10-03-07

WAAR HET WATER SMAAKT ALS WIJN

portugal,lissabon,woody guthrie,folk,reizen,wijn,verkoudheid,evora,coimbra,aveiro

Over enkele uurtjes vliegen we naar Lissabon. We blijven twee weken in Portugal en bezoeken uiteraard Lissabon, maar ook Evora, Coïmbra en Aveiro. En wie weet wat nog allemaal? Ik ben ziek, maar dat ben ik altijd voor ik op reis vertrek. No big deal. Maar onwillekeurig dacht ik aan het lied van Woody Guthrie, Goin’ Down The Road Feeling Bad:

I'm blowin' down this old dusty road,
I'm a-blowin' down this old dusty road,
I'm a-blowin' down this old dusty road, Lord, Lord,
An' I ain't a-gonna be treated this a-way.

I'm a-goin' where the water taste like wine,
I'm a-goin' where the water taste like wine,
I'm a-goin' where the water taste like wine, Lord,
An' I ain't a-gonna be treated this way.

I'm a-goin' where the dust storms never blow,
I'm a-goin' where them dust storms never blow,
I'm a-goin' where them dust storms never blow, blow, blow,
An' I ain't a-gonna be treated this way.

Woody Guthrie, Goin’ Down The Road Feeling Bad


Het vooruitzicht dat het water als wijn zal smaken is alvast goed. Misschien raak ik zo van mijn verkoudheid af. Ik heb mijn hart en ziel verloren in Portugal. Zal ik ze terug mee naar huis brengen over veertien dagen? We zullen wel zien. Ik moet me eerst nog scheren. Tot over veertien dagen, stekelige egels en zachte slakken. Ik wens jullie allen veel zon en liefde.

20-11-06

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT II)

misia,astrud gilberto,porto,fado,herman brood,vrouwen,stemmen,james joyce,miranda richardson,muziek,pop,rock,cuby and the blizzards,ramones,alfred doblin,franz biberkopf,namen,paula rego

Zeven dagen lang op en af door de rua Alegria, van en naar het hotel. In de Rua de Passos Manuel koop je op een zonnige dag cd’s van Madredeus (O Paraiso), Mariza (Fado Curvo), Cesaria Evora (Miss Perfumado) en Mísia (Drama Box). Misia heeft je inmiddels helemaal ingepalmd. Op 4 december ga je samen met Theo H. naar haar concert in het Koninklijk Circus. Een koninklijke drama queen uit Porto in een koninklijke concertzaal. Drama Box bevat herinneringen aan Maria de Medeiros, Ute Lemper en Miranda Richardson. De laatste een van de mooiste Britse stemmen, ook als de moordenares Ruth Ellis, in Dance With A Stranger (scenario van Shelagh Delaney), een film waar mijn zoon als kleine jongen helemaal weg van was. Wat je volkomen begreep, je wilde zelf zo’n kleine jongen zijn, betoverd door Miranda Richardsons stem, en door de blik in haar ogen. 


Je denkt nu onwillekeurig – neen, niet werkelijk onwillekeurig - aan Herman Brood, die je in de jaren zeventig verfoeide, vooral vanwege de drugs en de slechte smaak; nu heb je echter het gevoel dat je hem enigszins hebt miskend. In de sixties bewonderde je hem nog als pianist van Cuby & the Blizzards en als herrieschopper. Maar dat hele gedoe met Wild Romance – en die leren broeken en al dat zweet - stond je niet aan. Je droeg toen zelf witte pakken, uit Firenze afkomstig. Excuseer, ik was even afgeleid: die verdomde kranten ook.

Je geeft je over aan de clichés van een stad en tegelijk ontwricht je ze ook. Fado komt oorspronkelijk uit Lissabon meen je je te herinneren, zoals Fernando Pessoa en al zijn heteroniemen, zoals Amalia Rodriguez. Toch hoor je die bijna denkbeeldige fado uit vele huizen in de binnenstad van het oude Porto opklinken. Mísia groeide op in Porto. Ze is niet zuiver op de graat wat de fado betreft. Wat een prachtige stem ook! Portugees is misschien de mooiste, de meest muzikale taal van de wereld. Luister naar Astrud Gilberto’s Take Me To Aruanda, een lied waar Haruki Murakami je de weg naar wees. Niet dat je The Girl From Ipanema niet kende. Ja, in het Engels zingt zij – maar het blijft een Braziliaanse stem. Luister daarna naar haar liederen in de Portugese taal: Tristeza, So Tinha De Ser Com Voce. Haar stem zalft zachter dan palmolie.

En dan ga je opieuw via metrostation São Bento naar de Ponte Dom Luis I tot aan Jardim do Morro. Daar, aan de overkant, in de Gaia wijk, ga je langs de oever van de Douro wandelen, langs de portozaken en de bootjes voor de toeristen. Je laat je niet verleiden voor een bezoek aan een portomagazijn. De geur, de sfeer volstaan. Geen polonaise aan mijn lijf, Alfred Döblin indachtig, Franz Biberkopf. Opeens staat hij hier voor je, de anti-held par excellence, met in zijn gevolg tal van uitvreters die jenever drinken en sardientjes uit blik eten. Tom Waits begeleidt hun schranspartij met een hemels-helse versie van Danny Says, de beste song van the Ramones. Die jongens zijn nu bijna allemaal dood. Ook weer zo’n droevige zaak.

“Hangin' out in L.A.
And there's nowhere to go.
It ain't Christmas if there ain't no snow.
Listening to Sheena on the radio.
Oh-ho oh-ho."

Om tranen bij in de ogen te krijgen. Ook als je aan zo’n vijvertje zit in het park van Palácio de Cristal en je denkt aan je jeugd, en aan de verwoesting van de tijd en de gedane zaken die geen keer nemen. Zou je niet beter alles de rug toekeren, zoals Portugal tot voor kort met Europa deed? Nu nog steeds de ogen gericht op de oude oceaan. Jij aan verwarring ten prooi, nu in deze tekst. Was je echte mentor de bijna blinde James Joyce, tegen wie Vivane Demuynck als Claire Goll gisteren in 'Alles is ijdelheid' zo tekeer ging? Gisteravond in het Kaaitheater herinnerde je je weer waarom je zo’n afkeer had gehad van die Claire Goll. Een vrouw zonder betekenis, die zichzelf als het centrum van de wereld beschouwde. Zoals Alma Mahler. Zoals Yoko Ono. In tegenstelling tot de miljoenen vrouwen die wel een centrum van de wereld zijn. Paula Rego. PJ Harvey. Patti Smith. Neko Case. Virginia Woolf. Jane Bowles. Isabelle Huppert. Ach. Namen noemen is soms zo vervelend. Aan de Cais da Ribeira is het heerlijk flaneren, en in de meer binnensteedse straatjes. Overal lekkere vis en de wijn van de Douro. Blijven dagdromen, jongen, de tijd tikt door, blijven dromen, tegen de tijd, tegen de demonen, de machtshongerigen.

Foto: Misia en Maria de Medeiros.

