18-09-07

NAAR DE NEFZAOUA II


café in Douz 2

Afbeelding: illustratie bij NAAR DE NEFZAOUA (Martin Pulaski).

17-09-07

NAAR DE NEFZAOUA


just married

Een flashback naar februari 1999 - fragment van een huwelijksreis.

De donkere wolken voorspellen regen. De mensen van hier voorspellen ook regen. Nu heb ik wel graag dat het eens een keer regent, maar het mag natuurlijk niet blijven duren. We gaan een hele dag weg, naar de woestijn. Eerst naar Douz, voor de donderdagmarkt. Daarna naar Zaafrane voor een uurtje op de dromedarissen, echt de woestijn in. Tijdens de rit naar Douz (en de hele dag) zitten we achter in de 4x4, heel ongemakkelijk voor de benen. En je ziet de hele tijd je vijf medereizigers (vier toeristen en een chauffeur). Gelukkig zijn het vrij stille mensen. De man voorin is de hele tijd met zijn videocamera in de weer. Zo heeft hij gelukkig geen aandacht voor ons. Onderweg, in de Chott-el-Jerid, een uniek natuurfenomeen, stappen we even uit. De gids vertelt ons over wat we gaan doen en waar we nu zijn en wat dit allemaal is. Dat wil ik hier niet herhalen. Zie de reisgidsen. Het is erbarmelijk koud en ik wil zo vlug mogelijk weer in de 4x4. Ik denk wel: als het weer mooier wordt huren we een fiets en komen we helemaal alleen naar hier. Dit landschap is gewoon te gek. Je moet je er op je eentje of met zijn tweetjes in onderdompelen. Tijdens een huwelijksreis bijvoorbeeld. Niemand moet daar getuige van zijn. Een paar Tunesische herders mogen ons vanuit de verte wel zien aan komen rijden en hun god mag ons zijn zegen geven. Maar meer niet. Geen Fransen met hun hoogdravende commentaren, met hun duizenden woorden om te zeggen dat ze mooi vinden wat ze zien. Je moet niets zeggen. Woorden breken alleen maar af. Zelfs met poëzie moet je voorzichtig zijn, heel voorzichtig of je breekt met je vergezochte beelden stukjes van de wereld af. Het komt erop aan heel kleine stukjes te bevestigen. Te doen bestaan. Iets nieuws is niet nodig. Of een zwart plastiek zakje misschien? Of zo’n zilveren schijfje misschien, omdat ik er toevallig aan verslaafd ben? Dat alle zilveren schijfjes meteen verdwijnen! Daar lig ik niet van wakker. Als er geen schijfjes meer zijn om naar te luisteren is er nog altijd een huilende hond. Natuurlijk zal ik dan nooit meer naar Donna Summer kunnen luisteren, en dat zal ik toch wel erg vinden. Oooooh, love to love you baby (x100)…

In Douz zijn de straten, vandaag niet veel meer dan modderwegen eigenlijk, koud en vuil en krachtig van geur. Bruine kleuren zoals je ze nooit hebt gezien. Talloze bruinen. Beige, zandkleur. Lichtbruin nat zand. Grijsbruine ezelkeutels. Roestbruine stront van kamelen, van dromedarissen. Schapen die in hun omgeving opgaan. Hun wit stelt niets meer voor. Plotseling de verrassing van de beestenmarkt, wat lager gelegen dan de rest van het stadje. Je kunt het geen schok noemen, wat je daar voor je ziet. Je ziet meteen dat dit er altijd al geweest is. Het is een zacht en tegelijk brutaal visioen, maar dan reëel. Mannen in bruine dekens gewikkeld. Je ziet nauwelijks iets anders dan bruin. Het is zo spooky dat je er geen foto van durft maken. Toch lopen er zeker wel twintig toeristen rond op de beestenmarkt en ze maken foto’s. Hun camera’s zijn zo lelijk. Niet bruin, maar zilverkleurig, net hetzelfde gevloek als dat van jouw Minolta.

Koud dat het is. In een groezelig café drinken we heerlijke thee. We kopen een tapijtje, misschien omdat het met zijn rode kleuren veel warmte uitstraalt. De thee is zoet en warm. En zo rechtstaan in dat café met dat warme glas in je hand, dat verwarmt je hart. Alsof je een romantische ziel bent, in de 19de eeuw verdwaald. De man in het café zegt: maak een foto van mij. Ik ben pittoresk. Hij is bruiner dan om het even wat in deze omgeving. Je zou bijna zeggen: een zwarte man.

Daarna op die dromedarissen. Laura is de eerste. Zij zit al op haar dromedaris nog voor ik goed weet waar ik aan begonnen ben. Dan zit ik ook op mijn beest. Een wild gevaarte dat niet echt tevreden is met zijn last. Ik voel dat hij me van zijn rug af wil. De dromedaris maakt een vreemd brulgeluid, een beetje zoals het geloei van een koe, maar dan psychedelisch. De tong ziet er ook uit of je aan het trippen bent. Je weet wel hoe een echte tong eruitziet, dit is slechts een triptong. Straks word je weer normaal en zie je opnieuw de tong zoals ze is. Maar neen hoor, dit is een of ander ding in de mond van de dromedaris. En nu is er geen gids om je te vertellen wat dat eigenlijk is. Zo’n dromedaris zit vol water, je voelt dat volume tussen je benen. Je voelt dat er allerlei dingen gebeuren in dat vaste lijf. Een heel ander gevoel dan op een fiets. Pas na een tijd zie je ook de woestijn. De woestijn is niet bruin maar geel. Een klein beetje bruin is met je meegekomen: de dromedaris.

