13-03-13

EEN DROOM VAN WERNER HERZOG

zwerge3.jpg

De voorbije nacht heb ik opnieuw veel gedroomd; voor het ontbijt stond alles me nog duidelijk voor de geest, maar nu ben ik het meeste vergeten. Ik herinner me nog raadselachtige landschappen, wellicht beïnvloed door Werner Herzogs remake van ‘Nosferatu’ en van zijn ‘Herz aus Glas’.

De weg naar omhoog van Heraclitus: een modeltraject dat steeds weer herhaald wordt. Een gele Studebaker boven op een bergtop geparkeerd. Ik vraag voorbijgangers hoe hij daar terecht is kunnen komen, over dat smalle ezelspad. Niemand schijnt het te hebben gezien.  Nochtans zijn ogen scherper getuigen dan oren. Wat later drink ik een espresso in een slaperig café op het dorpsplein. Een oude man biedt me een sigaret aan. In die auto hebben ze een lijk vervoerd, zegt hij. Ik vraag hem hoe de wagen weer naar beneden kan. Langs hetzelfde pad, zegt hij.

Deze droom deed me inderdaad aan de wereld van de Duitse filmregisseur Werner Herzog denken. Herzog maakte in de jaren zeventig een voetreis door de kou, van München naar Parijs, omdat hij ervan overtuigd was dat hij op die manier Lotte Eisner, een Duitse filmcritica – ze schreef voorbeeldige werken over F.W. Murnau, Fritz Lang en de Duitse expressionistische film – van een ongeneeslijke ziekte te genezen. Herzogs films getuigen van dezelfde uitzonderlijkheid en van dezelfde bezetenheid.

Van in het begin ben ik een bijna onvoorwaardelijke bewonderaar van Werner Herzog. Sommige van zijn werken, zoals ‘Aguirre, der Zorn Gottes’ en ‘Herz aus Glas’ heb ik wel vijf keer of meer gezien. Herzog is een bezetene, een perfectionist, een visionair (wat een woord is dat ik niet graag gebruik, omdat er zoveel ruis op zit, zoals op ‘icoon’: ik heb me reeds afgevraagd of er iconische varkens bestaan).

Of toch niet van in het begin. De eerste films heb ik niet gezien: ik heb nooit de kans gehad. Nee, het is begonnen met ‘Auch Zwerge haben klein angefangen’ uit 1970. Een film over opstandige dwergen, grappig en grimmig. Nergens mee vergelijkbaar. Vandaag heb ik enkele foto’s uit die unieke film op internet gezocht - en gevonden. Ze hebben me, samen met de droom, veel zin gegeven om hem nog een keer te zien, te ondergaan. Of een andere film van de meester: ‘Woyzeck’ bijvoorbeeld, met Klaus Kinski en Eva Mattes?

zwergeherzog.jpg

zwerge.png

12-03-13

HERBERG

richtercage.jpg

Gerhard Richter, Cage

Een grote bronzen klok begon te luiden in Carnaps vermoeide hoofd en misschien ook ergens buiten, in het dorp waar hij logeerde, of verder weg nog, over de grens. Zacht luidde de klok, niet onheilspellend, niet alle andere geluiden wegdrukkend, niet als donderslag of gebrul van een onzichtbare reus. Haar klank was licht als van een fijne zilveren lepel in een theekopje, waarin jasmijnthee langzaam afkoelt. 

De laatste woorden meende Carnap te hebben geschreven. Gedaan, dacht hij. Gedaan met mijn versleten taal, met dat vruchteloos zoeken naar - voor wat toch onzegbaar is - precieze woorden. Waar je ook aanmeert, nergens vind je een mens die nog iets verstaat. Ook niet in dit roestige dorp (het lijkt elk ogenblik uit de verbeelding te komen glijden). En jij dan, begrijp jij er nog wat van? Nee: het zal wel waar zijn dat wij de laatste mensen zijn. De laatste mensen op modderige grond.

Toch bleef hij wachten, ook als het helemaal stil was in zijn hoofd. Af en toe keek hij door het raam en probeerde te begrijpen wat hij zag. Van de andere laatste mensen. Wat deden zij daar? Op wat wachtte hij? Het werd november, donkere, koude dagen. Ook de paardenkastanjes op het plein wachtten.

Dwaze berusting, dacht Carnap op een ochtend. Opeens werd zijn lichaam gewichtloos. Het licht in het donker lichter dan ooit. De wereld trilde in zijn handen. Hij ging de straat op, verliet het dorp, wandelde over een veldweg tot aan een beek. Het zinderen van de wereld. Overal verwachtte hij dieren, zoals hij ze toen hij nog een kind was zag in sprookjes van Grimm: een wolf, een vos, een arend. Maar er waren geen dieren. Bij de beek bukte hij het blote hoofd. Hij las de woorden in het donkergroene water: begin opnieuw, er is niets verloren. Luister: begin een nieuw leven, een nieuwe taal.

Voortaan zouden Carnaps woorden onberispelijk zijn, onberispelijk en bevlekt. Met koude of warme vingers geschreven. In hotelkamers, op treinen, in open plekken in het woud.

11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

03-12-12

LIEFDEVOLLE OVERGAVE

liefdevolle overgave.jpg
Martin Pulaski, Porto 2009.

"She knows there's no success like failure
And that failure's no success at all."

Bob Dylan, Love Minus Zero / No Limits


Schwarz stond zonder het houvast van een gedachte of een vooruitzicht op een hoek van de Anspachlaan. Irina Vega stak de straat over in de richting van de Beurs. Voor altijd op die plaats, in het schemerachtige licht van eind september, keerde ze hem de rug toe, of zo leek het toch. Het leek op een droom waar je niet uit kunt ontwaken toen hij haar gehaast het zebrapad zag oversteken en veilig de overkant bereiken. Ze keek niet om. Zou het iets hebben veranderd aan de pijnlijke en kennelijk voor goed vastgelopen situatie?

Irina’s tred leek vastberaden, vond hij, maar hij zag er toch op een wat verdoken wijze iets aarzelends in, sporen van verdriet zelfs, van het besef van de onnodige wreedheid die ze beging. De manier waarop ze haar hoofd wat schuin hield wees op mededogen. Ze keek niet om, maar hij besefte dat het niet uit onverschilligheid met zijn lot was. Sporen van iets goeds, maar die mocht je niet tonen bij een afscheid – dat was een ongeschreven wet: afscheid nemen moest meedogenloos zijn of daar alleszins op lijken. Waarom dat zo moest zijn begreep hij niet. Hoe zou hij: hij kon niet denken. Eerst had hij verondersteld dat het een vorm van wreedheid was dat ze haar minst flatterende kleren had aangetrokken, zodat ze er in haar tenue al wat verder verwijderd van hem uitzag, uren voor de laatste koude omhelzing. Maar ook die lelijke kledingstukken waren symbolen van mededogen, want hoe kun je afscheid nemen als je aantrekkelijk bent als een vrouw van Amedeo Modigliani?

