11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

22-12-12

NACHTGEDACHTEN

cyclopodilonredon.jpg
Odilon Redon, De cycloop, 1898-1900.

’s Nachts wervelen mijn gedachten, zwerven ze koortsig van de ene onbestemde plek naar de andere, altijd onbeheerst, altijd gehaast. Zoals Don Giovanni, met zijn boekje, van de ene vrouw naar de andere. Grillig, ongegrond, niet als tulpen of andere bloemen, ontworteld, zinloos, op zoek – misschien – naar een zin. De donkere nachten van december. Op de tast in de richting van een nieuw verhaal, een nieuwe liefde. In de verte, aan het voeteinde van het bed, de contouren van een muze, het kloppende hart van een syntaxis even streng als de Grondwet.

 

03-12-12

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

ZONDER MEER

zondermeer.jpg
Brussel, 2005.

"Altijd wekte hij de indruk dat hij nergens bijhoorde maar wel ergens bij zou willen horen."

Pascal Mercier, De pianostemmer. 

Deze foto van mezelf op een Brusselse tram, in het najaar van 2005, met een communistische pin op de rever van mijn jas – bovendien had ik een rood hemd aan  - vond ik passen bij het citaat van Pascal Mercier. Die pin ben ik kwijt, het was slecht materiaal, uit de Sovjet-Unie. Gekocht op een rommelmarkt in Berlijn in 1998.

Waarom droeg ik die dag - en ik geloof alleen die dag - die pin? Waarschijnlijk om andere tramgebruikers op stang te jagen. Ik denk namelijk dat veel inwoners van deze en andere Belgische steden zich meer ergeren aan zo'n onbenullig symbool dan aan bijvoorbeeld een gewelddaad in de publieke ruimte of waar dan ook. Ik weet het niet met zekerheid. In juni 1997 hebben crapuleuze types mij op een zonnige avond in elkaar geklopt; ik was bijna dood (heb er foto's van, polaroids die mijn gezellin gemaakt heeft als bewijsmateriaal voor de verzekering - die laat ik niemand zien, voorlopig toch niet, het is werkelijk een horrorshow): auto's reden voorbij, zelfs voetgangers liepen door alsof er niets aan de hand was. Maar ik dwaal af...

Ik ben nooit lid geweest van een communistische partij; heb een ambiguë 'verhouding' met het communisme. Er is zo'n kloof tussen de praktijk (Sovjet-Unie, DDR) en de vaak heel goede ideeën van Marx, Gramsci, Sartre, Zizek en anderen. Tegen wil en dank ben ik een individualist (maar nog steeds op zoek naar een gemeenschap). Zoals Mercier schrijft: ik wek de indruk dat ik nergens bijhoor, maar zou zeker wel ergens bij willen horen. Wat ik heel goed weet is waar ik niet bij wil horen. Ik vermoed dat lezers van hoochiekoochie dat net zo goed weten. Maar wat ik niet weet is waar ik wel bij wil horen. 

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 27-11-2012 

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

DE JONGEN VERDRINKT IN ZICHZELF

jongenverdrinkt.jpg
Foto François Brouns.

De jongen zinkt als het ware weg in zichzelf, je zou bijna willen zeggen: hij verdrinkt in zichzelf. Het is de aangrijpendste uitdrukking van teleurstelling die ik ken." 


Pascal Mercier, De pianostemmer.

~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 23-11-2012.

ONENIGHEID / TEMPEST

ONENIGHEID.jpg

Bob Dylan is de grootmeester van de onenigheid. Lees zijn teksten, beluister zijn songs, hoor zijn unieke stem. Niet is het eens met niets, niemand met niemand. Al van in het begin, en van voor het begin. I wish that for just one time you could stand inside my shoes and I could be you. You’d know what a drag it is to see you.

Die week hoorde ik niets anders dan Bob Dylan. Niet zo ongewoon voor mij, maar ik wilde te weten komen welke Bob Dylan mij het meest raakte, het meest ontroerde. Ik kon het maar niet eens worden met mezelf, met de stemmen in mij, met de stemmen in jou, met de vele stemmen - en maskers - van de zanger. Op een donderdag koos ik voor ‘John Wesley Harding’, jij koos voor ‘Blonde On Blonde’, Dylan gaf kennelijk de voorkeur aan zijn nieuw werk, ‘Tempest’.

In het station omhelsden we elkaar, zoals Renaldo en Clara, of waren het Bob en Sara – of waren het onze doodgewone, ongemaskerde zelven, zonder show, zonder make up? Het leek of er jaren tussen ons waren verzonken in vergetelheid; jaren, die ondanks hun onzichtbaarheid prikkels als van cactussen, sporen als van vossen of wolven hadden achtergelaten. Zoals zo vaak als we elkaar terugzagen hadden we weinig te verbergen: we waren open en oprecht voor elkaar. Wat verhuld bleef wisten we niet of wilden we niet weten.

Ik had er veel zin in. Je ogen, de wind die door de gemene straten joeg, de late zomerzon, het schuim in de cafés, elkaar dromen vertellen, en liever nog, verhalen van alledaagse waanzin. Niet weten waar je loopt omdat de wind in je hoofd is gaan liggen en de zon opeens niets meer wil verklaren. Wat is het heerlijk om op die manier te verdwalen en ergens aan te komen waar alles vertrouwd lijkt, maar toch unheimlich is. Alsof gele rozen geen doornen hebben en iedereen heeft leren lachen. De hele wereld, of dat stuk dat je ervan ziet, wordt opeens even erotisch als jij. Lust dringt binnen in voorbijgangers, in interieurs, in het spel van licht en schaduw, lust geeft alle dingen een bedwelmende geur.

En zo opeens verdwijnt de onenigheid. Is iedereen het eens met iedereen en niemand leeft nog in onmin met niemand. Want van in het begin is iedereen heilig als een eiland, is iedereen een naakt lichaam dat moet beminnen om te kunnen vergaan.

~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 4-11-2012.

EENZAAMHEID (VOGELVLUCHT)

EENZAAMHEID.jpg
François Brouns, Neerharen, 1967.
 

Wat volgt kan op een autobiografische tekst lijken. Maar ook autobiografie is fictie, verzinsel. Iedereen verzint zijn eigen leven. En verzint de levens van anderen. Pascal Mercier heeft dat thema in zijn uitstekende roman ‘Perlmanns Zwijgen’ uitgewerkt.