Maak nu toch eens een foto, zegt Laura. Maar ik houd me stevig vast, met mijn twee handen, aan het houten spul waar je je aan vast kunt houden. Met roestige ijzerdraad vastgemaakt. Opgelet, denk ik, ik ben niet ingeënt tegen tetanus, en als je dat ergens van kunt krijgen, dan is het wel van kamelen (dromedarissen ook natuurlijk). Kijk ik heb al een schram op de muis van mijn hand. En me toch stevig vast houden. Als ik hier afval is mijn rug gebroken. Jongen, kijk, daar is de woestijn, daar, kijk. De vreselijke woestijn. De absurde woestijn. Zou je er niet eens een keer in willen verdwalen? Een beetje maar? Echt niet? Diep in je hart?

Maar je gedachten dwalen weer af, je waarneming wordt ondermijnd door angsten. Door de geur van je kledingstuk (boernoes of djellaba), doordrenkt van het zweet van zoveel voorgangers-dromedarisberijders. Vergeven van de mijten, van de mijten hun uitwerpselen. Je krijgt er ademnood van, hier in deze zuivere lucht.

Ergens een oponthoud. Het is duidelijk: de dromedaris wil je kwellen. Hoe hij gaat zitten, dat is zeker niet met goede bedoelingen. Die dromedaris van Laura deed dat zo elegant en met veel aandacht voor zijn berijdster.

Nog een tochtje met de 4x4’s door de duinen naar een soort van Hollywoodkastelen, midden in de woestijn. Ze worden gebruikt als filmdecor. We mogen er niet binnen. Dat doet me denken aan Cinécitta. Daar mochten we ook niet binnen. Ik ben nochtans filmstudent, zei ik toen. Ik ben een bewonderaar van Fellini. Ik zou eens een kijkje willen nemen in deze gerenommeerde studio, waar de meester al zijn meesterwerken heeft gemaakt. Het mocht niet baten. De poort bleef gesloten.

Een vrij stevige wind steekt op, je ziet niets meer. Die wind heeft iets uitdagends. Je zou er wel willen in opgaan, een worden met het geheel. Dat is weer typisch natuurlijk. Dat verlangen naar een roes, je onderdompelen. Verdwijnen in iets. Een korreltje zand worden. Maar alle korreltjes zand zijn geteld en jij bent toevallig (of niet zo toevallig) die mens, Martin Pulaski.

Foto: Martin Pulaski.

06-09-07

OVER ECHTE EN VERZONNEN PARKEN EN TUINEN


finzi contini 2



Het graf van Giorgio Bassani heb ik niet gevonden, maar op een zinderend hete middag fietste ik door de straten van Ferrara - er was nergens een levende ziel te bespeuren - tot aan het huis waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht. Er hing geen plakkaat, er hing helemaal niets. Wat een verschil met Triëst waar op bijna elk huis, ik overdrijf maar een beetje, een kleine foto van James Joyce is aangebracht, samen met de vermelding wat hij op die bepaalde plek heeft uitgespookt, bijvoorbeeld waar zijn zoon Giorgio - ook toevallig - is geboren (op 27 juli 1905 in een huis aan de Piazza Ponterosso) of waar hij Engelse les gaf (in de Berlitz school), enzovoort.

Ik vond het niet erg dat de gevel van Bassani's geboortehuis naamloos was. Het is een mooi, goed onderhouden gebouw. Waarschijnlijk wonen er mensen die met rust willen worden gelaten. Ik heb discreet een foto gemaakt van een raam in het huis. Wellicht heeft hij als jongen vaak door dat raam naar de straat gekeken. Dan zag hij daar misschien iets wat later in zijn romans terechtkwam, prachtige boeken waarin weinig verzinsels voorkomen. De tuin van de Finzi-Contini's is echter wel een verzinsel. Ik ben er zelfs niet vruchteloos op zoek naaar moeten gaan: ik was een gewaarschuwd man. Ooit heb ik in Mariánské Lázně wel gezocht naar het verzonnen park uit L'année dernière à Marienbad (Alain Resnais, Alain Robbe-Grillet). In zekere zin heb ik dat toen wel gevonden - want kan ik het mij niet levendig herinneren? Herinner ik me niet dat ik van dat heilzame water dronk? Sliep ik niet in een oud, vervallen herenhuis aan de rand van het park. Ja, en 's avonds dronk ik er hoestsiroop ter bestrijding van een pijnlijke hoest. Maar dat kan ook in Karlovy Vary zijn geweest. Je mag je geheugen nooit volledig vertrouwen. Het kan rare streken met je uithalen.

Afbeelding: uit de film De tuin van de Finzi-Contini's (Vittorio De Sica).

04-09-07

GRAVEN

kerkhoven,graven,ferrara,giorgio bassani,michelangelo antonioni

Foto: Martin Pulaski.

