 days.jpg

Mijn vrienden en ik vormen een genootschap dat ‘Renaldo & Clara’ heet. We wijden een klein deel van ons leven aan het werk van Bob Dylan. Maar vergis je niet. ‘Bob Dylan’ is een ruim concept. Zo valt ‘Eight Days A Week’ daar ook onder. Later, bij Jan in Elsene, kunnen we maar moeilijk ophouden met praten in plaats van te luisteren naar de muziek die op het programma staat. Het zit namelijk zo. Elke keer als we bijeenkomen hebben we een thema waarrond we elk vijf à tien songs verzamelen en die we dan samen in stilte beluisteren en vervolgens (soms) becommentariëren. Het is een beetje zoals mijn radioprogramma, Zéro de conduite. Maar op die Allerzielendag komen we maar niet toe aan de songs. Donald Trump gooit roet in het eten, vergif zelfs. Hij zou, o ramp, de verkiezingen wel eens kunnen winnen. Maar is Hillary Clinton dan zoveel beter? Zij vertegenwoordigt toch ook de elite, en wordt door Wall Street gesteund? We blijven de hele avond discussiëren en altijd belanden we bij de noodlottige Trump. Niet dat de andere naoorlogse Amerikaanse presidenten zoveel beter waren. Zelfs Obama was geen engel, wel integendeel. Alleen Jimmy Carter krijgt onze sympathie. Tijdens zijn bewind werden er joints gerookt in het Witte Huis. En als ik me niet vergis traden the Allman Brothers er op. Niet dat dat de wereld op zijn grondvesten deed daveren…
renaldo clara.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat een gesprek meer deugd doet dan met vrienden naar uitverkoren muziek luisteren, maar die avond gaan we desondanks met een goed gevoel naar huis. Althans, zo ervaar ik het. Ik heb het gevoel dat onze stemmen het naderend onheil, de Amerikaanse tragedie, voor een deel hebben geneutraliseerd. Alsof het goedaardige drones zijn geweest. Voor songs is er later nog tijd. Zelfs toen de Titanic aan het zinken was speelde het orkest door. En Geert Mak beweert dat we ons daar nu bevinden.

titanic musicians.jpg

 

24-07-16

STEMMINGSWISSELINGEN iv

jon voight in heat 2.jpeg

Meestal begint het met een titel. Ik had hierboven al ‘dagboek van een verloren ziel’ genoteerd, maar toen herinnerde ik me dat ik eerder dit jaar een reeks dagboekachtige notities ‘stemmingswisselingen’ noemde. Het was toen mijn bedoeling daar iets regelmatigs van te maken, niets gigantisch, zoals bijvoorbeeld de dagboeken van Henry David Thoreau, maar toch iets voor de langere duur. Discipline en planmatig werken zijn me echter vreemd. Ik ben onrustig van aard, wil allerlei dingen tegelijk doen, bijna alles interesseert me. Of er breekt een periode van ziekte en lusteloosheid aan. Dan beschik ik over geen greintje energie. (Eén greintje zou al zoveel zijn. Hoewel aldus Johannes een graankorrel moet sterven om veel vrucht te dragen.) Of ik vertrek op reis en schrijf wat observaties neer in kleine, dunne notitieboekjes. Eens thuis lees ik daar dan niet meer in. Of ik kan mijn handschrift niet ontcijferen. Soms doe ik er een week over om een radioprogramma van twee uur voor te bereiden.

Zijn we niet allemaal verloren zielen? Als er al zoiets als een ziel bestaat. Een psyche, een geest. Beschouw het als een wijze van spreken, niet als een verwijzing naar een meesterwerk uit de wereldliteratuur.