19-11-06

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT I)

bar,oceaan,steden,porto,vriendschap,stemmen,lautreamont,zon,isidore ducasse,herbie hancock,strand,conversatie,cristina regadas,david lynch,kkk,pulaski,casimir pulaski,cafes,francis bacon,ronette pulaski,cafe majestic

Je drinkt Bitterzoete Beirao-likeur, ’s avonds in een bar aan de oude oceaan.“Oude oceaan, je bent het symbool der volkomen gelijkheid: altijd aan jezelf gelijk. Jij verandert niet wezenlijk, en als je golven op één plaats in opstand zijn, dan verkeren zij wat verder, in een andere streek, in de volmaaktste rust. Jij bent niet als de mens, die op straat stil blijft staan om te kijken naar twee buldoggen die elkaar naar de keel vliegen, maar die niet stil blijft staan, als er een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanmorgen genaakbaar is en vanavond in een slecht humeur; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je oude oceaan!” Dat schreef Lautréamont in De zangen van Maldoror. Of mal d’aurore? Isidore Ducasse, in Montevideo geboren, in Brussel gepubliceerd. In die bar, daar, aan de oude oceaan. Muziek van Herbie Hancock op de achtergrond, Canteloupe Island, terwijl we converseren over Parijs, Brussel, Amsterdam, Porto. Door de bizarre verlichting lijkt het strand op een maanlandschap. Snelle foto’s, alsof de momenten eeuwig willen duren. In een kleine auto over de brede boulevard, en door de nauwe, steile straatjes. De nieuwe metro dendert over de brug van de Belgische architect Théophile Seyrig, de Ponte Dom Luís I, wij tevoet over het gangpad ernaast, diep onder ons het verlokkelijke water van de Douro, dat het land binnenstroomt. Op de heuvels in de verte de druiven. De naam van de architect wekt herinneringen op aan de diepbetreurde actrice. Delphine Seyrig. In galerij 111, tegenover het Palacio de Cristal het verbluffende werk van de Portugese kunstenares Paula Rego. Vrouwen die veel weten van het leven, die tederheid en berusting uitstralen in de nabijheid van hulpeloze varkens. De mannen even hulpeloos als de varkens. Oker, groen, oud roze, bruin. Wastafels, een man met schildpaddenhanden, abortus als een soort van mysterie. Een portret van een zachtaardige jongeman die nooit meer zal boksen. De ogen doen een beetje denken aan die van dokter Paul Gachet, de oren aan een boer in Novecento. 


Later in park van het Palacio de Cristal, waar je helemaal alleen op een eilandje zit te mediteren. Het zeer mooie park van Fundaçao de Serralves. De zalvende warmte van november. De sobere, strakke metrostations met de opschriften in een buitengewoon stijlvol lettertype. Een koude vrijdagnacht op een onbekend plein in het hart van de oude stad. De vriendinnen van Cristina zijn dronken. Wat ze allemaal niet willen weten over België. Ze zeggen dat het in België altijd donker is. Neen, zeg je, in de zomer schijnt er de zon. Zelfs nu nog, in de late herfst. Een van hen studeert filosofie. Maar alcohol nivelleert ons, maakt ons leden van een groot broeder- en zusterschap. Misérable miracle.

Hoe Agnes en Cristina elkaar vinden. Hoe ze praten over familietragedies en elkaar herkennen in hun zeer persoonlijke doden. Zelf heb je het gevoel dat er een ander leven begint in Porto. Een beter leven. Geld speelt geen rol meer, tijd, vergankelijkheid. Ofwel, alles is vergankelijk. Waarom je er dan nog langer zorgen over maken? Het vriendelijke personeel in het hotel aan de Rua da Alegria. Een van de mooiste cafés van Europa is café Majestic in de Rua de Santa Catarina, de winkelstraat van Porto. Bij Zara koop je witte hemden, gestreepte t-shirts (denkend aan Andy Warhol).

In weer een andere bar, jaren zeventig stijl, lang na middernacht, drink je bier en discussieer je met Cristina over Francis Bacon. Zijn geweld schrikt haar af. Je vertelt over je schuilnaam, Pulaski, waar hij vandaan komt. Dat je niet wist dat Pulaski een stadje was in het Zuiden van de Verenigde Staten, waar de KKK werd gesticht. Er zijn daar trouwens meer stadjes die Pulaski heten. Dat je je daar over schaamt. Maar dat generaal Casimir Pulaski, een vrijheidsstrijder was. Je hebt je pseudoniem in Twin Peaks gevonden, de serie van David Lynch, vertel je haar. Ronette Pulaski was helemaal aan het begin van de serie verkracht en gefolterd door een bende wilde vetzakken. Daarna lag ze voortdurend in het ziekenhuis. Je vond het een gepaste naam voor je openbare alter ego. De rest heb je pas later ontdekt. Nu moet je ermee door het leven. En hoochiekoochie dan? Dat schijnt slang te zijn voor zuipen en neuken. Dat wist je natuurlijk wel. Je hebt die naam met veel ironie gekozen. Het laatste wat men van je kan denken is dat je een macho bent. Voor Muddy Waters is het echter een perfect epitheton ornans, zonder dat het in enige mate afbreuk doet aan de waarde en de schoonheid van zijn blues. Vaak heeft Cristina het over haar geliefde vriend die in Amsterdam werkt. Hij is een Bosniër. Hij is bij het leger geweest. Een ongelovige moslim. Hoe kun je geloven, na zulke wrede burgeroorlog? Hoe kun je hoe dan ook geloven als er ooit een KKK werd gesticht? We praten alsof ons leven er van afhangt. En het is waar: ons leven hangt ervan af. De vriendschap is het hoogste goed.

Foto: Martin Pulaski, Cristina Regadas.

17-11-06

ROMANTIC AGONY?


Iemand voor het eerst in levenden lijve ontmoeten – MIP in de taal van de moderne mens - die je alleen maar kent van het internet is een vreemde ervaring. Toen we die maandagmiddag in Porto uit het vliegtuig stapten hadden we al een onnoemelijk stresserende ochtend achter de rug. Toevallig vertrokken we op de dag dat de nieuwe Europese veiligheidsmaatregelen voor luchthavens en vliegtuigen in voege traden. We waren goed op tijd in Zaventem, maar er stonden ellenlange rijen wachters bij de controle. Het leek uitgesloten dat we onze vlucht naar Porto nog zouden halen. Mijn reactie op dergelijke situaties is er een van verlamming, of is het catatonie? Ik ben niet meer tot handelen of beslissen in staat. In een rij is er trouwens niet veel handels- en beslissingmogelijkheid. Ik kan er over meespreken: ik heb al jaren in rijen gestaan. Maar wie niet eigenlijk? Mijn gezellin echter gaat zich in allerlei bochten wringen, windt zich op, maakt zich op zowat iedereen boos. Vooral op mij, vanwege mijn passiviteit. Die maandag scheelde het niet veel of ze zou de hele zeer trage rij neergemaaid hebben; gelukkig had ze geen machinegeweer bij. Toch is ze er in geslaagd ons helemaal naar voren in die vreselijke rij te loodsen. Heel vreemd vind ik dat die mensen aan de kop ons wilden laten voorgaan. Het lijkt me nog altijd een scène uit een mooie droom.
Bij de controle dacht ik opeens dat de vele medicijnen – ik heb altijd massa’s medicijnen bij, in navolging van Elvis; het verschil met hem is dat ik ze niet inneem, het is alleen maar voor het geval er iets zou gebeuren – misschien wel verboden producten waren. Kunnen pilletjes niet tot ontploffing gebracht worden? Je kunt er, als je er voldoende van gebruikt, in ieder geval iemand mee vergiftigen. Mijn rugzak ontlokte echter geen enkele opmerking bij het controlepersoneel. Mijn lichaam, geheel van metaal ontdaan, gaf wel een signaal. Wat de oorzaak was weet ik niet. Ik heb alvast geen ijzeren wil.