Het valt me nu op dat ik in Ferrara veel tijd doorbracht op kerkhoven. Eerst op het Certosa, de zeer uitgestrekte stedelijke begraafplaats. Bij een meisje in een soort van kantoortje gingen we vragen of ze ons de weg kon wijzen naar het graf van de onlangs overleden filmregisseur Michelangelo Antonioni. Hij is geboren in Ferrara en werd er ook begraven. Het meisje wist in welke windstreek zijn stoffelijke resten zich bevonden, maar meer niet. Misschien zou de verantwoordelijke van het kerkhof het wel weten. Die persoon was echter evenmin onvindbaar, zodat we zelf maar op zoek zijn gegaan. Zoveel doden… Ik keek vooral uit naar een graf vol verse bloemen. Tevergeefs, het kerkhof was te groot, het was ‘onbegonnen’ werk. Eerder die dag hadden we al voor de gesloten deur van het Antonioni Museum gestaan. Daar worden naar verluidt zijn aquarellen tentoongesteld. De deur van het museum leek wel een naamloos graf. In het Palazzo dei Diamanti, een prachtig en beroemd gebouw er vlakbij, wist men alleen maar dat het Antonioni Museum voorlopig gesloten was en niet wanneer het weer open zou gaan.


Op een andere dag bezochten we het Joods Kerkhof, op zoek naar het – imposante, stelde ik mij voor, waarom eigenlijk? – graf van de Ferrarese schrijver Giorgio Bassani. Ik heb wel veel graven van Bassani’s gevonden, wellicht familieleden, maar geen Giorgio. Het Joods Kerkhof is werkelijk indrukwekkend. Je moet eerst bij een mevrouw aanbellen om binnengelaten te worden. Mannen moeten hun hoofd bedekken met een keppeltje. Zeer bevreemdend vond ik de graven van tientallen Finzi’s en Contini’s, persoonsnamen waarvan ik aannam dat ze verzonnen waren. Kennelijk schreef Bassani minder fictie dan ik dacht, zijn zijn romans veeleer kronieken, autobiografische geschriften, geen ‘echte verzinsels’. Rest nog de vraag of er ‘echte verzinsels’ bestaan.

31-08-07

EEN ONTGOOCHELING IN FERRARA

corso ercole


Het valt me moeilijk de woorden en beelden uit Italië meegebracht en onvrijwillig aan de chaos van het onbewuste toevertrouwd er weer aan te ontrukken. Zal ik zonder kompas vertrekken, blindelings, niet wetend waarheen? Zoals toen ik in Ferrara op de fiets van het gelijknamige hotel stapte en me richting Po begaf. Al snel verliet ik de niet echt uitgestrekte stad. Eens door de Porto degli Angeli en voorbij het Parco Urbani Giorgio Bassani reed ik door een geheel vlak landschap; ik snoof de geur van mest op en boven mij dreigden donkere wolken, een loodzware lucht. Ik reed daar in mijn zomerhemdje, wellicht naar de Po, maar dat was helemaal niet zeker. Het kon niet ver zijn, ik voelde de nabijheid van het rivierwater, maar mijn blik, nee, al mijn zintuigen werden vertroebeld, door boeken die ik ooit had gelezen, van Cesare Pavese, van Giorgio Bassani, en door films die ik had gezien, vooral Riso Amaro van Giuseppe De Santis. Wat ik zag, want soms zag ik wel iets, was helemaal anders dan in die sensuele zwartwit film (met een zeer verleidelijke Anna Magnani).
Het had geregend, de aarde had een sterke geur, van aardappelen, insecten, maïs, en vooral die van mest, die alles doordrong. Ook aan de opstandige boeren uit Novecento moest ik denken, vooral aan Olmo. Die film speelt zich in net zulk landschap af. Het lijkt wel of Olmo uit zulke grond is ontstaan.

Ik fietste over kleine paadjes, langs zijrivieren en kanalen. Meer en meer kreeg ik de indruk dat ik me van de Po verwijderde, het echte doel van mijn fietstocht. Een grote droefheid overviel me, omdat ik mijn weg niet kon vinden en ik werd bang, omdat ik misschien verloren zou rijden als ik zou terugkeren naar Ferrara. Wist ik nog welke paden ik was ingeslagen? Maar gelukkig had het geregend. Als Klein Duimpje volgde ik in het vochtige zand het spoor dat ik eerder had getrokken. Na enige tijd bereikte ik weer de oude stadswal van de stad en enkele minuten later reed ik over de mooiste straat van de wereld, de Corso Ercole I D‘Este, daar waar geen auto’s rijden, alleen maar fietsers. In mijn dagdromerij passeerde ik Micol en Alberto, die net buiten kwamen uit de villa van de Finzi-Contini’s. De zon was opnieuw gaan schijnen. Wat later zat ik met Laura in de schaduw van de tiran Savonarola ‘Salama da sugo’ te eten en een Vino di Bosco te drinken. Mijn teleurstelling en paniek waren al verzonken in de chaos van mijn existentie, een bron die zo moeilijk kan worden aangeboord.


Foto: Corso Ercole I D'Este, Martin Pulaski

30-08-07

THUIS IN TRIËST EN IN TRIËST THUIS


Anderlechtse zonsondergang

Terwijl ik door de straten van Triëst wandelde dwaalde ik soms af van het leven om me heen en dacht aan thuis. Misschien regende het daar wel? Misschien regende het binnen in mijn kamer? Of had een brand onze woning verwoest? Duizenden boeken en miljoenen songs allemaal weg. Nu ben ik weer thuis en alles is hier nog. Mijn enige wens is om weer in Triëst te zijn.

Foto: Anderlechtse zonsondergang, Martin Pulaski

29-08-07

TRAM 2 NAAR OPICINA


tram naar opicina

Dit is de tram naar Opicina, waar ik het hieronder over had. Het is de enige tram die nog rijdt in Triëst.