bonaventura 001.jpg

Vreemde gevoelens maken zich van me meester als ik Leopold Flams ‘Ontbinding en protest’ na vele jaren nog eens doorblader en hier en daar een fragment lees. Ik heb onmetelijk veel van de kleine professor geleerd, niet alleen op gebied van filosofie maar zeker ook op dat van literatuur. Zwarte romantiek, onder meer Bonaventura leerde ik via hem kennen; Sade, Casanova, Artaud, surrealisme, dada, existentialisme. Zijn werken en - meer nog - zijn cursussen zadelden mij met een onlesbare leesdorst op. De dag dat ik het Koninklijk Atheneum verliet was dat allemaal nog onbekend terrein. Heb ik wel iets van waarde geleerd op de middelbare school? Ik bedoel niet van mijn vrienden of uit sommige boeken die ik toen las, maar van het onderwijzend personeel en van de opvoeders? Ik kan me niets van waarde herinneren. Namen van rivieren, ja, van bergen, van planten. Dat een rechte lijn onbegrensd doorloopt. Dat Hendrik Conscience zijn volk leerde lezen. En is Hendrik Marsman niet in volle zee verdronken? Maar goed. Ik neem me voor om ‘Ontbinding en protest’ dit jaar van begin tot einde te herlezen. Eerst moet ik wel Peter Sloterdijks ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’ voltooien. (‘Uitlezen’ is in verband met dit boek niet op zijn plaats.) Dat is een magistraal werk over voornamelijk bastaards, met als (relatieve) kerngedachten: ‘Après nous le déluge’ van Madame de Pompadour, minder bekend als mevrouw Le Norment d’Etiolle, geboren Poisson. En ‘Pourvu que ça dure’ van Laetitia Ramolino, de moeder van Napoleon Bonaparte. Het boek van Sloterdijk brandt gaten in mijn tafel, het verpulvert mijn schaarse dagdromen. Ik ben de zoon van een bastaard, mijn vrouw is de dochter van een bastaard. Waren we daar niet op zijn minst een beetje trots op? Wat blijft er nu nog over om trots op te zijn? Verschrikkelijke kinderen hebben verschrikkelijke ouders en zijn zelf ook verschrikkelijke ouders. En hoe is het met hun kinderen, met onze kinderen gesteld? Maar je moet niet alles geloven wat Peter Sloterdijk schrijft. Zijn stijl grenst aan het perfide, in dat opzicht is hij bijna de gelijke van Nietzsche. Hij ontsluiert wel en doet dat op onverbiddelijke manier, maar wat je dan te zien krijgt is niet zomaar de waarheid.
Madame_de_Pompadour.jpg
Voor de derde of vierde keer Michael Manns ‘Heat' gezien. Wat is Jon Voight met zijn minimalistisch acteerwerk geweldig. Zijn voortdurende aanwezigheid, al zie je hem maar in enkele scènes. De hele film is een reflectie over de kortstondigheid van het leven, over de sterfelijkheid, over de dood. Wat we ook doen, we zijn altijd verloren. Verloren zielen.

20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

07-04-16

TRIPTIEK VOOR MERLE HAGGARD

merle haggard 1 001.jpg

1.
Merle Haggard is dood. Waarom hield ik zoveel van zijn stem, van zijn songs, van zijn mythe? Zo lang ik me kan herinneren heb ik me een outsider gevoeld, anders dan de anderen, ongeschikt voor een netjes afgelijnd leven, voor een planmatig opgebouwde toekomst als burgerman, voor succes van welke aard dan ook. Ik had aanleg, talent, was met mijn ideeën vaak op mijn tijd vooruit en ik heb veel vrienden gehad. Gedurende enkele jaren was ik het centrum van een klein universum van gelijkgezinden. Maar ik geloofde niet in mezelf, ik achtte me niet tot iets goeds in staat. Tot iets groots, iets wat de wereld waarderen zou. Er ontbrak me een essentiële eigenschap of karaktertrek. Niet alleen discipline en doorzettingskracht, maar ook het vermogen om je naam op te dringen, om de anderen ervan te kunnen overtuigen dat je onmisbaar bent, dat ze zonder jou niet kunnen. Dat jij de man bent. Van in het begin was ik gebrandmerkt om te verliezen. De hoogmoed, zo die er al was, was van erg korte duur en aan de val lijkt geen einde te komen, en dat wil ik ook niet. Want liever vallen dan een verrader te zijn van alles wat me lief en dierbaar is. Hoewel mislukt en onder die mislukking soms gebukt gaand voel ik aan dat vallen beter is dan vliegen met de vleugels van onverdiend succes. Wat mij had kunnen redden – behoeden voor de val - was bijval als dichter, maar ook in die wereld voelde ik me niet thuis: het was een pseudowereld, een leugen. Echte dichters waren als Hölderlin en Artaud, ze waren antisociaal, leefden in een toren of zaten in een asiel. Ze gingen niet naar cocktailparty’s en lazen niet voor in cultuurhuizen.