In Porto zou Cristina ons komen oppikken in de luchthaven. Hoewel ik al honderden foto’s van haar heb gezien en ze heel mooi en opvallend is, was ik toch bang dat ik haar niet zou herkennen. En wat moest ik zeggen? Kon ik wel spreken tegen een reeks foto’s? Bovendien schrikt schoonheid me af. Waarschijnlijk leg ik onbewust een verband met verschrikking en horror, zoals romantici als Shelley dat ook al deden. (Mario Praz heeft daar zeer boeiend over geschreven in zijn lijvige studie Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek, een boek dat beter bekend is onder de titel The Romantic Agony. Voor mij is het een werk dat een hele wereld heeft geopend.)

Er was niemand in de hal die ik meteen herkende. Was ze er niet? Hadden we slecht afgesproken? Had ik me iets op de mouw laten spelden? Terwijl ik een sms stond in te tikken – ik gebruik daarbij nog de gewone omgangstaal – stond ze echter opeens voor ons. Een jonge vrouw van vlees en bloed. Ze zag er minder extravagant uit dan op haar foto’s, wegens minder make-up, maar nog steeds bijzonder mooi. Maar wat was ze mager! Later zag ik haar van die fijne sigaretjes roken die heel goed bij haar pasten. Onze bagage ging maar net in haar kleine auto. Op een half uurtje waren we in ons hotel. Na de middag zou ze ons door het oude Porto gidsen. We zouden lang zitten praten in het bruine café Ceuta, we zouden elkaar goed leren kennen. We zouden ontdekken dat we zielsverwanten zijn. Ik zou vaststellen dat schoonheid niets met horror en verschrikking heeft te maken. Echte schoonheid is ook niet oppervlakkig, maar is de uitdrukking van diepe gedachten, een rijke verbeelding, empathie en mededogen, van een buitengewoon vermogen tot vriendschap en van nog wel wat andere dingen. Een mooi voorbeeld is Tom Waits: één en al schoonheid.

15-11-06

VRIJDAGAVOND IN PORTO

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

Gina Pane

Onze ideale gastvrouw Cristina had ons uitgenodigd voor een vegetarisch etentje in haar ruime en smaakvol ingerichte appartement dat uitkijkt op de Avenida dos Aliados. Aan de overkant van de boulevard, die veel weg heeft van een plein, kun je lekker gaan eten of koffie drinken in Guarany, een van de mooiste cafés van Porto. Bij het binnenkomen in Cristina’s salon werden wij meteen zacht ondergedompeld in de samba van de Braziliaanse zangeres Elis Regina en de tijdloze composities van Antonio Carlos Jobim. 


We hadden rode Evel en witte Platano Reserva meegebracht, lekkere wijn uit de Douro-streek. Cristina’s woning is een oord van muziek, poëzie en kunst. Ze bezit honderden tijdschriften, de meeste over kunst, literatuur en mode. Het enthousiasme waarmee ze boeken, tijdschriften en voorwerpen toont waar ze van houdt, en erover praat, doet me terugdenken aan jaren ’70 en ’80, toen ik zelf zulk enthousiasme ten toon spreidde als er vrienden te gast waren. Heel even had ik weer de indruk dat tijd niet bestaat, dat mijn jonge geest nog steeds in een jong lichaam huist. Maar een of andere spierkramp of een ander symptoom van aftakeling brengt me snel terug tot de realiteit. We praten over onze levens, onze families, vaak zijn het verhalen over ziekte en dood, alsof de melancholie van Porto ons aan haar onweerstaanbare wetten onderwerpt. Maar we hebben desondanks veel plezier; we drinken er lustig op los; af en toe laat de kat Marcello zich zien, hij wordt graag gestreeld; Cristina rookt de hele tijd flinterdunne sigaretten. Af en toe maakt zij een foto met een van haar Nikons. Ik durf mijn Canon niet eens uit mijn rugzakje halen, ik bevind me in het gezelschap van een echte fotografe.

Als het bijna middernacht is begeven we ons naar het Museu Serralves, waar een tentoonstelling opent over de jaren ‘80 (ANOS 80: UMA TOPOLOGIA). Het museum ligt een heel eind buiten het centrum van Porto. Na eerst een korte botsing zonder blikschade – voor Cristina’s deur - en een woordenwisseling met een boze chauffeur wordt het toch nog een vrolijke rit: om in de stemming te komen zingen we flarden liedjes van Duran Duran, Human League en ABC. Weet je waar Duran Duran die gekke naam vandaan heeft, vraag ik? Natuurlijk, zegt Cristina, dat komt uit Barbarella. Ondanks haar jonge leeftijd weet ze alles over die antieke films. Ze houdt het meest van Polanski’s Rosemary’s Baby.
In het museum is het buitengewoon druk. Veel bezoekers hebben zich in de stijl van de jaren ‘80 gekleed (of zoals zij zich die stijl voorstellen; sommigen zullen wellicht het tijdschrift The Face ter hand hebben genomen om wat voorbeelden te vinden.) Hoewel ik denk dat heel wat van hen op de gratis drank zijn afgekomen zie ik toch niemand met een glas wijn of bier. Aangezien ik al wat aangeschoten ben, vind ik dat niet erg. Later blijkt dat de drank in een rokerige kelder wordt geschonken. Het is dan al veel te laat om nog iets anders dan Coca Cola te bemachtigen.

In de vele zalen van het schitterende museum zien we werk van heel wat Belgen: onder meer van Thierry De Cordier, Lili Dujourie, Luc Tuymans en Jan Vercruysse. Het valt op hoezeer België en de Belgische kunsten geliefd zijn in Porto. Al de eerste dag van ons verblijf in de stad troffen we in het kleine museum waar Cristina werkt monografieën aan van Belgische kunstenaars en zagen we vertalingen in het Portugees van gedichten van Leonard Nolens. In het Museu Serralves liep een kleine tentoonstelling over het lichaam in de kunst van de 20ste eeuw net af. Heel interessant, met werk van Hugo Ball, Marcel Duchamp, Herman Nitsch, Günther Brus en het Wiener Aktionismus, de performances van Gina Pane, de bizarre aanwezigheid van Valie Export, de lichaamskunst van Yves Klein, de poëtische lichaamstaal van Joseph Beuys en de directe lichamelijkheid in het abstract expressionisme van de manisch-depressieve kunstenaar Jackson Pollock. De curator van die tentoonstelling was de Belg Guy Schraenen. Een overzichtstentoonstelling van het werk van Luc Tuymans was net afgelopen. De banieren hingen nog in de straten. Cristina zelf was vol lof over toneelgroep Stan, Ultima Vez, Anne Teresa De Keersmaeker, de Belgische rock van deus, Dead Man Ray, Rudy Trouvé en nog heel wat andere(n). Als anti-chauvinist was het bijzonder moeilijk om aan deze passie te weerstaan. Toch heb ik sinds die avond nog altijd geen Belgische cd’s gekocht.

Maar ik wil even terugkeren naar de jaren ’80-tentoonstelling. De curator, een mij onbekende Duitser, had zeer veel materiaal uit de periode bijeengebracht. Naast de reeds genoemde Belgen werd ik vooral getroffen door het werk van Marleen Dumas, Richard Deacon, Jenny Holzer, Ilya Kabakov, Martin Kippenberger, Matt Mullican, Raymond Pettibon, Richard Prince, Cindy Sherman en Jeff Wall.

