04-08-05

BALLINGSCHAP IN DE SCHADUW


Het is zo'n heerlijke zomerdag. En toch kom je je kamer niet uit... Waarom ga je geen ommetje maken? Op wat zit je te wachten? Het is nog lang eer Laura thuiskomt van kantoor. Hier valt niets te verrichten.
Jazeker, je kan voor het open venster gaan staan, zoals die man van De Braekeleer, dan zie je wat er op straat gebeurt en wie weet vang je wel een glimp op van iemand aan de overkant... Een jonge vrouw, wie weet, met weinig kleren aan, warm als het is. Maar ik heb in dat gebouw nog nooit iemand gezien. Misschien staat het wel leeg. In onze straat gebeurt overigens nooit iets. Heel uitzonderlijk eens wat blikschade. Meer niet.

Hoewel dat allemaal niet zo zeker is. Hoe vaak dwaalt je aandacht niet af van de straat. Van de hele wereld en haar stand van zaken. Een niet te stuiten stroom van herinneringen dringt zich aan je op. Voor je het weet zit je op de rand van je tafel, roerloos als een hagedis op een of ander zonnig muurtje in Arles. Je treedt uit je observerende zelf om als een zielig persoontje rond te dolen in een schimmig labyrint, bevolkt door groteske figuren die je nauwelijks herkent. De kracht die hen in beeld brengt kan zeker niet van realisme worden beschuldigd. Soms gebeurt het dat je jezelf tussen de schimmen uit je verleden ziet lopen. Of je maakt een fietstocht met je vrienden, naar Geleen in Nederland. Het is zo'n heerlijke zomerdag. Er is nog geen gewicht in je leven. ...Dan voel je ineens weer dat gewicht van vandaag. Misschien omdat je de zon in je ogen voelt schijnen. Het leven is geen pretje. Je bent terug en je vraagt je af hoe het komt dat onze zintuigen zich als wij in onze gedachten of denkbeelden verzinken aan het reële onttrekken. Kunnen wij dan nooit waarnemen, voelen en denken tegelijk?

Ik neem maar plaats aan mijn tafel. Waar zouden mijn vrienden nu zijn?
Ze laten niets meer van zich horen. Vroeger was dat wel anders. Ze lieten mij nooit met rust. En als ze niet aan mijn deur hingen zat er altijd wel een brief van ze in de bus. Zelf schreef ik ook onafgebroken brieven aan mijn vrienden. Duizenden brieven hebben ze van mij ontvangen. In elke omslag, dacht ik, stop ik een stukje van mijn schaduw. Maar bij nader inzien was het niet mijn schaduw die ik onder hen heb verdeeld. In elke brief zat een stukje van mijn ego. Zodat er nu alleen nog schaduw overblijft. Maar schaduw of zelf, wat maakt het uit in een wereld bevolkt door schaduwen. Plato had gelijk. Het ware leven speelt zich elders af. Nooit daar waar je je bevindt. Zelf, schaduw : het zijn twee verschillende woorden, meer niet. Woorden die me vaak beletten te denken, die me al even vaak beletten te leven omdat ze mij in hun ban houden met hun luister, hun abracadabra. Stukjes zelf waren die brieven. Stukjes licht taalspel, overstromend van verbeelding en verwachting. Stukjes schuimend utopia. Geen wonder dat ik veel vrienden had. Ik schonk hen stukjes van dat andere leven dat in die tijd in mij ontwaakte. Uit de wereld waar dat andere leven zich afspeelt ben ik al lang verbannen. Soms als ik droom ben ik er weer even. Het lijkt enigszins op wat er gebeurt op het eiland van Adolfo Bioy Casares. Bij het ontwaken blijft er nauwelijks een spoor van over. Alleen een onverklaarbaar verdriet wijst er op dat ik er weer geweest ben.

Een balling heeft niet veel te vertellen. Zijn bron is opgedroogd, denkt hij. Hij kan zich tot zijn eigen oren beperken, natuurlijk, een zichzelf met verhaaltjes uit de kindertijd in slaap wiegen. Zichzelf wijs maken hoe mooi het leven als kind was. Dat is het enige wat de balling nog rest : dat zoete paradijs der kinderjaren.Het is toch wel een mooie tafel. Volstaat dat dan niet, aan zo'n mooie tafel zitten? Met een dak boven je hoofd. De halve wereld moet het met veel minder doen. Neen. Je hebt geen spijt. Alles wat voorbij is zit veilig opgeborgen in je geheugen. Het is dood en het leeft tegelijkertijd. Spijt is trouwens een lachwekkende emotie. Maar dat geeft niet. Ik heb niets tegen mensen die spijt hebben. En een lachwekkende mens kan een andere lachwekkende mens het leven redden. Dat is al gebeurd. Je moet doen wat je moet doen. Als je graag pralines eet, moet je pralines eten. Zo simpel is het. En als je ze niet kunt betalen? Dan moet iemand anders dat maar doen.

29-07-05

DE KLEINE TRAGEDIE VAN EEN HÖLDERLINLEZER


Friedrich Hölderlin


Met Hölderllins gedichten op zoek naar een café, om even op adem te komen. Je voelt een soort trots. Maar waarom eigenlijk ? Er was je een ochtend van kristal beloofd, heldere lucht die je de adem zou terugschenken.

Hoe je in het donker je tenen telde. De tel verloor. Opnieuw begon. Een haast net zo donkere prinses gleed uit haar witte jurk. Heel even lichtte haar verblindende huid op in de nacht. Daarna hulde zij zich in slangenvel en vulde haar ogen met bloeddorst. Een superieure onverschilligheid voor je lijden nam bezit van haar. Je zette de zwarte parel uit het hoofd.

(Niemand ontsnapt aan de wetmatigheden, in je boek genoteerd.)

Maar niets van dat alles. De zon schroeit en verblindt. Het graan kan elk ogenblik in brand schieten. Nergens is een landbouwer te bespeuren. Het is te heet.

's Avonds gaat het beter. Er worden grote glazen strogeel bier geschonken. De echo van de accordeonmuziek lijkt het bestaan van een hiernamaals te bevestigen, vooral waarschijnlijk omdat je met niemand praat, je kent hun dialect niet, maar wel evenveel drinkt als zij.

Een jong meisje danst op een ruwe houten vloer. Haar bloemetjesjurk is vochtig van haar zweet dat naar appelwijn ruikt. Je had haar graag bij de heupen genomen, en dan zou ze je toegeglimlacht hebben. Dat zou voldoende zijn geweest om je waKker te schudden uit je lethargie. Maar je gaat weer op dezelfde stoel zitten, alleen aan een tafeltje. Met tegenzin grote slokken bitter bier drinkend. Je hebt opeens zin om zo'n vlot type te vermoorden. Een schot tussen de domme ogen zou volstaan.

26-07-05

DE TOREN


empire 3


Twee mannen stappen gehaast door een maïsveld. Ze zijn al lang onderweg. Nu duikt voor hun ogen aan de horizon de Torro de l'Oro op. Vol verwondering laten ze hun blik rusten op het bouwwerk. Ze zwijgen lange tijd en denken bij zichzelf: 'die toren behoort mij toe, ik zag hem het eerst.'

Kraaien in de blauwe lucht. Af en toe scheren ze over de maïsstengels.

De ene man, die een blauw pak aan heeft, neemt het woord. "Dat is de toren van 1750", zegt hij.De tweede man, klein van gestalte, zegt: "Je mag zeggen wat je wilt, maar die toren is van mij, ik heb hem het eerst gezien".

