26-06-08

JOHN CALE: VUILEKONTENROCKANDROLL IN HET PALEIS

 

muziek,concert,lou reed,champagne,pop,bier,punk,duitsland,rock,popcultuur,live,verbeelding,turkije,rock and roll,ab,paleis,ambtenaren,bar,drummer,gitaren,seventies,punkrock,avant-garde,john cale,840,paul dujardin,paleis voor schone kunsten,shaketown,ravenstein


Vorige week zag ik Paul Auster in zaal Henry Le Boeuf  van het Paleis voor Schone Kunsten ( ik weiger de kinderachtige naam Bozar te gebruiken).  Gisteravond keerde ik er terug om een concert van John Cale bij te wonen. Ook al heb ik kritiek op de naam van de instelling en het overwegend Franstalig aanbod van boeken en dvd’s in de artshop, moet ik toegeven dat de bar heerlijk is. Wat een verschil met bijvoorbeeld die van de AB! Je krijgt er je drankjes in echte glazen, de wijn is er lekker en niet te duur. Een pils kost er maar twee euro. Maar foto’s maken mag je er niet. Daarom moet je zelf maar eens gaan kijken.

Wat  verwachtte ik van het concert? Een eigenzinnige vorm van melancholische akoestisch-elektronische kamermuziek, enigszins storend, maar toch passend bij de beau monde van de beaux arts. Oh la la! Et une coupe de champagne, please. Ik zou dat mooi hebben gevonden, denk ik. Ik zou geen kippenvel hebben gekregen, koud noch warm hebben gezweet, maar ik zou hebben genoten van die zoete, wat verwrongen melodieën die alleen John Cale kan bedenken.

Wat kregen we echter? Dirty Ass Rock And Roll, ladies and gentlemen! Echte laagbijdegrondse vuilekontenrockandroll. Maar werd John Cale ooit een asshole genoemd? Never! Dit was een concert waar jonge kereltjes – als ze er al bij waren geweest – veel genoegen aan hadden kunnen beleven en bovendien hadden ze er nog iets van kunnen opsteken. Bijvoorbeeld: hoe speel ik een power chord, hoe speel ik een riff, zonder banaal of volstrekt overbodig te klinken. John Cale ging tegen de geest van de beaux arts in, het paleis dat verkondigt dat het niet alleen maar rock and roll is. (John Cale trad op in het kader van ‘It’s NOT only rock and roll’.) Wel, beste Paul Dujardin, het is wel only rock and roll. Als je het over rock and roll wilt hebben en je nodigt John Cale uit dan kun je zulke dingen verwachten: the real thing, sex and drugs and rock and roll. Alles wat je lichaam nodig heeft, om het nog niet te hebben over je geest. De schitterende gitaarduetten die naar de seventies verwezen (denk daarbij aan the Allman Brothers) van John Cale met zijn - mij onbekende - gitarist gingen nooit zweven dank zij het uitstekende laagbijdegrondse en toch hoogvliegende gedrum van, ja, van de drummer natuurlijk. De basspeler hield zich wat op de achtergrond, maar hij verloor het ritme en de plots opduikende tempowisselingen niet uit het oor. Ergens links op het podium zat iemand de klanken te behandelen. John Cale greep vooral terug naar zijn composities uit zijn beginperiode, nadat hij de Velvet Underground had verlaten: 'Helen Of Troy', 'Gun', 'Paris 1919', 'Pablo Picasso' (van Jonathan Richman , of: John Cale speelt Modern Lovers die Velvet Underground spelen ), 'Fear Is A Man’s Best Friend', 'Ship Of Fools', 'Big White Cloud' (voor mij het hoogtepunt), 'The Ballad Of Cable Hogue' – allemaal even mooi en ontroerend. Vanop plaats D17 in de corbeille zag ik de Welshman plotseling heel jong worden. Hij zong en speelde 'Things', een recentere compositie, uit HoboSapiens (“the things you do in Denver when you’re dead”, een mooie hommage aan Warren Zevon). Daar stond hij, zeventien of achttien, met een elektrische gitaar, voor altijd jong, zich lavend aan Belgisch water, water uit Spa. Het beste water van de wereld voor de meest verrassende avant-garde rock and roll componist van de wereld. Ik vraag me af wat de champagneheren en –dames gevoeld hebben bij deze reëel bestaande punkrock.  En de ‘fans’ die nog altijd denken dat Cale zijn hoogtepunt bereikte met zijn postmoderne versie van Elvis’ ‘Heartbreak Hotel’, dat gisteravond als openingsnummer werd vermorzeld.
Toen John Cale en zijn band terugkwamen voor een encore dacht ik heel even dat zij de hele set opnieuw zouden spelen, en daarna nog eens en zo 840 keer.

Oh, wat ben ik blij dat ik bij dit concert aanwezig was, en dat ik me goed voelde. Ik had mijn lichtgrijs pak aangetrokken. Maar ik zag veel mannen in jeans. Onze kansen zijn nog niet verkeken. De verbeelding heeft nog wat in de pap te brokken. Hier en daar zie ik zelfs een gek het gekkenhuis besturen.

Later zaten we met Mister Koen en Mister Shaketown en nog enkele van hun vrienden in de Ravenstein, die vroeger aan de ambtenaren toebehoorde, maar nu een soort niemandsland is geworden, een plaats waar niemand zich echt thuis voelt, maar die wel uitnodigt om jezelf te worden, om je aanwezigheid bekend te maken aan de ruimte. We dronken er koud bier, zagen verloren gelopen ‘punks’ voorbijstrompelen en stelden vast dat de Turken van de Duitsers hadden verloren. En we vroegen ons af welke plaat van John Cale de beste is, ‘Paris 1919’ of ‘Music For a New Society’? De wedstrijd John Cale-Lou Reed bleef onbeslist.