Lang na middernacht begaven we ons met een groepje dronken vrienden – zeer nieuwsgierig naar de Belgische politiek en demografie - van Cristina naar de goedkoopste bar van Porto, die echter net ging sluiten. Een geluk, zo kon ik zaterdagochtend, the day after, toch nog op tijd uit bed voor het ontbijt. In mijn hoofd zoemde nog steeds Inutil Paisagem van Antonio Carlos Jobim en Elis Regina. Ik had het klaargespeeld de hele vrijdag geen druppel Porto te drinken.

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

13-11-06

EEN ZWERVER KOMT THUIS


casa de serralves

De rusteloosheid zit me in het bloed. Ik ben graag thuis tussen mijn boeken en mijn muziek en ik breng veel tijd door aan mijn computer, werkend aan oude en nieuwe teksten, of contacten onderhoudend met mijn cyberspacevrienden. Vroeger zat ik graag aan een tafel met een boek en potloden. Al lezend onderstreepte ik en schreef uitspraken die me troffen over in een werkschrift. Dat was grondstof voor mijn eigen schriftuur. Nu gebeurt het nog maar zelden dat ik met een boek aan tafel zit en nog minder dat ik zinnen onderstreep. Ik vind het zin-loos en nutteloos, haast compulsief gedrag. Als ik nog lees is het vooral in bed. Aan tafel eet en drink ik wijn, en als er bezoek is praat ik ook wel wat. Maar van thuis blijven is de pret af. Genieten van de hierboven genoemde bezigheden doe ik niet langer. Zelfs de beste film op dvd gaat me al snel vervelen. Een volledige cd beluisteren is onbegonnen werk. Na drie songs heb ik het wel gehoord. Meer van hetzelfde! Bespaar mij het cocoonen. Het zwerven zit me in het bloed. Ik wil weg van huis. Het liefst verblijf ik in een hotelkamer. Daar kom ik eindelijk wat tot rust, daar slaap ik enige uren aan een stuk. Ja, ik cocoon in een hotelkamer, en zelfs in een metrostation. Ik houd van het flaneren in een nog niet kapotgeflaneerde stad. Ik verplaats me wel graag met metro en tram, desnoods zelfs met de bus, maar wat ik echt boven al verkies is te voet gaan. Dat is in mijn ogen de beste manier om een stad of een land te verkennen. De voorbije dagen in Porto heb ik mijn schoenzolen niet gespaard. Het is een heerlijke stad om in te wandelen. Vervallen, maar schrijnend mooi van (oude) architectuur. ’s Middags de geur van gebakken vis en altijd – ook al hoor je hem niet echt – de droeve klanken van de fado. Beleefde, bescheiden, wat schuchtere mensen. Ze spreken stil, alsof ze zich enigszins schamen voor hun aanwezigheid. Het katholicisme heeft er zijn akelige sporen getrokken, maar ook de kerken, vaak parels van barokkunst, baden in het helderste licht van de Atlantische Oceaan. Overal waar je kijkt zie je azulejo’s – en bovenal in het São Bento station -, een troost voor het te veel gelezen en geleden hebbende, vermoeide oog.

Terug in België, in Brussel: de duisternis hier is wat mij meteen opvalt, de terneerdrukkende duisternis en pas daarna de vochtige kou. Je hele appartement is al na een week afwezigheid een vreemde plek geworden, vijandig aan je lichaam. Het is gaan toebehoren aan die donkere wereld van vocht, kou. Het heeft iets vijandigs gekregen. Net als veel inwoners van dit land is het niet gastvrij, zelfs niet jegens zijn oude vertrouwde bewoners, die het nochtans koesteren en zelfs met liefde bejegenen. Misschien is het appartement zich bewust van mijn ontrouw, van mijn diepe wens om het voor altijd de rug toe te keren en een zwervend bestaan te gaan leiden. Mijn kamers mogen echter op twee oren slapen: gebrek aan financiën, zwakte en vermoeidheid kluisteren mij gemiddeld veertien uur per dag aan ze vast. Tussen hun muren ontvang ik nieuwe woorden en luister ik naar soul, blues, country, en voortaan ook fado of bekijk ik nog een keer Days Of Heaven. De straten van mijn stad ontwijk ik zoveel mogelijk. God die niet bestaat, laat het maar regenen op de slechte mensen!

Foto: Martin Pulaski,
Casa Seralves in Porto.

12-08-06

MIJN NEVER-ENDING-TOUR

rusteloosheid,budapest,never-ending-tour,reizen,donau,claudio magris,gyorgy konrad,boeken,foto,martin pulaski

Net zoals Bob Dylan heb ik een ‘never ending tour’, zo lijkt het wel. Vandaag zal mijn eigen rusteloosheid me naar Boedapest voeren. Een week lang zal hier niets van me te lezen zijn en een week lang zal ik jullie commentaren missen. Maar Budapest en de Donau, waarover György Konrad en Claudio Magris zo treffend hebben geschreven, zullen veel goedmaken. En ik ben in goed en veilig gezelschap. Tot binnenkort! Take care of yourself and get plenty of rest…


Foto: Martin Pulaski, Groen zelfportret.

01-08-06

REIS NAAR HET BEGIN VAN DE DAG

anderlecht,martin pulaski,foto,inge v,lucca,italie,charleroi,taxi,snelheid,gevaar,vertraging,pisa

Foto: Inge Vande Walle

Ik ben weer thuis, oud en vertrouwd, zij het met een nieuwe bril. Mijn wonden heb ik gelikt. Niet dat ze genezen zijn. Later vertel ik over de mooie dingen die ik gezien heb en de fijne mensen met wie ik heb gereisd. Vriendschap is het hoogste goed. Nu ben ik nog moe. Dat is bij mij meestal het geval, dat ik moe terugkeer van een reis. Of ziek. Nu ben ik niet ziek. Ik voel me zelfs enigszins genezen. Maar de zin om de hoofdstad in te gaan en feest te vieren, - hé, jongens, ik ben weer thuis -, dat heb ik niet meer. Ik blijf weg uit de stad. Zodra ik mij een bodyguard kan veroorloven, dan keer ik misschien terug naar mijn vertrouwde plekken. Voorlopig houd ik het veilig. Ik moet natuurlijk wel gaan werken, en dat is ook in diezelfde schrikbarende stad. 

Ryanair was de laatste keer. Dat was de enige negatieve ervaring van mijn reis. De vlucht naar Pisa kost echt weinig. Terugkeren is al wat duurder. Ze weten dat je wel terug moet, dus kunnen ze dat doen. Een ritje met de taxi van Charleroi naar Brussel kost echter 90 euro. Ongeveer evenveel als de prijs van de gehele vlucht. Er zijn wel shuttles naar Brussel Zuid, dertig per dag zeggen ze, maar niet als het vliegtuig vertraging heeft. Ik had geen zin om een nachtje in Charleroi door te brengen, een wellicht nog gevaarlijker stad dan ‘my hometown’. Dat vertelde de taxichauffeur mij althans. Er zitten geregeld gewapende mannen in zijn wagen. Hij houdt dat stil, geen politie, te gevaarlijk, represailles. Bloedende mensen op straat blijven liggen tot ene toevallige en onverschrokken voorbijganger ze vindt. Dat is het eerste verhaal dat je hoort als je terug in België bent! Drugdealers, bendes, afrekeningen, omerta. Terwijl we aan 167 km over de autosnelweg rijden. Die helse rit maakte me niet eens bang. Dat zal wel normaal zijn als je twee weken tevoren de dood in de ogen hebt gekeken. Van de luchthaven van Charleroi (“Brussels South”) tot in Anderlecht aan het stadspark in 20 minuten. Ik denk dat de taxichauffeur zowat alle verkeersregels heeft overtreden. Zeker weet ik het niet, want ik heb geen auto en ken de verkeersregels niet. Ik denk dat je in een zone 60 maar 60 mag rijden en geen 149. Maar ik was vroeg thuis, en tevreden, zij het blut. Om 2 uur had ik mijn koffer al uitgepakt. Om 3 uur lag ik in bed. Ja, Ryanair is een klant kwijt. Maar Lucca krijgt een verlenging. En mijn reisgezellinen ook, zulke charmante en begripvolle dames bestaan er niet veel meer, denk ik. Hun gezelschap is ongetwijfeld zeer heilzaam voor me geweest.

