10-03-08

IS ER LEVEN NA DE WITTE NACHT?

Zwart stapte al wat aangeschoten de Archiduc binnen. Wat hij zag waren mensen die stonden te drinken en praten. Achter de bar jongleerden twee barmannen met drankjes en glazen. Hij hoorde het gerinkel, het gelach, het geroezemoes, zag iemand betalen. 

In een ander café, de Mort Subite, had hij een pakje Amerikaanse sigaretten gevonden; het lag gewoon bovenop zijn jas, die opgevouwen op een stoel lag. Hij had met Venetiaanse studenten en hun leraar zitten praten.

Nu, na zevenentwintig jaar abstinentie, stak hij een Marlboro op. Hoe moest je zo’n sigaret vasthouden om jezelf niet belachelijk te maken? Gemakkelijk was het niet. Het kostte Zwart minder moeite om een stukje blues op zijn gitaar te spelen. Maar die had hij niet bij zich. Eerst was het wat donker geweest in de Archiduc maar nu was het al heel wat lichter. A clear well-lighted place, daar hield hij van. En van bier en rumoerige mensen, en nu ook van die sigaret. Naast hem aan de bar stond een jongeman, een mooi gezicht, lange zwarte lokken, expressieve ogen. Lijkt hij niet wat op Benicio Del Toro? Ik kan me vergissen. Zwart bood de jongen een sigaret aan, een glas bier. Ik ben geen homo, hoor, zei hij, ik ben gewoon goed gezind. Wat later rolde de jongen een joint. Zwart nam voorzichtig een trekje. Hij vreesde voor zijn longen, eerst een sigaret en nu dit. Maar het was goed. Er was geen reden voor angst of paniek. Het ging allemaal goed. De mooie jongen zei niet veel. Hij rolde liever joints. Beiden keken om zich heen naar de andere mensen in de bar. Iedereen zag er tevreden uit. De barmannen lachten, alsof ze een grappige, goed belichte scène speelden.

Een zwaargebouwde man met een groot rond, kaal hoofd kwam op Zwart toegestapt. Zag hij er niet boosaardig uit? Zwart was bang. Hij wilde niet nog een keer bloedend over straat rollen, zijn jas en hemd stukgescheurd. Een gebroken neus of erger. Nu stond de man met het ronde hoofd voor hem en leek hem dreigend aan te kijken. Is dit nu de hel? En ik die zonet nog dacht dat het de hemel was. Toen glimlachte de man met het ronde hoofd. Hij vroeg waarom Zwart zo geschrokken uit zijn ogen keek. Zwart zei dat hij had gedacht dat de man hem zou slaan. De man lachte. Ik zal je nooit slaan, zei hij. De man bestelde Zwart een drankje. Alle spanning viel van hem af. De wereld liet zich opnieuw van de goede kant zien. Goede mensen bestaan. Zwart werd euforisch, maakte plannen. Hij stelde de man met het ronde hoofd voor om samen festivals, feesten, verklede bals, poëzienachten te organiseren. Zwart zou ervoor zorgen dat de goede mensen binnen zouden komen, de man met het ronde hoofd zou de slechte mensen buiten houden. Zo zouden de taken worden verdeeld. Benicio Del Toro liet nog een jointje rondgaan. Elk ogenblik wordt het minder donker om me heen. Sta ik hier dan toch niet te sterven? Het leven en de dood gaan hand in hand. Van heel ver kwam de bebop jazz, blauwe wolken in het heldere licht. Je kunt je leven niet plannen. Je zegt, ik doe dit en je doet het andere. Is het toeval of is het noodlot? Je leeft er maar op los, als een insect, een eendagsvlieg, een vlinder, een mens.


’s Morgens vroeg bij zijn geliefde kroop Zwart op handen en voeten door de kamer en deed een leeuw na. Een leeuw met het begin van een kater. Wat later had hij zijn gitaar vast. Hij wilde een serenade spelen maar vond de snaren niet. En dan werd het weer donker. Het was het begin van een lange, donkere reis naar de volgende dag.

26-12-07

EENZAAMHEID, ETCETERA

“’Een zweetdruppel van een boer die neervalt op het veld in de zomer...’, is dat een goede zin", vraagt hij.

“Het is niet helemaal duidelijk of de boer of de zweetdruppel neervalt op het veld”, zegt zij.

“Ja, dat dacht ik ook al, maar als ik schrijf ‘Een zweetdruppel die neervalt in de zomer van een boer op het veld’ is er ook iets mis, vind ik”, zei hij.

“Nee, dat is ook niet goed…”, zegt zij, “literaire zinnen bouwen lijkt me geen lachertje”.

“Je moet maar iets anders bedenken”, vervolgt ze, “het is nu toch geen zomer, waarom schrijf je niets over kerstmis?”

“Toch niet over de herders? Of de stal? Die staat al op de Grote Markt, daar moet ik niet meer over schrijven. En herders zou ik ver moeten gaan zoeken”, zegt hij.

“Je zou je in de leefwereld van een dakloze kunnen verplaatsen”, zegt zij.

“Aan zoiets naturalistisch begin ik niet”, zegt hij, “bovendien staat het allemaal al in de Humo”.

“Kun je dat kerstverhaal uit ‘Smoke’ niet navertellen en doen alsof het van jou is”, zegt zij, “dat is toch al iedereen vergeten.”

“Welk kerstverhaal bedoel je”, vraagt hij.

“Dat van Augie Wren”, zegt zij.

“Van Paul Auster steel ik niets”, zegt hij, “die is te bekend. Bovendien kan ik me het verhaal niet goed herinneren. Ging het niet over een fototoestel?”

“Er kwam een fototoestel in voor, maar daar ging het niet over”, zegt zij.

“Waarover dan wel”, vraagt hij.

“Over de eenzaamheid geloof ik, maar ik weet het ook niet meer zeker”, zegt zij.

“Goed, ik zal dan maar iets over de eenzaamheid schrijven”, zegt hij.


En hij gaat voor zijn computer zitten en begint te schrijven.

‘Nodig eens een eenzame uit’, schrijft hij.

‘Nodig eens twee eenzamen uit’, schrijft hij.

‘Etcetera’, schrijft hij.

flying burrito brothers

Foto: Martin Pulaski, 24 december 2007

19-11-07

EEN VERHAAL DAT GOED AFLOOPT

gesprek,vriendschap,liefde,blues,jazz

Ken je dat lied van Chet Baker, ‘I Fall In Love Too Easily’?, vroeg ze. Nee, zei ik, dat ken ik niet. Maar misschien is het wel waar, misschien heb je gelijk. Maar als het al zo is, is het toch bijna nooit ernstig. Ik word inderdaad vaak verliefd, maar het is altijd van zeer voorbijgaande aard. Soms zie ik iemand in de metro, of een passante op straat, en ik voel de verliefdheid meteen zinderen in mij. Zodra echter het ‘object’, om het in psychoanalytische termen en niet oneerbiedig bedoeld, te zeggen, uit mijn blikveld is verdwenen is ook de verliefdheid of het verlangen weg.

Ik heb alleszins het gevoel dat ik op iemand verliefd moet zijn om iets voort te kunnen brengen, zelfs om creatief te zijn met kurk. Liefde op lange afstand is nog het veiligste, zeg ik.

Ja, zegt ze, maar onze liefde is anders. Onze liefde is vriendschap. Dat gaat veel dieper en doet minder pijn. Bedoel je Platonische liefde, vraag ik. Zo zou je het kunnen noemen, ja. Alleszins mag een verwoestende liefde onze vriendschap, die zo mooi is, ja het gaat vooral om de schoonheid, niet aantasten, zegt ze. We moeten voor altijd vrienden blijven.