 


***

 

Om eerlijk te zijn*: ik kan nog altijd niet goed alleen zijn. Ook al maak ik soms het wat sofistische onderscheid tussen (positieve) eenzaamheid en (negatief) alleenzijn, het is in beide gevallen een beproeving. Aan eenzaamheid wennen is een leerproces dat al in je prille kinderjaren een aanvang neemt.

 

Mijn ouders waren schippers op de binnenvaart, wat met zich meebracht dat ik het als kind vaak op mijn eentje moest zien te redden. Ik had liefhebbende ouders, mijn moeder wat warmer dan mijn vader, een broer door leerplicht en internaatsleven vaak afwezig. Zeker in de zomer vond ik het prettig om alleen te spelen, Cowboy of Indiaan, bankier, croupier, balletdanser. Mijn ouders namen me vaak mee naar de cinema. Ik zag het liefst westerns, mijn broer en mijn vader hadden een voorkeur voor oorlogsfilms. Soms gingen mijn moeder en ik naar een western, mijn vader en broer naar een oorlogsfilm. Uit westerns heb ik geleerd wat eer is, moed, plichtsbesef, en wellicht is mijn liefde voor landschappen – door god en mens verlaten - er ook uit voortgevloeid. De volgende dagen speelde ik de scènes – vooral met Alan Ladd, Burt Lancaster, Gregory Peck en Gary Cooper - dan na. Hoewel ik Indianen wel fascinerende wezens vond schoot ik ze soms toch een kogel door het hoofd.

Zoals elke matroos in elke grote haven een lief heeft had ik in elk dorp waar we aanmeerden een vriend of een vriendinnetje. Of ik zocht het gezelschap van andere schipperskinderen. Zulke vriendschappen bestonden vooral uit afscheid nemen. Alleen in Neerharen, het geboortedorp van mijn vader, had ik langdurigere vriendschappen, eerst met meisjes, Henriette, Mathilde, Marie-Louise en Denise, later met jongens, Valère, Jean-Pierre en Martin. Ik was zelden alleen. En als ik dan toch een keer geen gezelschap vond, las ik boeken. Als je een boek leest spreekt de schrijver je aan, er ontstaat een dialoog  – voor de zwaarte van de eenzaamheid is er weinig ruimte als je leest.

 

Op mijn achtste ging ik naar school, vanwege het beroep van mijn ouders een kostschool. Van mijn eerste schooljaar in de donkere bossen van Rekem tot mijn negentiende in het provinciale stadje Tongeren ben ik geen ogenblik alleen geweest, tenzij ’s nachts, maar dan droomde ik van meisjes en avonturen in de jungle. Me Tarzan, you Jane. Later van kunst en poëzie. Vooral in de periode in Tongeren had ik vrienden met wie ik veel van mijn gedachten en verzuchtingen kon delen.

 

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Brussel om er eerst film en daarna filosofie te gaan studeren. Van meet af aan was mijn kamer een ontmoetingsplaats voor een aantal vrienden en kameraden. Vegetariërs, bohemiens, dichters, nietsnutten, gekken, en na enkele maanden ook een meisje. In navolging van John en Yoko traden we in het huwelijk, en we kregen een zoon. Elke avond was er visite van andere studenten, dichters, muzikanten, jonge kunstenaars. Na de mislukking van het eerste huwelijk ging ik meteen met een andere vrouw samenwonen, mijn levensgezellin. Ik wilde geen dag alleen zijn met mijn verdriet, mijn schuldgevoelens, met het  idee zo erg mislukt te zijn in de liefde en het vaderschap.

In 1977 leek ik al een heel leven achter de rug te hebben. Ik was zevenentwintig, verhuisde naar Antwerpen, verzeilde er met mijn vriendin in de wereld van punk, anarchie en avant-gardekunst. Ik wijdde me voltijds aan het schrijven. ’s Avonds waren er de kroegen en nachtclubs. Altijd vrienden, zielsverwanten om me heen. Muziek, dansen, alle mogelijke vormen van extase. Tot ik uitgeput was, leeg geschreven en arm als de winter.

 

In 1991, omstreeks zwarte zondag, keerde ik naar Brussel terug om er carrière te maken op een departement van een ministerie. Aanvankelijk viel die loopbaan mee. Ik was niet de enige ambtenaar die kritisch ingesteld was en geïnteresseerd in andere dingen dan vergaderen en dossiers, stelde ik vast. Inmiddels hadden mijn vrienden Jos, Willy en Renée zelfmoord gepleegd, wellicht omdat ze de eenzaamheid niet aankonden na mislukte relaties. Echte vriendschap zou mij niet meer ten deel vallen, dacht ik. Maar desondanks was ik ook toen zelden alleen. Er werd veel samengewerkt, er waren studiereizen met kleine groepjes jongeren naar het buitenland, en er waren lunches, feesten en recepties.

 

Na een lang aanslepend conflict, dat zich misschien voornamelijk in mijn hoofd afspeelde, gaf ik mijn baan op. Eindelijk alleen. Ik ging op reis, naar Berlijn, naar Andalusië. Tijdens een concert van Mercury Rev in het Koninklijk Circus werd ik opeens zwaar ziek, vocht daarna drie maanden lang tegen de dood. De vrienden die me kwamen bezoeken herkende ik niet. In mijn hallucinaties had ik wrede vijanden maar ook mensen die me dierbaar waren. Zo zat ik een keer in een vliegtuig met Stephen Stills en Neil Young. We zongen samen een lied: zelden ben ik gelukkiger geweest. De laatste maand in het ziekenhuis, augustus 2011, begon het echte genezingsproces. Nooit heeft de eenzaamheid zo zwaar op me gewogen als toen. Als je wacht duurt de tijd lang, hoewel hij zich alleen in je verbeelding afspeelt. Als je wacht heb je alle tijd van de wereld om aan de tijd te denken. Elke seconde duurt.

Nu ben ik eindelijk thuis, op werkdagen overdag bijna altijd alleen. Ziekte, pijn en literatuur hebben mij met de eenzaamheid verzoend. Maar liever ben ik toch bij de weinige vrienden die ik heb. Want als ik alleen ben kan ik niet lachen. Slechts het lachen kan me met mezelf verzoenen.