Foto: Martin Pulaski

ERVARING VAN DE GRENS


In 'Langs grenzen' van Claudio Magris las ik een veelzeggende uitspraak:

"Het individu is zich bewust van een diepe wond, die het hem moeilijk maakt zijn persoonlijkheid in overeenstemming met de maatschappelijke evolutie ten volle te verwezenlijken en hem de afwezigheid van het echte leven doet voelen."

Ik zou eigenlijk het hele boek kunnen citeren, het is schitterend - en het roept ook zoveel herinneringen op aan die wonderlijke grensstad, Triëst, waar Claudio Magris, James Joyce en Italo Svevo als het ware op elke straathoek staan te roken, in elke bar whisky of witte wijn zitten te drinken. Waar ze de uren vullen met gesprekken over grenzen, en heel in het bijzonder de verdwenen grens met het Oosten en het 'Rijk van het Kwaad'. Ze zullen het ook wel over misplaatst pattriotisme en ballingschap hebben. 

Om die grens zelf te voelen nam ik de tram vanuit Triëst naar Opicina, nog op Italiaans grondgebied maar toch al met veel opschriften in het Sloveens. Vlakbij voelde ik het nazinderen van het Ijzeren Gordijn, een fenomeen dat me in mijn kinderjaren zoveel angst heeft ingeboezemd en nu pas werkelijk voor me wordt, zij het op imaginaire wijze.

"Elke grens", schrijf Claudio Magris, "heeft met onzekerheid en behoefte aan zekerheid van doen. De grens is een noodzaak, want zonder grens oftewel zonder onderscheid is er geen identiteit, is er geen vorm, geen individualiteit en zelfs geen werkelijke existentie, die dan immers wordt opgezogen in het vormeloze en ongedifferentieerde. De grens schept een werkelijkheid, maakt omtrekken en karaktertrekken en vormt de individualiteit, de persoonlijke en de collectieve, de existentiële en de culturele. Grens is vorm en dus ook kunst."

26-08-07

IN EEN KOUDER KLIMAAT


Ik ben terug uit Italië. Triëste, Muggia, Ferrara, Bologna, Venetië. Onvergetelijke landschappen en steden. De muziek van de Italiaanse taal. Kunstwerken, schittering van water, de sterren aan de hemel. Heel verward ben ik, zit ik hier nu met al die indrukken die ik nog moet verwerken. Het is een aangename chaos, die nochtans als een zwaar gewicht op mijn denken en voelen drukt. Ik heb tijd nodig om er orde in aan te brengen, zoals ik dat in mijn dromen doe. (Want de meeste dromen die ik droom gaan over orde scheppen.)

Ach, ik vergat nog de mooie, zeer sexy Italiaanse vrouwen. Vandaag of morgen ben ik hier terug om weer 'de oude' te zijn, en om wat meer in details te treden.

Inmiddels heb ik vastgesteld dat ik in geen enkel lijstje meer voorkom. Je gaat twee weken op reis en je bent geschrapt. Bij skynetblogs is uit het oog blijkbaar uit het hart? Nog een geluk dat ik geen wereldreis heb gemaakt. Het is een harde wereld. Maar wat doe je eraan? Het zijn trouwens maar lijstjes. Wat telt zijn de lezers, de vrienden.

10-08-07

WEER EEN VERTREK


Schelde

Dit is de Schelde bij Weert, mooie streek, mooie herinneringen. Maar de onrust jaagt me naar andere streken, andere steden. Morgen omstreeks deze tijd ben ik in Triëst. Over twee weken ben ik terug. Als voorlopig afscheid haal ik deze woorden aan van Roger McGuinn:

Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

All he wanted
Was to be free
And that's the way
It turned out to be
Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

Flow river flow
Past the shaded tree
Go river, go
Go to the sea
Flow to the sea

The river flows
It flows to the sea
Wherever that river goes
That's where I want to be
Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

Roger McGuinn schreef deze tekst samen met Bob Dylan voor de film Easy Rider. De song is terug te vinden op de soundtrack van de film en in een versie van The Byrds op The Ballad Of Easy Rider.

Ciao!

Foto: Martin Pulaski.