Ik heb slechte ervaringen met vriendschap, zeg ik. Als je je een tijdje terugtrekt in jezelf vergeten je vrienden je snel. En zeker als het slecht met je gaat. Jij kent toch die blues, ‘Nobody Knows You When You’re Down and Out’? Ja, zegt ze. Vriendschap is een zware opgave, maar dat is de liefde die ik voor je voel, zegt ze. Ik voor jou ook dan, zeg ik. In feite komt het daarop neer, voeg ik er nog aan toe. Maar ik voel dat mijn woorden tekortschieten. Eigenlijk wil ik dat dit allemaal veel intenser is, maar ik zit opgesloten in een vreemde huid. Ik ken mezelf niet meer. Ik ben mezelf niet meer.

Dit is een verhaal dat – voorlopig – nogal goed afloopt. Maar er is parallel hiermee een ander verhaal dat veel wreder is en waar mijn woorden niet alleen voor tekortschieten, maar waar ik geen woorden voor heb. Kon ik de blues maar zingen. Zoals Little Willie John of Blind Willie McTell.

12-02-07

IS ALLES IJDELHEID?

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave


“All these people that you mention
Yes, I know them, they're quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name.”

Bob Dylan, Desolation Row.

Hij dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar had gezien was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Zij zag er niet slecht uit maar toch ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen. Hij had wel grootste plannen: hij zou detectives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de bar whisky zaten te drinken maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Ze kon bijvoorbeeld de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.


Dat was de laatste keer dat hij haar heeft gezien. Later had hij van Job wel gehoord dat het niet zo goed met haar ging. Ze had last van de lever en zo en ze at veel te weinig. Ze dronk veel, wat in haar toestand om problemen vragen was, en ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux of iets dergelijks. Het belangrijkste was dat er codeïne in zat. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave

Hij is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni 1978 in Brussel, met de New Yorkse groep Suicide in het voorprogramma. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met het optreden van Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in 'Johnny Teardrop'. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Costello aan de beurt. Een boos kereltje boordevol drank en amfetamine. 'No Action' zong hij. En 'All this and no surpises for this year's girl...' Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was wel heel krachtig. Maar wat een arrogant mannetje (vond hij toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de micro had gestolen, vanwege het minimale concert van Costello. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen met microfoonstaanders op de voorste rijen van het razende publiek. Zelf had hij heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft Angelina hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in het hospitaal beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Hij en Angelina hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de Dolfijnstraat hun Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond heel goed : hij heeft een uur lang heerlijke rock & roll gedraaid, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag. The Trashmen klonken echt heel nieuw en terzake, want de meesten die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweede handskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en hij was zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

04-01-07

GOG EN MAGOG

gog,magog,bijbel,satan,dood,slaap,mythe

De slaap wil niet komen. ‘Half-gedachten’ houden me wakker. Mijn wil is niet sterk genoeg om ze te kunnen verjagen. Schaapjes tellen werkt niet bij mij. Opeens zie ik, hoewel het nogal donker is, een groteske, bijna abstracte gedaante op me afkomen. Onmiddellijk ken ik de naam van deze grijze schim: Gog! 


Ik durf niet te bewegen, kan het ook niet meer, de schrik heeft me verlamd. Terwijl de gedaante me nadert zie ik haar antropomorf worden. Nu staat de verschijning aan mijn bed; nog even en ze raakt me aan. Het is een vrouw die sprekend op mijn geliefde lijkt. Maar ik weet wel wie het is: Magog!

De gedaante drapeert zich als een dik fluwelen doek over me heen, ze laat me haar volle gewicht voelen, zo zwaar dat ik haast verstik. Terwijl ze zo op mij ligt spreekt ze de volgende woorden uit: Gog en Magog!

De ijzige toon waarop ze dit uitspreekt is nog het meest beangstigend. Zodra ik echter aan het gillen sla verdwijnt de schim bijna meteen. Ik voel geen zwaar gewicht meer op me drukken. Nu ben ik helemaal wakker.

28-12-06

ALS ER TOEKOMST WAS ZOU ZIJ JE UITLACHEN


Je zit wat ziek en enigszins levensmoe aan een tafel in de stationsrestauratie in M. In die hoop donkere stenen vraag je je af hoe je weer gezond kunt worden. Wat maakt je ziek en levensmoe? Waar ben je naar op zoek? Een andere stad? Een ander leven? Misschien wel. Is het niet je diepste wens dat alles anders wordt? Dat je terechtkomt in een plaats waar geen wanhoop is, geen ademnood, drank in zeer kleine hoeveelheden, geen drugs, geen geneesmiddelen, geen woede, geen ruzie. Nee, het gaat niet goed met je. Zeg maar: het gaat slecht. Je zou je gebrek door rijke gedachten moeten kunnen verjagen. Maar meteen sleuren ze je mee naar kamers zonder uitzicht. Soms denk je, ik ben de erfgenaam van Edgar Allan Poe, een man zonder vaderland, in zekere zin een Amerikaan, maar dan alleen maar van de geest. Amerika: je kent het land beter dan het hart van je geliefde. Maar wat maakt het uit. De tijd is een zakkenroller. Ook hier temidden van die donkere stenen, waar niets een diepe gedachte of een intens verlangen belichaamt. Je kon net zo goed als Poe op het einde in de goot liggen. Je laten gaan in een verlammend verlangen naar je noodlot. Maar je laat je nog niet gaan. Daar waar de grens begint blijf je staan, als voor een lange, donkere tunnel. Is het nog wel een plaats, een ruimte, daar waar je staan blijft? Je zou het niet kunnen zeggen, bij gebrek aan een moedertaal, een vaderland. Vader? Zijn beeld doemt op, de boerenzoon, de schipper, het natuurlijke kind. Een onontwarbaar kluwen van liefde en haat. Het beeld van je vader wordt verdrongen door herinneringen aan een film, In Cold Blood, beelden van zonen, van moordenaars.

Ook al zou je fris en monter zijn, zou je er nog keelpijn krijgen en grijze vlekken op je huid. Het is zo’n station waar bepaalde mensen – degenen die weinig weerstand bieden - onherroepelijk ziek in worden. Er hangt inderdaad iets ziekmakends in de lucht in die koude, kille ruimtes. De meeste mensen daarentegen passeren er twee keer per dag en merken er niets van. Sterke en onverschillige mensen, onderweg van de ene vergetelheid naar de andere. Jij bent echter een buitenstaander, iemand die nog net niet in de goot ligt, de sterren en de maan weerspiegeld in een plas regenwater.

Een poos kleurenblind zijn zou er niet slecht zijn. De restauratie zou het decor van een film noir worden. Opeens is het een magische plek. Je ziet het meteen gebeuren. Voor de deur stoppen een paar witte, bootachtige wagens; mannen met borsalino’s op het hoofd en anjers in de knoopsgaten stappen uit, vrouwen met diepe decolletés onder de pels. James Cagney’s gevaarlijke grijns, Gloria Grahames misprijzende koortsblik, een mengeling van afkeer en wurgende seks. Maar zij in dat station? Of in een hotelkamer in het vermolmde hotel aan de overkant van de straat? De gangstergodin wachtend op haar vriend, de moordenaar Jim? Nee, jongen, dat kan niet. Je bent niet eens kleurenblind. Dit is doodgewoon de restauratie van het station van het provinciestadje M.