Dicht bij de gouden toren brandt een vuurtje. De kleine man ziet een grote sleutel, die ligt te gloeien in de vlammen. Dat is de sleutel van de poort, denkt hij. In zijn hoofd wordt alles nu glashelder. Een paar meter achter hem daagt zijn metgezel op. De man in het blauw, met een mes in de hand.

De man in het blauw stopt het mes in zijn zak en loopt door: wat verderop heeft hij een brug ontwaard. Dat is de brug naar de toren, denkt hij. Niets houdt mij nu nog tegen. Het geheim is voor mij.

De kleine man twijfelt. Eerst de sleutel uit het vuur, of meteen naar de toren, dat is de vraag. De sleutel, denkt hij, die moet ik hebben. Laat hem maar lopen. Die geraakt toch niet door de poort.

De man in het blauw nadert de brug. Daar stort hij al neer, zijn hart stil gevallen. Zijn gelaat heeft nu dezelfde kleur als zijn pak. Uit dit voorval schept de kleine man nieuwe moed. Hij begeeft zich in de vlammen om zich de sleutel toe te eigenen. Aangezien hij echter blootsvoets is, verbrandt hij meteen zijn voetzolen. De sleutel blijft buiten bereik.

Nu zit hij radeloos onder een notenboom. Zijn voeten doen pijn, maar daar denkt hij niet aan. Hij denkt aan de toren en aan de sleutel in het vuur. Hoe geraak ik toch in de toren binnen zonder sleutel?Plotseling treft een bliksemflits de top van de toren. Het bouwwerk vat meteen vuur. Allerlei gedaanten, bevangen door schrik voor de vuurdood, springen door de ramen.

De kleine man scharrelt zijn weinige bezittingen bijeen en keert terug op zijn schreden. De zon is inmiddels aan de hemel verschenen. Hij probeert zo lang als hij kan in de zon te kijken. Tot hij zich moet onderwerpen. Niets is sterker dan de zon, zegt hij. Achter hem staat de Torro de l'Oro. In het bovenste gedeelte is het vuur al gedoofd.

25-07-05

GEEF AL HET OVERIGE AAN DE STROOM

nachtmerrie,ziekte,dood,metamorfose,verhaal,hoochiekoochie,rivier,stroom,golem,shakespeare,paul bowles

Alfred leunt zwaar tegen de donkere kussens. Naast het bed dat naar de ziekte stinkt staat een kastje met doosjes pillen, drie romans van Paul Bowles, het werk van Shakespeare en een fles jenever. Voorbij het kastje begint de verschrikkelijke wereld. Uit die verschrikkelijke wereld is een bezoeker opgedoken die nu op een stoel naast het bed zit en luistert naar Alfreds gefluister. 


"Mijn vriend en ik wandelden over een verlaten strand. De zon omhulde ons met een zacht licht, met tinten van de Atlantische oceaan en van de hemel. Er waren geen wolken te zien. Hadden we niet beiden het gevoel dat we in het oneindige rustten ?"

"Wie was die vriend", vraagt Bruno, "of spreek je daar liever niet over?"

"Het was Bruno", zegt Alfred, "maar het was niet dezelfde Bruno als jij. Een beetje wel, hij had bijvoorbeeld hetzelfde blauwe pak aan als jij, en hij had ook dezelfde boeken gelezen, geloof ik. Maar hij hield van aardappelen. Ja, hij was anders."

"Bruno begon een put te graven. Na een kwartier of zo stootte hij met zijn schop op een been. Het kwam hem voor dat het een menselijk been was. En inderdaad, enige minuten later vond hij nog een stuk van wat alleen maar een geraamte kon zijn. Hij zou blijven doorgraven tot hij alle beenderen van het skelet verzameld had, zei hij..."

"Ik zie het", zegt Bruno, "en hij heeft de schedel in zijn handen en hij mompelt 'waarom zou dit niet de schedel van een rechtsgeleerde zijn? Waar zijn nu z'n haarkloverijen, zijn drogredenen, zijn rechtsgedingen, zijn acten en zijn knepen...'"

"Geen sprake van", zegt Alfred. "Hij zou te moe geweest zijn om aan Hamlet te denken. De zon was mild, dat wel, maar het graven duurde lang. Ik weet niet hoe het kwam, maar op een bepaald moment besefte ik dat ik me naast Bruno in de put bevond. Ook ik stond nu te in de grond te wroeten. Ik stelde vast dat de beenderen uitermate klein waren. Dat zag ik nu pas. We begrepen dat dit het geraamte van een dwerg moest zijn. Hierdoor werd onze nieuwsgierigheid, die zo al groot was, nog meer gewekt. Uiteindelijk, toen we alleen nog op zand stootten, wikkelden we alles wat we gevonden hadden in een doek en namen het mee naar huis. Je kunt je niet voorstellen hoe ongeduldig je was, Bruno."

"Ongeduldig?", vraagt Bruno.

"Je stalde de beenderen uit op een lage, notenhouten kast, die ik overigens nooit tevoren had opgemerkt. Wat ga je doen, vroeg ik. Ik ga het geraamte in elkaar zetten, zei Bruno. Ik ging een thee drinken in het theehuis op de hoek en bladerde wat in de krant van twee dagen tevoren. Een half uurtje later stond ik opnieuw voor de kast en vroeg nog een keer wat hij nu eigenlijk aan het doen was. Ik maak een ventje, zei hij.
Bruno zat echter op een stoel recht voor de kast en keek naar het ventje. Hij was al gereed, met zijn schitterende oogjes en zijn grote rode neus. Bovenal glom hij, van top tot teen. Ook was hij natuurlijk buitengewoon klein. Je zag meteen dat het een slecht ventje was, Bruno. Door en door slecht. En plots was jij verdwenen, weg. Alleen het ventje was er nog. En ik. Heel brutaal keek de smeerlap me aan en zei, met jouw eigen stem, maar krassend en oud, een lelijke stem: weet je wel wie ik ben? Ik ben je vriend, Bruno, zei hij. Je had zijn grijns moeten zien. Maar gelijk had hij: tegenover mij zat het ventje en hij heette Bruno en het was mijn enige vriend. Hij bleef niet lang zitten.
Waarschijnlijk had hij zin om even zijn benen te strekken. Wat ook de reden was, hij sprong van de kast en begon luid te lachen. Ik voelde er niets voor om iets te zeggen. Al het zout van de oceaan zat in mijn mond.
Toen jij terug was, ik weet niet van waar je kwam, trok alle leven uit het ventje weg. Wel bleef hij nog rechtop staan, maar hij lachte niet langer, en de schittering verliet zijn gemene oogjes. Daarop keek jij me aan en zei: nu moet jij eens het ventje zijn, Alfred.
Het gebeurde zo snel dat ik me hoegenaamd niet kon verzetten. En de duivel daalde in mij neer met zijn vurige aard en vloekte in mij, met mijn kleine, giftige tong. Ik was het ventje. En er was niets op de wereld dat ik liever wou doen dan de mensen zoveel mogelijk kwellen. Dat ik ooit Alfred was geweest was ik vergeten. Toch zei ik tegen Bruno: ik ben Alfred, je beste vriend. Tegen jou zei ik dat, dat je mijn beste vriend was. Maar geen steen mocht op een andere steen blijven rusten. En de walvissen van de oceaan zouden op het strand liggen te rotten in de verzengende zon."

Bruno kan het gefluister niet meer verstaan. Een stervende mens stinkt erger dan een dood schaap op het strand. Soms moet hij er even uit om in het park de geur van de dennenbomen op te snuiven en in een soort van geestelijke verbijstering te bidden tot Sint-Christoffel, die op een paard gezeten, een kind naar de overkant van de rivier helpt. Alleen het kind, bidt hij, geef al het overige maar aan de stroom.