*Zo eerlijk mogelijk zijn was mijn uitgangspunt toen ik aan het project ‘hoochiekoochie’ begon.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2012.

03-10-12

MOGELIJKHEDEN WAAROVER MENSEN MOETEN KUNNEN BESCHIKKEN

 

modigliani.jpg

Amedeo Modigliano, Nu couché aux bras levés, 1916. (De emotionele hechting van de schilder aan zijn model.)

Ook al geloof ik niet in essenties, al niet meer sinds ik me op mijn dertiende afkeerde van het katholicisme, moet ik soms toch tot een bepaalde vorm van essenties, van geboden, richtlijnen, morele normen, terugkeren. Zoals Martha Nussbaum doet in haar diepgravend werk over de menselijke emoties, ‘Oplevingen van het denken’. Essentieel voor Martha Nussbaum is bij de mens het mededogen. In een hoofdstuk getiteld ‘Mededogen in het publieke domein’ somt zij de tien - voor haar - belangrijkste mogelijkheden op waarover mensen moeten beschikken. Ik wil er op dit ogenblik een daarvan nog eens onder de aandacht brengen, met name de mogelijkheid in verband met de emoties zelf (die lijkt mij, zeker in de context van haar boek, de meest pertinente):

 

“Mensen moeten de mogelijkheid hebben zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf, ze moeten mensen kunnen liefhebben die hen liefhebben en om hen geven en verdriet kunnen hebben als die er niet zijn; in het algemeen moeten mensen de mogelijkheid hebben liefde, verdriet, verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te ervaren. De emotionele ontwikkeling van mensen mag niet worden verijdeld door angst en vrees.”

Waarmee ik niet wil zeggen dat de negen andere belangrijke mogelijkheden die Nussbaum opsomt voor mij onbelangrijk zijn. Je kunt ze terugvinden op pagina 357 van haar boek, een werk dat iedereen die om zichzelf en om andere mensen geeft, en niet alleen om andere mensen, maar ook om dieren en planten, zou moeten lezen, ook al is het soms een harde noot om te kraken. Maar om bewust en weldoordacht het goede te kunnen doen moet je je soms al eens inspannen. 

25-04-12

VADER EN ZOON

 

vader.jpg
Vader.

In de meeslepende roman ‘Solar’ (2010) van Ian McEwan, een schrijver die ik sinds zijn debuut trouw ben blijven lezen, en die mij nooit teleurgesteld heeft, las ik het volgende:


“He used a poem to get a girl, and she was gone, two years dead from cancer of the liver, in fact. He was thinking how he never took Maisie to meet his father, and never invited the old man to stay at the handsome rectory in Sussex, just left him to his sorrow while the new age dawned and the arrogant, shameless, spoiled generation turned its backs on the fathers who fought the war, dismissing them for their short hair and tidy ways and indifference to rock and roll.”

Als je hoochiekoochie al een tijdje leest, besef je meteen dat ik tot die arrogante, schaamteloze, verwende generatie behoor die Ian McEwan zo genadeloos beschrijft. Wellicht begrijp je dan ook hoe schuldig ik me voelde toen ik dit las. Hoewel het uiteraard geen hele generatie was die zich tegen de vaders keerde – McEwan overdrijft voor het effect – hoorde ik zeker wel tot het rebellerende segment van die leeftijdsgroep, waarvan het motto was ‘ I hope I die before I get old’. Ja, ook ik keerde mijn vader de rug toe omdat hij niets begreep van de nieuwe tijd, van de ingrijpende veranderingen die zich aankondigden, omdat hij voortdurend opmerkingen maakte over mijn lange haren, “wat zullen de mensen daar wel niet van denken”, ook ik trad net als het hoofdpersonage van 'Solar', als een daad van protest op heel jonge leeftijd in het huwelijk. Ook ik nodigde vader, moeder, broer, schoonzus zo goed als nooit uit in onze alternatief ingerichte woning, waar wij ons ‘ander leven’ leidden, op de grond gezeten luisterend naar Moby Grape, the Byrds, the Velvet Underground, Sly & the Family Stone, joints rokend, ons verdiepend in macrobiotiek en theorieën over anti-autoritaire opvoeding en het einde van het gezin. Ook mijn vader was soldaat geweest in de oorlog, krijgsgevangene, verzetsstrijder.

Veel later, twee jaar voor zijn dood, heb ik me met hem kunnen verzoenen. Tot na de dood van mijn moeder, negen jaar later, heb ik moeten wachten om zijn decoraties en zijn met een klein Belgisch vlagje opgesmukte beret, die hij droeg als hij met zijn vrienden andere oudstrijders ten grave droeg, mee naar huis te kunnen nemen. Late verzoening, late respectbetuiging, en een gevoel van schuld waar ik me nauwelijks bewust van was tot ik het hierboven aangehaalde fragment las. Dat Ian McEwan zelf tot die generatie hoort biedt weinig soelaas.  Maar het fragment – met zijn resonantie - toont wel aan wat een meesterlijke, diepgravende auteur hij is.

ian-mcewan.jpg

Ian McEwan.

 

23-12-11

HET VRUCHTBARE SAP VAN DE WERELD

 Andrei-Rublev-Andrei-Tarkovsky.jpg

Andrej Tarkovski's 'Andrej Roebljov'.

De tekst ‘Zwijgen en niet luisteren’, met de foto van Jacques Lacan, destijds eigenaar van ‘L’Origine du Monde’ (1886) van Gustave Courbet, een kunstwerk dat op Facebook nog altijd niet mag worden getoond, heb ik op 20 december teruggevonden tussen oude notities. Een datum stond er niet bij. Ik vermoed eind jaren ‘tachtig. Wat me opviel was hoe weinig ik ogenschijnlijk veranderd ben. Die stilte – die me na al die jaren aan Ingmar Bergman en vooral aan Andrej Tarkovski doet denken - en dat zwijgen zijn er nog steeds. Soms dagen aan een stuk niet kunnen spreken. Een soort geestelijke verlamming.

Psychoanalyse is al lang niet meer in het spel. Destijds had ik die Freudiaanse / Lacaniaanse therapie nodig om het alledaagse te kunnen aanvaarden, om me met mijn eigen alledaagsheid te kunnen verzoenen. Met de banaliteit om mij heen en binnenin mij. Want hoe je je ook tegen een fenomeen verzet, verinnerlijken doe je het toch. In een wereld van dwazen word je op den duur zelf een dwaas.