Ken jij een stationsrestauratie, een zogeheten buffet, waar de tijd voortsnelt als een Eurostar? Waar de diensters glimlachen als net verkozen schuimwijnprinsessen? Neen, dat is ondenkbaar. Je hebt er nochtans al veel versleten in België. Je kent het klappen van de zweep. Je kent de kneepjes van het vak. Illusies zijn een prettig tijdverdrijf. Maar desondanks besteelt de tijd je waar je bij zit. Als er toekomst was, zou zij je uitlachen.

24-12-06

DE MAN OP DE STOEL


Voor Thomas Bernhard.

Wat er ook moge gebeuren… Het maakt niet uit… Wat ik ook doe, het loopt altijd verkeerd af, ontspoort, loopt de spuigaten uit, de riool in, door de beek, naar de rivier, naar de zee. De open zee.

Daarom wacht ik af. Zit ik stil. Gewoon op mijn stoel. En kijk naar de muur. Werp een blik op de affiche. Hoe vaak heb ik die al niet bekeken… Maar wat staat er dan toch op afgebeeld? Ik zou het niet weten. Mijn ogen zien de dingen nog wel, maar ik zie ze niet. Ik denk alleen maar. Ik denk vooral uit schrik. Want ben ik er anders nog wel? Ja, almaar meer beperkt mijn doen zich tot dat ene: denken. Iets anders lijkt er niet te zijn. Of zei je van wel?

Meer dan eens denk ik: wat voel ik nu toch? En ja hoor, dan voel ik pijn. Het voelen neemt de overhand, het denken delft het onderspit. Het denken wordt naar de laagste regionen verbannen. De diepste lagen van het ondermaanse. Neen, dat is geen pretje. Denken is veel aangenamer dan voelen. Ik wil – want ik mag de wil niet uit het oog verliezen – niet langer voelen. Want voelen betekent bijna altijd pijn. Onbehagen. Weerzin. U begrijpt me wel. Neen, dat is geen pretje. Ik wil een lichaam worden zonder pijn. Een engel of iets dergelijks. Laat die vleugels maar weg. Een engel zonder vleugels volstaat. Een hoofd hoeft ook niet echt. Een torso is voldoende. Een beeld van een engel.

Maar vergis u niet: ik verander niet. Ik houd stand. Ik houd vast aan het leven. Het lijkt bijna alsof ik kranig ben. Ja, ik heb zelfs de indruk dat ik nogal moedig ben. Maar ik neem aan dat de mensen die me voorbijlopen op straat of in de Delhaize daar anders over denken. Die vinden vast dat ik niet moedig ben. Met mijn gebogen rug. Met mijn neerwaartse blik. Die geloven dat ik zwak ben. Dat ik geen ruggengraat heb. Was dat maar waar. Dat laatste. Een ruggengraat is nergens goed voor.

Dit lijkt wel Thomas Bernhard, zegt u. Maar dit is geen Thomas Bernhard. Gaat Thomas Bernhard naar de Delhaize? Thomas Berhard moet niet eens de straat op. Zie je hem niet aan zijn schrijftafel zitten? Daar in Oostenrijk in de sneeuw? Ja, een Oostenrijker, of wat dacht u misschien? Zoals Adolf Hitler en Egon Schiele. Hij heeft talrijke publicaties op zijn palmares staan. Es, ja. Vat de koe maar bij de horens. De analyse van een psychische ontbinding. Thomas Bernhard is een beklagenswaardig man. En dat niet alleen omdat hij mensen aan de andere oever van het meer met elkaar kan horen praten. Neen, neen. Dat niet alleen. Hij is helemaal niet aardig. Hij is beklagenswaardig. Waarom? Omdat hij zo veel klaagt. Ik heb al velen bezig gehoord, maar Thomas Bernhard slaat alles.

In den beginne hield ik van deze bittere man. Ik hield van zijn logica. Van zijn klagende, zeurende personages, waarin ik bijwijlen iets van mezelf herkende. Van zijn haat jegens het vaderland hield ik. Maar wordt het nu niet van het goede teveel? Op tijd en stond wil een mens ook eens hartelijk lachen. Beslist. Denken, voelen, willen, lachen. Niet altijd in het donker rondtasten. Niet altijd grijnzen aan de rand van de pikzwarte komedie. Soms wil een mens wel eens weg uit dat limbo.

De witte sfinks zal de zwarte sfinks omhelzen. Lachen en brullen dat het leven een hel is. “Het leven is een hel!” “Volstaat het niet er op een laag pitje in te hebben gesudderd?” “Met kerstmis, bijvoorbeeld.”

Maar denk nu niet dat de zee er stil bij ligt. De zee is altijd in beweging. Zo onafgebroken beweegt zij, kabbelt zij, deint zij, wiegt zij, reilt zij en zeilt zij en golft zij wijnrood of schuimt zij wit en stormt zij woedend over het strand en wast zij de ziel van de romanticus en van de Oude Griek vrij van schuld, dat je haar bewegen haast voor eeuwige rust zou aanzien. Maar jij laat je niet beetnemen door maritieme zinsbegoochelingen. Op je stoel van goud en donker schaduwspel. Zie nu de dwaze figuurtjes die dansen in het zwarte gat van Francis Bacon. Neen, lieve vriendin, ik weet het, dat je niet van zijn werk houdt. Maar hij is het. Ik kan er niets aan doen. Ik herken hem nu. Ik zie opeens wat beter.

Zo, dat hebben we dan weer gehad. Daar zat je naar te zoeken. Niets interessanters te doen, dan? Neen, niet echt. Ik ben nog steeds niet verbitterd. Cynisch? God vergeve me. Ik wil liever glimlachen. En later, als het weer zomer is, in het koren zitten wachten tot de zon ondergaat en daar als dan mijn vijand opdaagt hem wat schrik aanjagen met mijn zwarte gaten. Hem alleen maar wat doen huiveren. Neen, een slachtpartij wordt het niet. Dit is een Vlaams verhaal, ook al wil ik me al heel mijn leven aan dit anemisch bloed en deze verdomde bodem ontrukken.

EEN DROOM IN FUNCHAL


colours fly away

Wij zaten beiden bovenop de ronde tafel. Je luisterde naar m'n verhaal en vertelde me over weinig fraaie dingen die sommige mensen - die ik zelf ook bleek te kennen - je hadden aangedaan. Dat je zo openhartig met me was ontroerde me en gaf me nog meer moed om mezelf bloot te geven. Maar dan kwamen mijn ouders de kamer binnen. Ze gingen aan een kleine tafel naast de onze tegenover elkaar zitten en begonnen een gesprek. Het leek alsof ze deden alsof wij er niet waren, maar ik kon me tegelijk niet van de indruk ontdoen dat ze wilden horen wat ik je allemaal toevertrouwde. Jij besefte wat er in me omging: ik zag de woede zich van je meester maken. Ook voor jou waren mijn ouders indringers, ja, misschien nog wel meer voor jou dan voor mij. Je stond op - pas nu viel het me op dat je niet langer samen met mij op de tafel zat, maar heel gewoon op een stoel - stapte op m'n ouders toe en riep zonder enige twijfel in je stem: "buiten!" Daarbij maakte je een volstrekt duidelijk gebaar in de richting van de deur. Op dat moment bewonderde ik je, neen, bewondering is een te zwak woord, ik had het gevoel dat je deel van me werd, dat we ons verenigden in een gezamenlijke strijd tegen de vijand.

Foto: Martin Pulaski, Funchal.