Eens Irina Vega uit het gezicht was verdwenen stortte Schwarz’ wereld in. Er was helemaal niets meer. De straat had geen naam, in de gebouwen om hem heen gebeurden zinloze handelingen, de woorden van passanten waren wartaal. Alleen een engel of een god had hem kunnen beletten in de afgrond te storten, maar er was god noch engel. Hij was nu helemaal alleen en hij kon nergens meer naartoe. Niet naar topless bars, casino’s, bibliotheken, exotische steden: nergens. Zelfs de troost van vreemden, waar hij sinds hij er de eerste keer over had gelezen zo hoog mee had opgelopen, was niet langer mogelijk.

Veel later zat Schwarz aan een tafel met een glas al wat lauw geworden pils. Hij vroeg zich af of hij haar met zijn liefde had vergiftigd. Waren zijn amoureuze pijlen werkelijk giftig geweest? Ach, in zijn verblinding had hij zelfs niet aan die pijlensymboliek gedacht; de boogschutter was voor hem altijd een sterrenbeeld geweest, het enige dat hij ooit had kunnen thuisbrengen.
Zo lang al doe ik je pijn, dacht hij. Hij voelde zich nog dieper wegzinken in de donkere wereld waar niemand ooit van teruggekeerd is. Misschien is het voor jou beter zo, dacht hij, met al de pijn en verdriet die mijn bezeten liefde bij jou al teweeggebracht heeft. Misschien heb je mijn verliefde woorden wel als geweld ervaren, zag je mij in je nachtmerries opdagen als een gevaarlijke meester en was jij mijn machteloze slavin. Mijn afhankelijkheid van jou is infantiel, dacht hij. Elk uur van de dag moet je me troosten. Je kind, en dat op mijn leeftijd. Ja, beter voor jou, dacht hij.

Toch kon hij alles – ook al betekende het op dat ogenblik niets - niet zomaar loslaten, kon hij zich niet geheel en al overgeven aan het absoluut donkere getij. Er zijn nog zoveel dingen die ik moet doen, dacht hij. Zijn harde ego en zijn wat absurde hang naar erkenning bestreden zijn doodsdrift. Een liefdevolle overgave aan de dood was die avond nog niet binnen bereik. Maar spoedig misschien, dacht hij. Spoedig, als de zomer weer voorbij zal zijn. Spoedig, als de herfst je haar laatste kleuren heeft geschonken. 

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-11-2012. 

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg
Hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

 
Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige grafzerk, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, zeggen de media - keert hij naar zijn woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met al die dronken matrozen aan boord die zo graag weer naar huis willen. Een pijnlijk bericht ligt op hem te wachten in de brievenbus. De inhoud ervan kennen we niet. We zien het verkrampte gezicht van de man. Je hebt het al gezien in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten bijna niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:


Van de eenzaamheid en de regen genieten.
In parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets van belang. Niets om over naar huis te schrijven.

Maar dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervangen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

Dit is een bewerking van een eerdere tekst, 'Quelle joie d'avoir...' 

~~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.

24-07-12

MEESTERESSEN

 

maitresse2.jpg
Maîtresse - Barbet Schroeder (1976)
 

Wat is de merel vandaag stil, zegt ze. 
Vertelde ik je al over de man met de harige kont, zegt hij.
Nee, zegt ze, maar wil ik dat horen?
Hij loopt hier de hele tijd in zijn blote kont rond, zegt hij.
Zo, zegt zij.
En over de man met de bloedende buik, zegt hij.
Nee, zeg ze, bloedende buik?
Ik lig hier in een ziekenhuiskamer, zegt hij.
Ja, zegt ze, nu je het zegt.
De kleur van mijn kamerjas, zegt hij.
Wit, zegt zij, je lijkt op een boeddhist.
Ik zou hier een boek kunnen schrijven, zegt hij.
Op zo’n korte tijd, zegt zij.
Ja, zegt hij, een dun boek, dat wel.
Spannend, zegt zij.
Een boek over meesteressen, zegt hij.
De verpleegsters, zegt zij.
Hoe raad je het, zegt hij.
Normaal hebben ze nochtans veel noten op hun zang, zegt ze.
Wie, zegt hij.
De koekoek, de uil, de kraai en de merel, zegt zij.
Misschien vanwege die tweeëntwintig kinderen, zegt hij.
Zo stil, zegt zij, dat heb ik nog nooit gehoord.


06-03-12

FRAGMENT VAN EEN GESPREK OVER VRIENDSCHAP, VERLIEFDHEID EN LIEFDE*

brassaï zonder titel.jpg
Brassaï, Zonder titel.



Op een lenteavond zat ik met Roberta in de Cirio, het enige café in Brussel waar geen storende muziek wordt gedraaid en waar je bijgevolg nog kunt converseren.
Ken je dat lied van Chet Baker, ‘I Fall In Love Too Easily’, vroeg Roberta.
Er volgde een korte, wat ongemakkelijke stilte.
Nee, zei ik, dat ken ik niet. Waarom vraag je me dat? Heb je het over mij of over jou? Zelf herken ik mij wel in die titel.  Als ik op die manier verliefd word is het niet serieus. Terwijl verliefdheid normaal gezien toch bijzonder ernstig is.  Ik word vaak verliefd, maar op een vluchtige manier. Er is een korte opstoot van adrenaline en daarna is alles weer egaal.
Egaal, zei ze, dat woord hoor je niet veel meer, is dat wel correct Nederlands? Maar ik had het over een lied hoor, Martin.
Das ist mir ganz egal, zei ik. Soms zie ik een mooie vrouw in de metro, of een passante op de Guldenvlieslaan, en ik voel de verliefdheid meteen zinderen in mij. Zodra echter het ‘object’ uit mijn blikveld is verdwenen is ook de verliefdheid weg.
De vraag is of dat wel verliefdheid is, zei ze. Misschien is het nog iets anders. Verliefdheid gaat toch diep, en datgene waar jij het over hebt lijkt me zo vluchtig.
Dat is zo, zei ik. Heel vluchtig.  Misschien noem ik het verliefdheid omdat ik ervan uitga dat ik verliefd moet zijn om iets voort te brengen. Het valt niet mee om bijvoorbeeld een gedicht te schrijven als je niet verliefd bent.
Neemt u mij niet kwalijk, maar ik ben alvast niet verliefd op jou, zei ze. Het is iets helemaal anders, wat ik voor je voel. Je zou het liefde kunnen noemen, maar het lijkt veel meer op vriendschap. Wat ik voor je voel is complexer dan verliefdheid maar doet minder pijn. Als je van iemand houdt in de betekenis van liefde, dan wil je die persoon toch gaarne heel vaak zien? Dat heb ik niet met jou. Wat niet betekent dat ik niet graag bij je ben.
Bedoel je dan platonische liefde, vroeg ik.
Ja, zo zou je het kunnen noemen, zei ze. Maar dat is voer voor filosofen. Liefde kan verwoesten, en dat wil ik niet. De vriendschap die ik voor jou voel is vooral mooi. Het is me om die schoonheid te doen. Die mag niet worden aangetast door heftige emoties. We kunnen alleen maar voor altijd vrienden blijven als onze emoties niet de overhand krijgen.
Ik heb slechte ervaringen met vriendschap, zei ik. Als je je een tijdje terugtrekt in jezelf vergeten je vrienden je snel. En zeker als het slecht met je gaat. Nobody knows you when you’re down and out. Alleen iemand die je met hart en ziel liefheeft blijft je trouw.
Vriendschap is een zware opgave, zei ze. Maar zo zie ik nu eenmaal de liefde die ik voor je voel.
Dat is mooi, zei ik. En ik begrijp je volkomen. Toch heb ik meer nodig in mijn leven. Het hartverscheurende avontuur van de verliefdheid en de liefde. En ik bedoel nu niet die vluchtige beroeringen van de ziel waar ik het zojuist over had. Ik heb het over passie, amour fou. Ik moet branden, in twee richtingen. Branden en verbranden. Begrijp je?
Ja, ik begrijp je heel goed. Ik ben bijna voortdurend op zoek naar zulke liefde. Vurig, passioneel. Maar met jou is het anders. Bij jou heb ik dat nooit gezocht.
Ja, zeg ik, ik weet het, ik weet het, Roberta.