19-07-05

SCHILD OF VRIEND


We zitten al de hele middag te drinken, mijn vriend Alfred en ik. Zoals veel van mijn vrienden en kennissen is Alfred het leven beu. Optimisten (en eigenlijk al degenen die geslaagd zijn in hun carrière) hebben mij om een of andere reden al lang de rug toegekeerd. Bestel nog een glas wijn, is Alfreds leuze, want het leven is niets en de wereld heeft mij niet nodig.

's Avonds in café de Kat laat ik Alfred even aan zijn lot over om dag te gaan zeggen tegen Ronald, een vermolmde architect, die in de jaren zestig zijn laatste huizen heeft 'gebouwd'. Ik wijs - niet al te opvallend - naar Alfred en leg uit dat hij diep in de put zit. Ronald haalt zijn schouders op.

"Niemand mag sterven, Ronald", zeg ik.
"Laat ze allemaal maar zelfmoord plegen", zegt Ronald. "En trek het je niet aan, als ze het willen doen ze het toch".
Terwijl we zitten te praten loopt Alfred De Kat uit en roept, zonder echter zijn stem te verheffen, "ik wil sterven". Ik ga hem achterna, grijp hem bij zijn mouw en trek hem weer het café binnen. Ondanks zijn duidelijke afkeer van alles wat hij nu een tweede keer ontwaart gaat hij gewillig op een wankele stoel zitten.
"We nemen meteen een taxi", zeg ik. "Eerst bestel ik nog een rondje voor Ronald en zijn vrienden".

"Ben jij wel van Antwerpen?" vraagt de pooier van een blondje (ongeveer 19 jaar, groene ogen). Waarschijnlijk is hij geen pooier, maar ik vind het prettig hem zo te noemen. Had hij maar niet dat felblauw zijden hemd moeten aantrekken. En dat hij het meisje behandelt alsof ze zijn poedel is kan ik al helemaal niet hebben. Na één seconde haat ik deze man reeds en heb ik zin om hem een vuistslag te geven. Jammer dat ik niet sterker ben. Een goedgeplaatste vuistslag zou nochtans veel oplossen. Maar in de Kat houden ze mij voor een intellectueel. Het soort dat niet vecht. Bovendien doe ik niets aan mijn conditie, draag ik een bril en ben mager, allemaal zaken die weinig efficiënt zijn als het op vechten aankomt.
"Ik ben van Brussel en van Antwerpen", antwoord ik zo vriendelijk mogelijk.
"Daar heb ik ook gewoond, in Brussel", zegt het blondje.
"In Brussel was alles beter", voegt ze er aan toe.
"Overal was altijd alles beter", zeg ik.
Ze kijkt me boos aan. Heb ik iets verkeerds gezegd?
"Ik wil zelfmoord plegen", kreunt Alfred.
"Laat hem toch zeuren", zegt Ronald, "het is nog te vroeg voor je taxi".
"Overal was altijd alles beter", zeg ik, "overal!".

Een Indiër met bloemen komt het café binnen. Niemand is geïnteresseerd in zijn koopwaar. Ik wel : het tafereel roept een vaag gevoel van herkenning in me op, het is alsof ik gedwongen word de man aan te spreken en te zeggen wat ik zeg.
"Hoeveel voor zo'n roos?", vraag ik.
"Een euro", zegt hij.
"Vijftig cent", zeg ik. Ondertussen vraag ik me af: voor wie?
"Negentig", zeg de Indiër.
"Vijftig", houd ik vol.
"Tachtig", zegt de Indiër.
"Vijftig".
"Zeventig".
"Vijftig".
"Zestig".
"Vijftig".
"O.K.", zegt de Indiër, "vijftig frank voor deze mooie roos".
Ik voel me zo sterk door deze overwinning dat ik me afvraag of ik de pooier toch maar niet in zijn gezicht zal slaan. De roos geef ik aan Lydia. Aan wie moet ik ze anders geven? Lydia is natuurlijk verbaasd. Al die jaren dat ik in haar café kom heb ik nauwelijks het woord tot haar gericht, laat staan haar iets gegeven, en nu dit.
"Waarom geef je mij een roos?" vraagt ze.
"Omdat ze in mijn hand verwelkt", zeg ik. "Lydia, ik woonde graag in Antwerpen. Dit is altijd mijn heilige stad geweest. Je had al veel meer bloemen van mij moeten krijgen, al was het maar om de tijd te verzachten".

Pieter De Zwaan komt naar me toe. We begroeten elkaar.
"Je bent wel dik geworden", zeg ik.
"Vind je?", vraagt hij.
"Wel zeker", zeg ik, "erg dik. Als ik ooit een acteur zoek voor mijn versie van Pere Ubu, weet ik bij wie ik terecht kan. A propos, ken jij die pretentieuze kerel daar, met dat brilletje op zijn neus? Nu ja, ik heb ook wel een brilletje op. Maar dat is toch nog een ander brilletje, als je het mij vraagt. Ik heb zin om die man een pak slaag te verkopen. Vooral vanwege dat zijden hemd dan".
"Je moet dat doen", zegt Pieter. "Het is een klootzak. Een echte chauvinist. En hij is niet eens van Antwerpen !"
"Dat is gemakkelijk gezegd", zeg ik. "Maar kan ik die man nu in mekaar rammen, terwijl mijn vriend Alfred daar zelfmoord wil plegen?"
"Wil Alfred zelfmoord plegen?" vraagt Pieter.
"Ja", zeg ik. "Ik breng hem meteen naar huis, met de taxi. En daarna neem ik in Berchem de junkietrein die van Amsterdam komt. "
"Je moet nooit bang zijn", komt Ronald ertussen "Dat is nergens goed voor. In Brussel moet je ook niet bang zijn. Je moet brutaal zijn. En brullen. Als je brult, weten ze dat je niet bang bent. Je moet brullen zoals je hier in Antwerpen hebt gedaan toen die motorrijder je vriend omver wilde rijden".
"Ja, dat is waar", zeg ik, "die sonofabitch is wel even geschrokken".

(Op weg van de Volle Maan naar de Kat had een verschrikkelijke kerel op een Honda geprobeerd Alfred omver te rijden, zij het zeer traag. Vlakbij de kathedraal nota bene ! Ik ben heel luid beginnen te brullen dat hij een verdomde klootzak was. Daarop is hij zo vlug als hij kon met zijn Japans monster op de vlucht geslagen.)

Alfred staat op, neemt een aantal briefjes van twintig uit zijn jas en werpt die op de vloer. Ik raap ze op en geef ze hem terug. Nu is het echt wel tijd voor de taxi.
Als we aan het station van Berchem aankomen heb ik nog twee minuten voor de trein naar Brussel vertrekt. Ik geef Alfred twintig euro, met de bedoeling dat hij zich nog tot voor zijn deur laat brengen, maar hij geeft het geld meteen aan de taxichauffeur en stapt ook uit.
"Zal het gaan?", vraag ik.
"Ja", zegt hij", het is niet ver".

Op de junkietrein zitten geen junkies, zo te zien. Er wordt zelfs geen joint gerookt. Ik zet mijn koptelefoon op en luister naar Townes Van Zandt:
"To live is to fly high and low...".