18-12-06

GENETICA


Stephan vertelde mij onlangs het volgende. “Ik ben een afstammeling van een familie waar bij één tak de verbeelding zeer sterk ontwikkeld was en bij de andere tak hadden temperament, opvliegendheid en zelfs een neiging tot agressie de overhand. Die beide elementen zijn in mij verenigd. Hoe kan het ook anders. Niemand ontsnapt aan de wetten van de genetica.
Ondanks het feit dat ze zelf zulke neigingen hadden, zij het sterk afgezwakt, maakten mijn ouders zich veel zorgen over me. Steeds wilde ik mijn wil doordrijven. Mijn wildste dromen moesten werkelijkheid worden, zoniet werd ik onhandelbaar.
Mijn jeugdvrienden hadden het vaak moeilijk met me. Als ze me niet gehoorzaamden gunde ik hen geen blik meer waardig. Bij al onze escapades, in al onze avonturen moest ik de leider zijn en daarmee basta. Mijn ouders waren te zwak om mij te kunnen temmen. Hoe meer pogingen ze deden hoe groter mijn triomfen werden. Al gauw was mijn wil wet. Niemand had nog iets over me te zeggen. Ik was nog geen zestien en ik ging al waar mijn passies mij voerden. Niets kon mijn driften aan banden leggen. Hoeveel schade ik anderen en mezelf ook toebracht, het veranderde niets aan mijn bestaan.”

Er viel een lange stilte. Ik schonk nog wat wijn in. De rest vertel ik je op een andere avond, zei Stephan. Laten we nu nog maar een spelletje whist spelen.

22-10-06

GESPREK OVER GEWELD


new york, public library2

 “Matthias, jij bevat toch zo veel en er is geen mens die dat weet. Dat vind ik zo jammer. Waarom sluit jij je zo van iedereen af? En waarom ben je zo streng voor jezelf? Waarom laat je niet alles los? Dat begrijp ik maar niet.”
“Dat weet ik zelf ook niet. Ik denk dat ik gek word. Alles is verward. Nu bijvoorbeeld heb ik de indruk dat je een vraag stelt over mijn geweld. Het geweld in mij. Je kent de uitspraak van George Steiner dat als men niet meer tegen anderen praat de Medusa zich naar binnen keert.”
“Wat bedoel je? Je geweld… Waar heb je het toch over?”
“Ja, wel, hoe zal ik het zeggen… Wanneer mij gevraagd wordt, waarom doe je dit niet en waarom doe je dat niet, heb ik vaak de indruk dat de echte vraag is: waarom gebruik je geen geweld? Of iets dergelijks. En dan vind ik geen antwoord.”
“Is dat niet wat ver gezocht, Matthias? Ik vroeg je toch niet naar je geweld?”
“Misschien niet Laura, jij niet… Maar het probleem is… Wat ik bevat… Ja, je hebt wellicht gelijk. Vermoedelijk zit er veel in mij; verlangen, liefde, dromen. Ik zie mezelf als een microkosmos, een weerspiegeling van de hele wereld… Laura, dat kan toch alleen maar een geschonden wereld zijn, een wereld vol geweld, een wereld vol afzichtelijke monsters, zoals Goya ze heeft getekend, zo werkelijk…”
“Maar als dat waar is, als die wereld in jou echt zo lelijk is, dan zou je die nog niet moeten verzwijgen, vind ik. Zulke wereld kun je toch ook, hoe zal ik het zeggen, vrij maken, vorm geven? Of niet dan?”
“Ja, dat is nu net het grote probleem. Ik geloof dat dat niet mogelijk is door het geweld. Want er is niets wat deugt in die wereld. Alles is er vermoeid, uitgeput, verdord. Je weet wel. Hoe het water van de oceanen is opgedroogd. Lang geleden. Hoe we aan land zijn gekomen. Hoe de schaarste is ontstaan. Elke mens mist iets. Er is een groot tekort. Ja, zoals ik al zei, het is een geschonden wereld.
“Matthias, jij hebt het nu over de gewone wereld. De buitenwereld. De realiteit. Ik bedoelde iets anders. Of is er dan geen verschil tussen binnen en buiten?”
“Ik weet het niet, Laura. Geen groot verschil, geloof ik. Het geweld domineert alles. De angst. De schaarste veroorzaakt dat geweld… Ik heb dat niet zelf bedacht. Wacht even, ik zal je wat voorlezen”

‘De mens is een praktisch organisme dat met een veelvoud van soortgelijke organismen in een schaarsteveld leeft. Maar deze schaarste is een negatieve kracht die ieder mens en ieder gedeeltelijk veelvoud tegelijkertijd als menselijke en als niet-menselijke werkelijkheden bepaalt.'
'Het schandaal is niet gelegen louter in het feit dat de ander bestaat, maar in het in ieders waarnemen van de ander als via geïnterioriseerde schaarste één-te-veel. Onder de noemer van de geïnterioriseerde schaarste is de rationaliteit van ieders praxis de rationaliteit van het geweld. Hier is geweld geen eenvoudige, naïeve woestheid van de mens, maar ieders begrijpelijke reïnteriorisering van het contingente feit van de schaarste.’
'Laat ik het allemaal los? Zal ik het allemaal loslaten? Verwoest ik wat ik zie? De mooie wereld. De gefundeerde orde. Goesting genoeg om alles te laten ontploffen. Wie niet soms? Niet waar? Verdomde rotwereld. Alles verbranden. Want het is moeilijk de mensen niet te haten. Neen, ik doe het niet. Ik weiger. Ik zal niet haten. Ik doe het niet. Jij die in mij bent, hoewel ik toch man, ik spuw niet op je, neen, dat mag je niet denken, ik beledig je niet als ik eens een keer vloek, als ik eens een keer schreeuw, als ik eens een keer huil als een mens, als ik alleen ben, hier buiten waar het zo koud is, waar de zon dood is, zoals voor Ray Charles in zijn lied, als er nergens plezier is, als de tijd mij herleidt tot een lichaam van ziekte en pijn, als de tijd mij probeert te breken…Jij die in mij bent, o, ik weet het, jij liep ook door de donkere straten. Je hebt veel geleden. Ik ben zelf nog een leerling. Het grote leed moet nog komen. Daarom herhaal ik het: ik beledig je niet als ik dit schrijf. ’


“Laura, ik weet niet meer wanneer ik dit heb geschreven, dit laatste. Dat over de schaarste heb ik van iemand overgeschreven, van wie weet ik niet meer. Van Sartre misschien, die amfetamineverslaafde mensenhater. Dat zou wel eens kunnen. Wat betekenen al die woorden? Het gaat niet meer. Ik ben moe. Uitgeput.”
“Lieveling, je beeft. Waarom wind je je zo op? Dat is toch nergens voor nodig.”
“Neen, maar het gebeurt vanzelf. Er is niets aan te doen. Neen, niet vanzelf. Het is van het schrijven dat ik gek word. Omdat er niets is. Tenzij vuilnis. Ellende. Maar dat is hetzelfde als niets. Vuilnis wil ik niet uitstorten op de mensen die ik liefheb. De mensen voor wie ik wil schrijven.”
“Waarom zoek je dan geen andere oplossing?”
“Omdat ik weet dat ik moet schrijven. Ik ben er zeker van, er moet iets zijn. Er zijn nog mooie vrouwen, zachtmoedige mannen, kinderen. Alle vrouwen, alle kinderen. Er moet iets zijn… De tekst die ik nu schrijf voor…”
“Maar het zoeken maakt je kapot, Matthias. En ik zie geen bevrijding. Integendeel. Je beperkt je steeds meer. Dat merk ik heel goed aan deze tekst voor…”
“Ik weet niet of het zelf-beperking is. Ik geloof dat het intensiteit is. Wat ik schrijf moet goed zijn. Mijn woorden moeten branden. Wat ik schrijf moet een liefdesvuur zijn. Het is een moeilijke opdracht, maar ik ben er zeker van dat het moet.”
“Dat klinkt als een obsessie, Matthias…”
“Het is een obsessie, Laura. Een romantische obsessie. Zoeken naar iets zinvols in een wereld van geweld. Maar liefste nu kan ik niet meer. Ik ovel me niet eens meer in staat om met je te vrijen.Laten we naar bed gaan. Misschien kan ik wel slapen.”