Ik besef dat ik heel gemakkelijk op het verkeerde pad had kunnen komen.  “En de leraar die mij altijd placht te dreigen: / jongen, jij komt nog op het verkeerde pad, / kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen. / Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad” zong Boudewijn De Groot*  in ‘Testament’, woorden die me als vijftienjarige tegelijk aantrokken en de daver op het lijf joegen. Dat het mooie lied me fascineerde blijkt uit de titel die ik gaf aan ons provo-schooltijdschrift met dezelfde naam. Tegelijk heb ik er alles voor gedaan om niet in de goot of de gevangenis te belanden, wat ook niet gebeurd is. Voorzichtigheid is misschien niet de meest bewonderenswaardige levenskunst, ze behoedt je wel voor veel gevaren. Maar een outsider ben ik altijd gebleven.

Bacon three studies for a crucifixion.jpg

2.
Wat heeft deze korte analyse van mijn persoonlijkheid met Merle Haggard te maken? Bijna alles. Dat uitleggen en aantonen is erg moeilijk. Hoewel de Americana-wereld van de gisteren – op zijn 79ste verjaardag - overleden countryzanger zeer specifiek is, is hij ook universeel. Dat alleen al is een bewijs voor zijn groot kunstenaarschap. Ik denk nu aan de schilder Francis Bacon, een kroegtijger die wat hij ’s nachts in de onderbuik van de grote stad zag en voelde en beleefde overdag met wilde precisie aan zijn doeken toevertrouwde. Je ontwaarde in Bacons genadeloze werken alle stemmen die in dronkenschap, wanhoop, verbijstering en verrukking tot hem doorgedrongen waren. Elk beeld van Francis Bacon is een echt beeld. De composities van Merle Haggard zijn op dezelfde manier echt en waar. Elk woord van hem, elke zin, elke vocale nuance drukt een reële en precieze ervaring uit. Vaak hoor je in zijn songs – noem ze gerust levensliederen - de stem  van mensen die niet mee kunnen eten van de gelukskoek, die nooit part zijn geweest van de American Dream en dat ook nooit zullen zijn. De personages van Merle Haggard verschillen heel erg van die van Francis Bacon maar de overeenkomst zit hem in de aandacht voor wie uitgesloten wordt, voor de outsider, voor de ‘andere’. Merle Haggard zingt al heel zijn lange leven over arme gelukszoekers, hardwerkende arbeiders, rechtse rednecks, hoeren, vervreemde cowboys, bajesklanten, dronkaards, moordenaars, treurende zonen, zwervers, hongerige immigranten, bastaards, drugverslaafden, gauwdieven, truckers, desperado’s, vluchtelingen, seizoenarbeiders, halfbloeden, reactionaire dwazen, mensen zonder illusies. Dit is geen willekeurige opsomming. Luister naar zijn platen: deze échte mensen komen stuk voor stuk in zijn liedjes voor. Zijn verzameld werk is voor mij op zijn minst zo veel waard als dat van Walt Whitman en John Steinbeck.

merle haggard 2.jpg

3.
Ik heb het geluk gehad dat ik in 1965 een fan mocht worden van the Byrds. Hun albums waren schatkamers, juwelenkistjes van liedschrijfkunst. Toen Gram Parsons in 1968 lid werd van de groep stopte hij een aantal parels van de countrymuziek in de juwelenkist die ‘Sweetheart of the Rodeo’ heet. Zo ontdekte ik country en meteen ook Merle Haggard via hun cover van ‘Life In Prison’. Op muzikaal gebied was dat een ommekeer in mijn leven. Maar met wie kon ik daar over praten? Haast niemand in mijn omgeving hield van country: het was muziek voor boerenkinkels en buitenlui. Tot ik Erik Van Neygen ontmoette, van de Belgische countryrockgroep Pendulum. Ik geloof dat hij de eerste was die ook naar Merle Haggard, Buck Owens en George Jones luisterde. Pas omstreeks medio de jaren zeventig vond ik een zielsverwant, Jos D., met wie ik nachtenlang naar Merle Haggard kon luisteren en in de Antwerpse volkse bars en kroegen opnieuw en opnieuw onze bewondering voor hem uitspreken. Vandaag hoor ik opnieuw en opnieuw ons van Duvels doordrongen gejubel weerklinken, ons euforisch gebral, doorspekt met citaten uit ‘Swinging Doors’, ‘The Bottle Let Me Down’, ‘Branded Man’ en ‘Sing Me Back Home’. Ja, ook Jos D. was een personage in een lied van onze held. De bars en het verdriet van de liefde, ongeneeslijke wanhoop, hebben hem de das omgedaan. Ik was sterker, denk ik. Zo valt me nu het trieste geluk te beurt dat ik me kan blijven onderdompelen in de muzikale wereld van de gebrandmerkte man die dank zij zijn groot talent, zijn originaliteit en zijn werkkracht erin slaagde een mythische held te worden. Merle Haggard is dood.