Ik doe er een poos het zwijgen toe. Een veelzeggende stilte waar geen taal voor bestaat, alleen muziek. Kon ik toch de blues zingen, zoals Little Willie John en Blind Willie McTell. Of een lied schrijven als ‘Today’ van Jefferson Airplane, en mij aan die daad helemaal overgeven, zoals aan een warme vrouw, die je aankijkt met het vuur van de liefde in haar ogen.

***

*Een vroege versie van deze dialoog verscheen hier op 19-11-2007 onder de titel ‘I Fall In Love Too Easily’.

amourfourivette.png

Bulle Ogier in L'amour fou.

 
 

17-02-12

MISKEND (HISTOIRE À SUIVRE)

 

georggrosz.jpg

Georg Grosz, Straat in Berlijn, 1931.

In een kleine kunstgalerij in T. had hij, nadat de meeste genodigden waren vertrokken en hij zich voldoende moed had ingedronken, een gesprek met Irina Vega,  een kunstenares die hij bewonderde en die hij zelfs als een vriendin beschouwde, al wist hij niet zeker of dat wederzijds was.  Ze zei dat ze zich miskend voelde.  Je hebt zelf gezien hoe weinig mensen zijn komen opdagen, zei ze. En ze zijn nauwelijks geïnteresseerd in mijn werk. Ze komen voor de chablis, of om elkaar nog een keer terug te zien en herinneringen op te rakelen aan vroegere tijden, toen alles zoveel beter was. Terwijl het zo duidelijk is dat niets beter was en ook niets beter wordt. Je zou eens moeten weten hoe erg ik die onverschilligheid vind. Als ik mijn naam in google intik verschijnt er nauwelijks iets. En dat terwijl ik hier toch tentoonstel. Is mijn werk dan niet goed? Ik ben zelfs jaloers op jou, Martin Pulaski, mijn vriend.

Ach, zei hij, op mij moet je niet jaloers zijn. Ik voel me wellicht net zo miskend als  jij, ook al kom je mijn naam vaker tegen op internet. Is dat trouwens wel zo?  Nu ja, ik ken het gevoel - het doet veel pijn. Vooral als je al die opgeblazen nitwits  in de media en elders bezig ziet, mensen die niets dan onzin vertellen of, erger nog, de wereld lelijk maken met hun zogenaamde kunst - en hoe die dan bewonderd worden, aanbeden zoals vroeger de heiligen... Het is om bitter van te worden. Maar leggen we ons daar bij neer? Zelf heb ik nooit roem gezocht, al schrijft mijn oude vriend Guido me dat ik als achttienjarige altijd in het centrum van de belangstelling wilde staan, en voortdurend door vrienden omringd was. Misschien wilde ik toen wel nog beroemd worden, maar dat is lang geleden. Nu volstaat het dat ik door een paar verwante zielen erkend word. Of dat het geval is betwijfel ik. Ik denk dat jij mijn werk goed vindt. Voor de rest weet ik het niet. Ik heb zogenaamde vrienden, die zelf schrijven en veel lezen, die nooit iets zeggen over mijn gedichten of over wat dan ook van mij. Behalve jij is er maar een persoon die me recent heeft gezegd dat hij mijn werk heel goed vindt, en dat is Marcel. Misschien vergeet ik nu iemand. Ik troost me met de gedachte dat jij er bent. 

De kunstenares  zag er moe en droef uit, maar bleef toch luisteren naar wat een monoloog was geworden. Hij was nu goed op dreef. Dat was uitzonderlijk en kwam doordat hij al lang alleen was. Hij had al weken met niemand meer gepraat. Niets anders had hij gedaan dan gedichten geschreven, wat op facebook rondgehangen en melancholische muziek beluisterd.  Irina Vega maakte grote figuratieve schilderijen. Op veel doeken waren toeristen te zien, die op soldaten leken, terugkerend van het slagveld, zwetend en bloedend, soms verminkt. Haar werk deed hem aan dat van Georg Grosz, Max Beckmann en Francis Bacon denken, maar het was anders, het was van zijn tijd, wrang en lusteloos. De liefde zat – bijna verborgen – in sommige details, een vuurrode bloem, een straatlantaarn op een promenade, een mandoline in de handen van een straatmuzikant. Al de rest was doodstrijd. Hij vond het geweldig en zei haar dat ook. Hij vond het echter bijzonder moeilijk te verwoorden hoe goed hij haar doeken vond en waarom. Alle predicaten die naar het kwalitatieve verwijzen maken een uitgebluste, muffe indruk. Er valt niets origineels te zeggen over een origineel kunstwerk. Het enige wat je kunt doen is stotteren, of een gedicht schrijven.

Wat ons ontbreekt, zei hij, is de gave of de capaciteit om in het daglicht te gaan staan, om anderen ervan te overtuigen hoe goed we wel zijn. We zijn trots en bescheiden tegelijk, en dat maakt ons verdrietig en bitter. Of heb ik het alleen maar over mezelf?

Ik weet niet of ik zo bescheiden ben, zei Irina. En evenmin of ik trots ben. Ik ben vooral moe, uitgeblust, maar dat gaat wel weer over. Je weet dat ik wel vaker van die donkere momenten heb. Eens lekker slapen en ik ben wel weer opgemonterd. En als dat niet helpt moet ik maar gaan dansen. Dansen is het beste medicijn. Dansen en werken. En vooral niet met die twitterende nitwits van jou in mijn hoofd zitten. 