Dit is een fragment uit de experimentele roman 'Stasis'. Het is een geval apart. Later volgen misschien nog enkele fragmenten.

Foto: Martin Pulaski, Public Library New York, 1992.

30-09-06

JAMAICAANSE RUM, DRUMMERS EN DROMEN

jacques tourneur,i walked with a zombie,film,koorts,droom,suikerrietvelden,jackie,drums,rum,gas,zwarte eik,waterput,landschap,verhaal,voodoo,david bowie,orpheus,eurydike,mythe

Voor Agata

Ik liep door donkere suikerrietvelden in de richting van een plek waar mij onbekende mensen muziek speelden. Op het eiland had iedereen die ik de voorbije dagen had ontmoet geheimzinnig gedaan over wie deze muzikanten waren en wat zij met hun muziek beoogden. Ik hoorde het monotone, bijna hypnotiserende gedreun van steel drums, met daarachter, tussen, onder en boven, het geluid van allerlei andere percussie-instrumenten, die waarschijnlijk in geen enkele muziekencyclopedie zijn terug te vinden. 


Ik kon niet omkijken om te zien of Jackie me volgde. Een kerel in het hotel, iemand die het eiland kende, had ons gewaarschuwd voor diepe waterputten, verborgen onder het struikgewas in de suikerrietvelden. Je moest bij elke stap die je deed goed uitkijken, zelfs bij volle maan, zoals nu. Ja, de maan scheen heerlijk, als in een gelukzalige droom, en nooit had ik zoveel sterren zo nabij gezien. Maar hoe kwam het toch dat ik Jackie’s voetstappen niet kon horen? Had zij, onoplettend, een ander pad genomen en bevond zij zich nu al tussen de muzikanten en dansers? Wellicht had zij zich onder hen gemengd en lachte, sprong en danste zij nu samen met hen als bezeten door Orpheus. Wij hadden inderdaad nogal wat van die Jamaïcaanse rum naar binnen. Eigenlijk kon ze nu om het even waar zijn. Ik kon alleen maar flink doorstappen en goed uitkijken dat ik niet in zo’n waterput viel.

Na een tijd, ik weet niet meer of het minuten of uren waren, viel ik in slaap en begon meteen te dromen. Ik lag op een veld van groen er purper gras. Niet ver van me vandaan zag ik Jackie wegrennen van me, in zuidelijke richting. Ik probeerde haar naam te roepen, maar mijn stem maakte geen geluid. ‘Jacqueline!’, riep ik zo luid als ik kon, waarbij ik bijna verstikte, maar mijn inspanningen waren tevergeefs. Ze verwijderde zich van me, in haar purperen en groene jurk. De zon kleurde haar haar rood, zoals dat van David Bowie in The Man Who Fell To Earth. Ik hoorde de wind fluisteren in de zwarte eiken achter me. ‘Jackie’, ‘Jackie’ fluisterden ze, met een snik in hun stem. Ik voelde me zelf een zwarte eik met een snik in mijn stem. Spoedig zou de zon ondergaan en ik lag alleen op het vochtige gras.

25-09-06

PULASKI NEEMT EEN INITIATIEF


Kom toch eens naar Brussel! Lieflijke stad aan de Zenne! Elke dag wordt het hier gezelliger. Een keer per jaar rijden er zelfs geen auto’s. En in de zomer is het altijd kermis. De hele maand augustus speelt Toots Thielemans op de Grote Markt. Zelfs als het regent loopt het Warandepark vol voor de grote zangkunstenaar Johan Vernimmen. De koning en koningin kijken minzaam toe vanop hun balkon. Elke dag komt er ook een nieuwe straat bij. En in elke straat een ministerie van binnenlandse zaken. En in elk ministerie van binnenlandse zaken 10.000 ambtenaren. Allemaal in het blauw. Dat schijnt het volk graag te zien. Blauw. In elke groep van 10.000 binenlandse zaken-ambtenaren zit een Pulaski of een dubbelganger van Pulaski. Ik ga ze eens een keer allemaal bijeen trommelen. Dan zingen we met z’n’ allen samen nog een keer ‘Dolce Paola’. Of ‘Arme Joe’. Ach en waarom niet ‘Jennifer Jennings’?
En op elke hoek van elke straat een papierwinkel, dat was ik nog bijna vergeten te vermelden. De verkopers hebben altijd inkt aan hun vingers. "Comment ça va", zeggen ze, als Pulaski de zaak binnenstapt. "Comme ci comme ça", zegt Pulaski, "enfin, over het weer hebben we alvast niet te klagen." "Comme d'habitude?" vraagt de verkoper met de inktvingers. "Inderdaad, een adressenboekje", zegt Pulaski, "voor het geval dat dat van gisteren vandaag weer vol zou raken".

04-07-06

PERVERSIES, UITGEKLEED



HG020080


Uit het Oosten is juli gekomen zonder geschenken. Hij dacht de globe en een vijftal bewoners te trotseren zonder. Boekenwijsheid zou moeten volstaan. In elk boek zat een zin verborgen, gesluierd als een Arabische furie. The glory of love. Maar die mensen lazen geen boeken. Laserstralen en het massaal aanbidden van Uitsluiters waren hun obsessies. Mannen met de stemmen van folteraars, maar het folteren dan wel beschouwd als vermaak. Zij – de vijf - verkochten er de rest van hun ziel voor. Hij had alleen maar Faust, en de oorsprong van Faust. Hij had Medea en de nakomelingen van Medea. Geschenken die niemand wilde. Giftig? Niet dat er tranen vielen. Hij dacht opeens terug aan Coney Island, het geringe van zichzelf dat hij daar had achtergelaten (hoeveel milligram?). Had dat kleine verlies de wereld veranderd? Nergens thuis zijn, zei hij, zoals een zeeman. De man die het bloedgleufmes aan zijn vader cadeau deed. Dat was het leven zoals het is. Echte geschenken. Wat heeft hij te geven? Juli, augustus, met hun aankondiging van de troosteloosheid en het snelle voorbijgaan. Ongeveer iedereen die feest viert voor niets in het bijzonder. De woeker van auto’s, machines, uitvindingen voor het einde van de tijd. Sneller naar het einde, ver over de grenzen van wat ooit leven en wereld werd genoemd. Maar treuren, neen, hij leefde nog in de tijd van de grenzen en van het verlangen. Nog had hij de treurmars niet geneuried en nog niet was hij tot de slotsom gekomen.

16-06-06

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON


emily-dickinson


Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht - heerlijk - begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar - de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

"Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren".

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het - mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken - rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten - wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in mijn hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg - naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het wit geweld van de vogels. Veilig - voor de leugens van god.

30-05-06

HET OFFER

horror,broers,dronkaard,bijbel,cain,abel,vlees,vuur,letters

De man voedde de jonge kersenbomen met het bloed van zijn zo- en zoveel drinkende broer. In de dagen van augustus verbrandde hij de nu ouder wordende bomen met wortel en tak in zijn braakliggende, zonovergoten tuin. Het lichaam van zijn broer had hij al in stukken gehakt, zijn ledematen, zijn rode, dronken hoofd, zo vaak als eens zijn schip zwalpend. “Ben ik mijn broeders hoeder?”, mompelde hij. Hij wierp de brokken vlees, die niets meer betekenden, tussen het brandende hout van de stammen en de takken.