Een uurtje later hang ik op een barkruk in een armemensen-café nabij het Zuidstation. Het bier smaakt er slecht maar de mensen die er rondhangen zien er tevreden uit, ook al is hun smaak even slecht als die van de pils. Een paar oudere koppels dansen op de muziek van de juke box. "Pepito Mi Corazon", zingt de zangeres van Los Machucambos. Het herinnert me onmiddellijk aan een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van de dood van mijn vader (waarin ik hem, met een schipperspet op, zie dansen op "Pepito Mi Corazon"). Het wordt tijd om op te krassen. Dit is mijn verleden. Mijn ware leven is elders. Ik moet bellen naar mijn vriend. Hij mag niet sterven.

In de taxi heb ik een discussie met de Limburgse chauffeur, een uitgesproken racist.
"Die Marokkanen moeten hier weg", zegt hij. "Ze maken hier alles kapot".
Ik word niet boos, probeer hem te begrijpen. Maar hem tot een inzicht brengen dat mij juister lijkt, dat lukt mij niet. Voor mijn woning aangekomen zet hij de teller af, om onze discussie voort te kunnen zetten. We praten nog een half uur. Mijn argumentatie is gebaseerd op één idee: als de Marokkanen weg zijn, dan zullen het de Limburgers zijn die alles verpesten. Want dat zijn ook geen echte Vlamingen, echte Vlamingen zingen namelijk niet. En het zijn zeker geen echte Walen. Mensen kiezen altijd een vijand uit. Dat probleem los je niet op met de Marokkanen of wie dan ook naar 'huis' te sturen.
"De mensen moeten met elkaar leren leven", zeg ik, "dat geldt net zo goed voor u als voor mij. Ik heb net zo goed een heleboel vijandige gevoelens in mijn lijf als u". Zal hij hier over nadenken? Ik betwijfel het. Toch geven we elkaar een hand en nemen we op vriendelijke wijze afscheid.

Het is vier uur in de ochtend. Ik bel Alfred op. De telefoon wordt niet opgenomen. Zou hij slapen? Of is hij dood? Wat maakt het uit voor hem ? Het leven is niets. Alleen wij die blijven zullen treuren. En elkaar met tegenzin in de ogen kijken. Op reis gaan naar plaatsen waar iedereen al geweest is, en geeuwen van al die schoonheid. Alleen wij zullen leugens vertellen. Anders is het leven niets. Alfred is een taaie kerel. Hij kan tegen een stootje.

18-07-05

GREEN GREEN GRASS OF HOME


armstrong


In dit café ziet iedereen er op zijn manier ongelukkig uit. Dat kan ook moeilijk anders, die ongelukkige uitstraling werkt aanstekelijk. Bewust of onbewust beseft elke klant dat er geen droeviger land bestaat dan België. Met Brussel als hoofdstad van de teloorgang. Ik spreek tegen mezelf. Cowboy van de nacht, nog eens een keer. De andere vaqueros schrijven boeken die ze bij hun oude vrienden of vijanden publiceren. Pat Garrett en Billy the Kid. Alias. Hun stad is Brussel. Ze hebben ze helemaal alleen ontdekt. Steen voor steen afgebroken, opgebouwd, weer afgebroken. Klein Sarajevo, zoals ze zeggen. In dit café dans ik de polonaise. Een Japanner speelt synthesizer en kweelt fluwelerig The Green Green Grass of Home, een grote hit voor Tom Jones in de gouden sixties. Desondanks dans ik de polonaise, op mijn eentje, met mijn pen over een bierviltje, op een barkruk gezeten.

Een stukje vuil papier kleeft al een poos aan mijn schoenzool. Dan aan mijn andere. Een weinig aantrekkelijk meisje in minirok dat kort bij me danst, met haar verhit lijf, zet haar voet op het papiertje en ik ben bevrijd. Ze lacht me toe, alsof ze zelf van het Kwaad verlost is. Dat noem ik communicatie. Uit pure en plotselinge menslievendheid betaal ik een zwarte broeder een glas bier. Hij komt uit Nigeria, zegt hij. Of ik getrouwd ben, vraagt hij. Ja, zeker, of course, zeg ik. Hij opent een koffertje waarin horloges, armbanden, halssnoeren, gouden ringen schitteren. Ik glimlach. Ze heeft al een horloge, zeg ik. En armbanden, halssnoeren, een gouden trouwring. Overigens heeft ze nu geen besef van tijd. Ze bevindt zich in een ander universum, waar het gelukkiger vertoeven is dan hier.

Ik zit een tijdje te mijmeren aan de bar, krijg een niesbui, kijk naar de dansende koppels en eenlingen.

Nadat ik bij een groep Polen aan tafel heb gezeten - en lang heb gepraat met het weinig aantrekkelijke meisje met de minirok, nieuwsgierig naar wat ze hier doen, zij en haar Poolse collega's, in dit ongelukkige land, in dit troosteloze café, zo lang na middernacht -, de Polen zijn al weg, begeleid door een soort van chaperonne, of misschien staan ze nog voor de deur, we hebben nog maar net afscheid genomen, ik heb het meisje drie kussen gegeven, op z’n Belgisch, staat opeens een blonde Poolse jongen voor me. Ik heb zijn gezicht al gezien op televisie, in reportages over de burgeroorlogen, vergeldingsacties… Een gezicht dat woest is, dat wil vernietigen.

What are you trying to do, vraagt hij, klaar om mij een vuistslag toe te dienen. Dit is mijn tafel, man! Jouw tafel? Had je gezelschap me dan niet gevraagd er bij te komen zitten? Ik wilde alleen maar vriendelijk zijn. Ik heb een zwak voor vreemdelingen. Ze moeten zich hier goed voelen. Veel te vaak stellen wij Belgen ons te negatief op tegenover het uitheemse. Dronken gelul, natuurlijk, maar ik meende het wel. De jongen blijft agressief, nog altijd vechtensgereed. Ik wil niet vechten. Niet eens ruzie maken. Dat is voorbij, voor altijd. Wat wilde je mijn vriendinnetje op de mouw spelden, vraagt hij. Ach zo, dat was je vriendinnetje. Dat wist ik niet. We praatten maar wat. Ze vertelde me waar ze vandaan kwam, wat ze van haar vaderland vond en zo. Meer niet. (Ze is al twee weken in België, zei ze. Maar ik heb nog altijd niet begrepen waarom. Ze logeren allemaal in hetzelfde hotel. Of ik haar adres wil hebben, vroeg ze. Misschien heb je een slaapplaats nodig. Neen, ik woon hier. Ik heb onderdak. Ik kom hier alleen maar iets drinken.) Ik tracht alleen maar vriendelijk te zijn, zeg ik tegen de Pool. Show the good side of me.

De Poolse jongen draait zich om, kennelijk tevreden met mijn antwoord. Ik keer terug naar de bar, bestel nog een bier. Een Marokkaan zit naast me. Les Polonais sont pas vraiment gentils, zeg ik. De Marokkaan trekt zijn schouders op. Ik zie meteen dat hij denkt dat ik dronken ben. Natuurlijk ben ik dat ook. Het bier is veel te goedkoop in dit café. Zou je niet beter naar huis gaan, zegt de Marokkaan. Hij wil duidelijk geen partij kiezen, hij bewaart afstand. Jij en ik, wij wonen hier, zeg ik. Maar zij komen de zaak hier verpesten, die verdomde Polen. Je kunt ze niet vertrouwen. Wij moeten op onze hoede zijn. De Marokkaan reageert niet. Ik kan net zo goed tegen mezelf praten.Er is wel een andere Marokkaan, die de glazen ophaalt. Hij is één en al glimlach, vriendelijkheid. Maar hij heeft het druk en kan niet praten. Toch heb ik de troost van vreemden nodig. Ik ga dan maar de Japanner bedanken voor de 'mooie' muziek. I really like The Green Green Grass of Home, zeg ik. Ik heb de indruk dat dit het eerste compliment is dat hij vanavond krijgt. Wellicht het eerste compliment in jaren, zoals hij glundert, de Japanner.