Toch is er een verschil met de periode toen ik die notitie heb geschreven: ik geloof niet in inspiratie. Ik vermoed dat ik er toen ook al niet meer in geloofde. Het gebruik van dat woord was een automatisme, dat ik om eerlijkheidsreden heb laten staan. In enthousiasme geloof ik wel nog: diep ingaan in de wereld, en de wereld diep bij je naar binnen laten komen. En ik geloof in hard werken. Het belangrijkste echter denk is het zwijgen te boven komen. Je moet spreken en luisteren, soortgenoten, verwante en niet zo verwante zielen ontmoeten, je moet liefhebben. Ik denk dat een kunstwerk, een gedicht alleen uit liefde (eros) - en mededogen - kan voortkomen, of uit zijn tegendeel: afkeer, weerzin; noem het haat. Of heilige verontwaardiging. Alleen liefde maakt je sterk genoeg om een wereld te maken. En haat om een wereld te vernietigen.

Ik las iets treffends in het recentste werk (2011) van Stefan Hertmans, ‘De mobilisatie van Arcadia’: “Schrijven wordt een praktijk, een dagelijkse oefening die het leven bevestigt, door de eigen eindigheid om te zetten in een innerlijke oneindigheid: die van de eindeloze mogelijkheden van de schriftuur. We moeten dus de eigen dood op ons nemen om te kunnen schrijven; niet zomaar de anonieme, indifferente dood, maar de eindigheid die is toegesneden op het eigen leven." 

19-12-10

VERTEL ME SPROOKJES


Dit gedicht in prozavorm is grotendeels ontstaan uit de film Les regrets van Cédric Kahn, met Valeria Bruni Tedeschi en Yvan Attal.

1.

Het koude klimaat wordt een situatie waar we moeilijker mee kunnen omgaan dan ooit tevoren. We weten niet waarom we er minder tegen opgewassen zijn dan bijvoorbeeld twee of drie jaar geleden. Ooit is het kouder geweest; ik hoor mijn vader nog vertellen over lange, koude winters, de kanalen waren toegevroren en hij kon niet anders dan zich, als nauwelijks geletterd man, tot de kunst van het houtsnijden wenden. Tijd moest worden gedood als het zo koud was. Nu is het anders: wij snijden geen hout, wij doden geen tijd, en wij kunnen ons alleen aan elkaar verwarmen. Wat missen we in onze levens?

1958.jpg
Vader (rechts), 1958. Fotograaf onbekend.

 Ik kijk je in de ogen. Je huivert even en daarna huil je. Het is geen spelletje, je huichelt niet. Het is koud. Je bloedt in mijn kamer. Je bloedt mijn aders vol en je rood loopt nu door mijn ogen. Wat zullen de mensen straks denken? The walking wounded, opening their veins and bleeding in public. Je bloedt in mijn haren en je bloedt op de stoel. De bloedstoel. Ik sta verstomd, vergeet je bloed te drinken, word zienderogen ouder. Een vermolmde vampier.

catherine_the hunger.jpg

Cathérine Deneuve, The Hunger.

Tranen bestaan niet in een betoverde wereld. Beelden van tranen bestaan en - misschien klinkt dit vreemd – idioten die onze levens aan banden willen leggen. Beelden van beelden van ons gemis en van wat liefde heet en dood. Een wurger in een scène wurgt je niet, en een pyromaan steekt je huis niet in brand. We praten over films. Waarom? Omdat de werkelijkheid zich in die films aan ons voordoet, veel meer dan in onze eigen woorden, schijnen we te denken.

Maar wie neemt je blik weg? Er is geen beeld, geen metafoor voor je ogen, voor je uitzinnige tranen van geluk en verdriet. Voor iets tragisch dat niemand anders kent. Alleen enkele dichters en zangers, misschien. Je zegt geen gebenedijd woord. Ik probeer te raden wat je denkt, maar ik zit er ongetwijfeld naast, zoals ik naast je zit en dan één met je word. Dat is het mooie van waanzin, dat ze geen zin heeft en dat ze chaotisch noch gestructureerd is.

Je zegt dat je structuur nodig hebt en ik beaam. Maar onze zinnen ontregelen we, als ezels die een wedstrijd lopen, vooral die twee ezels met goud en zilver. Ja, zeg je. Ja, zeg ik. We praten door elkaar, omdat we elkaars woorden zijn. Heeft free jazz structuur nodig? Is het niet mooi als een orgasme stelselmatig wordt opgebouwd, als een vergelijking in de analytische meetkunde?  Is het niet subliem hoe je de weg aflegt naar dronkenschap, ook al zwerf je ernaartoe, zonder vooropgezet plan? Waar we zeker van zijn: alles keert terug, plan, structuur, chaos, orgasme, waanzin, zin, verrukking.

2.
Vertel me sprookjes. Vertel me over kinderen – ik weet niet wat kinderen zijn omdat ik als ik bij jou ben zelf een kind ben. Ik word dom en stekelig als je je even van me afwendt om iets in een mobiele telefoon te fluisteren of om wat bloed te gaan uitstorten in een vreemde cel. En dan zit ik me af te vragen wie je werkelijk bent, beantwoord ongestelde vragen, word stil, blijf gespannen zitten wachten tot het gefluister ophoudt en het bloeden is gestelpt.

Vertel me over je kleine dingen. Over het licht dat door je gordijnen dringt om je lichaam te belichten, hoe je met je borstel je haren in de war brengt, over het vuil in je auto dat schittert in de nacht, over de plannen die ik in je ogen zie ontstaan, over wat je me verzwijgt, vertel me de geheimen die je met me wilt delen (maar niet je geheime geheimen). Vertel me je hartgeklop en hoe je de nagels van je vingers en je tenen knipt, en waar. Vertel me je geheime naam. Vertel me waar je in je dromen woont en hoe slangen en schorpioenen je daar bedreigen en roodborstjes en koolmeesjes je met hun kleuren wakker maken en bevrijden van alle beklemming van de nacht.

salmahayek.jpg

Salma Hayek

Vertel me alles wat je me kunt vertellen. In mij verdwijnt niets van jou. Ik draag je hart in mij.