13-06-08

LET THE MYSTERY BE

 

 


Ik ben terug uit Porto en om dat te vieren laat ik u luisteren en kijken naar Iris Dements 'Let The Mystery Be'. Voorlopig doe ik er nog even het zwijgen toe. De oevers van de Douro leggen nog teveel beslag op mijn gedachten. Toch dit: deze opname van 'Let the Mystery Be' is een fragment uit de fantastische 'Transatlantic Sessions', een tiental jaar geleden uitgezonden door BBC2. Iris Dement wordt onder meer begeleid door Molly Mason op contrabas, Russ Barenberg op gitaar en, als ik me niet vergis, Jay Ungar op fiddle. Voor mij is dit een magisch moment - alleen dit al, dit nog eens terugzien, maakt het de moeite waard om weer thuis te zijn. De vraag is of er veel meer redenen zijn. Toch ben ik blij dat ik met een wat frisser hoofd weer in het vaderland ben. Maar liever was ik bij de vrienden in Porto gebleven. Dicht bij de Douro, en het licht van de Atlantische Oceaan.

03-06-08

HET LEVEN EN DE WERKEN VAN BO DIDDLEY (1)

bo diddley,rock and roll,popcultuur,pop,invloed,beat,dood

In blues, soul en rock & roll krioelt het van de adel, koningen, graven, prinsen, prinsessen, noem maar op. Bo Diddley was de ongekroonde koning van de rock & roll. Hij woonde niet in een paleis, zo adellijk was hij nu ook weer niet, maar net als koning Boudewijn en Buddy Holly droeg hij een bril. De vorm van zijn gitaar hield je als adolescent uren uit je slaap. En ook nu schrijf ik dit, terwijl ik in bed zou moeten liggen en rusten. Maar Bo Diddley heeft mijn leven vorm gegeven, meer nog dan Bob Dylan, alleen al omdat ik op de Diddley-beat kon dansen, wat me bij Dylan niet altijd lukte. Ik wist het niet meteen, maar iedereen die ik als jongen graag hoorde had zijn beat van Bo Diddley: Buddy Holly, the Rolling Stones, the Pretty Things, Captain Beefheart, Quicksilver Messenger Service, Q65, the New York Dolls, the Yardbirds, the Who (Magic Bus), the Kinks, the Clash.  Noem maar op! Bo Diddley can’t be beat.  Man ik mis je!

(Wordt vervolgd na mijn reis naar Porto.)

29-05-08

JOE BOYD REVISITED

joe boyd,autobiografie,rotzooi,pop,popcultuur,muziek,sixties,seventies,bon iver,vertaling,white bicycles,nick drake,townes van zandt,jim gordon,koffie

Bijna twee jaar geleden had ik het hier over de autobiografie van producer en muziekliefhebber Joe Boyd, ‘white bicycles’, die op mij toen veel indruk had gemaakt. Eigenlijk is het geen echte autobiografie, maar gaat het over de schitterende muziek die in de jaren ‘zestig en ‘zeventig werd gemaakt. Joe Boyd heeft daar zonder overdrijven een buitengewoon belangrijke rol in gespeeld en hij weet daar gevat over te schrijven, zonder overdreven zelfverheerlijking, maar ook niet vals bescheiden. Het boek is nu  - alle geïnteresseerden hebben het al lang gelezen – met een afschuwelijke titel in het Nederlands verschenen. Ik mag niet aan de vlugvlug in elkaar geflanste vertaling denken. Het gaat toch maar over popmuziek, dan mag het goedkoop. Beste muziekliefhebbers, als je geen Engels kent: leer die mooie taal dan eerst en lees vervolgens het boek in de originele versie, uitgegeven bij Faber and Faber.  Maar ik wil je er toch voor waarschuwen dat je na het lezen van die getuigenis nog meer zal beseffen hoe we vandaag met rotzooi worden overspoeld.  Als je op MySpace gaat kijken vind je al snel duizenden bands en muzikanten. Dat doet me plezier, omdat muzikanten over het algemeen niet op iedereen beginnen te schieten. (Drummer Jim Gordon, van honderden sessies en lid van Derek & the Dominos, heeft wel zijn moeder vermoord. “Mother I want to…”). Maar moeten al die jongens en meisjes zo nodig plaatjes maken? Ik weet het niet hoor. Het zal wel een onderdeel van de menselijke evolutie zijn.

Ik zit nu te luisteren naar Bon Ivers (Justin Vernon) in een schuur in Wisconsin opgenomen elpee ‘for emma, forever ago’. Gisteren op de metro heb ik de teksten al gelezen;  het zijn geen echte liedjesteksten maar impressionistische brokkelige gedichten. Bon Iver raakt me wel en soms zelfs dieper dan ik verwacht had, maar na beluistering leg ik hem op de stapel bij M. Ward, Beirut en the Mountain Goats. De grote vraag is of dit plaatje ooit de schoonheid zal krijgen die ‘Five Leaves Left’ en ‘The Late Great Townes Van Zandt’ nu hebben.  Maar nu is het tijd voor koffie.

24-05-08

SCHRIJVEN OVER MUZIEK

muziekgeschiedenis,pop,rock,popcultuur,jeugd,tijd,herinnering,ervaring,afstand,autobiografie,sixties,elvis presley,bob dylan,jimi hendrix,the rolling stones,the who,emoties,gevoelens
Rockin' Presley EP. De eerste rock & roll plaat die bij ons thuis binnenkwam.

Misschien vinden sommige lezers van mijn weblog dat ik het nogal vaak heb over muziek uit het nabije en minder nabije verleden. Dat is inderdaad het geval. Maar ik heb daar een aantal redenen voor. Tijd, geheugen en herinnering zijn voor mij belangrijke begrippen om het leven en de wereld te begrijpen en te aanvaarden (en in sommige gevallen te verwerpen). Veel van wat ik schrijf gaat over het verleden, niet alleen als ik het over muziek heb.

Wat nu muziek betreft is mijn begaan zijn met de tijd, het verleden, de (auto)biografie niet de enige verklaring waarom ik veel minder aandacht schijn te hebben voor wat hedendaags is.