Sluitingstijd, zegt de barman, zo'n echte Brusselaar, vrolijk en bars tegelijk. Ik stap de nacht in, op zoek naar een taxi. Ik vraag de chauffeur of hij zin heeft om te praten, want ik neem nu geen risico's meer. Of course wil hij praten, monsieur. Taxichauffeurs, die favoriete vreemden, altijd bereid je wijsheid en je geleuter te aanhoren. Ik vertel hem over Brussel, onze droevige stad, waar wij wonen, uit Aywaille hierheen gekomen, uit Izmir, uit een dorp in het Atlasgebergte, uit Limburg. De gouden droom achterna, op de vlucht voor het groene gras van thuis, voor de harde rotsen. Voor het leven van de ouders dat in rook is opgegaan. Maar ondertussen brengt hij mij naar mijn andere huis, waar ik verblijf, de zomer uitzing. Waar ik mijn toevallige ontmoetingen overschouw. Waar ik mijn Poolse roots angstvallig verborgen houd.

EEN VISITE


she speaks like silence

Julie, Laura en ik zaten te praten in de salon. Als er visite is zorg ik altijd voor muziek, zelfs al weet ik dat er niet naar wordt geluisterd. Die middag luisterde niemand van ons naar Saint Dominic's Preview. Julies man had haar weer een keer afgeranseld.
"Waarom blijf je toch bij zo'n bruut?" vroeg Laura.
Ik zweeg. Mijn vroegere vriend Antoine S., een dikke jongen met sadistische trekjes, had me ooit een affiche opgestuurd van Bunuels El Bruto, met de onderliggende, onuitgesproken boodschap dat de geweldenaar die op de afbeelding zijn vrouw te lijf gaat opvallend op mij gelijkt. Dat was nadat Antoine mij, na een wat uit de hand gelopen kroegentocht, vanuit de logeerkamer had horen ruzie maken met Laura. Van teveel bier en whisky word ik niet meteen zachtaardig. Maar een bruut?
"Ik kan niet van hem weggaan, hij kan nog geen ei koken en wie zou z'n schoenen wel moeten poetsen..." zei Julie.
"Dat moet hij dan zelf maar leren," zei Laura.
"Hij heeft andere dingen te doen," zei Julie.
"Ja, dat zie ik," zei Laura.
"Au fond is hij een hele lieve man," zei Julie.
"Hij is gespleten, zoals de meesten van ons," zei ik, "maar je moet toch voorzichtig zijn. Je kunt niet de hele tijd rondlopen met zo'n zonnebril op. En dan nog zo'n grote. Dan weet iedereen meteen hoe laat het is."
"Het valt nog mee," zei Julie, "kijk maar."
Met een sierlijk gebaar nam ze haar zonnebril af.
"Je hebt er toch al beter uitgezien," zei Laura.

Je moet niet denken dat we al veel gedronken hadden. Mijn principe is dat ik voor zonsondergang geen alcohol aanraak. Van de drank neemt mijn concentratievermogen af, er komt iets duisters over mij en dat hoort van nature bij de avond. Zover was het nog lang niet. Toch werd Julie opeens lijkbleek. Ik was bang dat ze haar bewustzijn zou verliezen en dacht dat het misschien zou helpen als ik haar hand vast zou nemen. Die was slap en vochtig maar toch ook weer niet onaangenaam om aan te raken.
"Ik geloof dat ik zwanger ben," fluisterde Julie.
"Dat meen je niet," zei ik.
"Alles is mogelijk," zei Julie.
Ik verstond haar nog nauwelijks.

Ik vond haar mooi zoals ze daar in het late zonlicht zat, zo wit van huid en met haar lange blonde haren, die haar leken te beschermen tegen het donkere onheil dat uit haar ogen ontsnapte, en met haar hand als een verboden vrucht in mijn hand. Zo zonk ze weg in een toestand waar sommigen nooit van terugkeren. Laura had onze huisdokter al gebeld. Die zou zo vlug mogelijk komen. We hadden Julie op de sofa gelegd, haar schoenen uitgetrokken, haar broekriem losgemaakt.

De deurbel rinkelde. De dokter kon er onmogelijk al zijn. Toen ik de deur opende stond ik oog in oog met een Afrikaan, die me vriendelijk aankeek. Maar je kunt natuurlijk moeilijk een vies gezicht trekken als je aan huis verkoopt.
"U hebt toch posters besteld..." zei hij.
"Neen, hoe komt u erbij?" vroeg ik.
"U bent toch mijnheer Borgers..." zei hij.
"Ja, ja, maar ik heb helemaal niets besteld. Anders zou ik me dat nog wel herinneren. Overigens bestel ik nooit iets en zeker geen posters..."
De Afrikaan bleef vriendelijk aandringen. Ik moest zijn waren toch eens goed bekijken. Er zaten waardevolle dingen tussen. Hij was er van overtuigd dat ik iets naar mijn zin zou aantreffen. Om van zijn gezeur verlost te zijn liet ik de man binnen in de hal. Dat moet je natuurlijk vooral niet doen. Maar het gebeurt wel vaker dat ik verkeerde beslissingen neem.
Nu pas zag ik de omvang van zijn lading. Hoe kon één man een dergelijk gewicht torsen? Posters, stapels oude tijdschriften, lederwaren uit het oosten, pottenbakkersproducten waarmee je lege boekenrekken kan vullen, je kent dit soort koopwaren wel.

De posters waren allemaal beschadigd. Op de meeste exemplaren stonden stierenvechters in heroïsche houdingen onschuldig bloed te vergieten. Typische taferelen. Er zaten ook wat van die Hamilton-meisjes bij, die op mij hetzelfde effect hebben als op de oude Grieken de blik van de Medusa. El Bruto kon ik niet vinden. Want het was natuurlijk mogelijk dat Antoine de Afrikaan had gestuurd, maar dat was de goeie jongen meer gevoel voor humor toeschrijven dan hij in werkelijkheid bezat. Hoe kreeg ik de leurder de deur uit? Zoals ik het bekeek had hij alleen maar rotzooi aan te bieden. In één van de tijdschriften uit de jaren '60 trof ik de teksten van Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band aan. Er stonden eveneens foto's in van blote vrouwen maar gelukkig waren die het werk van een fotograaf met minder artistieke pretenties dan David Hamilton. Het was een merkwaardig tijdschrift maar lang niet merkwaardig genoeg om er de prijs voor te betalen die mijn verkoper er voor vroeg. Uit wanhoop riep ik Laura erbij. Ik had zo'n idee dat zij de man op een diplomatische manier het gat van de deur zou kunnen wijzen. Daarna keerde ik naar de salon terug. In Julies toestand was geen verbetering gekomen.

Ik hoorde Laura en de Afrikaan lachen in de hal. Je moet weten dat ik van aanleg nogal jaloers ben. Als je zo geboren bent, moet je daar leren mee leven. Tussen blanken, zwarten of Chinezen maak ik geen onderscheid, als het mannen zijn, dan zijn het voor mij rivalen. Voor elke man geldt dezelfde wet. De vrouw van de andere is altijd beter dan de jouwe. Tot ze bij jou in bed ligt. Zo blijft de wereld draaien. Kant schreef al dat je van het geluk alleen maar kan dromen en zodra je iets bereikt hebt of iets bezit, betekent het niet veel meer. Ik vond dat Laura's lach behoorlijk geil klonk. En dat terwijl haar vriendin hier half dood op de canapé lag.