Vroeg in de ochtend stopte hij het geblakerde vlees in een Adidastas. Stinkende hompen en lompen, een afgedragen leren jas, een paar uitgelopen schoenen. In de ingewanden van de bloedverwant brandde een onbekend zuur. Hij was zich bewust van zijn onvermogen, van zijn schrijnend gebrek aan woorden. Aan zijn armen bespeurde hij zijn overbodige handen, die enkele zwarte twijgjes omklemden. Uit zijn ogen was de wereld verdwenen. Nu gaf hij de laatste letters van zijn alfabet prijs aan de zwarte hemel. Letters stricto senso waren het niet, wat hij afstond waren niet meer dan wat schrille klanken.

Opgedragen aan Andrej Tarkovski.
Afbeelding: uit de film East Of Eden.

23-05-06

DE OUDE MAN EN DE DOOD



Met zijn allen willen ze zijn dood, met bier en stront zullen ze hem opvullen (als was het stro). Het zit hem tot daar. Een oude man die moet sterven. Zie je hem zijn tuin bevochtigen met een druppelteller? Vooral de paarse tulpen krijgen extra veel aandacht. Zie je hem om vijf uur 's middags razen tegen het razende verkeer?

Nooit liep hij iemand in de weg. Hij had het beste voor met jan en alleman. Hij probeerde het goede te doen. Dat zegt hij keer op keer. Maar wie luistert naar de oude, verbitterde heer?

Een gesprekstherapie dan maar? Een zachtaardige vrouw die hem zou begrijpen? De oude man gelooft er allemaal niet meer in. Dat ze naar de kloten lopen, verdomde oplichters.

Om zes uur staat hij op de hoek van zijn straat om zich wat te laten beledigen. Rampzalige, sukkelaar, hij kan niet eens praten over het weer.

Het maakt allemaal niets uit voor de man die ze willen opvullen met bier en stront. Wat heeft dit leven voor zin? Hij kan even goed dood. Zijn hele bestaan speelde hij voor idioot. Had hij niet veel beter van het leven geprofiteerd? Een idioot is hij, die zich altijd heeft laten gebruiken. Pispaal van de dommekloten. Ja hij is beter dood. Maar hij moet wel voor ogen houden dat nogal wat mensen tevreden zouden zijn. Dan hebben ze weer iets om over te praten.

De stad gonst van het elektrische leven en daar zit hij met zijn ziel blauw van verdriet, alleen met een kloppend hart en vier muren. Niemand zal hem begraven in de woestijn. Hij is niet geobsedeerd door de dood. Hij is geobsedeerd door niets. Het geluk is voor hem weggelegd.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan de nagedachtenis van Louis Paul Boon. Boon was ook nogal eens een donker boontje.

05-05-06

DE ZIEL VAN TACANDA



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Op 25 april maakte ik een wandeling in Tacanda, een gehucht van El Paso. Er staan goed onderhouden boerderijen; achter de natuurstenen muren aan beide kanten van de weg liggen boomgaarden met amandelbomen. Overal bloemen in bloei. In sommige weiden staan zachtmoedige paarden. Nochtans is het niet El Paso in Texas, maar op La Palma. Toch vermoed ik dat ook hier wat paardenfluisteraars rondhangen. Overigens is het een gemakkelijke wandeling, zelfs als je je zwak voelt. De meeste andere wandelingen op La Palma waren nu te moeilijk voor me. (Ik heb veel gerust, geslapen, wat boeken gelezen en naar de oceaan zitten kijken. Soms naar de sterren, als het niet te fris was ’s avonds.)

Daar in Tacanda is op 26 april 1628 de ziel van Ana Gonzalez verschenen. Nu wordt zij de ziel van Tacanda genoemd. Deze Ana Gonzalez – of haar ziel - had een ontmoeting gehad met een engel. In Tacanda sprak ze de priester Juan Montiel aan. Deze man was een nieuwsgierige kerel. Hij wilde heel graag de naam van die engel kennen. Maar de ziel van Ana Gonzalez was schrander. Waarom zou ze de naam van de engel zo maar prijsgeven aan deze Juan Montiel? Eerst zei ze alleen maar dat de naam uit vijf letters bestond. De priester bleef aandringen. Uiteindelijk zwichtte Ana Gonzalez en biechtte de naam op, maar wel in het Latijn.
Spoedig deden allerlei geruchten over de ziel van Ana Gonzalez en haar ontmoeting met de engel de ronde in Tacanda. Nu wilden de dorpelingen, net als de nieuwsgierige priester Juan Montiel, op hun beurt de naam van de engel kennen. Maar de man was bang voor de inquisitie. Hij zou wel eens beschuldigd kunnen worden van ketterij, want de naam bestond immers uit vijf letters. Misschien had hij wel een gesprek gehad met een ziel die de gevallen engel Satan had ontmoet.

21-09-05

LENNY'S VERJAARDAG


india song

Het was Lenny's verjaardag.

Natuurlijk dronken we die avond veel. Dat was niet ongewoon, we deden dat ook als we niets te vieren hadden. Nu hadden we twee belangrijke redenen: het was Lenny's verjaardag en ik had net vernomen dat ik vrijgesteld was van burgerdienst.

Laura lag in bed, aan de griep ten prooi gevallen.

Lenny en ik hadden elkaar veel te vertellen. Theoretische en praktische problemen, nieuwe inzichten van de voorbije weken, verwachtingen die we koesterden...

We bevinden ons in een impasse, zegt Lenny.
Ja, dat is goed mogelijk, zeg ik.
Welke mogelijkheden resten ons nog om eruit te geraken? zegt Lenny. Kunnen we iets bereiken met ons theaterproject?
Ik denk het eigenlijk niet, zeg ik, we zijn niet voldoende professioneel, en wat nog erger is, maar weinigen van ons zetten er zich met hart en ziel voor in. Zij schijnen niet te begrijpen hoeveel dit theater voor ons betekent. Zij schijnen niet in te zien dat het voor ons een middel is om het leven te veranderen. Ik denk dat we zullen mislukken.
Ik denk het niet, zegt Lenny.

Hij is enthousiast, zit vol plannen. Ja, het is zijn verjaardag vandaag.

Ons gesprek belandt bij Tsjernitsjevski, de Russische nihilist, uitvinder van de nieuwe mens. Die nieuwe mens heet Rachmetoff. "Dat is de nieuwe mens, edel, voornaam, sterk en ascetisch. Hij oefent zijn lichaamskracht en leeft met de schippers onder het volk aan de Volga. Straks gaat hij weer naar de hoofdstad, werkt grondig in de wetenschap, ontzegt zich alles wat het volk ook ontbeert, is ten strengste eenvoudig in leefwijze en kleding."
De nihilist oefent zich in lijden, zeg ik. Maar, zelfverzaking en zelfverbrijzeling, zijn dat onze idealen, vraag ik.
Ik geloof het niet, zegt Lenny.

We schenken de glazen nog eens vol. Het Is lekkere port.