24-07-06

SALUT AU MONDE!

vertrek,toscane,afscheid,reizen,vriendinnen,vrienden,martin pulaski,vriendschap,hittegolf,muziek,pop,john fahey,nico,ipod,foto

Ik laat onze gevaarlijke maar toch ook overweldigende hoofdstad een weekje verder schoeien in de zon en begeef me naar waar het gras groener is, zoals de mensen zeggen. Over enkele uren vertrek ik naar Toscane, volgende maandag ben ik terug. Ik reis in het gezelschap van fijne vrienden; daarom ben ik er gerust in, ook al ben ik nog niet helemaal hersteld van de harde klappen en schoppen. Vandaag zat er overigens een brief in de bus van de Brusselse politie – in het Frans, maar het was goed bedoeld – dat ik recht heb op slachtofferhulp, psychologische steun en zo. Dat zal moeilijk zijn, want ik ben er niet. Zodra ik terug ben ga ik toch eens poolshoogte nemen, om te zien wat deze mensen zoal te bieden hebben. Misschien leer ik er weer iets bij… Maar dat zijn plannen voor later. Nu moet ik mij dringend klaar maken voor de reis. Doodzenuwachtig, en de hitte in deze kamer maakt het er niet beter op. Ik heb de allerrustigste muziek opgezet, Nico en daarna John Fahey. Maar nu moet ik er toch een voorlopig punt achter zetten. De Toscaanse schoonheid wacht op me, in de verte hoor ik haar sirenenzang al. Nu nog wat boeken selecteren om mee te nemen. Mijn iPod zit al vol uitverkoren muziek. Zo neem ik toch een klein deel van mijn vertrouwde omgeving met me mee. Het meest vertrouwde laat ik met spijt in het hart achter.

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

12-05-06

DORPSTAFERELEN


natural harmony

Een aantal ‘invallen’, afkomstig uit La Palma. Waarom wil ik ze prijsgeven? Ik weet het niet. Er is geen reden om het wel te doen, er is evenmin een reden om het niet te doen.

Jij met je zigeunerachtige verleden, met je Poolse heteroniem. Jij was bijna een racist en leek in je reactie op de dood van de zeventienjarige jongen op de donkere mannen en vrouwen van de Vlaamse zuiverheid. Zoals Nietzsche voortdurend op zijn hoede was voor de Duitsers en de ‘Duitse gedachte’ moet jij voortdurend op je hoede zijn voor Vlaanderen en de Vlaamse gedachte. (Dit betekent niet dat er in Oost-Vlaanderen en in West-Vlaanderen niets moois en niets goeds aanwezig is. Inderdaad situeer ik Vlaanderen in deze twee provincies. Limburg, Antwerpen en Brabant hebben een heel andere geschiedenis en vertellen andere verhalen. Alles wat anders is en afwijkt moet je koesteren.)

Ondanks de ziekte en de sombere gedachten over België vandaag toch even verrukking gevoeld, staande bij een landschap genaamd ‘de kloof van de angsten’.

Als je ziek bent kunnen er momenten zijn dat kleine dingen je veel dieper raken. Hoe heerlijk een glas Rioja plots kan smaken! Je hoeft niet eens meer naar Umbrië voor de Montefalco, of naar Montalcino voor de Brunello. In deze eenvoudige wijn is alle wijn van de wereld aanwezig.

In het Palacio del Vino in Los Llanos werden we bediend door een bijzonder vriendelijke ober. We aten er ham en kaas afkomstig van het schiereiland, zoals ze Spanje in La Palma noemen, en dronken wijn uit het dorp Puntagorda. De naam van de ober was Jesus. Die avond heb ik Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ uitgelezen. Het is een schitterende, visionaire roman over (onder meer) New York en Walt Whitman. De grote Amerikaanse dichter is bijna in elke regel aanwezig.

In de twee bars van Tazacorte zitten de vijftigers, moe van in de bananenplantages te werken, aan de toog tv te kijken en Haig whisky te drinken. De barman mengt die whisky met limonade. Het moet afschuwelijk smaken, maar deze mannen vinden het lekkker. Waarom ook niet. Dit jaar kan ik alleen maar even van buiten naar binnen kijken. Maar dat is niet erg. Ik weet hoe het er binnen aan toe gaat. Er gebeurt niet veel. De televisie staat aan, de mannen drinken hun whisky en wachten geduldig op de dood. Wat verderop, op een pleintje in de schaduw van de kerk, zitten de nog ouderen nog geduldiger hun beurt af te wachten. Niets schijnt deze mensen te verontrusten. Zij zitten op enkele bankjes, een paar honderd meter van de oude oceaan. De enige die hier bang is voor de dood ben ik, geloof ik.

Ik droomde van een concert van Bob Dylan. Hij zong een paar liedjes samen met Axelle Red. Zijn haar was geblondeerd en piekerig als van een jonge sportgod uit Vlaanderen. Zo’n kerel met een koelkast vol drugs. Bob Dylan was net als ik de dag voordien aan zijn hart geopereerd. M., vertelde me dat hij in hetzelfde schuitje zat. Allemaal hartpatiënten bijeen! Een zekere Guido Van Liefferinghe (dat je van zo’n man kunt dromen!) nodigde ons uit in de VIP-ruimte. Ik moest echter eerst om mijn rode leren jas, die lag nog ergens op een stoel. Daarna vond ik de weg naar die ruimte niet meer. Ik had mijn kans om met Bob Dylan te praten schoon verkeken. Het concert zelf stelde niet veel voor. Dylan zong alleen maar wat fragmenten, geen enkele song werd afgerond, het waren meestal maar wat bluesstukjes. Hij speelde wel één mooi Spaans stukje op zijn gitaar.

Ik luister nu naar the Scud Mountain Boys. Ze zingen ‘Where’s the Playground Susie?’, met hun mooie Amerikaanse jongensstemmen.

Foto: Martin Pulaksi (La Palma).