Je bent mijn hart, zoals ik het jouwe ben. In de koudste nachten en de hitte van midzomer. Zeg me hoe het moet met jou en mij en met de harde wereld waarin we leven. Zeg me iets over onze waanzin, over onze schoonheid, over onze tranen, zeg me waarom je zo moet lachen en waarom ik zo moet lachen. Zeg me waarom je je handen vol hebt aan mij en ze toch leeg lijken te blijven en blijven verlangen naar iemand in Mexico of nog verder weg, een ander ik, dat niet kan bestaan, nooit zal bestaan. Zeg me wat de wereld is voor jou en wie ik ben in jouw wereld. Vertel me over je kleur, je bomen, je vogels, je kogels, je liefdevol gewurg, hoe je op je paard reed, op je fiets, wie je vriendjes waren, en waar je van droomde toen je zes was en in bed wachtte op zoete slaap.

3.
Ik draag je hart naar een verre plek waar ogenschijnlijk niets bestaat. Ik breng je naar de rand van de tijd. Naar de rand van de afgrond. Waar liefde heerst als een slaaf. Waar alles in elkaar stort en weer wordt opgericht, als een stad, als een geslacht, als een als. Ik voer je mee in mijn zegewagen naar de rand van alles, waar niets de plak zwaait. Taal valt weg, ook die van jou en mij. Er is geen tussen meer. Geen verschil, geen huid, geen schil. 

06-12-10

DE RODE DRAAD: 6 DECEMBER 1969

redshoes_emeric_presburger_emmar_ shearer.jpg

Drink het bloed van een lam. Nee. Kijk uit. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed. Dik en dun. Terneergeslagen bloed. Bloed voor niets.

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een gelijknamige roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Of rijmen ze op een sprookje? Verfoeide verkleinwoorden, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vervuld met rood licht boven de warme golven van de Schelde.

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld. In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. In elkaar zijn we elkaar, zijn we wie we zijn. Of wat dacht je? Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf spreekt niet, de wolf is stil, of huilt. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken. De wolf is de wolf. Hij is alleen maar een dier in de taal en een beeld in een gedicht.
 

Toen ik jong was, was het onweer rood en donker. Als we fietsten, alsof op de vlucht voor de dood. Talloze rode en blauwe fietsers waren er in die tijd, zoveel van hen gingen zo vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsten naar het verleden, pijlsnel naar een luguber bal van Edgar Allan Poe. Alle aanwezigen droegen er het masker van de rode dood.

Niet ver daar vandaan danst op rode muziek het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang. Je kunt je geen soldaat voorstellen zonder rood. George Stevens heeft ze gefilmd. Ze zijn op mijn netvlies gebrand. Hun dode ogen, jong, alle dromen dood.

Het gevaarlijk scharlaken in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. 'Le rouge et le noir' en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Wie is de verteller? De bladomslaander? Dat meisje met de rode lippen.. Les lèvres rouges, zeg je, dat klinkt mooier. Made in Belgium, antwoord ik.
   

daughters-of-darkness-.jpg


Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gezoend. Tot de lippen stuk worden gekust, tot ze aan flarden hangen, als kleine stukjes vlees aan een haak op een mercado. Schamen ze zich niet! Niemand schaamt zich om rood. Rood? C’est chic!

Terwijl vampieren zich vermaken op net zo'n bal - in de nadagen van swinging London, in 1969, is Roman Polanski's vriend John Philips, bijgenaamd The Wolfking Of LA, van the Mamas & the Papas, vlijtig op zoek naar cocaïne, naar heroïne; hij zakt dagenlang door in een pand op Powis Square in Notting Hill - stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis aan Cielo Drive 100050 in Benedict Canyon. Het bloed van Sharon Tate, van haar ongeboren baby, moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’: het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes. De Maysles broers maken er geen documentaire over. Wel over the Rolling Stones gratis en voor niets op de Altamont Speedway, ook in Californië - het einde van de droom, 6 december 1969, zeggen de journalisten. Ed Sanders lid van The Fugs, oprichter van het tijdschrift Fuck You, schrijft een huiveringwekkend boek over The Family. Het verschijnt in 1971. Ondanks mijn onverklaarbare schrik voor bloed lees ik het in een ruk uit. Het lijkt wel of heel Death Valley doordrenkt is met bloed. Honderden sektes begraven er hun mensenoffers.
charlesmanson.jpg
Het bloeden is geen Amerikaans fenomeen, maar zoals John Philips in Powis Square blijf ik in Los Angeles hangen. Er gaan jaren voorbij. De koude oorlog, het rode gevaar. En Hollywood, altijd Hollywood. 

Michael Madsen snijdt met genoegen iemands oor af, Steeler's Wheel vrolijk op de voorgrond. Met hetzelfde genoegen beluisteren we in 2010 in Antwerpen zijn geschonden stem. Elk woord is een beschadigd gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gefluister. Waardoor we vluchten. Vluchten in de nacht, zoals we in een oude film noir zouden hebben gedaan. Vluchten in elkaar. Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars.

Hoest je al bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen Castorp, geen Chauchat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij deze moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?
L'amor che muove il sole e l'altre stelle.

03-12-10

DE RODE DRAAD: EERSTE VERSIE

 Trois_couleurs__Rouge_1994.jpg

Irène Jacob in Trois couleurs: Rouge.

“Nu besef ik pas hoe ijdel dat was; want had ik in hun situatie zelf soms niet kunnen moorden of stelen?” Jean-Louis Trintignant (Le juge), in 'Trois couleurs: rouge' van Krzysztof Kieslowski.


Het bloed van een lam. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed.

Terneergeslagen bloed.

 

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Een verfoeid verkleinwoord, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vol van licht boven de warme golven van de Schelde.

 

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld.In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken.

Het onweer is rood en donker.  Als we fietsen, op de vlucht voor de dood. Zoveel rode en blauwe fietsers, zoveel van hen al vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsen naar het verleden, pijlsnel naar een luguber feest van Edgar Allan Poe. Op rode muziek danst het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang.

 

Het rood in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. Le rouge et le noir en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Je rode lippen. Les lèvres rouges –  made in Belgium. Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gekust. Tot de lippen bloeden van schaamte. Maar niemand schaamt zich om rood.

 

Terwijl vampieren zich vermaken op zo’n bal stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis.

Het bloed van Sharon Tate moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’, is het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes.