We kunnen al onze problemen net zo goed herleiden tot de angst, zeg ik. Of niet soms? Kijk maar naar de films van Bergman, luister naar de songs van John Cale. Fear is a man’s best friend. Lees Kierkegaard en Heidegger. Alles komt voort uit de angst.
Dat is het laatste steunpunt van de burgerlijke moraal, zegt Lenny. De angst, bah.
Misschien heb je wel gelijk, zeg ik. Maar Heideggers angstbegrip is niet alleen maar burgerlijk. Er zijn bepaalde overeenkomsten met het zenboeddhisme. Misschien is Heideggers angst een equivalent van het satori-begrip.
Ach, zegt Lenny, ik vind die hele angst een modeverschijnsel. Typische Franse blah blah. Zoals dat boek van Hélène Cixous, dat heet ANGST. Het is verschenen bij éditions des femmes.
Maar de jonge mensen die gaan dansen, worden die niet gedreven door de angst, vraag ik. De angst jaagt hen de dansvloer op. Kijk maar eens als zij aan het dansen zijn: hun blik is naar binnen gekeerd. Zij keren zich af van de buitenwereld. Ze maken spastische armbewegingen en schudden het hoofd alsof ze van iets bezeten zijn.
Het is een vorm van gespletenheid, zegt Lenny. Ze keren zich af van wat er rondom hen gebeurt, maar tegelijk geven ze zich over aan het ritme dat buiten hen pulseert. Die gespletenheid uit zich ook in die merkwaardige houding van 'raak me aan/raak me niet aan'. Dat stel ik bij mezelf overigens ook vast.

De radio staat aan. Een oude, rasperige stem neuzelt op melancholische toon:
You never found me
You never found me
You never found me

De mensen gaan niet langer dansen om elkaar te ontmoeten, zegt Lenny. Ze willen elkaar ontlopen. Ze zijn bang voor elkaar, daarom houden ze zich op een afstand. Raak me niet aan. Waarom bekijk je me zo? Toch blijft hun verlangen hen parten spelen. Raak me aan. Bekijk me. Wat drukken hun gebaren eigenlijk uit? Het is een taal, dat is duidelijk. Maar wie zal ze ontcijferen. Een moeilijke klus. Het is een taal die niet begrepen wil worden. Vandaar haar proteïsche aard. Elke dag is ze wel weer wat veranderd. Als je een half jaar weg bent geweest en je gaat nog eens kijken dan begrijp je er niets meer van. Volledig veranderd.
Dat klopt, zeg ik, je ziet dat heel goed in disco's. Elke week wordt er een andere dans uitgevonden, al gaat het soms maar om een kleine variatie op die van vorige week.
Zouden er bij de mieren ook zulke transformaties plaatsvinden, vraagt Lenny.

Ik herinner mij deze dialoog nog goed. Maar als een geheel. Eigenlijk weet ik niet meer echt wie wat zei. We werden één met onze woorden, we leken personages in een roman van Virgina Woolf. The Waves. De zinnen knoopten zich aan elkaar, het was alsof ze los van onze lippen en onze hersencellen onstonden.

De gebaren van degenen die dansen maken deel uit van een taal die er alles voor doet om iets te verbergen, zegt Lenny.
Maar wat wil zij dan toch verbergen, vraag ik. Misschien zoeken wij er te veel achter. We vermoeden iets ontzettends dat schuil gaat achter die dansende taal, een ongeneeslijke ziekte, of erger. Maar wat als het nu alleen maar gewoon dansen is, plezier, extase. Misschien lezen we teveel, interpreteren we teveel. Misschien leven we te weinig.

"You never found me..."

De oude man gaat maar door met zijn monotoon, bezwerend lied. We worden er stil van. Wat is dit toch? Dit klinkt eeuwen oud. Je zou haast zeggen: niet van deze wereld. Wie is het? Waarschijnlijk zullen we het nooit te weten komen. Zo is de kans ook erg klein dat ik nog ooit de muziek van S.D. Burman, uit de Indische film "Kaagaz Ze Phool" (Papieren bloemen), uit 1959 van de regisseur Guru Dutt, te horen zal krijgen.

Intussen is de fles porto leeg en schenken en drinken we de laatste druppels jenever.

Het nieuws gaat over de Katangese Gendarmes. Wat gebeurt er eigenlijk in Zaïre? In Tchatchatcha? En wie zijn die verdomde Katangese Gendarmes? Ik begrijp er niets van. Weet jij wat dat nog betekent, tegenwoordig, huurlingen? Ik niet.
We worden nihilisten, zegt Lenny. We willen de wereld veranderen. Maar we kunnen hem niet veranderen. Il n'y rien à faire.

De fles graanjenever Vieux Système is nu helemaal leeg. Gelukkig voor ons is er nog een drankwinkeltje op de hoek van de Artanstraat. Dat blijft de hele nacht open. Voor versomberen worden spoeden we ons erheen. Eens in de nachtwinkel kunnen we moeilijk beslissen wat het zal worden. Vodka, pernod, tequila? Na lang aarzelen kiezen we voor de grappa, de tequila is te duur. Nu we toch in de buurt zijn besluiten we even op visite te gaan bij Jacques en Sylvia. Als we aanbellen is er eerst geen reactie, maar na een minuut wachten - we kennen het ritueel - gaat er boven een raam open en verschijnt een blonde krullenkop in de opening. Het duurt even eer ze ons herkent, maar dan werpt ze ons de sleutel toe.

Het is intussen al lang na middernacht. We drinken grappa in de vroege ochtend. Sylvia houdt ons gezelschap, Jacques is niet thuis. We drinken en vertellen onzin. Het klaart op. De vogels zien er groot uit en slaken onheilspellende kreten.

Ik bleef alleen achter in Sylvia's salon. Lenny was vertrokken zonder dat ik het had gemerkt. Ook Sylvia was nergens te bespeuren. Ik was waarschijnlijk even ingedommeld. Misschien was zij gaan slapen, of zat ze in de badkamer. Een scherpe geur van grappa hing in de kamer. Een aangename geur is dat niet. Urine lijkt het wel. En toch heeft hij ook iets aangenaams.Omstreeks negen uur kwam Jacques thuis, net op tijd om me naar het stempellokaal te voeren. Daarna moesten we zonodig wat gaan rondslenteren in het Shopping Center van Woluwe. Sylvia heeft er een wekker gekocht. Ze zag er bijzonder bleek uit. Ze zei dat ze het koud had.

Omstreeks twee uur 's middags werd ik - weer thuis - uit mijn bed gebeld. Ik was nog helemaal niet uitgerust van het verjaardagsfeestje, een lange nacht zuipen en praten en zuipen en door de straten lopen en gek worden.

Maar ik kan dat niet, iemand voor de deur laten staan. En daardoor begon alles weer van voren af aan. Het waren Louis en Boris. Ze hadden een fles jenever meegebracht, Blankenheym & Nolet, dubbel gebeid, erg lekker na die verduivelde grappa.

Laura is intussen genezen en doet zich tegoed aan de jenever. Als de fles leeg is begeven we ons naar het biologisch restaurant Le Romarin, waar de keuken eenvoudig is, maar uitstekend, en waar de wijn fris is en goed om de de dorst te lessen. Voor arme mensen als wij zijn dit dagen van overvloed.

Zo was het leven in 1977.

Foto: uit India Song van Marguérite Duras.

10-08-05

DOCTOR ARTURO MAUSS EN DE VERVELING


portrait of the artist as a young vampire

Doctor Arturo Mauss verveelt zich altijd. Overal waar hij komt verveelt hij zich en dat doe hij met veel nadruk. Een toevallige voorbijganger die hem eens vluchtig bekijkt zou kunnen denken, kijk, iemand die zich vreselijk verveelt en die daar nog een hoge borst over durft opzetten, hoe is het in hemelsnaam mogelijk.