08-05-06

FUNERARIUM LA PAZ


the old men and the tree


In het dorp Tazacorte, op La Palma, logeren we al vier jaar na elkaar in een appartement in een gebouw op zo’n twintig meter afstand van een funerarium, Funerario La Paz. De voorbije jaren gebeurde daar nooit iets. We liepen er vier, vijf, zes keer per dag voorbij, de heuvel af, de heuvel op. Na een dag in Tazacorte dacht ik al niet meer aan de dood en nog minder aan dat funerarium. Maar nu lag er elke dag een dode opgebaard. Gezeten op ons terras, een glaasje Cava drinkend en een gevuld olijfje etend zien we dan familieleden en vrienden afscheid komen nemen van de overledene. Recht voor ons bananenbomen en nog wat verder de Atlantische oceaan, met soms een pittoreske zonsondergang, links, wat lager in de straat, de rouwenden, die druk staan te praten en te lachen. Het waren altijd oude doden, tachtig, negentig jaar. Dat is nog een geluk bij een ongeluk, dat ze zo oud zijn. Ik dacht, zou het een epidemie zijn, de vogelgriep misschien? Ik was zelf erg ziek, mijn lijf verzwakt van de antibiotica en de corticoïden. Ik kreeg argwaan. Er waren geen toeristen in Tazacorte. Geen buitenlander te zien. Ja, één, de Nederlandse eigenaar van het gebouw waar we ons appartement huren. Je moet Ketek nemen, zei hij. Dat is een stevig antibioticum. Ik heb hier nog een doosje liggen, zei hij. Heel vriendelijk van de man, maar het leek me toch veiliger me aan het voorgeschreven medicijn te houden, vooral omdat ik allergisch ben voor bijna alle antibiotica. Ik voelde me wel een beetje schuldig dat ik die Ketek moest weigeren. R., de man van het gebouw, beschreef het als een wondermiddel. Het leek wel of hij me het eeuwige leven aanbood. Overigens is hij een groot voorstander van antibioticagebruik. Alle dagen een pilletje antibiotica, dan kan je nooit iets overkomen, zegt hij. Cortisone is niet goed, zegt hij. Daar zwelt je kop van op. Ketek moet je nemen. We zijn zelfs met z’n beiden op het Internet gaan kijken om te zien wat de aanwijzingen waren. Ik las niets over bronchitis, luchtwegen en ik las ook niets over de vogelgriep. Mijn excuses, R., maar geen Ketek voor mij. Overigens zijn er weinig vogels op La Palma. Veel bananen en andere planten, maar geen gevederde vrienden, tenzij kippen en hanen. Daar kun je natuurlijk ook vogelgriep van krijgen. Maar goed, dat zal het niet geweest zijn, anders was ik nu al wel dood.
Ik had het over dat funerarium La Paz. Dat daar zoveel oude doden naartoe werden gevoerd.
Omdat ik ziek was zat ik vaak op ons terras, wat te kijken naar de oceaan. Dan zag ik ook dat ze bloemenkransen leverden en zo. Het ging er allemaal heel rustig aan toe. Het meisje dat de bloemenkransen bracht zag er bepaald sexy uit, met haar blote navel. Ja, zo dicht bij was het, dat ik haar navel kon zien. Maar als de stoet voorbijkwam lag ik toevallig altijd in bed. Ik zei tegen A., maak me wakker, als er een stoet is, maar dat deed ze niet. Ik vermoed dat ze mijn gevoelens wilde ontzien. Maar ik wilde heel graag zo’n begrafenis voorbij zien komen, de steile heuvel op. Dat zal dan voor een volgende keer zijn. Als er dan nog doden zijn.
Onze buurman heeft een kat in huis gehaald. Heel het huis begint er naar te ruiken. Ik denk aan verhuizen. Dieren zijn lieve beesten, maar ik kan niet goed tegen hun geur. Als ik de ramen openzet ruik ik de seringen en de blauwe regen. Ik zet de ramen zoveel mogelijk open.
Een uurtje geleden hoorde ik Smog (Bill Callahan), een kerel met een fijn gevoel voor humor:

Bury me in wood
And I will splinter
Bury me in stone
And I will quake

Bury me in water
And I will geyser
Bury me in fire
And I’m gonna phoenix
I’m gonna phoenix

zong hij. Of iets dergelijks. Hoe kan een pessimist zo optimistisch zijn? Dat was ook nog zo iets. Op een zondag, er lag net geen lijk opgebaard in funerarium La Paz, opende ik de grote ramen naar het terras. Altijd vult dan meteen, als het gelach van dolfijnen, die heerlijke, heilzame geur van de Atlantische oceaan, met een toets van vulkanische aarde en bananenbomen, de kamer. Die zondag werd er echter vuilnis verbrand, net naast het funerarium en recht voor ons appartement, op een klein stukje braakland. Braakland is een perfect woord. Net zoals in Anderlecht heb je in Tazacorte van die mannen die denken dat ze wel wat weten over het verbranden van rotzooi. Ze komen met een grote oude auto aangereden, een aftandse Ford of zo, of een Toyota misschien, stappen uit, een beetje schuw als reptielen, maar met toch heel veel zelfvertrouwen in hun bewegingen, laten de portieren openstaan, openen de immense kofferruimte, werpen vervolgens vrij snel hun voorraad giftige afval op een hoop, gieten er benzine over en steken de boel in brand (zonder zichzelf te verbranden!). En dan staan ze daar een paar uur op toe te kijken. In Tazacorte doen ze dat naast funerarium La Paz. Na een minuut al sluit ik de deur naar het terras, ga weer in bed, wat slapen, of lees enige uren in een boek van Murakami, tot de rook is weggetrokken en de grote ramen weer open kunnen. De zon gaat dan gelukkig weer onder, en dan drinken we nog een glaasje schuimwijn of iets anders om de wereld te vergeten.

Foto: Martin Pulaski

05-05-06

EEN ZACHTAARDIGE GOLEM


Homunculus


Op 28 april zat ik op het schaduwrijke terras van café Eden in Los Llanos. Ik had Het Laatste Nieuws gekocht. Of het Nieuwsblad. Beschouw dit niet als reclame. Het zijn de enige Belgische kranten die ik daar heb aangetroffen. Zelfs Le Soir was er niet. In het buitenland mis ik de kranten soms wel eens, één keer per week of zo. Hier thuis niet meer. Ik heb geen abonnementen, als er iets gebeurt hoor ik het wel. Ik lees wat er gebeurd is op de gezichten van de mensen in de metro. Of iemand vertelt mij gewoon iets. Dat volstaat. Meestal zie ik dat er weer een oorlog gaande is, of er is een ramp gebeurd, of een jongen is doodgestoken in het Centraal Station in Brussel. Maar in café Eden zat ik met die gazet, meer foto’s dan woorden. Overigens lijkt het wel of hier ook al een oorlog begonnen is, maar ik denk dat Anderlecht een match gewonnen heeft. Het zal ongetwijfeld vuurwerk zijn. Zware ontploffingen in ieder geval. Ik ben nog niet helemaal hersteld, de gewaarwordingen zijn intenser dan wanneer ik in mijn gewone doen ben. Ik zal eens door het raam gaan kijken. Het is nu toch warm. Een kou zal ik wel niet vatten. Vreemd. Ik ruik alleen de geur van buskruit. Ik hoor diepe stemmen, als van duivels, of van engelen na de val, de stem gebroken.