 

Michael Madsen snijdt iemands oor af, met genoegen, en met hetzelfde genoegen beluisteren we zijn vergane stem. Elk woord is een gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gesnuif. Waardoor we vluchten. Vluchten in elkaar.  Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars. (Later de gebroken ribben.) (Later de lotgevallen.)

Hoest je bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen warme kat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij de moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?


(Ontwerp.)

06-08-10

LAURIERROOS

droom,verlangen,romantiek,surrealisme,psychoanalyse,begeerte,drift,rimbaud,bob dylan,hendrik marsman,engel

Je stak de straat over net nadat de arbeiders van de vuilnisdienst hun werk hadden gedaan. De riempjes van je schoenen glinsterden nog, zoals de sterren op het water van de Schelde, toen  je mijn droom binnenstapte. Je onthulde mij het geheim van de laurierroos, een giftige bloem die ik je onnadenkend had geschonken, omdat ik ze in verband had gebracht met Laurier. Voortaan noem ik je niet langer Laurier, ook niet in mijn dromen (hoewel ik dat laatste niet kan beloven).

 

Als mijn geheugen me niet in de steek laat, en terwijl ik deze woorden neerschrijf gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Arthur Rimbaud en Bob Dylan, twee boezemvrienden, dan stapte ik enkele dagen later een houten huis binnen. Vierentwintig kamers waren er eerst, maar geleidelijk aan ontdekte ik er meer. Een van de kamers was een heel bijzondere bibliotheek: in de rekken stonden bloemen, planten, groenten. Een gids noemde hun namen, vertelde over hun eigenschappen, hun geur en smaak, hun geneeskundige krachten, en in sommige gevallen ook hun giftigheid. Want veel van wat wij mooi vinden en lekker is giftig, soms dodelijk. Je weet maar al te goed dat de Blauwe Bloem Novalis een jonge dood schonk. Maar over jong gestorven dichters en muzikanten had de gids het niet. Hij was iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven – en uit alles wat hij vertelde bleek dat hij net als ik wist dat je er maar een hebt. Hendrik Marsman schreef het al zo overtuigend in zijn gedicht ‘Lex Barbarorum’: “ik erken maar een wet: / leven.”

Ik nam afscheid van de vriendelijke gids en ging de andere kamers verkennen. Ze waren even geheimzinnig, aantrekkelijk, geurig als de bloemen. En in hun kleuren, vormen en afmetingen verschilden ze heel sterk, net zoals bloemen en planten dat doen, denk aan een myosotis en een zonnebloem. In sommige kamers dansten vrouwen, mannen, kinderen, in andere werd er gegeten en gedronken, in weer andere werd aan action painting gedaan. In een ruime, lichte kamer, met azulejos betegeld, zag ik je baden in een bad dat op een schelp leek, het schuim op dat van de zee toen Venus werd geboren. Elders werden aan kinderen met blauwe mutsen op sprookjes verteld. In een grote ruimte zaten mannen en vrouwen in lange gewaden naar klassieke Indische muziek te luisteren. Ik herkende sommige melancholische melodieën.

 

Je stond nog nat van het baden in stralend licht en zei: “ik erken maar een wet, en dat is leven”.  Ik dacht aan Hiroshima, aan de vreselijke dingen van vandaag, maar desondanks kon ik je geen ongelijk geven. Desondanks sprak ik als antwoord ongeveer dezelfde woorden uit: ”leven, dat is de enige wet die ik erken.” Zoals je daar stond in dat stralende licht, als een warm geworden boodschapster van de vreugde, kon ik je alleen nog maar omhelzen. Een engel omhels je niet, tenzij in een droom.

 

Inmiddels was het donker geworden en het weer tropisch. Je gaf me een vlinderachtige kus en verliet het huis. Ik keek door het raam. Beneden stond een koor bestaande uit Noordzeevissers te zingen. La Paloma, zongen ze, een lied dat iedereen kent. Je was naakt, vanwege de hitte. Niemand raakte je aan, je stralend lichaam. Niemand raakt een engel aan. Een engel verzengt. Ik sloot de ramen, vanwege de muggen, en sloeg mijn boek open en las je verhaal.

 

 

17-04-09

GEMASKERD EN ANONIEM


bullleogierinlestricheurs

‘Larvatus prodeo’ schreef ik vandaag op Facebook. Het is een fragment van een uitspraak van de jonge Descartes. De verwijzing komt vaak terug in mijn notities. Waarom? Ik weet het niet. In het dagelijks leven probeer ik zo echt en waar als mogelijk te zijn. Ik houd niet van valsspelers. (Hoewel de film van Barbet Schroeder, ‘Les tricheurs’, mij nooit onberoerd zal laten – maar zijn personages zijn echte valsspelers, in casino’s en zo – dat is een groot verschil met vals spelen buiten het casino.) Om duidelijker te zijn: ik houd niet van mensen die zich anders voordoen dan ze zijn. Ik houd niet van aanstellers, bluffers, leugenaars. Of beter gezegd: ik denk dat ik niet van zulke mensen houd, want in werkelijkheid kan ik dat niet weten. Wie is waarachtig en wie vertelt leugens en speelt een rol? Bovendien, wat de zaak nog moeilijker maakt, ben ik verlekkerd op acteurs die hun rollen spelen alsof ze hen op het  lijf zijn geschreven. Alsof… Ja, alsof, omdat ik goed weet dat bijvoorbeeld Marlon Brando niet samenvalt met het hoofdpersonage in ‘Last Tango In Paris’, terwijl ik elke keer weer denk dat hij die wanhopige man is op zoek naar liefde en troost. Het is evenwel een personage, een masker.

brando

 
Zelf ben ik ook een personage. Lavatus prodeo. Gemaskerd ga ik door het leven, hoe naakt ik ook wil zijn, en zelfs ben. Vrienden, kennissen, onbekenden in de metro, ontmaskeren mij meteen als iemand die zo-en-zo is. Een slak zonder huis, om een frase te gebruiken, dat ben ik. En toch denk ik dat ik gemaskerd ben en wil ik mezelf van mijn masker(s) ontdoen. Het is duidelijk een verhaal van mise-en-abîme ( in het Nederlands het ‘Droste-effect’, jammer dat er van de Belgische Oude Pol niets is overgebleven).