05-01-12

ZAND, ZOUT EN ZEEP

paris-texas.jpg
Paris, Texas - Wim Wenders.


Kijk uit, zei hij.
Ze gooien met zand, zei hij. Fijn zand, in alle richtingen.
Gooien ze dat zand met opzet, denk je en komt het ook in hun eigen ogen terecht en zien ze dan nog meer niet meer, vroeg ze.
Het is wellicht de woestijnwind van de werkelijkheid die het zand doet opwaaien, zei hij. Hij had zijn stem teruggevonden. Kon niet meer zwijgen opeens. Een sprekend hoofd. 
En 's avonds komt zijn vertegenwoordiger veel te vroeg aankloppen, zei hij.
Wie bedoel je, vroeg zij.
De handelsreiziger uit de werkelijkheid, zei hij.


Zout is dan weer een heel andere zaak, zei hij. En dan hebben we het nog niet eens over zeep. Weet je dat er mensen bestaan die niet eens weten wat zeep is?
Zeep kan net zo goed een illusie zijn als al de rest, zei zij.
Er zijn illusies die je nodig hebt om te kunnen leven, zei hij. Zie Nietszche en Freud. Of kijk naar je eigen leven.Niet dat ik de illusie koester dat het beeld van zand, zout of zeep de werkelijkheid representeert, zei hij. Net zomin als de handelsreiziger.
Die is trouwens dood, zei zij.

Neem nu Amerika, zei hij. Eerst had je een Amerika dat iedereen min of meer kende. Coca Cola, Cowboys, Hamburgers, atoombommen, de Grand Canyon, Hollywood.  Maar dan dook Wim Wenders op met zijn Paris, Texas. Een nieuw Amerika, een Amerika van zand en eenzaamheid. Van zwijgende mannen en vrouwen.
En Raymond Carver, zei zij.
Precies, zei hij. En nu bestaat Amerika gewoonweg niet meer.
Wat je nog ziet zijn mensen met zand, zei hij. Ze gooien met zand.
Ik heb je gewaarschuwd, zei hij.

17-10-11

GEPARFUMEERD GENIE

 

perfume-genius-learning.jpg

Perfume Genius.

 

Opeens sloeg de bliksem in.
Waarom was je niet bij me toen de bliksem insloeg, vroeg hij. Waarom was je niet bij me toen ik zo bang was?
Er vielen vier doden, tientallen gewonden.
Waarom was ik niet bij je, zei ze.
Ze liep naar de keuken, dan naar het terras, rookte een sigaret.
Hij vulde zijn glas bij.
Deze wijn smaakt giftig, zei hij. Vuile wijn. Zeker Franse?
Geen idee, zei ze, het is wijn zoals we die altijd hebben gekend.
 

Ze moesten roepen om elkaar te kunnen verstaan. De cd van Perfume Genius stond luid. En van de eetkamer tot het terras is een hele afstand, tenzij je met de snelheid van licht loopt. Hij dacht, hoe luid roep ik nu toch. Wat zullen de buren denken van die luide piano? Misschien begeven de luidsprekers het wel. Klinken de zwarte toetsen het luidst? Een piano met alleen maar witte toetsen, dat is een idee.
 

Een piano met witte toetsen, is dat geen goed idee, zei hij.
Heeft John Lennon vast bedacht in zijn tijd, zei zij.
Ja, John Lennon, dat is mogelijk. Hij heeft zelfs "Occupy Wall Street" bedacht, zei hij.
"Power to the people", zei zij.
Maar als het van mij afhangt George Harrison, zei zij.

Negenennegentig procent van de people, zei hij.
Wat maakt het ook allemaal uit, zei zij. We gaan allemaal dood, vroeg of laat. Leven en laten leven, zei ze.
Je bent gek, zei hij. Rijp voor het gekkenhuis.
Ik ben helemaal gek, zei ze.
Vind je die Perfume Genius nog altijd zo goed, zei hij.
Heel mooi, maar zo droef, zei ze. En zo gek.
Die piano klinkt wit, zei hij.
Met wit wis je alle verdriet uit, zei zij. Zoals op het witte doek de dromen je helpen vergeten, zei ze.
Dat de zon alweer niet schijnt, zei hij.
Dat vind ik overigens de beste elpee van the Doors, Waiting For the Sun, zei hij.
De enige mooie plaat die ze hebben gemaakt, zei zij. "Summer's Almost Gone", zo melancholiek.
Toen ik met die plaat aan de kassa stond, heb ik in mijn broek gepist, zei hij.
Echt, zei zij.
Was ik toen zeventien of achttien, dacht hij. Ik had een blaasontsteking, mijn moeder had me lindenthee laten drinken.
Ja, zei hij, en zo moest ik vijf kilometer lopen. Met die elpee in een zakje van De Harp onder mijn arm.
Er is zoveel met je gebeurd waar ik geen weet van heb, zei ze.
Maar toen de bliksem insloeg, zei hij.
Maar toen de bliksem insloeg, zei zij.

02-03-10

EEN KORT VERHAAL OVER DE LIEFDE


munch sick child lithograph

Je ligt ongeveer vier uur per dag op je canapé. Niet uit luiheid, dat zou ook kunnen, maar nu is het om te herstellen van wat een ernstige ziekte wordt genoemd. Je moet nieuwe krachten opdoen, zodat je als de lente er aankomt weer je oude vertrouwde zelf bent. Alleen wil je niet oud zijn, en vertrouwen doe je je zelf evenmin, gewoonweg omdat je er niet vertrouwd mee bent, met dat veelarmige ‘zelf’. Schiet het als ongedierte in een vochtige lade niet meermaals alle kanten op? De vier windstreken, andere dimensies opzoekend… Het is een oude geschiedenis, die al zo vaak is verteld – het verhaal van de dubbelganger, de gespleten persoonlijkheid, het ambiguë, de schone en het beest, honderden voorbeelden. Het mooiste vind je nog altijd Edgar Allan Poe's ‘William Wilson’. Poe maakt het zeer duidelijk dat je voor je zelf, voor je dubbelganger op je hoede moet zijn. De kans is groot dat hij je op een donkere hoek in je eigen stad staat op te wachten, het mes klaar om toe te steken.