REIZEN IN DE REGEN


 
Casanova

  1. De voorbije dagen had ik weinig dorst.
  2. Woensdag was ik om beroepsredenen in De Panne, net na de door komkommers druk becommentarieerde wolkbreuk. Het was een dwaas idee erheen te reizen met de trein, er reeds zelfs geen kusttram meer. In bijna elke straat in De Panne stond een brandweerwagen een kelder leeg te pompen. Waar ik zijn moest, kon ik niet geraken.  Ik stapte een restaurant binnen, helemaal leeg, en vroeg of ik iets kleins kon eten. Dat zou ik je afraden, antwoordde de kelner, je gaat beter op de dijk, daar zijn heel wat zaken waar kleine hapjes op het menu staan. Dat heb ik dan maar gedaan, helaas. Na een zurige sla met smakeloze garnalen en een glas even smakeloze witte wijn ben ik onverrichter zake naar Brussel teruggekeerd. Voor in de trein was nog een behaaglijk eenzame plek. Maar net toen de trein vertrok kwamen drie vreemdelingen bij me zitten, wat lichte ergernis bij me veroorzaakte, niet omdat ze vreemdelingen waren, maar omdat ik nu niet meer zou kunnen lezen. Mijn positieve was in een negatieve eenzaamheid veranderd. Ik probeerde dan maar hun nationaliteit te raden, wat niet wilde lukken. Welke taal spraken deze mannen? Net voorbij Koksijde kwam de treinbegeleidster de kaartjes nakijken. Geen van de drie reizigers had iets wat op een treinkaartje leek in zijn bezit. Ze gingen ervan uit dat ze gratis naar Brussel mochten. In Lichtervelde, een halte of twee verder, moesten ze uit de trein. Ik vraag me nog altijd af wat er met deze mensen daarna is gebeurd. Hoewel ik nu weer alleen was heb ik toch niet meer gelezen.
  3. Gisteren zijn we naar de Ardennen gereden. Ik zat achter in de auto en wierp af een toe een mistroostige blik op een beregend landschap. We moesten in Dinant zijn, in Marche-en-Famenne en nog een aantal plaatsen, ik weet al niet meer welke. Het nieuws op de autoradio ging over files, overstromingen in Duitsland en Zwitserland en Joëlle Milquet. Het Vlaamse journaille vond het een schande dat mevrouw Milquet zich voor ongeveer twaalf uur aan de politieke onderhandelingen had onttrokken om haar kinderen op te zoeken. Wat een misplaatste verontwaardiging – en dat terwijl de menselijke beschaving en de hele wereld zeer snel hun einde tegemoet snellen. In Marche-en-Famenne zijn we gestopt om een hapje te eten. Ik had aan een typisch streekgerecht gedacht, paté, boerenworst, eend, wild zwijn, paddestoelen, maar het regende, we wilden geen natte voeten krijgen en we vonden geen typisch Ardens restaurant. Op de grote markt van het stadje hebben we een Marokkaan aangetroffen en daar hebben we dan maar couscous gegeten. Wat zouden de velden en de bossen er mooi hebben uitgezien, glooiend in de zon. Nu was alles donker en grauw. Ik verlangde alleen maar naar huis. Dit was mijn laatste werkdag, het einde van een bizarre week. Alle mensen en dingen om me heen leken vreemd en ver, alsof ik er niet echt bij hoorde, alsof ik me al elders bevond.
  4. Vandaag heb ik mijn koffers gepakt. Morgen heel vroeg vertrekken we naar Charleroi en van daar naar Treviso. Daar nemen we de trein naar Triëst, waar we een week blijven. Ik heb net gezien dat het er de volgende dagen zal regenen. Een week later reizen we verder naar Ferrara, vlak bij de Po, die dan misschien al buiten zijn oevers zal zijn getreden. Maar misschien ook niet. Een van mijn uitverkoren schrijvers, Giorgio Bassani was uit Ferrara afkomstig en heeft er veel over geschreven, het mooiste in De tuin van de Finzi-Contini’s. We beëindigen onze reis in de waterige stad Venetië, waar toeristen als vee worden behandeld, heb ik gehoord. Al deze negatieve berichten schrikken me niet af. Ik vertrek met veel plezier, zoals altijd, en ik houd van Italië. Zelfs de Venetianen zal ik in mijn armen sluiten, hoewel ik nooit zal vergeten dat ze destijds de grote avonturier en meesterlijke schrijver Casanova in hun gevangenis hebben opgesloten.  En na zonsondergang sluipt door de steegjes van Venetië een zeer boosaardige rode dwerg (zie ‘Don’t Look Now’ van Nicholas Roeg).
  5. Dit kun je onmogelijk een sexy rock & roll-leven noemen. Maar maakt het uit? De aanslagen, de invasie van Irak, de oorlogen – dat alles maakt iets uit.

28-07-07

BERLIJNSE NOTITIES


berlijnse notities

27-07-07

BERLIJN SCHRIJVEN


don't look back

Het valt me moeilijk om nu al over Berlijn te schrijven. Ja, ik schrijf wel degelijk ‘nu al’, omdat waarnemingen, ervaringen en gesprekken eigenlijk een tijd zouden moeten bezinken. Wat belangrijk is blijft wel bovendrijven, zij het met als risico dat alles aan de vergetelheid wordt prijsgegeven. Als ik mij er nu toch aan waag resulteert dat in een wirwar van indrukken, van schamele woorden aan elkaar gerijgd. (En mijn ogen doen pijn omdat ik tot na middernacht obsessief lijstjes heb zitten maken op dit scherm. Bizar of belachelijk?)

Het lot - of is het toeval - dwingt mij ertoe om in de eerste plaats terug te denken aan het Begrgruen Museum, met de mooiste Picasso-verzameling die ik ooit zag, en ik heb er al vrij veel gezien, onder meer in Parijs, Malaga, Barcelona en New York. De Berggruen-verzameling grenst aan de perfectie. Zelden heb ik in een museum kunstwerken zo heerlijk stil bij elkaar zien hangen, alsof de kunstenaar niets anders beoogd heeft dan zijn werken op deze manier te presenteren. Behalve werk van Picasso zijn er schilderijen te zien van Matisse. Eén verdieping van het gebouw is aan Paul Klee gewijd. Heinz Berggruen, die dit jaar is overleden, was persoonlijk bevriend met Pablo Picasso, waardoor hij bijna vanzelf de belangrijkste verzamelaar van diens werk werd. Via Picasso kwam Berggruen in contact met veel andere kunstenaars, zoals Henri Matisse en Alberto Giacometti.