Maar sta me toe terug te keren naar de kern van de zaak. Een krantenbericht, een bagatel, een Belgisch drama. Zoals zovelen dacht ik dat de moord op Joe ergens verband hield met het geloof dat islam heet, ook al heb ik me meteen verzet tegen het denkbeeld dat de islam een slechtere of betere religie is dan enige andere. Toch was er die associatie, waar ik me voor schaam. Op het terras van café Eden schaamde ik mij diep. Ik had me laten meeslepen door gevoelens van alledaags racisme. Ik had er mezelf van overtuigd dat het Marokkaanse jongeren waren geweest die Joe hadden gestoken tot hij daar in het Centraal Station, een plek waar ik elke dag kom, was doodgebloed. Ook al had ik gezegd dat het om uitzonderlijke amorele delinquenten ging, ook al had ik gezegd dat wijzelf mee verantwoordelijk zijn door ons gebrek aan gastvrijheid, toch had ik niet kunnen weerstaan aan de lokroep van het alledaags racisme. Het is niet omdat ik al drie keer ben overvallen, beroofd en één keer zwaar toegetakeld door zulke jongeren dat ik de vijfde keer ook door diezelfde bevolkingsgroep zal worden overvallen, beroofd of het ziekenhuis ingeklopt. Dat is niet zeker. Messentrekkers en roofmoordenaars tref je overal aan. Vooral in de hoogste regionen, bij de masters of war. Maar dat zijspoor sla ik even niet in. Ik had het over mijn schaamte. Ik wil mijn verontschuldigingen aanbieden…. Maar aan wie? Aan de naamlozen die ik misschien, ongewild, heb gekrenkt. Aan Hotman, Hoessein en Fatia. Heb ik de beredeneerde onzin van mijn vijanden van het Vlaams Blok en van idioten als de judopatser Marie-Jeanne dan al zozeer verinnerlijkt dat ik hun gedachten uitspreek? Neen, zo ver is het nog niet gekomen. Maar ik ben wel op het slechte pad. Natuurlijk ben ik Joe niet vergeten, en de andere slachtoffers evenmin. Ik denk er elke dag aan, hier in Brussel, maar ook op een terrasje van café Eden in Los Llanos, niet genietend van een kop koffie. Dat monument ben ik ook niet vergeten. In mijn hoofd is het al opgericht. Nu moet ik er met andere mensen over gaan praten. Ik weet niet wat er inmiddels is gebeurd. Ik dacht helemaal niet aan een monument zoals dat voor de onbekende soldaat. Meer een monument van de geest. Iets wat tijd en ruimte doorboort en toekomst zoekt, iets gevleugelds en gracieus, maar ook bijna van vlees en bloed, een soort van homunculus, een soort van kleine zachtaardige golem.

Terloops wil ik Eric Corijn bedanken voor zijn lezersbrief in Humo, die mij er mee toe aangezet heeft deze bekentenis openbaar te maken.

02-05-06

TERUG IN HET VADERLAND


i see you


Ik ben terug uit Tazacorte (La Palma). Nog zwakjes. Ik probeer straks, na doktersvisite, of misschien nog eerder, wat meer te schrijven, maar het gaat moeizaam. Moeilijke ademhaling, en een beetje last van dyslexie, waarschijnlijk ten gevolge van de vele ‘geneesmiddelen’. Het ironische is dat ik jaarlijks een tweetal weken naar La Palma trek om er letterlijk op adem te komen. De lucht is er mild en voelt bijzonder gezond aan, zo gezuiverd door de grote oceaan.

Ik wil alvast iedereen van harte bedanken die hier zijn of haar bezorgdheid over mijn toestand in stilte of woorden heeft uitgedrukt. Dat betekent veel voor mij. Dat is wat wij allen nodig hebben.

26-04-06

ZIEK IN TAZACORTE


Ziek zijn op La Palma is geen pretje. Afgesneden van het vaderland, wachtend op de terugkeer. De goede lucht schijnt haar werk niet behoorlijk te doen. Een hardnekkige hoest. Ik denk veel aan de vrienden en iedereen daar bij ons. Ook aan deze unieke wereld hier van skynetblogs, die ik nu al een tiental dagen de rug heb toegekeerd. Ik zit in het halfduister, buiten schijnt de milde zon. Om het kwartier begint hier om een onverklaarbare reden James Browns I Feel Good, een tiental seconden en dan is het weer gedaan. Waarschijnlijk een computer game. Ik verlang naar huis, maar wacht geduldig 1 mei af. Lieve groeten voor iedereen die dit leest.

16-04-06

BESTEMMING LA PALMA


what's so funny about peace, love and understanding?


Om toch niet in somberheid afscheid te nemen plaatste ik hierboven een foto van een wonderlijk landschap in het Noorden van van La Palma.

14-04-06

DROMEN VAN ANDALUSIË


sevilla

De voorbije nacht zag ik weer de dorre maar toch bekoorlijke landschappen van Andalusië. Wat ik hier op een rijtje zet deed zich aan mij voor als een experimentele film, waarbij narratieve structuur en logica plaats hadden gemaakt voor de eloquentie van de beelden. Alcohol, kerken, een flamencozangeres, meeuwen op het strand, twee kleine meisje in matrozenjurkjes, busstations, witte dorpen, het vloeide allemaal door een grote, meanderende rivier.

Een of andere busreis met Alsina Graëlls langs de verminkte Costa del Sol. Was het van Malaga naar het lelijke, charmante Almuñecar? In oktober, als er geen toeristen meer zijn, alle pretparken gesloten. En daarna, vermoeid van de lange reis, drink je Montilla en eet je wat ham en olijven. Later nog frisse Mahou en lauwe Osborne Brandy aan de toog tussen oude mannen.

Bar Fernando, vlak bij Campo del Principe in Granada. Het Alhambra, een begenadigd oord. Begenadigd? Je kunt er niets over zeggen, je moet het zien, ondergaan. Het Albaicin. De muzikaliteit van de inwoners van Granada. De sierlijkheid van hun bewegingen. Het meisje dat zo mooi stond te zingen terwijl ze de winkel schoonmaakte in het Cuesta del Gomerez, waar al de gitaarmakers hun zaak hebben.

Granada: het drukste gewoel dat ik ooit heb meegemaakt en een vreselijke stank van uitlaatgassen, maar wat hogerop, de rust van het Albaicin, de kleine straatjes waar nauwelijks auto's komen, met de landelijke carmenes, die je vanop het Alhambra heel goed kunt zien liggen. Het ruisende water, overal in het Generalife, die prachtige tuin, een werkelijk paradijs. De Arabische cultuur heeft veel goeds met zich meegebracht naar Andalusië. In de brandende zon water drinken op een terras in het Juderia.

Misschien is Cordoba nog bedwelmender, nog muzikaler, nog religieuzer dan Granada. De Mezquita is een gigantische moskee, in het midden waarvan de katholieken een kathedraal hebben gebouwd, die er zelfs niet echt staat te storen. Voor de Mezquita ben ik totaal van slag geraakt van een tuin met sinaasappelbomen en een fontein. In Cordoba is er een lekker sfeervolle bar, die ook Mezquita heet. Je kunt er van de beste sherry drinken tot je scheel ziet. In de restaurants krijg je sherry bij het eten, een goede combinatie. Ik wil zeker nog terug naar Cordoba. Ook al om weer door het plantsoen met de duizenden duiven te wandelen, bij zonsondergang, op een gelukkige manier moe van de hitte en de toevallige goedheid van het leven.

Een van de allermooiste paleizen die ik ooit mocht zien is Casa de Pilatos (of Palacio de San Andres) in Sevilla. Sevilla is een bekoorlijke stad, met misschien de mooiste en de jongste vrouwen van de wereld. We komen er echter met teveel toeristen bijeen. We blijven er beter weg en laten die stad aan zichzelf. Dat geldt evenzeer voor Firenze en Venetië, door het toerisme versleten steden. Het is beter er over te lezen in romans van Henry James, Thomas Mann en E.M. Forster.