Een eerste element is dat ik meer vertrouwd ben  met oudere muziek, vooral met de periode 1960-1975, hoewel ik nadien natuurlijk ook ben blijven luisteren. Als je een goed radioprogramma wilt maken is dat essentieel:  je moet zoveel mogelijk muziek beluisteren, oude en nieuwe, bekende en onbekende.
Doordat ik meer vertrouwd ben met die ‘oudere’ muziek kan ik er meer van op een afstand over schrijven. Maar ik wil desondanks niet koel en objectief berichten. Muziek hangt samen met herinneringen, emoties, gevoelens. Bepaalde melodietjes kunnen een herinnering plots weer levendig voor de geest roepen. Op zulke momenten – als ik een lied hoor - kan ik terugkeren naar bepaalde plaatsen en gebeurtenissen in mijn leven, of het leven van mijn generatiegenoten beter begrijpen.

Songs en elpees hebben een leven geleid in mijn bestaan, zijn verhalen geworden, of op zijn minst onderdelen van verhalen. Sommige songs en elpees hebben de status van mythe gekregen, in zekere zin aan tijd en geschiedenis onttrokken. Ik heb er iets over te vertellen omdat ik er intens mee bezig ben geweest en ben. Sinds mijn zesde jaar (1956) is er denk ik geen dag voorbijgegaan zonder een of ander lied.

Ik schrijf ook liever over muziek uit het (nabije) verleden omdat ik denk dat de lezer meer heeft aan een verhaal uit de eerste hand, dan het te moeten vernemen van iemand die er zelf alleen maar heeft over horen vertellen. In dat opzicht beschouw ik mezelf als een bevoorrechte getuige, waar ik overigens geen enkele verdienste aan heb. Geheel toevallig ben ik in 1950 geboren, werd ik in 1956 uit mijn kinderslaap gehaald door Elvis Presleys ‘Don’t Be Cruel’, ontwaakte ik een tweede keer in zaligheid in 1964 met ‘She Loves You’ en ‘Twist and Shout’ van the Beatles, en ‘Tell Me’ en ‘Not Fade Away’ van the Rolling Stones, en werd ik definitief ingewijd in de nieuwe jonge wereld in 1965 met Bob Dylans ‘Like a Rolling Stone’, ‘My Generation’ van The Who en een jaar later met Jimi Hendrix’ ‘Hey Joe’.

Voor nieuwe releases zijn er overigens massa’s andere bronnen: tijdschriften als Uncut, Mojo, Wire, les Unrockuptibles,  kranten, vakbladen, en zeker ook de honderden soms uitstekende muziekblogs. Wat me niet belet om af en toe ook mijn zeg te doen over wat deze tijd voortbrengt. Maar je weet het, rock and roll never forgets!

22-05-08

JOHNNY JENKINS / DUANE ALLMAN: TON-TON MACOUTE

 

Mensen die me lang geleden goed of minder goed hebben gekend zeggen bijna allemaal dat ik een hippie was. Zelfs mijn beste vrienden zeggen het. Telkens voel ik me dan min of meer gedwongen om die bewering te ontkennen. Nee, ik ben nooit een hippie geweest. Jawel, zeggen ze dan, een echte hippie. Als ze met ‘hippie’ iemand met lange haren bedoelen, dan klopt het. Maar ik bedoel met ‘hippie’ iets helemaal anders. Mensen die ‘hippie’ werden en worden genoemd gaven alles op en gingen buiten de maatschappij leven. Ze ontkenden alles wat met de gevestigde orde te maken had. Ik heb niets tegen hippies, ik vind dat ze een aantal goede dingen in gang hebben gezet, vooral op ecologisch gebied. Met zulke echte hippiezaken heb ik me nooit ingelaten.  Maar ik heb dit allemaal al eens uit de doeken gedaan, zodat ik het hierbij laat.

Johnny-Jenkins


Ik wilde het eigenlijk over een elpee van Johnny Jenkins hebben, de unieke verzameling songs die ‘Ton-Ton Macoute’ heet. In mijn zogenaamde hippieperiode was ik een tijdlang een grote fan van Derek& the Dominoes, vooral de dubbelelpee ‘Layla And Other Assorted Love Songs’ (1970) vond ik geweldig, en aanbad ik the Allman Brothers Band, in het bijzonder de gitarist Duane Allman. Via ‘Layla’, waar Duane Allman op meespeelde, was ik bij de blues- en rockband uit Georgia terechtgekomen. In interviews vertelde Eric Clapton wat voor schitterende gitarist Duane Allman wel niet was. Hij speelde op talloze soulplaten, waarvan ik er veel kende, zonder echter te weten wie die funky gitarist was. Na het verschijnen van ‘Layla And Other Assorted Love Songs’, die ik al spoedig voor weinig geld op het Vossenplein aantrof, ging ik op zoek naar alles waar Duane Allman op meespeelde (en wat ik  kon betalen). Daardoor kwam het dat ik op een dag met ‘Ton-Ton Macoute’ naar huis ging (zeker wel drie Allman Brothers stonden op de hoes als sessiemuzikanten vermeld). Op bus 95 naar Watermaal-Bosvoorde, de mooie gemeente waar ik toen woonde, bekeek ik de donkere hoes, met de expressieve foto van Johnny Jenkins. Ik las de titels, de namen van de muzikanten, las de bijna magische naam van het platenlabel, ‘Capricorn’. Het was duidelijk dat de elpee iets met voodoo had. Na de zenuwslopende rit met de bus – aan die ritten kwam nooit een eind, zeker niet als ik nieuwsgierig was naar nieuwe muziek – legde ik de langspeelplaat meteen op mijn Lenco en ging in mijn knusse zelfgemaakte hippiecanapé zitten. Die canapé bestond uit een aantal houten kratten, met een plank op, en daarover een Perzisch tapijt gedrapeerd. Het leek een beetje op de interieurs in de film ‘Performance’ (1968), zij het minder duur en chic. Was mijn toenmalige vrouw ook een hippie? Ze had hennahaar, droeg korte doorzichtige jurkjes en had best een kleine rol kunnen spelen in die paddenstoelenfilm van Donald Cammell en Nicholas Roeg. Ze maakte heerlijke jasmijnthee.

anita pallenberg

Anita Pallenberg in 'Performance'.

Maar ik had het over Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins… De elpee komt meteen op gang met  ‘I Walk On Guilded Splinters’ van Doctor John the Night Tripper. De originele versie die al buitengewoon indrukwekkend en spooky is, staat op Gris-Gris, het eigenlijk debuut van de goede doctor. Doctor John maakte in de jaren vijftig en begin zestig ook al plaatjes in New Orleans. Onder zijn echte naam, Mac Rebennack bracht hij het gedenkwaardige ‘Storm Warning’ uit en als lid van Morgus and the Ghouls was hij verantwoordelijk voor ‘Morgus the Magnificent’, allebei verschenen op het nu nog weinig bekende Ace-label van Johnny Vincent. Dr. John schreef in samenwerking met Jack Rummel een hilarische autobiografie, getiteld ‘Under A Hoodoo Moon – The Life of the Night Tripper’.

grisgris


Ik kende ‘I Walk On Guilded Splinters’ ook van op weide van Jazz Bilzen in 1969 waar Humble Pie het uitvoerde met de bezwerende achtergrondzang van Marsha Hunt. Ik kende het eveneens van op een feestje voor mijn achttiende verjaardag – maar dat is stof voor een ander verhaal. (Doctor Johns ‘Gris-Gris’ zorgde toen wel voor een natural high, met wat gin gemengd. Een uitstekend cocktail, als je het met mate tot je neemt.)
Deze Johnny Jenkins was echter uit nog veel donkerder voodoo-hout gesneden dan Mac Rebennack, en ik heb het vooral niet over zijn huidskleur, want die speelt geen rol. Dit was muziek van een bezwerende, angstaanjagende schoonheid. Als je je ogen sloot waande je je meteen in de swamps van Louisiana. De dreigende stem van Jenkins, het bezwerende achtergrondgezang van Southern Comfort, de opzwepende drumpartij van Butch Trucks, ook een brother, en de subtiele dobro van Duane Allman. Je zag de bomen met hun stammen in het water staan, overal mos aan de kruinen. In het bruine water dreigden alligators. In kleine, donkere vissersbootjes passeerden cajuns op weg naar een fais-dodo. Exotische vogels zongen en krijsten. De zwarte Indianen dansten in hun veelkleurige uitrusting op Congo Square, tot de zon opkwam… En bij zonsopgang begon de volgende  song, ‘Leaving Trunk’, oorspronkelijk van Sleepy John Estes, maar bekend dank zij de geïnspireerde versie van Taj Mahal, ook een van de grootmeesters van de ‘ontspoorde’ blues. Je opent je ogen en krijgt zin om te dansen, ook al is de tekst niet bepaald opgewekt.

“I went upstairs to pack my leavin' trunk

I ain't see no blues, whiskey made me sloppy drunk

I ain't never seen no whiskey, the blues made me sloppy drunk

I'm going back to Memphis babe, where I'll have much better luck.”

Het volgende nummer is weer voor de nacht, het gaat immers over blinde vleermuizen en moerasratten. Daarna volgt een weergaloze versie van ‘Rollin’ Stone’, waarbij Jenkins de meester zelf, Muddy Waters, overtreft. Met een glansrol voor Duane Allman op slidegitaar.

Kant twee opent met een typisch New Orleans-nummer, ‘Sick And Tired’, vooral bekend van Fats Domino en Chris Kenner, waarna Jenkins zich ‘Down Along the Cove’ (uit ‘John Wesley Harding’) geheel eigen maakt. ‘Bad News’, is een countrynummer van John D. Loudermilk, vooral bekend in de uitvoering van Johnny Cash en ook op ‘Ton-Ton Macoute’ zeer aanstekelijk. De elpee eindigt enigszins in mineur met John Lee Hookers ‘Dimples’ en nog een voodoo-song, ‘Voodoo in You’. Later heb ik de cd-versie gekocht, waar twee nogal overbodige bonustracks toegevoegd zijn. Voor geen geld van de wereld doe ik mijn vinyl-versie van de hand. De plaat is uitstekend geproduceerd door Johnny Sandlin en Duane Allman: ze klinkt alsof ze morgen nog moet worden gemaakt. Wat ‘Ton-Ton Macoute’ betekent moet je zelf maar opzoeken. Ik raad je ten stelligste aan om daarna ‘I Walked With a Zombie’ van Jacques Tourneur te bekijken, een nogal bizarre maar genadeloos mooie film, die zich in Haïti afspeelt.

duanaallman


Duane Allman

Na aanschaf van ‘Ton-Ton Macoute’ ben ik zoek gegaan naar meer informatie. Johnny Jenkins was in het begin van de jaren zestig de leider van een band die The Pallbearers heette. Otis Redding was hun chauffeur, die af en toe een stukje zong. Johnny Jenkins speelde gitaar op Reddings eerste succesnummer, de emotioneel geladen ballad ‘These Arms Of Mine’. Volgens een aantal publicisten zou Jenkins nogal wat invloed uitgeoefend hebben op de gitaartechniek van Jimi Hendrix. Johnny Jenkins stierf in 2006 in Macon, waar hij geboren was. Macon, Georgia is een gedenkwaardig oord voor de popcultuur: niet alleen de Allman Brothers en de platenbaas van Capricorn Records Phil Walden, maar ook Emmett Miller, Little Richard, Otis Redding en de helft van R.E.M. kwamen of komen uit die stad in het diepe Zuiden.

macon, georgia

 Als toemaatje de tekst van ‘I Washed My Hands in Muddy Waters’, waarin Macon, Georgia wordt vermeld. Ik heb altijd gedacht dat het van Charlie Rich was. Maar ja, wat denk ik niet allemaal. Ik denk zelfs dat ik geen hippie ben geweest… ‘Hipster’ vind ik een beter woord, maar het duidt net zo goed een hokje aan, een term waarmee mensen kunnen ingedeeld worden en van elkaar verwijderd.

I Washed My Hands in Muddy Water
(words & music by Joe Babcock)

I was born in Macon Georgia
They kept my daddy over in Macon jail
He told me if you keep your hands clean
You won't hear them bloodhounds on your trail

Well I fell in with bad companions
Robbed a man, oh up in Tennessee
They caught me way up in Nashville
They locked me up and threw away the key

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Well I asked the judge now when's my time up
He said son, oh you know we won't forget
If you try just to keep your hands clean
We might just make a good man of you yet

Oh I couldn't wait to get my time up
I broke out, broke out of Nashville jail
I just crossed the state-line of Georgia
Well I can hear those bloodhounds on my trail

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream


Voor de geïnteresseerden: Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins werd in 1997 door PolyGram op cd uitgebracht en dit jaar verscheen de cd op het Acadia-label.

21-05-08

ELVIS IS BACK

 

Heb je het laatste nieuws gehoord?
Heb je het laatste nieuws gehoord?
Sta je op je goede voet?
Sta je op je goede voet?

Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.

A
lle mannen drinken terpentijn.
Alle mannen drinken terpentijn.
Allle vrouwen eten misosoep.
Alle vrouwen eten misosoep.

De kinderen kijken in hun microscoop.
De kinderen kijken in hun microscoop.
Een mooie zomer is op komst.
Een mooie zomer is op komst.

Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.

Elvis wacht bij de rivier.
Elvis wacht bij de rivier.
Het is bijna zondagavond.
Het is bijna zondagavond.

Heb je het laatste nieuws gehoord?
Heb je het laatste nieuws gehoord?
Sta je op je goede voet?
Sta je op je goede voet?

12-05-08

VOOR DE KLEINKINDEREN: MARK OLIVER EVERETT

dood,leven,mark everett,e,eels,boek,pop,kunst,verwantschap,humor,tragiek

Ik zit te lezen in ‘Things the Grandchildren Should Know’ van Mark Everett, beter bekend als E van Eels. Wat een grappig, droevig, tot tranen bewegend boek! Niet dat ik van uitroeptekens houd, maar soms moet het. De ‘kleine’ wereld die Everett beschrijft verschilt van mijn ‘kleine’ wereld, zoals een ontbijt bestaande uit voldoende sterke koffie, volkoren boterhammen belegd met kaas of ham uit de Ardennen verschilt van een ontbijt bestaande uit slappe koffie en pancakes ( of worstjes, eieren, aardappelen en slappe koffie). Maar die ‘kleine’ wereld van Mark Everett roept heel mijn ‘kleine’ wereld op. In vreugde en verdriet zij wij broers, behoren we tot dezelfde familie.  Dat is een fijne gedachte. Voor alles is duidelijk  dat we niet weten wat ons nog te wachten staat. Over een half uur kan ons leven er helemaal anders uitzien. Een vliegtuig kan neerstorten op ons dak, ik kan, zoals ooit Robert Wyatt, ‘per ongeluk’ door het raam vallen, we kunnen met de lotto winnen, noem maar op.

De titel van het boek is ook grappig. Mark Everett is toch al in de veertig en hij heeft nog geen kinderen, hoe zal hij dan ooit kleinkinderen hebben? Nu ja, ook dat is mogelijk, zeker als je E heet.

Over zijn aangrijpende elpee ‘Electro-shock Blues’, die als hoofdthema de dood van zijn zus heeft, met onder meer ‘Elizabeth On the Bathroom Floor’ en ‘Going To Your Funeral’, schrijft hij onder meer het volgende:

“To me it wasn’t a record about death. That was missing the point. It was about life. And death was a big part of life that tended to be ignored, or denied. No one wanted to think there would be an end to themselves, but I coundn’t ignore it and I realized that if you treat ik like the everyday fact of life that it is, it becomes less scary. And also, by being more aware of death, you gain a perspective on living and how you’d better makei t count, whatever that may mean to you.“

07-05-08

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren - wie weet waar de tijd heengaat? - zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie


Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. 'Music From Big Pink' was er bijvoorbeeld ook een, en 'Electric Ladyland', en 'John Wesley Harding' en 'The Notorious Byrd Brothers'. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

01-05-08

PJ HARVEY EN DE HOEREN II

Dit is wat ik bedoel met sexy. Maar Polly Jean is geen onderworpen vrouw, geen lustobject, ze keert het hele spektakel binnenstebuiten, zoals in de titel van de song. Dat hier echo's van Patti Smith in doorklinken maakt niet uit. De keten is niet gebroken, de bruggen zijn niet opgeblazen. En 1 mei neemt niemand ons af.

PJ HARVEY EN DE HOEREN I

pop,muziek,pj harvey,2000,seks,sexy,opwindend,popcultuur,hoeren,pooiers,feest,1 mei

In tegenstelling tot veel fans van PJ Harvey vind ik haar ‘Stories om the City, Stories From the Sea’ uit 2000 haar voorlopig beste plaat. Het is pure pop,  geen brutale harde rock, maar dat geeft niet, want haar versie van pop is sexy, opwindend, geil, lustopwekkend. De meeste van mijn tijdgenoten bedoelen met sexy iets dat helemaal niet sexy is. Bij mij moet de vlag de lading dekken.  PJ Harvey is de laatste opwindende popkoningin, of liever was, want met ‘White Chalk’ schijnt ze daar een punt achter te hebben gezet. Vandaag haal ik de ‘oude’ Polly Jean tevoorschijn om 1 mei te vieren, met vooral imaginaire hoeren, pooiers en allerhande marginalen.

29-04-08

ODE TO BILLIE JOE - BOBBIE GENTRY

 


Volgens mij is dit een van de beste verhalende songs uit de tweede helft van de jaren zestig. Bobbie Gentry had onmiskenbaar talent als schrijfster van story songs. 'Ode To Billie Joe' bijvoorbeeld ging een geheel eigen leven leiden, in de jaren zeventig werd er zelfs een film over gemaakt. Ergens zijn de mensen die in dat lied rond de tafel zitten familieleden van me geworden.  Bobbie Gentry had Portugese voorouders, misschien komt daar die melancholische achtergrond vandaan, als de fado bij haar in het bloed zat. Hoewel dat een ideologie is die ik verafschuw (de bloed- en bodemideologie bedoel ik). Aan de andere kant is 'Ode To Billie Joe' ook helemaal een Amerikaans, een southern-gothic verhaal; het past in het boeiende en broeierige geheel van de Amerikaanse mythe en van de American Dream. Het is namelijk zo dat je om die Amerikaanse droom te verwezenlijken een heleboel misfits nodig hebt. De protagonisten uit 'Ode To Billie Joe' horen ongetwijfeld in die categorie thuis. Pass the biscuits please! (Of zoals Bob Dylan ooit zong: "There's no success like failure, and failure's no success at all.") Ooit heb ik ergens gelezen dat Bobbie Gentry, een filosofie-studente uit het diepe Zuiden, haar droom wel heeft bereikt. Ze is rijk geworden, niet door haar zeer ongewone songs, maar door haar huwelijk met een rijke man uit Las Vegas. Ik vermoed dat ze niet meer zulke mooie groene jurkjes draagt. Maar dan komen we bij Jeannie C. Riley en Harper Valley PTA terecht, en dat is weer een heel ander verhaal.

Dit was bedoeld als illustratie bij de autobiografische schets, een ontwerp voor een episch gedicht, So Much Water Under The Bridge.

26-04-08

TIM BUCKLEY : MORNING GLORY

 



Een mooi lied voor een mooie lentedag. Tim Buckley, dames en heren. De troost van melancholie.

25-04-08

WE SHALL NOT BE MOVED: MAVIS STAPLES

ab,concert,muziek,soul,gospel,mavis staples,staples singers,live


Gisteren hoorde ook ik Amerika zingen. Ik hoorde het verleden en de toekomst van Amerika zingen met een grootse, trotse, eeuwenoude stem. Het verleden van Amerika was wat het waard was. Maar de echte waarde, de verwezenlijkte droom, die zou nog komen, gisteravond. Bij elk lied van Mavis Staples verloor ik mezelf, mijn zuchten en mijn pijn, en ging ik terwijl haar stem mijn ziel binnendrong binnen in de droom van Martin Luther King.  “Just like the tree standing by the water, we shall not be moved” zong Mavis Staples, en zongen wij allen mee. En nu ik deze woorden hier neerschrijf zie ik dat mijn woorden van gisteren al een echo waren van dat lied. Dit was geen concert, dit was een viering, een mis, een feest van de heidense ziel. Ik hoor in de gospel van Mavis Staples geen verlangen naar de eeuwigheid, naar het hiernamaals, maar wel een strijd tegen onrechtvaardigheid en verdrukking. De god van Mavis Staples is een vonk die ons de kracht geeft om elkaar de hand te reiken, om onze stem te verheffen, en te zeggen, de betere wereld is er nog niet, er is nog veel werk te doen, geef de moed niet op, elke stap is een stap vooruit, wat de doemdenkers ook mogen beweren. “We shall not be moved, like a tree standing by the water.”

Mavis is niet alleen een buitengewone zangeres, ze heeft ook magische gaven. Zo mocht ik voor de eerste en laatste keer Rick Danko en Richard Manuel op het podium zien verschijnen. Samen met Levon Helm en Mavis en Pops zongen ze deze sinds 1968 in het geheugen gegrifte woorden:

Go down, Miss Moses, there's nothin' you can say
It's just ol' Luke, and Luke's waitin' on the Judgement Day.
"Well, Luke, my friend, what about young Anna Lee?"
He said, "Do me a favor, son, woncha stay an' keep Anna Lee company?"

Mavis was begonnen met de hele Buffalo Springfield op te roepen, Aretha Franklin kwam even ‘Respect’ zingen, Pops Staples had de gedaante van een blanke gitarist aangenomen,Martin Luther King verkondigde nog een keer zijn noodzakelijke droom, heel even zag ik Steve Miller op het podium klimmen, don’t let nobody turn you around, zei hij, zelfs Sam Cooke liet zich even zien, en natuurlijk was Barack Obama aanwezig. Ook hoorde ik Eddie Hinton en een zestal andere Muscle Shoals sessiemuzikanten hun instrumenten stemmen. Vervolgens werd het aanstekelijke ‘I’ll take you there’ ingezet. Nog veel meer volk passeerde de revue, geen eigen volk, maar het andere, dat ons de weg kan wijzen naar een betere wereld. Ik weet het dat dit belachelijk klinkt in deze cynische tijd. Maar desondanks is het zo. En de uitspraak “waardig ouder worden” klinkt voor mij niet langer belachelijk.

Het concert van Mavis Staples staat voortaan in de lange top-10 van het beste wat ik ooit heb gezien, gehoord en gevoeld. Ja, gisteren hoorde ook ik, zo lang na Walt Whitman, Amerika zingen.

20-04-08

HONGERIG HART : LAAT BERICHT VOOR DANNY FEDERICI

bruce springsteen,pop,rock,e-street band,danny frederici,dood,in memoriam

Soms ben ik spontaan, soms moet ik dagenlang wachten op een woord.  Natuurlijk ben ik niet de rouwberichtenschrijver van Skynet. Ik ben niet eens een Sky Pilot, en ik heb evenmin contacten met de Spirit in the Sky. Maar het heeft me alleszins diep geraakt toen ik las dat Danny Federici vertrokken is. De man die nu op dit ogenblik zo bezield orgel zit te spelen op dat meeslepende, opwindende 'Hungry Heart'. 

Heb ik een woord nodig? Het enige dat er hier toe doet is ‘dood’. Maar de muziek blijft, en Danny Federici blijft doorleven in zijn muziek, zeggen wij mensen.  Toch durf ik dat betwijfelen. Ik heb the E-Street Band één keer zien optreden, in Vorst, ik geloof in 1978 of een van die moeilijke jaren op het einde van de jaren zeventig, na de dood van Elvis en Johnny Rottens bedenkelijke opstand.

Op weg van Antwerpen naar Brussel begaf de auto van mijn vriend J. het finaal. Buiten regende het oudtestamentisch. Met zijn vieren of vijven, de inzittenden, hebben we de auto achtergelaten en zijn zonder problemen liftend  in Vorst geraakt, op tijd voor een goede staanplaats. Al bij de eerste song die Bruce Springsteens band inzette wisten we dat we die avond nooit meer los zouden laten. Dat we die voor altijd met elkaar zouden delen. Heel af en toe in je leven heb je zo van die momenten. 

Maar Danny Federici leek toen al een beetje vergeten of zag er de zin niet van in om herinnerd te worden vanwege zijn fysieke aanwezigheid, alleen maar voor de noten die hij speelde, voor wat hij bijdroeg tot de magische sound van de toenmalige E-Street Band. Bruce Springsteen was de rock and roll duivel in hoogsteigen persoon; iedereen weet dat rock and roll de muziek van de duivel is, een sympathieke kerel, met een warme ziel. Miami Steve Van Zandt en Clarence Clemons waren de bewaarengelen aan Springsteens linker- en rechterzijde. Achter die drie ‘reuzen’ bevonden zich de fijnere mensen, Roy Bittan en Danny Federici. Drummer Max Weinberg  en basspeler Gary Tallent vormden een derde, Phil Spectorachtige rij, de basis, de lijm, die het allemaal samenbond, zij lieten de songs in onze harten bonzen.  En wij zongen mee op elk lied, terwijl we nauwelijks hoorden wat Danny Frederici deed, hoe hij de geest opriep van een al wat oudere generatie, Del Shannon, Chris Montez, Cubanen, Mexicanen, the Sir Douglas Quintet met Augie Meyers, het geluid van de kermis in onze oude dorpen. Let's Dance! En nu is Danny Federici dood en kunnen we niet treuren. Ik kan niet treuren zonder dat woord. Dat woord dat uit mijn hongerig hart zou moeten komen en niet komt.

16-04-08

OUDER EN WIJZER?

ab,centro-matic,south san gabriel,essays,montaigne,filosofie,deugd,buitensporigheid,pop

Het is altijd een genoegen als ik, wanneer ik weer eens zonder energie in mijn lijf voor mij uit zit te staren, plotseling vaststel dat ik in het bezit ben van de ‘Essays’ van Montaigne. Niet dat ik het altijd met hem eens ben, maar zijn woorden lezen geeft mij steeds voldoening en vaak weet hij me met het leven te verzoenen.


In hoofdstuk 30 over gematigheid staan heel wat uitspraken die in strijd zijn met mijn overtuigingen, maar desondanks kan ik het niet laten deze openingszinnen van het essay te citeren:
 

 

“Het is alsof alles wat mensen aanraken besmet wordt: dingen die op zich goed en mooi zijn, bederven wanneer ze in onze handen komen. Zelfs de deugd kan een zonde worden, wanneer we er op een bepaalde manier naar grijpen en haar met een te heftige en intense begeerte omarmen. Diegenen die zeggen dat je deugdzaamheid nooit kunt overdrijven, omdat het geen deugd meer is als er sprake is van buitensporigheid, spelen met de woorden:

Insani sapiens nomen ferat, aequus iniqui,
Ultra quam satis est virtutem si petat ipsam.

Dat is filosofische spitsvondigheid. Men kan wel degelijk te veel van de deugd houden en de perken te buiten gaan terwijl men iets doet dat op zich rechtmatig is. Op deze zienswijze past het bijbelwoord: ‘Wees niet wijzer dan u behoort te zijn, wees sober in uw wijsheid’.”


Het citaat van Horatius betekent: ‘Als ze te ver gaan, ook bij het nastreven van de deugd, kan men een wijze beter onwijs en een rechtvaardige onrechtvaardige noemen.’
 


In mijn geval zou het vandaag van buitensporigheid (of overmoed) getuigen om mij aan mijn plannen te houden en in de AB naar een concert van de Amerikaanse bands Centro-Matic en South San Gabriel te gaan. Ik houd veel van muziek, dat weet iedereen die af en toe een stukje van me leest, ga graag naar concerten, en nog veel meer in het gezelschap van goede vrienden. Maar kennelijk word ik ouder en wijzer en kan ik van kortstondige genoegens afzien tot ik helemaal hersteld ben. Het spreekt vanzelf dat ik liever jong en onbezonnen zou zijn. Je kunt zo oud en zo wijs worden dat het leven niets meer voorstelt.

15-04-08

LACHEN IS DE BESTE REMEDIE


Ik lach anderen niet graag uit, leedvermaak is me vreemd, maar deze verminking van de Engelse taal is zo hilarisch dat ik er de slappe lach van kreeg. Nu zal ik wel op weg zijn naar algehele genezing.

In de clip wordt gesuggereerd dat de originele versie van 'Without You' van Mariah Carey is, maar dat is niet geval. Het is een compositie van Pete Ham en Tom Evans, van de Britse popgroep Badfinger. Beiden pleegden zelfmoord. 'Without You' werd een grote hit voor Harry Nilsson, zelf een van de beste songschrijvers uit de jaren zestig en zeventig. Harry Nilsson, een goede vriend van John Lennon, is het slachtoffer geworden van overmatig drankgebruik.  De grap is dus eigenlijk toch weer niet zo grappig.
Uiteraard heeft Mariah Carey ook een hit gehad met het nummer. Waren Pete Ham en Tom Evans nog in leven, ze zouden schatrijk zijn.

13-03-08

THE PILGRIM: CHAPTER 33


Vorige maandag zat ik voor de zoveelste keer naar Martin Scorsese's 'Taxi Driver' te kijken. Toen Kris Kristoffersons 'The Pilgrim: Chapter 33' daarin uitgebreid aan bod kwam, dacht ik, ik moet echt wel eens iets schrijven over deze begenadigde singer-songwriter. Een ander element dat mij tot het schrijven van het stuk van vorige dinsdag aanzette, was een mooie brief van Marc V., die zelf een grote fan is van Kristofferson. Het was mij echter helemaal ontgaan dat de zanger diezelfde maandagavond in Antwerpen optrad. Puur toeval dus, nog maar eens. Maar helaas heb ik het concert gemist.

"He's a poet, he's a picker,
He's a prophet, he's a pusher,
He's a pilgrim and a preacher, and a problem when he's stoned.
He's a walkin contradiction, partly truth and partly fiction,
Taking every wrong direction on his lonely way back home.
There's a lotta wrong directions on that lonely way back home."

 

11-03-08

KRIS KRISTOFFERSON: EEN WANDELENDE CONTRADICTIE

ned kelly,jamer coburn,country,film,kris kristofferson,rita coolidge,bob dylan,sam peckinpah,mick jagger,martin scorsese,taxi driver,michael cimino,heaven s gate,robert deniro,cybil shepard,bobby charles,rolling stone,shel silverstein,george cukor,janis joplin,pop,william blake,popcultuur

De wandelende contradictie die Kris Kristofferson is, was al een tijdje aan mijn aandacht ontsnapt. Tot een lezer, Marc V. uit Genk, mij opnieuw op zijn spoor zette. Hoe had ik deze grote songschrijver zo kunnen verwaarlozen? Ik moet u het antwoord schuldig blijven, ik weet het gewoonweg niet. Het is mogelijk dat zijn naam er voor iets tussenzit, ik vind het een lelijke naam, met die twee K’s en dat dubbele ‘Kris’. Bovendien heeft hij samen met Barbra Streisand heiligschennis gepleegd door te ‘acteren’ in een stupide remake van ‘A Star Is Born’. De beste versie, die uit 1954 van George Cukor, met Judy Garland en James Mason was ook al een remake, maar een die het origineel overtrof.

Volstaat dat echter om de man te begraven? Een retorische vraag, natuurlijk. Want Kristofferson is de schrijver van ‘Sunday Morning Coming Down’, ongetwijfeld de beste song over een kater ooit geschreven, van ‘Help Me Make It Through the Night’, van ‘To Beat the Devil’, van ‘Why Me’, van ‘The Pilgrim: Chapter 33’, van ‘Me And Bobbie McGee’, en – niet te vergeten – van ‘Blame It On the Stones’.

Mijn kennismaking in 1970 met de naam Kris Kristofferson heb ik aan Mick Jagger te danken. Op het Vossenplein in Brussel had ik de soundtrack van ‘Ned Kelly’ gevonden, een film die ik toen heel goed vond, alleen maar omdat Mick Jagger er in meespeelde. Het komt niet in mijn hoofd op hem ooit nog een keer te bekijken.  De muziek was van Shel Silverstein, bekend van onder meer ‘A Boy Named Sue’ en ‘Sylvia’s Mother’. De meeste songs nam Waylon Jennings voor zijn rekening, maar een drietal, waaronder ‘Stoney Cold Ground’, zong Kristofferson. Wat later ontdekte ik dat hij ‘Me and Bobby McGee’ had geschreven, een grote, postume hit voor Janis Joplin. In dat hippielied horen we Janis op haar mooist. Het debuut van Kris Kristofferson verscheen eveneens in 1970, maar omdat er in België geen interesse bestond voor country kwam de elpee hier toen niet uit.

In het tijdschrift ‘Rolling Stone’ las ik allerlei verhalen over de songschrijver. Onder meer dat hij een master’s degree had in Engelse literatuur en zijn thesis aan William Blake had gewijd, dat hij op een boorplatform had gewerkt en met een helikopter gevlogen. Straffe verhalen over drugs en dronkenschap. Soms hoorde ik een van die gevoelige liederen van hem op AFN, het radiostation van het Amerikaanse leger in Europa. Kristofferson had een stem van soms zacht, soms hard leder, zijn teksten waren even goed als die van Dylan. In 1973 kwam de schitterende film ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ van de dronkaard Sam Peckinpah uit. Kristofferson was Billy the Kid, James Coburn Pat Garrett – en Bob Dylan vertolkte het merkwaardige personage genaamd Alias. De in tequila gedrenkte soundtrack was van Bob Dylan. In datzelfde jaar trouwde Kristofferson met Rita Coolidge, die hij op de set van ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ had leren kennen. Mijn goede vriend Marc D. leende me zijn exemplaar van ‘Full Moon’ uit, een duet-elpee van Kris Kristofferson en Rita Coolidge. Dat was niet echt een mijlpaal, maar door die plaat ontdekte ik de muziek van Bobby Charles (zijn mooie ‘Tennessee Blues’ was het hoogtepunt op ‘Full Moon’).
ned kelly,jamer coburn,country,film,kris kristofferson,rita coolidge,bob dylan,sam peckinpah,mick jagger,martin scorsese,taxi driver,michael cimino,heaven s gate,robert deniro,cybil shepard,bobby charles,rolling stone,shel silverstein,george cukor,janis joplin,pop,william blake,popcultuur

Het mooiste eerbetoon aan Kris Kristofferson is terug te vinden in Martin Scorsese’s ‘Taxi Driver’ uit 1976. Betsy (Cybil Shepard), het ‘onschuldige’ meisje in het wit op wie de eenzame taxichauffeur Travis Bickle (Robert DeNiro) verliefd wordt, is een fan van Kris Kristofferson. Ze is van mening dat het nummer ‘The Pilgrim: Chapter 33’ op haar vreemde vriend van toepassing is. In een volgende scène zie je Travis Bickle een platenwinkel buitenstappen met de elpee ‘The Silver Tongued Devil And I’ onder zijn arm. Een mijlpaal in de countrymuziek, en wellicht Kristoffersons beste plaat. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis. Tot die geschiedenis behoort ook een van de mooiste films aller tijden, ‘Heaven's Gate' van Michael Cimino. Bekijk vooral niet de ingekorte versie!

05-03-08

COOL LOVE - WANDA JACKSON


Ladies and gentlemen, the one and only queen of rockabilly, Wanda Jackson. Met Joe Maphis op gitaar.