"Ik heb zijn hele handeltje maar gekocht," zei Laura, "de man was anders met geen stokken het huis uit te krijgen."Ik was razend. Maar vanwege de zieke hield ik me in.
"Hoe heb je hem betaald?" vroeg ik.
Natuurlijk antwoordde zij niet. Ik had al spijt van mijn giftige woorden. Tenslotte had zij het toch voor elkaar gekregen dat de indringer weer op straat stond. Intussen was de zon achter de wolken verdwenen en viel er lichte regen.

Een paar minuten later kwam Julie weer bij bewustzijn. De dokter kon nu wel helemaal wegblijven. Dat had hij waarschijnlijk toch al vermoed. Hij kende de situatie bij ons thuis zo'n beetje : er was al vaker loos alarm geweest. Julie knapte snel weer op.
"Je moet er maar niet op letten," zei ze, "ik heb dit wel vaker."
"Ben je dan toch niet zwanger?," vroeg ik.
"Zwanger, ik ! Ben je gek ! Hoe kom je erbij !" zei Julie.
"Grapje," zei ik.
"Waar zijn mijn schoenen?" vroeg Julie.
"Daar onder tafel," zei Laura.
"En vergeet je zonnebril niet," zei ik.

Van Morrison was aan zijn laatste nummer begonnen. It's almost independence day. Wij zwegen alledrie. Ik keek door het raam. De bladeren van de paardenkastanje trilden licht in de regen. Ik hoopte dat de Afrikaan in café Bij Leontine van zijn glas bier zat te genieten.

Foto: copyright Martin Pulaski

WESTERN

western,mythologie,schets,skelet,goed,kwaad,rood,montage,bloed

Skelet voor een verhaal gebaseerd op de westernmythologie. 


Bluegrassmuziek, liedjes van Johnny Cash en Alexander Spence, maar ook The Streets Of Laredo in de versie van John Cale en Sweetheart van Suicide. Het gaat inderdaad om een verhaal waar muziek bijhoort.

Glinsterende wapens, colts, vlijmscherpe messen.

Het belangrijkste personage, Allen Farbman, is geobsedeerd door klassieke westerns (Shane, Man Of the West, High Noon, The Searchers). Hij citeert uit die films. Hij is er ook op gebaseerd, een combinatie van Alan Ladd, James Stewart, Gary Cooper en Warren Oates.

Belangrijkste kleur: rood.

Hij komt uit het niets, of veeleer uit het bijna-niets van de burgeroorlog, of een andere tragedie, en op het einde verdwijnt hij weer in dat zelfde bijna-niets, bijvoorbeeld de woestijn.

Strijd tussen goed en kwaad. Het kwaad zit in elke mens. Ook in Allen Farbman. Elke mens is een duivel, een gevallen engel, een hulpeloos schepsel, verdreven uit het paradijs. Het dier echter doet niemand kwaad. De hond, de koe en het paard als engelen, zoals in sommige werken van Marc Chagall.

Geen definitie van goed en kwaad; goed en kwaad lopen over in elkaar. De goede bestaat niet (zoals in El Topo van Alexandre Jodorowski, of Touch Of Evil van Orson Welles).

Al het bloed, al het bloed.

Montagetechniek. Combinatiemethode. Citaten. Met namen jongleren. Bluffen zoals de pokerspeler.

Het zwijgen: de dingen niet kunnen uitdrukken. Denk aan Clint Eastwood.

Evolutie van het verhaal: het gaat van praten naar fluisteren en eindigt met volstrekt zwijgen.

Geen happy end.

14-04-05

DE NIEUWE PORNOGRAFIE


bettina rheims


Kort na ons middagdutje vaart de Atlanta, de aak van mijn vader en moeder, langs het Ile Monsin.
Laura en ik staan op het voordek en laten voor de eerste keer samen onze blikken vallen op het diepe water van de Maas. Met de aak aankomen in Luik, wat sinds mijn kindertijd niet meer is gebeurd, geeft me een intens gevoel van welbehagen. Ik wijs Laura op een van de zestien mooie bruggen, die de sfeer van een denkbeeldig Parijs oproepen. Ik schep er een genoegen in dat ik Laura een deel van het decor van mijn lang vervlogen kinderjaren kan tonen: de zwartgeblakerde romaanse, gotische en moderne gebouwen, het industriële landschap van Ougrée en Seraing, met zijn stinkende fabrieken en vuurspuwende hoogovens, het kristalbedrijf van Val Saint-Lambert en de engelen die zich van de bruggen lijken te willen storten, al was het maar om heel even de last van de zwaartekracht te kunnen voelen, om daarna, met een paar vleugelslagen, weer hun plaats in te nemen.
 
Inmiddels is de avond gevallen. Het zal een zwarte nacht worden, zonder sterren en maan. Nu al is er geen onderscheid meer tussen schip en water. Ik kan nog aanvoelen wat er gebeurt en waar we ons bevinden, maar kan Laura niets meer aanwijzen. Ik zie vonken wegspringen uit de bolder als mijn vader het schip aanmeert, daarna wordt het stil en helemaal donker. Ik denk dat we in Ivoz-Ramet zijn, maar ik ben niet zeker. Laura en ik zijn tijdens een wandeling in een nachtelijk woud verdwaald. Tropische planten overwoekeren het pad. Merkwaardig dat er geen aanwijzing te zien is dat hier ooit iemand heeft gelopen. Onzichtbare bloemen dringen hun bedwelmende geuren op aan de lucht. We worden er moe en onrustig van. Was het mogelijk ik zou hier niet ademhalen. Plotseling flitsen overal om ons heen spots aan. Duidelijk zichtbaar staan ze opgesteld tussen varens en laurierstruiken. Dit is niet langer een gewoon woud maar veeleer een dierenreservaat. Hoewel alle dieren vrij zijn, houdt elke soort zich aan een eigen, apart territorium. Ik vind dat vreemd, aangezien er niemand aanwezig is die de dieren tot wat dan ook kan dwingen. Eerst lopen we door het gebied van de apen. Die doen wat je van apen mag verwachten, springen in het rond, maken obscene gebaren, klimmen in de bomen en komen er weer uit tevoorschijn. Ze zien er niet vijandig uit; ons maken ze alvast niet bang. Wat later verrassen ons de tropische vogels met hun paradijselijke kleuren. Papegaaien, parkieten, pelikanen, kolibries en kaketoes met wonderlijke snavels lijken uit een of ander Eldorado te zijn ontsnapt, om hier als gevleugelde masochisten van hun gevangenschap te genieten. Nog wat verder huppelen duizenden maki's in het rond, alsof ze dansen op het ritme van trommelaars uit Madagascar. In de verte trekt een heldere zone van wit licht onze aandacht. Dat moet zeker de rand van het woud zijn. Daar houden de pinguïns hun waggelende optocht voor de vrede.
 
Opnieuw is de dag aangebroken. Laura en ik zwerven door een oud stadsgedeelte. Huizen met afbladderende gevels, vuile trottoirs, kleine armoedzaaiers die met steentjes naar een krijtlijn werpen of tegen een gedeukte bal schoppen, straathonden die hen vermoeid toeblaffen. Hier en daar heeft het College nieuwe woonblokken laten optrekken. De architecten hebben zich laten inspireren door Amerikaanse films, de wereldtentoonstelling van 1958 en de nachtmerries van Le Corbusier. Vlakbij een marktplein, even vervallen en smerig als al de rest, herken ik de donkere St.-Bartholémykerk waar ik zo vaak ging bidden als kind, toen ik nog niet spuwde op de naam van God en zijn hiërofanten. Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium, et invisibilium. We rusten er een poosje uit op een houten bank, tot iets onnoemelijks ons weer verder jaagt door straten zonder namen. Kennelijk tevergeefs zoeken we een bus of tram die ons terug zou kunnen brengen naar de kleine haven van IvozRamet, waar onze bloedverwanten ongetwijfeld ongerust op ons zitten te wachten bij de gasradiator.
 