  merle haggard 1.jpeg

*tekst van Lennart Nijgh

28-03-16

HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

 odani motohiko.jpg


And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only

Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Odani Motohiko; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

23-03-16

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app...” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto's: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

03-03-16

DUBBELGANGERS IN HET SPIEGELPALEIS

DSC_0249.JPG


Zal ik klagen of niet klagen, dat is de vraag. Het antwoord is dat gezeur geen zin heeft. Waar ik last van heb, hoofdpijn ’s morgens, lusteloosheid, vermoeidheid en dergelijke, doe ik mezelf aan. Het antwoord is dat ik naar buiten moet, onder de mensen, gesprekken voeren, naar concerten gaan, naar de bioscoop, theater, op café. Dat ik andere oorden moet opzoeken, reizen, mijn zorgen laten verdampen samen met de mist, ergens in een groots en troostend landschap. Of naar steden! Venetië, New York, Rome, Stockholm, Wenen (en de steden die ik bijna niet meer durf te noemen, zoals Boedapest, Praag, Krakau). Maar ik doe het niet. Ik blijf lekker thuis, wat lezen, wat schrijven, een film bekijken (op te klein scherm), wat liedjes beluisteren.

Andere jaren verbleven we in de winter een maand in Valle Gran Rey of Tazacorte, waar de lucht goed is en de mensen vriendelijk zijn. Altijd de nabijheid van de oceaan. Altijd het heilzame licht van de zon. Elke dag een stevige wandeling, ’s avonds vis en een glas witte wijn. Muzikanten op de kleine promenade, een jonge vrouw die op Janis Joplin lijkt zingt ‘Ol’ 55’ van Tom Waits.

Gisteren las ik in Knack een gesprek met kinderen, jongens van vijf tot vijftien die in trainingskampen alle technieken leren om 'ongelovigen' zo efficiënt en afschrikwekkend mogelijk te doden.
“Salem: 'Ze leerden ons hoe we wapens in en uit elkaar moesten halen en schoonmaken. En ook hoe we een explosievengordel moesten omdoen. Ze vertelden ons dat we naar het paradijs zouden gaan als we onszelf opbliezen. De mannen van het FSA (Vrije Syrische leger) waren kafirs, ongelovigen zeiden ze. Die moesten dood. Ook als er in onze familie mensen zaten bij de FSA moesten die dood, want dat waren ook ongelovigen.'”
Sandro_Botticelli_-_La_Carte_de_l'Enfer.jpg

Ik herlees ‘Aurélia of De droom en het leven’ van Gérard de Nerval. Het verhaal is een proeve van antipsychiatrie avant la lettre. Dat de verteller een aandoening die zich in de psyche voordoet 'ziekte' noemt vindt hij een vergissing, “want wat mijzelf betreft heb ik me nog nooit zo goed gevoeld. Soms dacht ik dat mijn energie en mijn activiteit verdubbeld waren; ik meende alles te weten en alles te begrijpen; de verbeeldingskracht bezorgde me grenzeloze verrukkingen.” ‘Aurélia’ is het verslag van een mystieke ervaring (of een psychose), van een aanval van wat nog niet zo lang geleden schizofrenie werd genoemd. De gespleten persoonlijkheid – bij Ronald Laing ‘the divided self’ – stemt overeen met het romantisch begrip van de dubbelganger. Ieder mens heeft een dubbelganger en wanneer hij hem ziet is de dood nabij. “Er schuilt in ieder mens een toeschouwer en een speler,” schrijft Nerval, “degene die praat en degene die reageert. De oosterlingen hebben daar twee vijanden in gezien: de goede en de slechte genius. Ben ik de goede of ben ik de slechte, vroeg ik mij af. In ieder geval staat de ander vijandig tegenover mij.”
0Félix_Nadar_1820-1910_portraits_Gérard_de_Nerval.jpg

Meer met de voeten op de grond maar even grote literatuur is ‘Jongensjaren’ van J.M. Coetzee, waar ik vandaag in begonnen ben. Literatuur als bewustzijnsverruimer en als geneesmiddel.