Maar de verveling van Doctor Arturo Mauss is zomaar geen gewone verveling. De mensen die de man met wat meer aandacht bekijken worden onvermijdelijk getroffen door zijn hoog, wijs voorhoofd, zijn scherpe, vorsende blik; dit zijn nu eens ogen die elk levend wezen tot op het bot, die elk voorwerp tot op de draad kunnen ontleden. Aandachtige mensen komen steeds tot dezelfde conclusie: wat ziet deze man er toch verstandig uit. Dat moet wel een knappe kop zijn. Ze hebben overigens gelijk. Hij is zeer verstandig. Niet voor niets is Doctor Arturo Mauss een door alle academici gerespecteerd academicus. Wordt zijn naam in intellectuele kringen niet met diepe eerbied, als het ware op fluistertoon, uitgesproken, overal waar onze christelijke beschaving is doorgedrongen? En heeft iemand het ooit nagelaten zijn naam door zijn titel te laten voorafgaan?

Maar dat verstand is nu precies zijn probleem. Doctor Arturo Mauss is zo geleerd, zo overvol van 'Vernunft', hij is met zijn buitengewoon intellect zo ver boven het gewone leven der mensen verheven, dat hij niet goed meer weet wat hij daar boven, op die eenzame hoogte, met al zijn kennis moet aanvangen.

De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn, - door hemzelf als 'pseudo-gedachte' bestempeld aangezien ze een oorsprong heeft buiten hem en het bijgevolg door hem niet verifieerbaar is of zij wel een ware gedachte is - heeft hij, zoals van hem kon worden verwacht, reeds lang geleden verworpen, hoewel we moeten toegeven dat het laatste voltooid deelwoord wat onnauwkeurig is gebruikt, zeker als we een poging doen om uit te gaan van Doctor Arturo's standpunt dat een gedachte die a priori reeds als minder-dan-een-gedachte werd onderkend, een gedachte is die nauwelijks of helemaal niet het overwegen waard is, zodat het eveneens uitgesloten is dat zij zou kunnen worden verworpen.

Dat een bepaalde gedachte-inhoud eerst de indruk kan geven te moeten worden verworpen, omdat zij een gedachte wordt genoemd, en dat zij daarna, omdat zij als pseudo-gedachte wordt bestempeld toch niet wordt verworpen, heeft zo zijn redenen. En wel de volgende.

In de eerste plaats is er sprake van snelheid. Snelheid van uitvoering. Snelheid van uitvoering van denkprocessen. Bij doctor Arturo Mauss worden denkprocessen zo snel uitgevoerd dat ze voor een gewone sterveling niet eens lijken plaats te vinden. Een gewone sterveling merkt er niets van, zoals hij ook niets merkt van de snelheid van het licht en zich niet afvraagt hoe het komt dat planten kunnen groeien of hoe het weer eigenlijk in elkaar zit. Zo snel voert Arturo Mauss zijn denkprocessen uit.

Snelheid dus. Maar daarnaast treffen we logica aan. Want we mogen natuurlijk evenmin de ijzeren logica uit het oog verliezen waarmee doctor Arturo Mauss zijn lichtsnelle denkprocessen, eens ze in gang zijn gezet, binnen de juiste banen weet te houden, onder meer door zijn koortsachtige geest niet toe te staan zich om de tuin te laten leiden door allerlei verleidelijke buitenissigheden, wat eigenlijk geniaal is, want iedereen weet hoeveel knappe koppen er al op de klippen zijn gelopen door wel toe te geven aan die verleiding.

Hoe komt nu zo'n denkproces op gang? Want iets moet toch dat buitengewoon ingewikkelde denkproces een prikkel hebben gegeven, en aangezien het resultaat, het denkproces dus, belangrijk is, moet de prikkel ook belangrijk zijn. Wat is er dan zo belangrijk voor doctor Arturo Mauss? Bewondering. Verering. Succes. De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn is eigenlijk een spelletje om de tijd te doden, om de verveling te bestrijden (maar ook om ze zichtbaar te maken). Maar zeg doctor Arturo Mauss: het is een pseudo-gedachte, aangezien ik ze niet echt heb gedacht, maar ze mij uit verveling heb laten influisteren. Door wie? Door de reclamebureaus. Door de reclamebureaus die de verkeerde ideeën en de pseudo-gedachten aanreiken. Ik wist van in het begin dat het om een pseudo-gedachte ging. Maar waarom verwerpt hij ze dan niet? Doctor Arturo Mauss hoeft een pseudo-gedachte helemaal niet te verwerpen omdat hij van de buitenwereld een prikkel krijgt die hem zegt dat hij daar te belangrijk, te verstandig voor is. Over heel de wereld maakt zijn kennis het voorwerp uit van lof, bewondering, ontzag, verering, noem maar op, wat er allemaal toe bijdraagt hem in een oogwenk te doen inzien dat het onzinnig zou zijn een overbodige pseudo-gedachte, namelijk dat zijn supermenselijke verstand overbodig zou zijn, in overweging te nemen, te verwerpen of proberen te weerleggen.

We vermoeden dat er op de hele wereld niemand te vinden is die het hierover met doctor Arturo Mauss oneens zou kunnen zijn. Tenzij iemand die zich nog meer verveelt dan doctor Arturo Mauss. Maar zo iemand bestaat niet.

06-08-05

LA VITA NUOVA


Zwart had gedroomd dat hij opnieuw was begonnen te roken. De eerste sigaret smaakte geweldig. Voor hem vertegenwoordigde ze veel meer dan alleen maar een sigaret. Op straat, aan een krantenkiosk waar ook rookartikelen te koop waren, wou hij zich op een nieuw pakje Camel trakteren. Toen hij naar geld zocht in zijn jaszak merkte hij dat hij nog een halfvol pakje in zijn bezit had. Het was niet nodig dat hij een nieuw pakje kocht. Maar lucifers, die had hij niet. Hij vroeg aan de dame van de kiosk of ze hem een doosje lucifers wilde verkopen. Dat weigerde ze.
- Ik heb er geen, zei ze.
Zwart zag dat ze loog. Tussen de kranten lagen duidelijk zichtbaar de doosjes Union Match. Hij griste er een weg en stak het in zijn zak. Dat gaf hem een aangenaam gevoel. Wat was hij sterk. Vol zelfvertrouwen gaf hij zijn compagnon, die er de hele tijd stil had bijgestaan, ook een vuurtje. 't Leek wel een reclameclip. Maar voor Zwart betekende de droom, zoals de sigaret in de droom, zoveel meer. Het was voor hem, toen hij wakker werd, haast alsof hem een nieuw leven was beloofd.

- Vita nuova, zei hij. En ik heb niet eens moeten roken. Dat roken is bijkomstig. Het vuur is de boodschap. Dat ik iets durf. Dat ik voor mezelf durf opkomen. Dat ik de leugens niet langer slik. Komt er aan mijn periode van lijdzame moedeloosheid een einde? Ja. Ik moet hard werken; discipline heb ik nodig, voldoende rust en een matig leven. Dan zal alles terugkeren. Zwart voelde zich op dit moment werkelijk sterk. Hij was als Prometheus geworden, had het vuur gestolen van de goden en het aan de mensen geschonken.

Maar waarom weigerde die dame jou vuur? Misschien was het toch niet tegen de goden en de maatschappelijke orde dat ik me verzette. Misschien kwam ik in opstand tegen dat aspect van mezelf dat me belet vrij te zijn. Of was het de muze die me geen vuur wilde geven? En ben ik overmoedig geweest? Deze laatste interpretatie weigerde Zwart te aanvaarden, trouwhartig als hij was.