Om vier uur val ik aan een woedebui ten prooi. Vloek tegen beschimmelde deuren, tegen zinloze verkeerslantaarns, die alleen nog als pispalen worden gebruikt. Tegen Laura klaag ik erover dat mijn schoenen knellen. Ik heb zelfs het gevoel dat mijn voeten bloeden. Talloos veel duiven, waarschijnlijk geschrokken van de plotsklaps vallende avond, strijken neer op vergiftigde paardekastanjes. Wat overblijft van de straatverlichting verspreidt een oranje nevel. Op het ogenblik dat we ons in de modder, tussen condooms en sigarettenpeuken, willen neervlijen bereiken we een groot plein, waar tientallen bussen staan te ronken. Laura gebaart in de richting van een fonkelnieuwe gele autobus. Digitale letters, rood op zwart, duiden de richting aan: Flemalle-Haute. Laura is er meteen zeker van het de bus is die we moeten hebben. Hoewel ik daar aan twijfel, stappen we toch maar in. Ik zet me zo behaaglijk als mogelijk in de gele plastic zetel, want mijn inituïtie zeg met dat het een lange rit wordt. Na enige minuten maakt het voertuig zich los van het asfalt, waarna het zich voortbeweegt op een hoogte van ongeveer vijf meter boven het straatniveau; soms gaat het nog een heel stuk hoger. Het panorama dat zich nu voor onze ogen ontvouwt is adembenemend. Het is een Civitas Solis, zoals door Tomasso Campanella beschreven. (In dat boek, dat al jaren ongeopend stof vergaart in mijn kersenhouten kast waarin de werken over utopieën en speurtochten naar het duizendjarige rijk zijn ondergebracht, las ik onder meer over een zeeman die zich, uit angst voor de inboorlingen, in Taprobane schuilhoudt in een donker woud.) Het is een stad van de verbeelding, een plaats die niet bestaat en waarschijnlijk ook nooit bestaan zal. Je voelt aan dat zij toebehoort aan de nacht, dat zij overdag onzichtbaar wordt. En toch is het er zo helder als op een zomerse middag in de Camargue. Gebouwen zijn opgetrokken in zachte kleuren, overwegend wit, ivoor en oker. Ze lijken zonder enig plan neer te zijn gepoot. Maar al spoedig merk ik dat de chaos een verborgen orde heeft. Het gaat echter om een harmonie die groter, dieper is dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Daardoor was ik eerst misleid en zag ik slechts chaos. Elk afzonderlijk gebouw, elke constructie heeft een ideale vorm, is de belichaming van een idee. Mij vallen eerst de eenvoudige, atomaire bouwwerken op. Het gaat om elementaire geometrische vormen, zoals de cirkel, de bol en de kegel. De aanwezigheid van andere, meer ingewikkelde moleculaire constructies verhevigt hun schoonheid. Niet één element stoort. Mij geeft deze stad vooral de indruk dat zij geen grenzen en geen centrum heeft.
 
De bus bereikt de eindhalte. Ik stap vlug uit, kijk dan, plots ongerust, om: Laura is spoorloos. Er zijn ook geen andere passagiers uitgestapt. Ik bevind me in een buitenwijk, met veel groen en luxueuze villa's. In een van de villa's verschijnt een blonde vrouw in een raam. Het lijkt erop of ze me wenkt. Als een sirene trekt ze me aan. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze zingt, want dat doet ze niet, ze neuriet niet eens, ze maakt alleen maar een kleine beweging met haar hoofd. Dat volstaat. Als ik naar haar toeloop, niet bij machte aan haar geluidloze lokroep te weerstaan, besef ik pas hoe onweerstaanbaar ze is. Hoe ziet ze eruit? Ik zou zeggen als een vamp, maar dat woord associeer ik met vampier, en dat is ze zeker niet. Ze heeft iets van Marilyn Monroe, maar dan minder aards. Ze buigt zich over het raamkozijn naar me toe. Zoals in Hollywoodfilms accentueert haar kleding het sensuele van haar lichaam. Een van haar borsten is net niet helemaal bloot. Je ziet het randje van de tepel, meer niet. Ik verkies de lift boven de marmeren trap, ook al moet ik maar op de derde verdieping zijn. De deur van haar flat staat op een kier. Tim Buckley's Song To the Siren, klinkt me tegemoet.Als ik Alicia in mijn armen houd begrijp ik dat je haar niet echt kunt bezitten. Je mag haar aanraken, haar haren, haar huid strelen. Maar haar geheim geeft ze niet prijs. Ze bevindt zich in een andere wereld, die ik niet kan betreden. Ze lijkt op de ziel van deze stad zelf: een geheim, een raadsel. Ook de vele ringen aan haar vingers verwijzen ernaar: je weet niet waar ze beginnen en waar ze eindigen. Als je in haar ogen kijkt stort je in een afgrond, val je van klip tot klip, van eeuwigheid tot diepe eeuwigheid.Zodra ik besef dat Alicia me heeft verlaten wil ik zelf ook weg uit dit somptueus verblijf, dat nu een labyrint is geworden. De lift doet het niet langer, dus loop ik de trap af, die echter niet naar de voordeur en de straat leidt, maar naar een doolhof van tuintjes (met kleine tempels en beelden van mij onbekende heiligen), patio's, hagen, plantsoenen en squares. Opvallend zijn de vele cipressen, die een verhaal lijken te willen vertellen. Maar welk verhaal? Misschien dat van die heiligen? Hoezeer ik mijn hersens ook pijnig, ik vind geen antwoord. Piekerend dwaal ik in een wirwar van groene lanen, die nergens heen leiden, tenzij naar hun beginpunt. De dure huizen beginnen meer op elkaar te lijken, alsof er maar één is, dat zich talloze keren weerspiegelt. Ik zie geen levende ziel. Waar is iedereen? Waar is Alicia, waar is Laura ? Af en toe hoor ik het gezang van een vogel, dat is het enige teken van leven.Het duurt uren, misschien wel dagen om de cipressen te vergeten.
 
Ik ben teruggekeerd naar het grote plein waar de bussen vertrekken. Er wordt een film gedraaid. De regisseur is een dikke man, nog dikker dan Orson Welles. Hij heeft het gezicht van een bruut, maar daarmee bedoel ik niets negatiefs. Ik had het al in de krant gelezen: mijn vroegere filosofieleraar, Paul Sontag, is filmregisseur geworden. Hij verfilmt een van zijn eigen boeken, las ik. Maar nu ik deze dikke man in zijn regisseurszetel zie zitten vind ik dat hij helemaal niet op Sontag lijkt. En waarom herkent hij mij niet? Of hij doet alsof hij me niet kent, dat kan ook. Wat komt die kerel hier zoeken, lijkt hij te denken. Dat leid ik af uit de onderzoekende blik die hij me toewerpt, een beetje zoals in oude expressionistische films, in Fritz Langs Dr. Mabuse bijvoorbeeld, met van die zware, gefronste wenkbrauwen. Tegen de gevel van een oud pakhuis hangt een affiche waar de regisseur twee maal op afgebeeld staat: op de voorgrond zie je hem, in een transparante kleur, als dikke bruut en achter hem, je kunt door de dikke man heenkijken, zie je hem, heel donker en met nog donkerder contouren, als dunne, kleine, vitale man. Het is zijn Oud Boek dat hij gaat verfilmen. Een propman heeft het in mijn handen gestopt. De pagina's moeten nog opengesneden worden. Vele jaren geleden is het verschenen bij uitgeverij Payot in Parijs. Geen mens leest het nu nog, denk ik. Wie leest er overigens nog boeken? Ik niet, ik ben niet gek.
 