Gisteren ook nog een schitterend interview van Piet Piryns met Ilja Leonard Pfeijffer. Ik ken ‘de grote vriendelijke reus’ alleen maar van zijn gedichten. Nu ga ik zeker ook zijn proza lezen, met als startpunt ‘Brieven uit Genua’. Het hele gesprek is een plezier om te lezen, maar dit stukje, over authenticiteit, sprong er voor mij toch uit:
“Een van de grote consequenties van internet is dat het hele begrip authenticiteit problematisch is geworden. Daarom fascineert Facebook me ook zo, de verhouding tussen feit en fictie is een van de grote thema’s in al mijn boeken. Feit en fictie lopen steeds meer in elkaar over, ook in het dagelijks leven. Mensen kiezen in het restaurant bijvoorbeeld gerechten uit waarvan ze vermoeden dat die het goed zullen doen op Instagram. Facebook wekt de indruk dat het medium bedoeld is voor een ongegeneerd inkijkje in het dagelijks leven en dat het allemaal heel spontaan gaat, maar het tegendeel is waar: men is heel erg bewust bezig met de constructie van een identiteit en het creëren van een imago. Facebook is een spiegelpaleis van authenticiteit, waarin je kunt verdwalen.”

Feit en fictie als dubbelgangers, als elkaars spiegelbeeld, toeschouwer en speler, de goede en de slechte genius. Als we de technologie even wegdenken is er sinds Gérard de Nerval en de romantiek niet zo erg veel veranderd.

IDYLLEN.jpg

Afbeeldingen: La Gomera (Martin Pulaski, 2012); Sandro Botticelli, Kaart van de Hel; Gérard de Nerval (Félix Nadar).

01-03-16

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.
Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk - in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, - nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.
mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

26-02-16

LIEFDE, CYNISME, KLEINE EN GROTE OORLOG

neko case3.jpg


Eerst de ergernissen. Wie is P.B. Gronda? Hoe lang zou hij nadenken voor hij aan een column begint? En hoe lang eraan werken? In zijn meest recente column in Focus Knack – de eerste die ik van hem lees, ik lees zelden columns – schrijft hij onder meer dat mensen niet van muziek houden voor de muziek en voetbalsupporters niet echt van de voetbalploeg waar zij supporters van zijn. Hij geeft enkele voorbeelden: Oasis, Sufjan Stevens, AA Gent en RSC Anderlecht. “Op een bepaald moment”, merkt Gronda op, “zodra de naam gemaakt is, zijn de liedjes van de band of de prestaties van het team van weinig tot geen belang meer. Het gaat vanaf dan meer over een positie in de maatschappij en het gevoel dat je eigen stem versterkt wordt door een grote machtige entiteit: een rijke voetballer en zijn club, een rockster en zijn band.” Het komt erop neer dat mensen van een bepaald soort muziek, van een bepaalde voetbalploeg houden om zich te definiëren, zich te onderscheiden van de anderen, wil Gronda zeggen, meen ik te verstaan. Wat een cynische psychologie, wat psychologisch cynisme. Moet ik werkelijk geloven dat ik niet echt van de songs en elpees van Tim Hardin, Patti Smith, Neko Case, Jeffrey Lee Pierce houd, dat hun muziek mij niet ontroert, dat het mij alleen om een attitude te doen is, om bij een bepaalde groep te horen en bij een andere dan weer niet. Daar geloof ik niets van. Ik geloof dat muziekliefhebbers echt houden van de muziek waar ze van houden, dat de liedjes van hun muzikale ‘helden’ diepe gevoelens bij hen oproepen, hen omzeggens betoveren. Bij voetbalsupporters gebeurt zeker iets gelijkaardigs, maar op een andere manier. Wel begrijp ik dat er meelopers zijn, maar om dat dan te gaan veralgemenen?