Je ligt daar dan en bedenkt verhalen. Of liever: je bedenkt het begin van verhalen. Realistische verhalen, romantische verhalen, postmoderne verhalen, surrealistische verhalen. Prachtig, denk je. Dit is het. Op de achtergrond klinkt iets van Bach, van the Low Anthem, van Charlotte Gainsbourg. Waar is dat verdomde notitieboekje? Niet binnen handbereik. En alleen maar een potlood met een gebroken loodstift, je kunt er alleen nog kruisjes mee vormen, of een zo goed als onleesbaar laatste testament. Niet dus. Het verhaal zal voor morgen zijn. Je draait je om, je gezicht zo diep mogelijk in de kussens, je rug naar het raam, je ogen afschermend voor het binnenvallende vroege lentelicht. Je wilt verdwijnen in de rugzijde van je canapé. Daar is het een mooie wereld, dat weet je, maar de toegang is moeilijk. Er zijn veel wachtenden voor je. Misschien staat de muziek van Glenn Gould te luid? Misschien heb je te weinig pillen geslikt? Teveel koffie gedronken? Waarom ben je zo onrustig? Je moet net heel rustig zijn om er binnen te kunnen. Om je zelf te ruilen voor de geheime formule die je toegang verschaft tot dat ‘verboden’rijk’.

Je bent herstellende. Je doet wat oefeningen. Armen strekken, bukken, de bijna dode planten water geven. Je kunt ademhalen. Je voelt onbekende krachten sluimeren in je lichaam. Je gaat eens op het verwaarloosde terras kijken. Een plant die je niet herkent vormt scheuten, felgroen in de late middagzon. Weer binnen kijk je naar de foto van Charlotte Gainsbourg op IRM. Overdrijft ze niet een beetje? Zo vaak haar sensuele foto afdrukken op de hoes van haar cd. Het is een mooie foto, maar gaat het niet om de muziek van Beck, om haar stem, om rock & roll? Nee, zegt ze, hier ben ik – ik leef en ik ben blij dat ik leef. Ik had er ook niet kunnen zijn. Charlotte Gainsbourg bevestigt wat ik ook wil bevestigen. Het leven, het verlangen naar ander leven, het plezier, in weerwil van droefheid, van ziekte, van gevaar. Heaven can wait. Charlotte’s zelf is nu even Beckachtig. Terwijl haar persona in I’m not there ongetwijfeld een geïdealiseerde Sara / Suze was. Een personage dat me betoverd heeft, vooral als je haar in het licht van Bob Dylans ‘I Want You’ ziet vrijen – pure lust.

Zo gaan je gedachten al of niet naar het verleden, een romantische pudding, het heden, een giftig spinnenweb, en de toekomst, een geslaagd verhaal, een gelukkige Michael Kohlhaas, een Gregor Samsa die niet van gedaante verandert, maar in de armen ontwaakt van zijn fictieve Felice, die uiteindelijk een vrouw van vlees en bloed blijkt te zijn. Je beseft dat je zelf een echt zelf is. Je kunt je niet achter alter ego’s verbergen. Je bent de mens die je – maar korte tijd – bent.  Als je liefhebt moet je liefhebben, jij bent de dader, als je haat moet je maar haten, het zij zo. Elke mens schijnt vijanden te hebben. Jij niet? Natuurlijk wel. Maar maak je gewoon geen zorgen. De liefde en de tijd schuiven die domme geschiedenissen allemaal aan de kant. Verhalen komen vanzelf. Om je heen ontstaan ze, in de levens van onbekenden, van vrienden, van kunstenaars, van geliefden, van degene om wie je leven draait als een cirkel rond de zon.

En hij zoekt zijn andere zij op, zijn ogen naar het licht van de zon. En hij luistert. Naar Bach, naar Charlotte Gainsbourg, naar I Want You. Naar zijn eigen stem. En als hij zijn oren spitst hoort hij de stem van zijn geliefde. Het gaat niet om het geluk, zegt ze. Het gaat om hoe we zijn. Het gaat om onze diepe verwantschap. Het gaat om iets waar we nog geen verhaal voor hebben, zegt ze. Het gaat om de intense warmte die we voelen als we elkaar omhelzen, zegt ze. Wat betekent dat vuur? Ik weet het niet, zeg ze. Laten we het vooral niet doven, zegt hij. Misschien moet de hele wereld branden zoals wij?

Afbeelding: Edvard Munch, Het zieke kind, litho.

 

11-07-09

UIT HET DAGBOEK VAN EEN BENEVELDE NARCIST

De zomer is voorbij. Er breekt een tijd aan die als een boor je leven binnendringt, die je dagen in een stalen omhulsel dwingt. De wurggreep van de ochtend, de relatieve bevrijding die de avond brengt, en opnieuw, en opnieuw. Het boren neemt toe in snelheid, er verschijnen gaten in een cirkel op je lichaam, in het centrum schijnt alles hetzelfde te blijven. Het centrum is overal en nergens, is alles en niets.

Alice leunt door het raam, bijna tuimelt ze naar beneden, maar gelukkig niet, en roept je toe dat alles nog goed gekomen is. Alles, vraag je. Je weet wel, zegt ze. Oh, ja, met de cactus, zeg je, gelukkig maar.

Geluk is het woord, en liefde. Twee gloeiende punten op de vliegensvlug draaiende cirkel van onverstaanbare uitspraken.

Je bent een narcist, zeg je luidop tegen jezelf. Alsof je met een ander bent, of alsof je spiegelbeeld tot leven is gekomen. Je merkt dat je steeds vaker met jezelf converseert. Is het zoals de rasta’s met hun I and I? Misschien, maar misschien ook niet. Je hebt geen affiniteit met religie. Zelfs de poëzie is nu in nevelen gehuld. Gelukkig weet je nog dat je niet moet vooruit zien te komen in het leven. Stilstaan is de boodschap. Bijna alsof je er niet bent. De tijd draait geen kringetjes. De tijd is een punt. Nu. En dan weer een punt. Altijd anders, altijd hetzelfde.

Je bent moe en lusteloos. Je zegt dat reizen je goed zal doen. Naar de Provence, naar Umbrië, naar Sherwood Forest. So long Marianne…  Ja, Alice, reizen zal je goed doen. De tijd zal vanzelf wel bijdraaien of wegwaaien naar een ander gewest. De woestijn wordt een regenwoud en het regenwoud een woestijn. Saracenen hakken het hoofd af van de eerste bisschop van Perugia. Maar enkele ogenblikken later, nadat het bloedend over de straatstenen rolde, staat het weer stevig op zijn romp. Waar zijn die vervloekte Saracenen gebleven? Koud in hun dennenhouten kisten.

Alice beweert dat de wereld toebehoort aan de zachtmoedigen. Een narcist is niet zachtmoedig. Hij wil heersen, over zichzelf, de woorden, de wereld. Zijn geliefden moeten voor hem knielen, anders grijpt hij in, schudt hij het geweld dat sluimert in zijn ziel weer wakker en hakt er op los. Maar een narcist heeft ook lief, zegt Alice. En vooral heeft hij honger en dorst zoals alle mensen en dieren. Een narcist heeft verdriet en kwijnt uiteindelijk weg van eenzaamheid. Want geen mens hoort zijn stem, zijn zuchten.