Droste

 
Als kind wilde ik balletdanser worden. Ik hield ervan me te verkleden, trok de schoenen van mijn moeder aan en een sjaaltje van mijn tante Georgette – en dan danste ik op de muziek die uit de transistorradio kwam. Bobbejaan Schoepen, Will Ferdy, Perry Como, het is te lang geleden om het mij nog duidelijk te herinneren. Maar ik herinner me wel nog het heerlijke gevoel dat ik had als ik die hooggehakte schoenen van mijn moeder aan mijn voeten had. Laat anderen maar rolschaatsen zal ik hebben gedacht. Zo hield ik ook van Romy Schneider in Sissi. Het was niet alleen maar dat ik door de film(s) ontroerd werd: ik identificeerde me met het personage Sissi. Ik was Sissi. (Overigens ben ik ook Lassie, Fury, Ben Hur, Billy the Kid, Captain America en Andrej Rublev geweest – om mij tot films te beperken, de lijst mag niet eindeloos worden).

nijinski

 

Wat betekent dit allemaal? Het is alleszins iets om over na te denken. Bestaat er een zelf, een identiteit? Of veranderen wij voortdurend? Bijzonder indrukwekkend vond ik Bob Dylans uitvoering van zijn ‘When I Paint My Masterpiece’ in zijn (eigen) film ‘Renaldo and Clara’. Waarom? Omdat hij die song zong met een masker op. Overigens heeft hij veel later in zijn leven nog een film gemaakt die ‘Masked And Anonymous’ heet en is elk concert van de meester een aaneenschakeling van maskerades, vooral door de metamorfoses die zijn songs ondergaan.

dylan 

 

Gemaskerd ga ik door het leven, als een mens. Maar eigenlijk ben ik niets.  Eigenlijk ben ik niets zonder jou, die me zegt dat ik besta en wie ik ben. Geloof ik je echter? Ik betwijfel het. Mijn illusies zijn sterk. Toch. Het woord ‘ik’ behoort tot de taal, en zo verdwijn ik en ‘ik’ ‘zelf’ er weer in, in jouw woorden, in jouw taal. In jouw taal draag ik geen masker meer. In jouw taal ben ik onzuiver verlangen.

abc

Illustraties:

Bulle Ogier in Les Tricheurs van Barbet Schroeder.
Marlon Brando en Maria Schneider in Last Tango In Paris.
Droste Cacao

Nijinski
Bob Dylan in Renaldo and Clara

Alfabet

13-04-09

VIERKANTEN OM JE TIJD IN ONDER TE BRENGEN

 

mozaiek


Het neo-surrealisme viert hoogtij op facebook. Een goede zaak . De voorbije dagen spelen we het spel ‘Twaalf Vierkanten’, dat sterk afhangt van het toeval en vaak tot verrassende resultaten leidt.

Je gaat zo te werk:

Ga naar Google – afbeeldingen zoeken.
Typ je antwoord op de twaalf vragen hieronder.
Kies een afbeelding uit een van de eerste drie pagina’s.
Gebruik deze website  (http://bighugelabs.com/flickr/mosaic.php) om je collage te maken.
Sla de afbeelding op in je afbeeldingenmap.
Zet de collage of mozaïek op je blog of op facebook.
Vergeet niet er deze instructies bij te plaatsen.

VRAGEN

1.     Wat is je naam?
2.     Wat is je favoriete gerecht?
3.     Waar woon je?
4.     Wat is je favoriete kleur?
5.     Wat is je favoriete film?
6.     Wat is je favoriete drank?
7.     Wat is de vakantiebestemming van je dromen?
8.     Wat is je uitverkoren dessert?
9.     Beschrijf jezelf in één woord.
10.  Hoe voel je je nu?
11.  Van wat/wie houd je het allermeest?
12. 
Wat wil je worden als je groot bent?

04-03-08

TRIOMF VAN HET LEVEN II

Een tweede fragment uit ‘Triomf van het leven’ (1975).


Opnieuw moet, zoveel jaar na Rainer Maria Rilke, de vraag worden gesteld of er nog echt aandacht wordt geschonken aan het sterven. Wie opent zijn zintuigen voor de belevenis van het sterven? Is dat wel mogelijk in een tijdperk waarin alles massaal gebeurt en waar alles naar een massale vernietiging lijkt te streven?

En wie is werkelijk bezorgd? Wie gaat gebukt onder het moeten, bijvoorbeeld het moeten overleven? Wie ligt ’s nachts wakker, het gehoor uiterst scherp, onrustig en ongerust, nieuwsgierig, vol verwachting, en luistert? Luistert naar wat? Naar een signaal, iets wat erop zou kunnen wijzen dat de dood een spraak bezit, een stem. Heeft iemand hem ooit horen fluisteren of zingen tijdens een donkere, windstille nacht?

Het sterven kunnen beleven als een zeer lange reis door licht en duisternis. Deze draad vatten, hem volgen, een uitweg vinden uit de doolhof ‘leven’: ben je daartoe in staat dan ben je wellicht niet bevreesd voor de uitgang die de dood toch is.

Daartoe moet je over de grens durven gaan, moet je je grens verleggen. Een grens die niet de jouwe is, maar die je je hebt laten opleggen. Dit verleggen is geen werk dat je zonder veel inspanning kan verrichten. Er is tijd voor nodig, waakzaamheid, moed en ware liefde.

Je grens – van conventies, regels en menselijke ‘wetten’ - verleggen, uittreden uit de vertrouwde omgeving, uit de sfeer van de gewoonte.

Met Alfred Kubin naar de andere zijde gaan en daar, in het vreemde, vertrouwd raken met de eigen chaos en met de kille vruchtbaarheid van de dood. Daar wacht de wederopstanding, het nieuwe leven. Dit is een wijze van spreken.

27-02-08

TRIOMF VAN HET LEVEN I

 

leven,shelley,freud,sofokles,schopenhauer,tragedie,thanatos,dood,doodsdrift,lamartine,job,romantiek,ontwerp,romanfragment

Tussen mijn oude papieren, een onoverzichtelijke massa, vond ik een fascinerende tekst uit 1975 terug, die ik als titel ‘Triomf van het leven’ gaf. Het vreemde is dat hij vooral over de dood gaat, of liever: over het doodsverlangen en de doodsdrift. Omdat het een vrij lange uiteenzetting is, kan ik ze hier niet volledig weergeven maar misschien is het toch interessant om de inleiding te kopiëren. (Snel overtypen, bedoel ik daarmee.)

“Het leven is het leven”. Rampzalige tautologie, die alles bevat maar niets betekent. Kon ik ze maar doorhalen. Ging het maar om een foutieve constructie. IJdele wensen…Wekenlang houdt deze korte zin mij al gevangen; ’s nachts belet hij me te slapen, te werken overdag. Ik kan aan niets anders meer denken… Een dodelijke zin is het; en toch kan ik hem niet loslaten. Sinds de dag dat de zin op mijn raam kwam tikken heb ik al twee cahiers volgeschreven. Niets van mezelf, alles van anderen: fragmenten van bekende en minder bekende dichters en denkers. Gedachten, beschouwingen, uitspraken over de zin, de oorsprong, het doel en zelfs de absurditeit van het leven. Wat viel me tijdens die koortsachtige werkzaamheid – eigenlijk meer een me-laten-gaan – vooral op? Dat bijna alle auteurs het steeds weer over de dood hebben, of op zijn minst over de verweving van leven en dood.

De volksmond leert dat het leven een strijd is. Aan deze wijsheid gaf Charles Darwin een wetenschappelijke waardigheid. Ook bij Hegel, Marx en Nietzsche treffen we agressie, strijd, oorlog en vernietiging aan. Niets anders toont ons de menselijke geschiedenis. Schopenhauer, voorloper van de Weense School, geeft ons de raad het leven op te vatten als een ontgoocheling. “Wat ligt er toch een afstand tussen het begin en het einde van ons leven: het begin met de waan van de begeerte en de verrukking van de wellust, het einde met de vernietiging van alle organen en de stank van rottende lijken…”. De wereld is volgens Schopenhauer een boeteoord, een strafkolonie (hierin verschilt hij niet van de ware christen). Schopenhauers epigoon, Sigmund Freud, is niet minder fatalistisch: het levenloze (steen) was eerder aanwezig dan wat in leven is (adem) en al wat leeft neigt naar een herstel van deze oorspronkelijke toestand. Met andere woorden: het doel van het leven is de dood. Freuds belangstelling voor de klassieke tragedie bracht me op het spoor van Sofokles’ woorden:

“Niet geboren zijn is het allerbeste,
dan, als tweede, dat wie in het licht verscheen
snel daarheen weerkeert vanwaar hij kwam,
want wanneer de jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd.”
(Sofokles, Oedipus in Kolonos, 1230-1234

Dit thema, dat het beter is niet geboren te zijn, komt in de literatuur heel vaak terug.  In het boek Job lezen we: “De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen!” (Job, iii, 3) en “Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af en heb de geest gegeven als ik uit de buik voortkwam?” (Job, iii, 11) en ook nog dit “En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Ach, dat ik de geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde! Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.” (Job, x, 18-19).

In Miltons ‘Paradise Lost’ staat het zo: 

Did I request thee, Maker, from my clay
To mold me man, did I solicit thee
From darkness to promote me, or here place
In this delicious garden? As my will
Concurred not to my being, it were but right
And equal to reduce me to my dust,
Desirous to resign and render back
All I received unable to perform
Thy terms too hard, by which I was to hold
The good I sought not.

(Milton, Paradise Lost, X, 743-752)

En Lamartine in ‘Le désespoir’:

“Quel crime avons-nous fait pour mériter de naître?”

Tot hier de inleiding. Vervolgens probeerde ik deze donkere omhelzing van de dood te bestrijden. In 1975 was ik daar, gesteund door andere dichters en denkers, nog toe in staat. Maar ook dat gedeelte klinkt wanhopig. Zinnen – die de sporen dragen van mijn onderdompeling in de romantiek – als “Liefste, snikt hij, wat vreet zo aan mijn hart? Het laat me maar niet met rust…” zijn er geen uitzondering.

Uit dat beamende gedeelte van ‘Triomf van het leven’ zal ik een van de volgende dagen een fragment kopiëren. De titel heb ik trouwens ‘geleend’ van Shelley, een zeer jong gestorven revolutionaire dichter en vijand van de dood.

18-09-06

IN DE MIST VAN HET HOOFD

ik,munchhausen,individu,zelf,ego,yo la tengo,dostojewski,lacan,groddeck,nietzsche,freud

De vraag naar wie ik ben en wat ik ben laat me niet met rust. Niet dat ik er in deze context voortdurend op wil terugkomen. Want wie van jullie heeft er iets aan? Aan het feit dat ik deze vraag stel. Aan het feit dat er geen antwoord op is. Je stelt een probleem maar je weet vooraf dat er geen oplossing voor is. Er is al zoveel over geschreven, Nietzsche, Freud, Lacan, Groddeck, etcetera. Vooral etcetera. We bevinden ons nog steeds in de mist. In de mist van de stad en de mist van het platteland. In die van het communisme en in die van het liberalisme. In die van het individu en in die van de gemeenschap. In die van de liefde en die van de haat. Mist, modder, oersoep. En daaruit moet je jezelf oproepen, opwekken, oprichten, optrekken. Als een baron von Münchhausen. Of jullie, moeten jullie het doen? Want jullie zijn een deel van het probleem en een deel van de oplossing die er geen is. Zonder jullie ben ik er niet, ontsta ik niet. Zonder jullie blijven alle plooien gladgestreken. 


Ik ben min of meer de antipode van het hoofdpersonage uit Dostojewski’s Aantekeningen uit het ondergrondse, en toch voel ik me ook verwant met deze voormalige ambtenaar. Als afsluiter van deze korte aantekening uit mijn ‘eigen’ ondergrondse wil ik de eerste vijf zinnen uit deze korte, krachtige roman citeren: “Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man. Een onaantrekkelijk man ben ik. Ik geloof dat ik aan een leverkwaal lijd. Ik begrijp trouwens geen lor van mijn ziekte en weet niet eens precies wàt mij zeer doet.” Ik had er ook zes kunnen citeren, het hele boek zelfs, maar vijf moeten volstaan.

Nu kan ik me opnieuw wat verdiepen in de vraag naar wie ik ben en wat ik ben. En wat luisteren naar Yo La Tengo’s I Am Not Afraid Of You And I Will Beat Your Ass. Als het me lukt die twee dingen te combineren…