Bleri_Lleshi_liggend.jpg

Een paar dagen geleden zag ik auteur/filosoof Bleri Lleshi in De Afspraak – een min of meer onuitstaanbaar programma op Canvas – om er over de liefde te praten. Ik heb zijn boek, ‘Liefde in tijden van angst’, nog niet gelezen, weet hoegenaamd niet of het alleen maar over liefde als agape gaat, of ook over erotische liefde en liefde als vriendschap (en welke andere vormen van liefde er ook nog mogen wezen). Maar ik volg Lleshi in zijn stelling dat de liefde een afdoend antwoord is op de angst die de samenleving nu teistert. Jammer genoeg gaf de arrogante en ook al cynische presentator Bart Schols de schrijver geen enkele kans om zijn stelling te verduidelijken. “Onnozele idioot”, las ik in de lichaamstaal van de presentator, “wat kom jij hier over de liefde leuteren!” Zo vernederend en beledigend was dat, dat ik mij werkelijk zat te schamen. Nog een geluk dat de door het volk beminde psychiater Dirk De Wachter zich achter Bleri Lleshi schaarde. Zo kon ik dan toch met een enigszins rustig gemoed beginnen te kijken naar de wat bizarre film ‘The Shout’ (1978) van Jerzy Skolimowski.

HOPPER OFFICE IS A SMALL CITY.jpg

Gisteren bij IVD ging het over mijn toenemend ongemak wanneer ik me onder mijn soortgenoten begeef. Mijn onvermogen tot small talk. Pijnlijke stiltes, die minuten kunnen duren. Zelfs face to face, wat tot voor kort een genoegen was, worden gesprekken moeilijker, tenzij ik enkele glazen bier of wijn drink. Ik trek me terug in mijn ‘eigen’ wereld, maar welke wereld dat is en hoe hij eruitziet weet ik niet. Niet dat ik al actief banden aan het verbreken ben, maar ik onderhoud de vriendschappen niet, ik blijf in stilte wachten op een af ander teken. Ik praat met haar over depressie en zelfmoord in de literatuur. Daar las ik over in ‘Americana’ van Joost Zwagerman. Ernest Hemingway, Sylvia Plath, William Styron, David Foster Wallace, ze zijn met zovelen. ‘Darkness Visible’ van Styron heb ik destijds twee of drie keer gelezen. Ik herkende mij er gedeeltelijk in – maar ik leed toen zelf aan een depressie, veroorzaakt door een onhoudbare situatie op het werk. Mijn baas nam me een voor een mijn taken en verantwoordelijkheden af, waardoor ik op den duur hele dagen zat te niksen, terwijl ik ernaar snakte dat van mijn gaven, die ik zeker bezat, nuttig gebruik zou worden gemaakt. Dat is echter verleden tijd, vergeven maar niet vergeten. Zodra ik daar weg was, was de depressie ook weg.
Nu herken ik mij in een aantal karaktertrekken en attitudes - bij depressieve schrijvers - die Zwagerman in ‘Americana’ beschrijft. Kwetsbaarheid, niet kunnen omgaan met kritiek, met afwijzing, je in jezelf terug trekken, het gevoel hebben dat je geen gevoel meer hebt, dat niets je nog raakt, zelfs de mooiste muziek niet. Maar een depressie lijkt het nog niet te zijn. Ik sta vroeg op, geniet van het ontbijt, probeer te schrijven, lees verhalen en romans, ben nieuwsgierig naar waar de facebookvrienden mee bezig zijn en wil daar zelf ook dingen delen, kijk ’s avonds naar een film, drink een Rochefort, soms twee. Zo lang als het mogelijk is geen antidepressiva voor mij. Maar ik ben er niet zo gerust in. Het heeft ook niet alleen met mezelf te maken, integendeel. Terwijl ik dit schrijf worden mensen gefolterd, misbruikt, verkracht en gedood, worden steden en landschappen verwoest.
hemingway.jpg

A. vindt de stem van Patty Griffin irriterend, voor mij is ze echter rijk en expressief (niet aangenaam, of mooi, dat niet). Haar stem is die van het harde leven, je hoort er de pijn van de ziel in, verdriet, rouw; maar ze drukt ook hunker, lust, liefde uit. De muzikanten die haar begeleiden voelen elke nuance in haar stem aan en vertalen die naar hun instrumenten, borduren erop verder, en vervolmaken ze – elk in hun heel eigen stijl, wat je bijvoorbeeld hoort in hoe ze de snaren aanraken – tot er een song ontstaat die af is. Een song die, zoals een meanderende rivier in een Amerikaans landschap, perfect is ingebed in een album – in dit geval is dat het juiste woord. Album. Ik heb het over Patty Griffins ‘American Kid’.
PATTY GRIFFIN AMERICAN KID.jpeg

Afbeeldingen: Neko Case; Bleri Lleshi; Edward Hopper, Office in a Small City; Ernest Hemingway; Patty Griffin, American Kid.