Opnieuw in de vervallen wijk, op zoek naar een bed, valt een hoekhuis me op, omdat het minder vuil is. Het is uitgevoerd in een kitscherige stijl, met veel chroom: een pornowinkel, met op de eerste verdieping een vierderangshotelletje. De pornowinkel is gesloten."Hoezo?" vraag ik de eigenaar, die voor zijn deur staat."Bevel van de politie", zegt hij, "door wat er de laatste dagen is gebeurd, zijn ze zenuwachtig geworden. Maar wat wil je."Ik kan de man maar moeilijk geloven. Want hoe verklaar je dan dat zijn koopwaar nog open en bloot in de etalage ligt uitgestald? Echte politieagenten zouden zeker tot inbeslagname zijn overgegaan. Gratis porno, zo'n kans zouden ze niet onbenut laten.Op die eerste verdieping is nog een kamer vrij. Morgen wordt Monsieur Charbon begraven, wordt mij fluisterend meegedeeld, voor ik me naar mijn kamer begeef. De burgemeester. Doodgeschoten op een parking, na een bezoek aan zijn minnares, een zekere Malicia, een Corsicaanse uit Bressoux. Dit allemaal op fluistertoon uitgesproken, alsof het om een misdaad gaat! Om het half uur luiden de klokken van St.-Barthélemy. Midden in de nacht wil ik weg uit het hotel, maar ik weet niet hoe ik naar buiten kan: er zijn geen gangen. De deur van mijn kamer geeft toegang tot een ander vertrek, en zo strompel ik van de ene puinhoopruimte naar de andere. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Nergens meubels, slechts versleten matrassen op de vloer. Peertjes van twintig watt zorgen voor wat verlichting. Af toe moet ik door badkamers en toiletten, of een combinatie van beide. In een van die badkamers liggen drie kinderen te braken, hun hoofden over een wc-pot gebogen. Veel andere gasten zie ik niet. Op een gifgroene matras ligt een stel te beuken; ze doen hun best om zoveel mogelijk van hun openingen en aanhangsels te tonen. Een vent met een bierbuik houdt een lamp boven hen, een andere kerel, met bakkebaarden en een Taras Boelbasnor, hanteert een videocamera. Deze mensen uitleggen dat ik een uitweg zoek is onbegonnen werk. Zelfs met handgebaren zou het niet lukken. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserére nobis, denk ik bij mezelf.
 
Buiten adem bereik ik toch nog het vervallen marktpleintje. Op een bank voor de St.-Barthélemykerk zit Laura op me te wachten. Ze heeft filmtests gedaan voor de verfilming van het Oude Boek van Paul Sontag. Eerst moest ze een fotosessie doorstaan. "Had die fotograaf zo'n walgelijke Tarasboelbasnor?" vraag ik."Hadden we dan geen geld nodig?", verdedigt ze zich tegen ik weet niet wie. "Ach geld", zeg ik, "today it's here and tomorrow it's gone, zingen de Beach Boys, maar dan wel over de liefde.""2339 frank heeft de fotograaf betaald", zegt ze, "en ik had kunnen blijven lunchen, maar ik had er geen goed oog in, en ben dan maar weggelopen"."Een bizar bedrag, volgens mij", zeg ik."Hoezo bizar?", vraagt Laura."Heb je de som van de cijfers al eens gemaakt? Neen? Dat dacht ik al. De som van de cijfers is 8. Je weet toch wat dat betekent? Dat is het getal van de oneindigheid, Laura", zeg ik."Het bedrag is in ieder geval niet oneindig", zegt Laura."En die film van Paul Sontag dan?" vraag ik."Ach Paul Sontag, Paul Sontag", zegt Laura, "je weet hoe dat gaat met die vrijmetselaars. Of niet soms? Je moet dat allemaal niet slikken. Ze maken je maar wat wijs.""De man ziet er inderdaad helemaal anders uit…", zeg ik, "maar waar gaat het nu eigenlijk over. Ik heb dat Oude Boek nooit willen lezen. En nu begin ik er ook niet meer aan.""De film schijnt over een bepaald soort mensen te gaan. Een gemeenschap die ergens afgezonderd leeft, in een commune of zo, op Bora Bora, of iets wat daar op lijkt. Een of ander tropisch eiland. Die mensen zijn minder ontwikkeld dan bavianen. Het zijn dommekloten, echt oliedom. Ze stinken. Ze wentelen zich in hun eigen drek. Over hen gaat de film, die trouwens maar gedeeltelijk gebaseerd is op het Oude Boek. In één scène zie je een wijfje in de modder liggen, met de benen gespreid. Haar vagina wijd open. Een grote rode holte. Een bevalling. In haar baarmoeder zitten van die wormen, je weet wel, die je vader gebruikt om te vissen. Ja, regenwormen, maar grote exemplaren, zo groot als mijn arm ongeveer. En ze fluoresceren.""Bizar, toch", zeg ik."Ach nee, Martin. Niet eens bizar. Ook niet degoutant of zo, het is geen horrorfilm, hoor.""Ja dan zie ik het al voor me. Paul Sontag zou zeggen, het is het vreemde dat zo plotseling kan opduiken in de ons bekende wereld. Ik zie die dikke man, die regisseur dat ook al zeggen. Ik zie hem zeggen dat het om het andere gaat dat zich in al zijn zichtbaarheid manifesteert. Daar gaat deze film over, zie ik de dikke man zeggen, en dat is ook de essentie van het Oude Boek.""Ja", zegt Laura, "de essentie van het Oude Boek, maar ze hebben er nog wel een zootje aan toegevoegd. Plots belanden ze in een onzichtbare stad, waar de burgemeester vermoord is door Bulgaren of zo. Een zekere Malicia zit er voor iets tussen. Dat hebben ze er in verwerkt, kwestie dat de cinemazalen volk trekken.""Deze film doet me toch niet meteen denken aan Pulp Fiction", rond ik deze droefgeestige conversatie af. Hoezo droefgeestig? Wel ja, er worden gewoon geen goede films meer gemaakt.
 
We zijn weer thuis, in de schoot van het gezin verenigd, aan de rivier, waar de platanen netjes op een rij staan en niets dan rust en vertrouwen belichamen. Moeder heeft ons aan de bushalte aangetroffen. We hebben een taxi genomen. Het was een Eldorado. Ik wist niet dat er nog van die sleeën rondreden in dit land. Een Eldorado, stel je voor. De dondervliegjes duiken overal op. In het Westen verschijnt het avondrood, dat melancholische mensen zo neerslachtig kan maken. Soms brengt het hen op vreemde gedachten. Maken de bergen, golven en hemel geen deel uit van mij, van mijn ziel, en ik van hen? zeggen ze dan bij zichzelf. Of sommigen krijgen opeens heel veel zin om zich in het water van de Orinoco te werpen. Of in dat van een andere rivier. Altijd in het inktzwarte water denken zij troost te vinden. Vader is net terug van het vissen, hij heeft een emmer vol paling bij zich. Die moet nu gevild worden en daarna gebraden in de pan. Op de bodem van de rivier, in de modder van de rivier, wacht de nog levende paling en vreest niet om zijn lot.

Reproductie: Bettina Rheims (een van mijn uitverkoren fotografen).

Vorige 1 2 3 4