In het café Oranium, waar ik elke avond twee grote glazen bier van het merk Krusovice ging drinken, die heerlijk smaakten, omdat het zeer warm was en omdat het echt lekker bier is, maakte ik kennis met een stel oudere Duitsers. Iedere avond kwamen ze met hun gehandicapte zoon aan de tafel naast de mijne zitten en probeerden we – ondanks de grote verschillen in leeftijd en interesse – met elkaar te converseren. De man, Clemens, was geboren in 1933. Zijn vrouw, Inge, was veel jonger, ik geloof dat zij een oorlogskind was, 1941 of zo. Hun zoon, die in een rolstoel zat en met zijn tenen kon typen, was 41. Het was een guitige jonge man, die heel graag naar de prachtige Berlijnse vrouwen keek. Dat deed ik zelf ook met veel gretigheid, maar Bernd hoefde zich nergens voor te schamen, terwijl ik, om naar een schaars gekleed voorbijfietsend meisje te kijken, heel wat schroom moest overwinnen. Nergens zijn er mooiere vrouwen dan in Berlijn. Daarom wil ik er ook zo snel mogelijk gaan wonen. Voor het te laat is. Ik zat daar dan in de Oranienburgerstrasse, vlakbij de grote synagoge, halfdronken Duits te verzinnen om iets over Claus Schenk von Stauffenberg te vertellen, over wie ik die dag net een tentoonstelling had gezien, of over het Berggruen Museum. Die tentoonstelling – eigenlijk was het een museum – toonde dat er veel verzet bij sommige Duitsers (katholieken, communisten, sociaal-democraten) is geweest tegen het nazi-regime. Von Stauffenberg was een van de voortrekkers van de samenzwering tegen Hitler. Over Cindy Sherman hield ik mijn mond, ik wilde die oude mensen niet beschamen. Ze dronken altijd limonade. Bernd, de zoon, kreeg wodka orange, die hij met een rietje dronk. Ik denk dat hij ongeveer dezelfde roes moet gevoeld hebben als ik. Een combinatie van alcohol, hitte, de drukke rust van Berlijn, de verleidelijke vrouwen, evenals een aantal zeer langbenige prostituees.

Later op de avond spraken de prostituees mij aan. I can give you a great, great time, zeiden ze. I already have a great time, zei ik. And I don’t have the money to pay a pretty woman like you. That doesn’t matter, zeiden ze. For you we do it for free. Misschien hadden ze die dag al genoeg verdiend, wie zal het zeggen. Ik heb me vlug uit de voeten gemaakt. De plaat gepoetst. De aftocht geblazen. Hotelwaarts om er de slaap der onschuldigen te slapen. Met mijn Duitse vrienden zou ik nog vaak van gedachten wisselen. Hier moet ik om dwingende redenen mijn relaas afbreken… Wordt waarschijnlijk vervolgd.



Afbeelding: Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz. Foto: Martin Pulaski.

15-07-07

NAAR BERLIJN


Dag vrienden, trouwe lezers, toevallige bezoekers. Ik ben er een week tussenuit, weg naar Berlijn, een stad waar ik een groot gedeelte van mijn hart verloren heb. Ik zal er logeren in de buurt van de Oranienburgerstrasse, vlakbij de prachtig gerenoveerde synagoge. Het is een aangename buurt, met veel grote cafés en niet te dure restaurants. Er is een supermarkt in de buurt waar ik bronwater en als het nodig is bananen zal kunnen kopen. Ik heb geen programma, ik zal me laten leiden door het toeval. Veel wandelen in de heerlijke straten vol vreselijke geschiedenis, musea bezoeken, shoppen in de boekwinkels, wellicht enkele cd’s kopen. We zien wel. Volgende zaterdag ben ik terug en breng ik misschien verslag uit. Maar voor van die toeristische praatjes waar de magazines vol mee staan, ben je bij mij aan het verkeerde adres.

Ik ga alleen naar Berlijn. Dat ik nu afscheid moet nemen van mijn geliefde valt me moeilijk. Elk afscheid is een kwelling. Maar dit is het moeilijkste. Ik heb deze reis echter zelf gekozen, dan moet ik nu maar sterk genoeg zijn ook. Kom jongen, we zijn weg.

01-06-07

HET GRAF VAN HERBERT MARCUSE: WEITERMACHEN!


herbert marcuse's tombstone

Een van de meest 'opmonterende' grafstenen die ik ken is die van Herbert Marcuse met het epitaaf 'weitermachen!'. Het graf bevindt zich op het Dorotheenfriedhof in Berlijn. Spoedig ga ik het nog eens opzoeken. Brecht, Schelling en Hegel liggen er ook begraven.

Over kerkhoven gesproken. Als student filosofie aan de VUB zwierf ik al graag rond op het het kerkhof van Elsene in de buurt van de oude campus. Ik kon er heerlijk tot rust komen. Tijdens mijn reizen zoek ik nog geregeld kerkhoven op, bijvoorbeeld het Dorotheenfriedhof in Berlijn, kortbij de Oranienburgerstrasse, of het wonderlijke Père Lachaise, met zijn honderden zwerfkatten, in Parijs. Ook in Massachussetts heb ik mooie kerkhoven en graven gezien, vooral in Boston en Rockport. Begraafplaatsen behoren tot de indrukwekkendste verwezenlijkingen van de mens, vind ik. In de tijd van de romantiek genoten begraafplaatsen nog veel meer belangstelling dan nu - en de Pre-rafaëlieten waren echte meesters in de voorstelling van het rouwen en de rituelen van de dood. Philippe Ariès heeft een aantal belangrijke werken geschreven over de dood in de Westerse cultuur, onder meer (Nederlands titels) Het uur van onze dood en Beelden van de dood.

Foto: Martin Pulaski, Graf van Herbert Marcuse.

18-05-07

JIMI HENDRIX IN DIABET


essaouira straathoek

In Essaouira in het restaurant van de schelpen, aan de vissershaven, bestelde ik Tajine van Daurade, maar ik kreeg gewoon een gebakken Daurade, die - dat geef ik toe - ook uitstekend smaakte. Daarna ging ik met Laura nog maar eens een keer op zoek naar de regenboogbrug van Jimi Hendrix en naar zijn 'Castle made of sand'. Ik weet wel dat de echte Rainbow Bridge in Maui, een eiland nabij Hawaï, is gesitueerd, maar voor mij zal ze altijd de ingestorte brug naar het dorp Diabet zijn. Het 'Castle made of sand' ligt voor de kust van Diabet. Ik weet nog steeds niet wat het precies is: een rots, of iets wat door mensen in geconstrueerd. Het lijkt toch wel kantelen te hebben. Diabet zelf is een mythisch dorp, dat we ook tijdens onze derde reis naar Marokko en Essaouira niet hebben bereikt. Toch zijn we er nooit dichter bij geweest dan toen. We hadden zelfs plannen gemaakt om er de volgende dag met de fiets naartoe te rijden. Maar iets onnoembaars heeft ons daar doen van afzien. We wisten bovendien dat er in Diabet helemaal niets te zien, dat er niets te beleven valt. Volgens de Guide du Routard heeft Jimi Hendrix er vijf jaar gewoond. Mijn vriend en reisgenoot Jean vertelde me dat de gitarist er – volgens zijn Engelse reisgidsen - helemaal niet heeft gewoond, dat hij er wellicht een keer heeft overnacht in een vervallen huis. Dat zal wel dichter bij de waarheid zijn. In de Guide du Routard wordt ongelooflijk veel onzin verteld.


Foto: Martin Pualski, Straathoek in Essaouira.

 

12-05-07

CATANIA, ONDER DE VULKAAN

catania,sicilie,nacht,alleen,autobiografie,nachtleven,steden,vulkaan,etna


Teruggevonden notities.

's Avonds alleen op het terras van the Other Place in Catania maak ik de volgende notities:
"Catania lijkt een gezellige stad. Is dat alleen vandaag zo? Vandaag is het een jaar geleden dat ik werd overvallen en in elkaar geramd. Toch laat Laura mij alleen in deze stad, waarvan beweerd wordt dat ze gevaarlijk is. Maar laat ik niet aan zelfbeklag doen. Wie moe is, is moe. En wie van de nacht houdt, houdt van de nacht.
Maar wie alleen is wil soms ook wel eens sterven. Bij mij is dat toch zo. Als ik alleen ben, ben ik echter ook sterker. Ben ik beter opgewassen tegen de dood. Als ik alleen ben, wen ik aan het alleen zijn.

Wie had kunnen verwachten dat Catania zo levendig zou zijn. Ik had een donkere, dreigende stad verwacht, helemaal opgetrokken uit lavasteen. De schroeiende zon heft dat dreigende op, laat het zwart een hele dag lang baden in licht. En de hitte die 's avonds in de straten blijft hangen, verwarmt je geest en verjaagt je boze gedachten. Ik zou de sfeer hier niet meteen vrolijk noemen, of uitbundig, maar er is toch iets lichts rondom mij, dat aanstekelijk werkt. Misschien voel je je zo in de nabijheid van een vulkaan. De Etna is hier maar dertig kilometer vandaan. Maar die aangename sfeer geeft ook duidelijke contouren aan mijn eenzaamheid. Ik zit hier alleen in mijn boekje te noteren, er mij van bewust dat de mensen rondom mij me zitten te bekijken.

Wat is een gevaarlijke stad? Het gevaar zit vooral in jezelf en in degenen die je liefhebben. Al de rest heeft weinig belang. Als niemand je liefheeft heeft niets belang. De enige stad die telt is de stad van de liefde - en haar spiegelbeeld, de stad van de haat. (Huwelijk en scheiding, vader en zoon, hemel en hel...).
Ze lopen met hun lichaam rond. De vrouwen. De mannen. Wij lopen met z'n allen met ons lichaam rond. Mijn lichaam berust in zichzelf, zijn aftakeling. Mijn lichaam is voorbijgegaan. Ik heb het laten voorbijgaan. Momenten, uren, dagen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrouwen, kinderen, mannen. Religies zijn aan mij voorbijgegaan. Ismen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrienden, kennissen, relaties zijn aan mij voorbijgegaan.

De vulkaan die er is. Achter mij en voor mij. De vulkaan waar ik van gedroomd heb. Die mij zou beschermen tegen de goden. Zwart en vurig tegen het witte schuim, het papier. Wit schuimend speeksel. De vulkaan is er en ik denk aan de sprong van Empedocles. Dezelfde sprong maken? Dat alles ophoudt. Dat degenen die achterblijven de brand dan maar blussen? De vulkaan nodigt mij uit. En een god en een anti-god en een mens van vlees en uitgestippelde wegen.

De vulkaan is er en laat mij in mezelf verdwalen. Ik wil uit mezelf verdwijnen. Zoals Empedocles na al zijn dorre jaren. Zoals Hölderlin. Onder de vulkaan worden alle leugens ondraaglijk. Hoe te zijn?"

13-04-07

REISBESTEMMINGEN


Later op de avond, kort voor zonsondergang, aan tafel, terwijl ik in een stukje staartvis hapte, vroeg ik Laura: wat is onze volgende reisbestemming? Allerlei plaatsen die we al bezocht hebben of die we nog graag wilden bezoeken passeerden de revue. Seattle, San Antonio, Flagstaff, Chicago, Nashville, New York, Macao, Singapore, Hong Kong, Tokyo, Kyoto, Berlijn, Hamburg, Dresden, Sofia, Riga, Sint-Petersburg, Kransnovodsk, Bangkok, Warschau, Krakau, Calcutta, Bombay, Damascus, Beiroet, Aleppo, Napels, Todi, Spoleto, Lucca, Ferrara, Parma, Siracuse, Istanbul, Izmir, Mandalay, Rangoon, Yokohama, Shanghai, Surabaja, Manilla, Buenos Aires, Sao Paolo, Rio De Janeiro, Lima, Montevideo, Caracas, Valparaiso, Guadalajara, Budapest, Eger, Nice, Parijs, Aix-en-Provence, Bordeaux, Tarbes, Salamanca, Cadiz, Sanlucar de Barameda, Sevilla, Porto, Lissabon, Stockholm, Oslo, Constanta, Tirana, Arad, Sarajevo, Caïro, Fez, Essaouira, Kaapstad, Johannesburg, Jeruzalem. En toen zwegen we en sloegen duidend andere reisbestemmingen over.

Is het niet paradoxaal dat je droomt van reizen als het in je eigen stad zo stemmig en lustopwekkend is door het mooie weer en de vele mooie mensen die zo opeens de straten vullen? Is het niet vreemd? Zijn wij geen bizarre wezens? Zijn wij wel normaal? Dat is de vraag.

25-03-07

CARPE DIEM


coimbra philosophy

Ik ben terug uit Portugal, vermoeid maar tevreden. Het lijkt of mijn hoofd nu helemaal leeg is, maar uit ervaring weet ik dat dergelijke schijn bedriegt. Wellicht zijn mijn hersencellen bezig met het verwerken van alle nieuwe informatie en komen de resultaten daarvan spoedig aan de oppervlakte. De thuiskomst, gisterenmiddag, was geen pretje. Een donker, vochtig en koud Brussel. Een leeg, donker, koud en vochtig huis. Onze benedenbuur, de enige buur die we hadden, is verhuisd. Geen spatje warmte van anderen valt ons nog te beurt. In onze kamers was het maar tien graden en het duurde tot deze ochtend eer de temperatuur draaglijk werd. Wat een verschil met Portugal, waar we vorige vrijdag nog bier hadden zitten drinken en inktvis eten op een zonovergoten terras. Maar ik wil niet klagen. De kaartjesknipster in de trein van Zaventem naar Brussel had veel gevoel voor humor. Humor is het licht in de duisternis. Bovendien wil ik me graag houden aan de levensregel die ik in universiteitsstad Coimbra op een muur las en die hierboven staat afgebeeld.

Foto: Martin Pulaski

18-03-07

BRIEF UIT EVORA


Zo ben ik dan in Evora in Alentejo aangekomen. Dank zij mijn rusteloze geest. Lissabon is een parel aan de Atlantische oceaan. Later, als ik weer azerty ter beschikking heb, vertel ik er meer over. Dit is moeilijk typen. In Evora is het zo stil dat ik de echo van mijn eigen voetstappen kan horen weerklinken. Als ik zelfs niet meer dan fluister weerkaatsen de zuilen van de Romeinse tempel van Diana mijn stemgeluid.

Het water smaakt niet als wijn maar de wijn uit Alentejo smaakt heerlijk en zacht als de zon op mijn huid. Ik ben in een romantische bui. Nog niet helemaal heb ik de duisternis van me afgeschud, but I'm getting there. Ik volg mijn voetstappen. Morgen ben ik in Coimbra en misschien tref ik daar mijn goede vriendin Cristina. Ze is net terug in Porto van een verblijf in Amsterdam. Maar ook met alleen Laura aan mijn zijde is het hier aangenaam verblijven. Gisteren bijvoorbeeld was ik in de Kapel van de Beenderen. Schedels een beenderen van vijfduizend doden liggen er hoog opeengestapeld. Monniken hebben er muren en zuilen mee opgetrokken. De beenderen fluisteren ons toe dat ze op ons wachten. Ik neem nog even de tijd en drink een glas wijn op de gezondheid van Fernando Pessoa. Zijn geest dwaalt hier ongedurig rond. Kijk, op dit ogenblik doet hij een paar danspasjes. Ik denk dat hij graag een glaasje wijn met me zou drinken, maar de kloof tussen de levenden en de doden is te groot. Het zijn trouwens kleine schedels daar in die kapel. Dat daar zoveel hersens in kunnen...

Wij hebben het hier bijzonder goed getroffen met het weer. Alle dagen tussen de twintig en de vijfentwintig graden. Het zal wennen zijn in België, waar ik ondanks alles met enig heimwee naar terugverlang, als een zieke hond naar zijn hok. Het meest van al verlang ik terug naar mijn rock & roll en naar mijn vrienden. Maar de tijd vliegt en het leven is vluchtig als een schaduw op een witgeverfd huis. Ik maak me daarover geen zorgen: weldra ben ik weer in de oude vertrouwde kamers. Ik groet jullie allen.