24-02-16

OP ZOEK NAAR EEN VLAG DIE DE LADING DEKT

dagboek,journal,journaal,dagboeknotitie,kroniek,relaas,schrijfsel,aantekening,kenneth patchen,albion moonlight,henry miller,leuven,vriendschap,vriend,vriendin,boeken,sylvia plath,goncourt,george orwell,café,licht,pijn,verdriet,boosheid,gezelligheid,tekens,tekeningen,betekenis,begin,cultuur


Is het omdat ik herbegonnen ben met een soort van dagboeknotities dat ik gisteren drie dagboeken heb gekocht? Ik was in Leuven om er met een goede vriend enkele aangename uren door te brengen, pratend over de films die we onlangs hebben gezien, boeken die we hebben gelezen, en bijwijlen ook, als het niet anders kon, over politiek. Als ik in Leuven ben ga ik meestal even bij De Slegte binnen en soms ook bij Fnac. In Brussel is er al een tijd geen De Slegte meer, en de afdeling Nederlandstalige literatuur in de Fnac in de hoofdstad wordt elke dag wat kleiner. En zo kwam het dat mijn oog viel op de dagboeken van Sylvia Plath, Edmond en Jules de Goncourt en George Orwell.
De aankoop houdt met mijn eigen dagboeknotities geen verband. Mocht ik science-fiction schrijven of, om in mijn levensonderhoud te voorzien, Vlaamse pornofilmkens maken, zou ik deze werken ook aangeschaft hebben.
Overigens mag het wel duidelijk zijn dat mijn schrijfsels geen ‘echte’ dagboeknotities zijn. Indien dat wel het geval was zou ik ongetwijfeld schrijven over mijn vriend J. (met wie ik gisteren in Leuven een afspraak had), over hoe hij eruitziet, wat hij me vertelt, zijn fysieke conditie, de kleur van zijn jas, en zo meer; en ook zou ik het hebben over S. (bij wie we zondagmiddag op visite waren) en haar man en haar twee kinderen en de taartjes en de koffie en de kleur van de pas geverfde muren en de buren en zo meer. Wat ik duidelijk niet doe. Dus dit is geen dagboek. Maar wat is het dan wel?

Vorige nacht zat ik met R. en G. in een ouderwets café, zo een waar alle mogelijke soorten mensen iets komen drinken, een beetje zoals de Cirio maar beter verlicht en met minder pluche. We zaten aan het raam in het felle zonlicht. Al gauw zag ik dat R. ontevreden was over iets. Had ik iets verkeerds gezegd, was er iets mis met de kleur van mijn hemd? Ondanks het zonlicht was haar aangezicht in schaduw gehuld. Haar ogen, waar ik de glinstering en zachtheid in zocht die ik er altijd in zie, hadden iets hards gekregen, iets vijandigs. Weinig doet meer pijn dan de boosaardige blik van iemand die je als je beste vriendin beschouwt. Ze was echter nog niet bereid om te zeggen wat haar zo stoorde. Wel ging ze wat verder weg van me zitten, alsof ze al niet meer bij ons gezelschap hoorde, alsof ze zich al voor ons schaamde. ‘Kun jij nu nooit eens een plek kiezen die een beetje van deze tijd is, een beetje modern”, riep ze uit. “Want jij met je gezelligheid altijd!”.
kenneth patchen.jpg

Hoewel ik soms wat droomrafels onder woorden probeer te brengen is dit toch ook geen nachtboek. Ik heb al eens geschreven dat hoochiekoochie een ‘kroniek’ is, maar dat was bluf. Ik vond dat het woord goed klonk en de verwijzing naar Bob Dylans ‘Chronicles Volume One’ streelde mijn ego. Voor een deel dekken ‘kroniek’ en ‘relaas’ wel de lading. In het Engels heb je naast ‘diary’ ook nog ‘journal’. Misschien komen deze geschriften meer in de buurt van zo’n ‘journal’? Ik denk dan onder meer aan het waarschijnlijk al wat vergeten kleinood ‘The Journal Of Albion Moonlight’ van Kenneth Patchen. Over ‘Albion Moonlight’, het alter ego van Patchen, schreef Henry Miller dat hij “de meest naakte man [is] die ik ooit in de literatuur ben tegengekomen.” Kenneth Patchen brengt waarheidsgetrouw, onbevreesd verslag uit van het leven van zijn hoofdpersonage. Zo wil ik eigenlijk ook over mijn hoofdpersonage schrijven, het personage dat ik tegelijk zelf ben en niet ben. Ja, ‘Het dagboek van Albion Moonlight’ (titel van de vertaling door John Vandenbergh’) is een goed voorbeeld. Maar het woord ‘journaal’ is onbruikbaar. Weet je wat, ik zal het bij ‘aantekeningen’ houden. Daar kan ik alle kanten mee uit, zelfs die van de tekens en de tekeningen. Is onze cultuur niet begonnen met tekeningen?