De zomer is voorbij, tijd voor de boogaloo, de funky chicken. “Boven ons een hemel van staal”. Herinner je je nog dat boek dat N. je schonk, Alice? Daar stond het allemaal al in. De danspassen, recepten voor cocktails, de gepaste klederdracht, welke schoenen, welke muziek. Zelfs de erupties van de meest nabije vulkaan stonden er in.

Sluit Alice de ramen? Je kijkt niet meer om, dat is gevaarlijk. Dat zegt iedereen. Je mag nooit omkijken, alleen links en rechts. Daar loert het gevaar. Maar eens om de hoek kijk je toch om, en loopt dan door, in de richting van lichten, altijd maar door, al beneveld door wat je verwacht van de immer verlichte nacht.

 narcissus

Narcissus, Michelangelo Caravaggio, 1598

01-10-08

IT'S ALL IN THE MIND, MAN

pop,vriendschap,droom,licht,autobiografie,cannabis,revolver,gitaar,elpees,rolling stones,wapen,the band,the beatles,nostalgia,led zeppelin,treinreis,1970,mondharmonica,1969,shangri-las,yellow submarine,der amerikanische freund,wim wenders,peter handke,voetnoot,middellandse zee,falsche bewegung,crosby stills nash   young

Blue Meanies.

Vorige nacht, ergens in een kleine stad aan de Middellandse Zee, zag ik E. terug, een oude vriend uit de tijd toen de Karmelietenstraat in Brussel nog niet was afgebroken. Hij deelde gedurende enkele maanden mijn kamer daar. We luisterden elke dag naar The Band, A Whole Lotte Love, Dèja Vu en Let It Bleed. We spraken niet veel, maar schreven gedichten. Als we toch iets zegden was het: It’s all in the mind, man. Dat kwam uit Yellow Submarine. In 1970 werd E. vanwege het schrijven over cannabis in de gevangenis gestopt. Toen hij weer vrij was, was hij zijn verstand kwijt. Kort nadien werd hij  in een instelling geplaatst. Terug in de ‘normale’ wereld heeft hij ons in 1977 van Brussel naar Antwerpen helpen verhuizen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht.

Ik herkende E. meteen. Hij was nog helemaal dezelfde: jong, speels, een beetje onbezonnen, onberekenbaar. Hij leefde in een krotwoning en stal zijn eten op de markt. Van een louche handelaar kocht ik twee revolvers, een alarmpistool en een Lüger. E. wilde die wapens graag een tijdje houden. Dan kreeg ik zijn gitaar.  Maar ik kon niet meteen afstand doen van die aantrekkelijke gebruiksvoorwerpen, die ik nog maar pas had aangeschaft.

We brachten enkele dagen samen door. Dagen van onbezorgdheid, honger en dorst. Voor we afscheid namen wisselden we adressen uit. Ik maakte me er zorgen over dat ik het zijne zou verliezen. Ik wilde mijn oude vriend niet nog eens kwijtraken.

Terug naar ‘huis’ stapte ik op de eerste trein die het station binnenreed Het kon me tegelijk niet en wel schelen of hij in de goede richting reed. Ik verlangde naar mijn gitaar en mijn mondharmonica thuis. Het was overvloedig licht in de trein. De reis mocht dagen, weken duren.

Daarna werd alles weer alledaags en onwerkelijk.

22-09-08

CREATIEF SCHRIJVEN


Herbegin het verhaal.

Gelet op het gebruik van zo weinig mogelijk moeilijke woorden.
Gelet op de voorkeur van de lezer voor korte zinnen.
Gelet op de verwarring die teveel stijlmiddelen teweeg kunnen brengen.
Gelet op uw lichaam en uw moeilijke ademhaling.
Gelet op uw beschikking over een terras dat uitgeeft op het Westen.
Gelet op de noodzaak over uw eigen tijd te schrijven.
Gelet op de krant die op uw keukentafel ligt.
Gelet op de overlijdensberichten.

Schrijft u het volgende neer (u begint meteen bij de tiende zin):

Hij kon onmogelijk een cynische man worden genoemd. Zijn nagels goed verzorgd. Altijd een zwart pak aan. Wat moest je daar achter zoeken? Zijn sportschoenen? Een auto bezat hij niet. Hij deed alles te voet. ’s Avonds keek hij naar klassieke films op dvd. Met een voorkeur voor film noir. Niemand wist goed waar hij vandaan kwam. In zijn omgeving werd hij de ‘Antwerpenaar’ genoemd. Was zijn hoofd leeg? Zijn verbeelding onbestaande? Hij sprak alleen als het niet anders kon. Vaak begaf hij zich naar de klas waar de dode kinderen op hun stoeltjes hingen. Blauw en koud. Een ganzenbord op de tegelvloer.
Nee. Zo was het niet. Hij was een klein mannetje dat van het ene vakje naar het andere liep. Soms sprong hij. Zijn aangezicht leek dan op de voorkant van een boek. In een van de vakken van het ganzenbord moest hij door een moeras waden. Brak, stinkend water. Onwillekeurig dacht hij aan zijn moeder als ze voor de spiegel stond. Liefde had zij hem nooit gegeven. Geknuffeld, nee. Anders zou hij wel vrolijker zijn. Wellicht was hij een zanger geworden. In de opera. Of een balletdanser zoals Nijinski. Nu was hij niet veel meer dan een arme gans. Hoe was het met zijn lever gesteld? Er werd goed voor hem gezorgd. Of je het nu gelooft of niet. Hij kon beschikken over een harde, gezonde matras. Als hij een advocaat nodig had stond er meteen iemand voor zijn voordeur. Maar dan struikelde hij weer eens een keer over een steen. Viel in een plas. Of de noordenwind ging met zijn paraplu aan de haal. Ook gebeurde het dat hij verdwaalde in zijn avenue. Dunne wanden waardoorheen hij stemmen hoorde. Ruzie, liefde, theater. Het waren stemmen. Hij wilde ze niet meer horen. Hij wilde ze niet meer horen. Wat betekende stilte?

Martin Pulaski, je tijd is om. Geef je opstel door aan je buurman.

03-07-08

DE PAUL AUSTER BAR


Zonder zelfs mijn toestemming te vragen heeft Paul Auster een Pulaski Diner geopend. Hij komt daar eerlijk, schaamteloos zou ik haast durven zeggen, voor uit op pagina 57 van zijn boek ‘Man In Het Duister’. De schrijver beweert wel dat de zaak toebehoort aan een zekere August Brill, maar ik weet beter. Ik denk er nu over om een Paul Auster Bar te openen, en als die wat succes heeft, wat later ook nog een Siri Hustvedt Cafetaria.
Inspiratie voor de inrichting van de bar vind ik ongetwijfeld in de romans van het echtpaar. In verband met het meubilair heb ik al een beslissing genomen. De lage tafels, zetels en banken  zullen constructies worden van opeengestapelde kartonnen dozen, waarin zowat alle klassiekers uit de wereldliteratuur zullen verpakt zijn. Zo ben ik van dat zwaar gewicht verlost. En bij de klanten stijgt samen met de alcohol al die schoonheid en kennis naar het hoofd. De dozen zal ik  van een dikke laag vernis voorzien, zodat als er gemorst wordt de boeken daar niet onder moeten lijden. Stel je bijvoorbeeld voor dat ‘Angst en Beven’ van Kierkegaard een half glas tequila over zich heen krijgt!

In mijn Paul Auster Bar zal ongetwijfeld veel water worden gedronken. Ik weet dat de schrijver graag Spa drinkt, dus wordt het Spa. Aangezien ik zelf van Belgisch water houd is dat mooi meegenomen. Maar ik zal tevens een mooie collectie single malt whisky’s hebben, en goede bourbon, Southern Comfort, de beste cognac uit Frankrijk, Lepanto uit Spanje, wijnen uit Australië, Chili, Argentinië en vooral Italië. Tequila en Mezcal uit Mexico, Cachaca uit Brazilië, Rum uit Cuba. Bier uit West-Vleteren, Westmalle en, uit de Ardennen, La Chouffe.

Natuurlijk ben ik een amateur, ook al heb ik enkele maanden in de Dolle Mol gewerkt, toen die kroeg zich nog op de Kaasmarkt bevond. Sommige dagen spreidde mijn baas een Belgische vlag uit op de betonnen vloer en neukte daarbovenop met een anarchistische vrouw uit Frankrijk. Toen werd iets dergelijks als zeer choquerend en extreem-links beschouwd. Nu zou je zulke provocaties eerder verwachten van iemand uit *NVA-kringen.

Als amateur zal ik zeker mijn licht gaan opsteken in het Biercircus hier in Brussel. Dat café biedt misschien wel duizend verschillende bieren aan. Ik heb er ooit gevochten met mijn goede vriend Bob. De aanleiding was dat hij, terwijl ik in het toilet was, mijn mobiele telefoon had ‘ontregeld’. Je kon er alleen nog mee naar Madagascar bellen. Ik was boos geworden en had hem voor ‘Vuile West-Vlaming’ uitgescholden. Natuurlijk meende ik dat niet, maar je weet hoe dronken mensen zijn, zeker als het warm is buiten. Alleszins weet ik nu dat je tegen een West-Vlaming nooit ‘vuile West-Vlaming’ mag zeggen. En dat zal ik ook nooit meer doen. Misschien wel, als ik ooit nog eens heel dronken geraak, tegen een Limburger. Ik wil echter niet alleen de eigenaar van een bar worden maar ook een goed mens. Ik heb me alvast al de Ethica van Aristoteles aangeschaft. Dat is een goede basis, heb ik gehoord.
De baas van het Biercircus zal zich van dat gevecht wel niets meer herinneren. Zelfs ik moet al moeite doen om die oude geschiedenis weer op te rakelen. Overigens waren we een half uur na het ‘gevecht’ weer beste vrienden. Ik vecht altijd alleen maar met mijn beste vrienden, dat is veiliger. Als ik word overvallen echter laat ik begaan. Ik geef alles af aan mijn belagers, mijn sleutels, mijn mobiele telefoon, mij iPod, mijn pen, mijn Duovent, mijn pillendoosje, mijn geld, mijn portefeuile, mijn foto van Cliff Richard, mijn vuile zakdoekjes die ik nog niet heb kunnen wegwerpen omdat ik nergens een vuilnisbak vind, alles. Vaak gebeurt het dat je ze je dan toch nog neerslaan en half dood schoppen als je zonder verweer op de grond ligt. Vervolgens kom je weer bij bewustzijn en stel je vast dat ze je iPod niet meegenomen hebben. Kennelijk hebben die kleine criminele een slechte muzikale smaak.

In mijn Paul Auster Bar zal niet mogen worden gevochten. Ik ben er nog over aan het nadenken hoe ik dat zal bewerkstelligen. Vooral ’s nachts als ik niet kan slapen stel ik mij allerlei systemen voor. Ik zie zware jongens de bar binnen stappen, pooiers en dealers, een clientèle dat ik niet wil. Ze komen aan de bar zitten, en bestellen met een woeste blik in de ogen een whisky. Ik ben ervan overtuigd dat ze niet zullen betalen.  Ze zoeken herrie. Maar mij zullen ze niet te pakken krijgen, ik sta veilig achter de bar, een matrak, geschenk van een politieagent met wie ik in vroegere dagen bevriend was, binnen handbereik. Ik lig soms hele nachten te piekeren, maar ik ben er nog niet uit. Buitenwippers wil ik niet, dat zijn negen kansen op tien slechte mensen.

In mijn Paul Auster Bar zal alleen zal alleen muziek die drank en drinken als thema heeft worden gespeeld, met als mooi voorbeeld Wine van James Luther Dickinson. Het mogen echt wel songs over water zijn, daar rust geen taboe op. Ken je ‘Cool Water’ van Hank Williams?

All day I've faced the barren waste
Without the taste of water..... cool, water.
Ole Dan and I, throats burned dry,
and souls that cry for water.... cool, clear water.

Zulke songs zullen in de Paul Auster Bar worden gedraaid. Maar ook liederen over warme drank, zoals ‘Java Blues’ van Rick Danko. Als de klanten dat lied zullen horen zullen ze meteen naar de bar snellen en elk tenminste twee espresso of cappuccino bestellen. Ja, neem het van mij aan, het wordt een bar met een heel eigen sfeer, en allemaal coole klanten.

Ik maak zo snel mogelijk een afspraak met mijn bankfiliaaldirecteur voor een voordelige lening. Dat zal geen probleem zijn. Hij weet wat voor noeste werker ik ben. En als ik voor mezelf begin, zal ik nog dubbel zo hard werken.    
 

studie voor paul auster bar

Studie voor mijn Paul Auster Bar. Natuurlijk moeten die oude meubels weg en plaats maken voor mijn kartonnen dozen. Foto: Coincidence Ink Inc.

*NVA: Een zeer kleine Vlaamse, rechts-nationalistische partij en een afscheidingsbeweging. Ze willen België uiteen laten spatten en van Vlaanderen een klein Zwitserland, maar dan zonder bergen, maken. Het is niet duidelijk of ze ook Limburg, Antwerpen en Brabant willen inlijven. In dat geval zal Antwerpen zich zeer snel afscheuren en de onfafhankelijkheid uitroepen. Maar dat is toekomstmuziek.

22-06-08

HET MEISJE IN CAFE MAJESTIC


MEISJE IN MAJESTIC

Je zat met je vrouw in café Majestic in de Rua de Santa Catarina in Porto. Café Majestic is een van die plaatsen waarvan je zegt, er bestaat niets mooiers dan dit. Als je jonger was zou je er uren doorbrengen, de ene koffie na de andere bestellen, de plaatselijke krant lezen. Maar nu heb je de tijd niet meer. Je moet je haasten om nog iets anders van de wereld te zien, en om je bestaan hier alsnog zin te geven. Je dronk wat van de koele witte wijn uit de Douro en keek afwezig om je heen. Je voelde je ziek, de nacht in het hotel - een en al vergane glorie - was moeilijk geweest. Waarschijnlijk had je iets giftigs gegeten, schelpen of intkvis. Of kwam het door de wijn, die al zoveel van je geestverwanten heeft vernietigd? Toch wilde je de pijn en de vermoeidheid niet voelen; je wilde de vruchten van de wijn proeven en licht in het hoofd zijn. Je wilde maar een ding: leven.

Een blond meisje in een donkerroze jurk kwam voorbijgelopen, heel dicht bij, je had haar aan kunnen raken. Maar nu was ze al uit het zicht verdwenen, de trap af. Je bleef kijken tot ze terugkwam. Tranen vulden je ogen toen je haar gezicht zag, haar lichtroze lichaam in de donkerroze jurk, haar blonde haren die aan Botticelli deden denken.
(Schrijf ik nu opeens met de pen van een reclameschrijver? Verheerlijk ik nu rode rozen en pralines? Ben ik in een val getrapt? Schoonschrijverij, leugens?)
Nee, je zat in café Majestic en werd diep geraakt door de schoonheid van dat meisje, een bloem die nog maar net was ontloken. Ze kondigt mijn dood aan, dacht je. Maar desondanks kon je je ogen niet van haar afwenden. Ze was weer aan haar tafeltje gaan zitten en las in een boek. Haar mooie blote rug.

Je vrouw ging de camera halen: er moest een foto worden gemaakt. Nooit eerder in je leven had je je aan voyeurisme overgeleverd. Maar nu moest het, het kon niet anders. Een demon had je dronken gemaakt. Je mocht geen tijd verliezen. Terwijl je vrouw zich naar het Grande Hotel do Porto haastte, aan de overkant van de straat, dacht je opeens aan Aschenbach en Tadzio, aan de dood in Venetië, je hoorde Thomas Manns stem het einde van het verhaal voorlezen, je zag de beelden van Visconti, je hoorde het adagietto uit Gustav Mahlers 5de symfonie. Je voelde je even pathetisch als Aschenbach. Je vrouw kwam terug en maakte enkele foto’s vanuit de deuropening van het café. Wat later zat je met je camera in je handen te wachten op het meisje, maar toen ze nogmaals voorbijkwam kon je geen foto maken, je handen beefden. In dit meisje – dat je je verbeeldde – was alle schoonheid van de wereld bijeengebracht. Je kon niet langer blijven. Laten we gaan, zei je. Je moest naar de kamer om vergetelheid te zoeken in je slaap.

01-04-08

DE PLECHTIGHEDEN EN HET DODE KIND


VIJVER


Ja, maar de plechtigheden en het dode kind? Het dode kind in de Vivier d’Oie, Diesdelle.

Vermeldde je de prijs van het bidprentje of liet je dat over aan de zorgeloze handen van Automatic Slim? Je hebt overigens zo van die verzamelaars die hun jeugd en daarbovenop hun hele mikmak verkopen. Wat ze wensen? Ze verlangen, mijn beste Alice. Ze verlangen luidop, met grove stemmen, of zoetgevooisd. Ze verkopen hun hele mikmak om over een stortvloed te heersen, een stortvloed en zijn angstige onderdanen. Niet voor een kroon, zelfs niet voor een Randall mes. Nee, louter voor het heersen, om in grote rouwzwarte letters in hun kranten het angstzweet te lezen.

De sprookjes zijn te gruwelijk voor hen, te pervers, te gevaarlijk. Die lagen op hun zolder, bij de bidprentjes en een foto van het dode kind in de Vivier d’Oie. Van de hand gedaan. Bon marché, le suivant! Eveneens schijnen zij onbeheerst te verlangen naar onwezenlijk zijn. Niets mag voor hen verborgen blijven. Een geheim is iets om te verklappen. In hun handen klappen hun knikkende disgenoten alsof ze vrolijk en eeuwig blijven bestaan. Ja, zo is het, lieve Alice. En dan zingen ze van wang dang doodle, all night long.


Foto: Martin Pulaski

31-03-08

OH LAZARUS, OH MY LOVER

fantasie,romantiek,hugo claus,dood,familie,schrijven,alfred kubin,dubbelganger,david cronenberg,verbeelding,mythe,paul auster

Soms lijkt het wel alsof je in een parallelle tijd en ruimte leeft. Als je door de straten van je stad loopt heeft het er alle schijn van dat het gedroomde straten zijn in een gedroomde stad. Je bent je eigen schaduw, die zich zo vaak in die andere wereld bevindt. Als je in de spiegel kijkt, vind je dat je veel weg hebt van Claus Patera. Ga je aan je werktafel zitten vloeien er regels uit je pen die je niet als de jouwe herkent. Je gebruikt het woord pen maar weet dat men weet dat je op een toetsenbord schrijft. Je gebruikt het woord pen uit romantische overwegingen. Daar ben je je bewust van, maar niet van wat er ontstaat. De zinnen slapen in jou, dromen in jou en komen vanzelf tevoorschijn, of nee, niet helemaal vanzelf, eerder is het alsof iemand ze toeroept: "laat me je zien, ik wil je bewonderen, ik wil je verafschuwen." Er groeit inderdaad een andere wereld uit je lichaam dat in een andere wereld leeft. Zo kost het geen moeite om te verdwalen. In een oogwenk loop je door de gangen van een glazen zeereus. De geur van grote, veelkleurige vissen dringt door de kieren naar binnen. Tramhaltes vind je niet. En je vraagt  je af hoe je weer thuis zal geraken. Je moest toch nog bij je broer op bezoek? Dan herinner je je, een wonde die opengaat, dat je broer al dood is. Je vader, je moeder. Blijf je door de glazen gangen zwerven? Of waag je een sprong in de diepte?

Soms komt door de kieren van de tijd de wereld waarvan wordt gezegd dat het de echte is de jouwe binnen. Iemand is gestorven. Een groot schrijver die door velen wordt geminacht. Een jonge reus wordt in je wakker. Een die in woede, in razernij losbarst. Woede in de werkelijke wereld, tegen kleine schepsels die wat boven hen uittorent verachten. Tegen afgunstige insecten, opgeblazen van het gif, zoals in een film van David Cronenberg. Wat ook kan is dat je een stem hoort zingen. “Lazarus”, hoor je, “graaf jezelf een graf”. En je hoort, “oh my lover!” Tijdens die momenten valt je wereld samen met de wereld, je schaduw met je lijf en leden, je vrolijkheid met je verdriet, je zinnen met je zin.