Iets helemaal anders is Jerez de la Frontera. Stilte, drank, paarden en flamenco. Dat lijken clichés, maar zo eenvoudig lijkt die stad. Iedereen slaapt er voortdurend zijn roes uit. ’s Avonds komen een paar kleine bars en tablao's tot leven. Mannen drinken en zingen, vrouwen kijken toe of dansen met stevige benen en vurige ogen. Er zijn nog hoedenwinkels in Jerez. Tussen oleanders wandelen oude mannen met wandelstokken.

Cadiz leeft en is van lucht en licht gemaakt. Cadiz heeft mijn hart gestolen. Ik houd van alle havens en van de oude oceaan, die mijn verbeelding naar Amerika en naar het dichterbije Afrika leidt. Ik houd van Cadiz om tien uur 's avonds, in de drukke calle San Francisco. Ik hoor de stemmen wandelen, poëtisch in hun onverstaanbaarheid. Ik houd van Cadiz, zelfs in een vermolmde jeugdherberg of in een luizig pension, bij wijze van spreken dan, want het is proper, ook al is het vervallen. In de oktobernamiddag schittert vanop het strand in de verte de beloofde stad: Cadiz. De kathedraal is dan een toekomstvisioen. Elk gebouw staat op zijn plaats, daar aan de horizon, in de beloofde stad. Het strand is immens en bijna geheel verlaten, alleen zie je af en toe iemand een eenzame sport beoefenen. Niets meer, niets minder. Of toch wel. Vijf meeuwen vliegen over onze hoofden, vijf jongens wagen zich in het water (19 graden), twintig of dertig mieren vervoeren een stukje deegwaar. Ze voelen zich al helemaal Italiaans en heffen met z'n allen O Sole Mio aan. In Cadiz eet je alleen maar vis en drink je veel Oloroso, of goedkope witte wijn uit Sanlucar de Barrameda.

Voor mij is de Costa de la Luz de mooiste streek van de wereld. Alleen al het horen van de plaatsnamen kan me in vervoering brengen. Cadiz, Chiclana, El Puerto de Santa Maria, Conil de la Frontera, Los Caños de Meca, en Tarifa. Nochtans zag ik op die stranden dode vluchtelingen aanspoelen terwijl in Tarifa de surfers ongestoord hun gang gingen. De onverschilligheid van de roes, van het geluk. Genoeg daarover.

Overmorgen sluit ik mijn boeken en vertrek ik opnieuw op vakantie, nog een keer naar La Palma, om er zuivere lucht in te ademen en tot rust te komen. Maar eerst moet ik genezen, en deze koortsige herinneringen aan Andalusië verjagen.

03-03-06

WIR BAUEN EINE NEUE STADT


Nooit ben ik zo euforisch geweest als in augustus 1998 in Berlijn. Berlijn was toen de grootste bouwwerf van Europa. De eerste dag dat ik er verbleef zag ik al het contrast tussen de antieke architectuur, bewaard in het Pergamonmuseum, en die van het Berlijn dat toen werd gebouwd, het Berlijn van de 21ste eeuw. Vooral de omgeving rondom de Potsdamer Platz. Vanuit het Pergamon ontwaarde ik door een klein raam daar buiten de nieuwe tijd, die ik boeiender vond dan al de Egyptische, Griekse, Arabische schoonheid in het museum.
Een dag later raakte ik bijna buiten mezelf van de lelijke schoonheid van de DDR-gebouwen aan weerszijden van Unter Den Linden en rondom de Alexanderplatz. De Alexanderplatz was zo leeg en zo desolaat en zo radicaal verschillend van het beeld dat ik er me van had gevormd door de lectuur van het boek van Alfred Döblin (en het ademloos bekijken van het televisiefeuilleton van Fassbinder op basis van dat boek) dat ik er bijna voorbij was gelopen.

Berlijn is de indrukwekkendste stad die ik ooit heb bezocht. Alleen al door de ruimte. Maar als de bouwwerven verdwenen zullen zijn? Als de kitsch werkelijkheid zal zijn geworden, of als de prachtige bouwwerken van de grote architecten er ‘definitief’ zullen staan? Ik geloof dat ik er dan niet meer zal terugkeren. Gedane zaken nemen geen keer.

Ik denk dat vooral ‘zonderlingen’ naar Berlijn gaan, mensen die geen genoegen nemen met het bestaande, die kicken op de geschiedenis, op het tragische in ons, op ruïnes en bouwwerven, op het afgrijselijke verleden en op de mogelijkheden die de toekomst biedt. Op de chaos die zichtbaar overwonnen wordt. De typische geur van Berlijn in 1998 was die van beton.

Met dank aan Palais Schaumburg voor de titel.

28-01-06

HEIMWEE EN WELBEHAGEN (HERINNERINGEN)


donau 2


Ik herinner me een treinrit van Boedapest naar Esztergom, het stadje met zijn imposante kathedraal.

Ook in Hongarije zijn er schippers. Ik zie hun schepen in alle rust aangemeerd liggen in een kleine haven aan de Donau, even buiten Boedapest.
Een vreemd gevoel overvalt met. Alsof je ergens anders bent en tegelijk thuis. Heimwee gaat vaak hand in hand met een gevoel van welbehagen.

In Praag zag ik vanop de burcht Hradcany voor me de oude, donkere en toch glanzende stad en links van me in de verte tientallen uniforme flatgebouwen die leken te behoren tot een andere wereld, die nog in aantocht was. Een abstract communisme. Of een toekomst die alweer voorbij is. Je werd op één ogenblik doordrongen door twee elkaar vreemde, elkaar volstrekt tegensprekende werelden. Een tijdlang verloor ik elk realiteitsbesef en was er een nooit eerder ervaren angst over mij, een filosofische angst, zou ik het willen noemen.

31-12-05

GROETEN UIT BARCELONA


liefde

Voor jullie allen mijn allerliefste wensen uit Barcelona, de hoofdstad van Europa. Drink veel, maar met mate.

31-10-05

TERUG UIT ANDALOUSIE


jaen


We zijn weer thuis. Terug uit het land waar de sinaasappels bloeien. De spannende avonturen die ik in Andalousië heb beleefd, kan ik nog niet uit de doeken doen. Later misschien? Nu ben ik moe, moe, moe. Moe van die avonturen natuurlijk (voornamelijk luisteren, praten, eten, drinken, weinig slapen), moe van ritten met taxi’s, wachten in luchthavens, turbulente vluchten, club sandwiches en Heineken pils, late aankomsten, Brussels by night en koffers uitpakken. Andalousië is een betoverende regio, vriendelijk en gastvrij, met een geschiedenis die wellicht nog rijker is dan de onze, en, belangrijkst van al, de mooiste vrouwen van de wereld. Maar wat hebben die Spanjaarden – of alleen maar de Andalousiërs? - een slechte smaak op gebied van populaire muziek! Hun verteltalent is dan weer ongeëvenaard; als ik in hun gezelschap ben schaam ik me telkens weer om mijn schraalheid. Ik ken geen enkel verhaal, tenzij dat ene, narcistische, het mijne. Wat dat betreft lijk ik op Rousseau en Montaigne. Maar dan zonder hun uitzonderlijke, bijna bovenmenselijke begaafdheid en gracieuze stijl, zonder hun grote geest.

Hoe zoet en leerrijk een reis ook is, het is nog zoeter om weer thuis te komen, bij de geliefde, en bij de boeken en de muziek. "Gee, it's great to be back home!"

Foto: Martin Pulaski