[Als titel had ik eerst ‘Op zoek naar een vlaag die de landing denkt’, maar dat was wat vergezocht. Dat was weer ander proza.]
albion moonlight.jpg

 

23-02-16

DE GENIALE EN STIJLVOLLE GEDACHTEN VAN EEN DRONKAARD

polaroid 1983.jpg
‘Niets heeft meer weet van de dood’, ging hij door, ‘dan de zomerzon, het felle licht en de uitbundige natuur. Je ademt de lucht, je ruikt het bos, en je merkt dat bomen en planten zich niets van je aantrekken. Alles leeft en vergaat in zichzelf. De natuur is de dood…’

Cesare Pavese, De duivel op de heuvels

Gisteravond laat, voor het inslapen, herinnerde ik me weer de sfeer in Antwerpen in de jaren tachtig. Hele nachten in cafés, het buitensporig drinken, de vele lange gesprekken met vrienden, kennissen, onbekenden. Veel van wat ik zei als ik dronken was, was banaal, maar door de alcohol, door de roes kreeg het voor mij een diepere betekenis. Soms vond ik, geloof ik, mijn uitspraken haast geniaal. Terwijl ik ze uitsprak, niet daarna, als ze al neergedwarreld waren op een vochtige tafel of toog. En al helemaal niet als ik ontwaakte in de walgelijke bleke ochtend. Die eigendunk zal wel typisch zijn voor dronkaards die al eens een boek lezen of wat gestudeerd hebben. De drank heeft vooral mijn geheugen aangetast, besef ik al veel langer dan vandaag. Vandaar dat ik me die jaren tachtig in Antwerpen – en elders - ook maar vaag herinneren kan. Al die nachten ging ik op zoek naar iets, maar ik weet nog altijd niet wát.

Ik dacht terug aan de nostalgie van Cesare Pavese. Ook bij hem het nachtleven, maar zo verschillend van het mijne destijds, dat van hem zo bitterzoet en luchtig – en toch ook leeg, zinloos: er gebeurt niets in die nachten; het echte leven van zijn personages voltrekt zich overdag. Maar ook dan heeft het geen zin, geen toekomst. De gelukkige momenten zijn altijd al achter de rug en de herinneringen eraan bieden geen soelaas, integendeel ze maken de dagen zwaar. Veel beter is het te vergeten, te leven in een grenzeloos nu. Het verleden dien je zoveel mogelijk uit te wissen en je maakt best ook geen plannen voor de toekomst.

Ik benijdde Pavese om zijn stijl, om zijn eenvoud. Een stijl, een vorm die ik noodgedwongen moest missen, omdat ik voor ‘ander proza’ gekozen had. Of ‘ander proza’ had mij gekozen: het gebeurde immers onder druk van de tijdsgeest. Hoe de juiste vorm geven aan weemoed, vroeg ik me af, aan de lijdensweg van de uren in eenzaamheid doorgebracht, hunkerend naar iets dat je zou kunnen verlossen. Een kleinigheid of iets groots, dat wist je niet.
Je wist wel dat je het lijden niet mocht verheerlijken. Ondanks de mateloosheid van het experiment voelde je de noodzaak van soberheid, van naakte woorden en zinnen. Samuel Beckett, de late Sylvia Plath. Nostalgie, weemoed, melancholie mochten een rol spelen in je ‘teksten’, maar met mate. Bovendien: hoe kon je controle behouden over dergelijke stemmingen? Gingen zij niet telkens weer met je gedachten op de loop, en schreven zíj niet je gedichten en dromen van proza?

Toen je met schaamte terugdacht aan het belachelijk stukje dat je geschreven had naar aanleiding van de dood van Harper Lee en Umberto Eco viel je gelukkig in slaap. Maar niet voor lang.

 

agnes-didi-matti-patje.jpg

 

 

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende