17-09-08

MORE : IN MEMORIAM RICK WRIGHT II


De dood van Pink Floyds Rick Wright heeft me letterlijk met verstomming geslagen. Ik kon er geen woord over kwijt. Ik was bedroefd, maar dacht ook meteen: weer schrijven over iemand die ik in mijn jeugd bewonderde en die nu dood is, iemand van mijn generatie, net iets ouder. Ik had er geen zin meer in. Straks doe ik niets anders meer dan over doden schrijven. En de levenden dan?

En toch. Samen met Syd Barrett, Brian Jones en Steve Marriott was Rick Wright een van mijn jeugdhelden, ik vond hem mooi, hield van zijn stijl en van zijn orgel- en pianospel. De rol van Rick Wright in Pink Floyd is altijd te weinig aan bod gekomen. Terecht werd Syd Barrett als de meest creatieve geest beschouwd. Sommigen noemen hem een genie, maar dat woord gebruik ik niet graag. Syd Barrett was Pink Floyd, de anderen begeleidden hem, Nick Mason op drums, Rick Wright op de hiervoor genoemde instrumenten, Roger Waters op bas. Toen Syd de band verliet, wellicht wegens een vertroebelde geest, zoniet waanzin, ontstond er een vacuüm: de jonge muzikanten wisten niet waarheen. Het was een goede zaak dat Syds vriend, David Gilmour, Syd verving. Niet alleen was hij een uitstekend gitarist, hij zong ook mooi, en schreef songs. Rick Wright was in die overgangsperiode van psychedelische undergroundgroep naar commercieel instituut het meest creatief. Hij zorgde ervoor dat de ruimtelijke sfeer in het geluid van de groep aanwezig bleef. Van de vier oorspronkelijke leden vind ik dat hij na Syd Barrett het meest ‘Pink Floyd’ was. Dat kun je ook horen op de songs die hij in die tijd schreef: 'Paint Box' (de b-kant van de single 'Apples and Oranges' uit 1967, nog geschreven door Syd) en de single A-kant 'It Would Be So Nice' uit 1968. Op de tweede elpee van Pink Floyd, ‘A Saucerful Of Secrets’, een werk vol ruimte, licht (en de woedeuitbarstingen van Roger Waters), stonden twee heerlijke composities van Rick Wright: het sublieme ‘Remember A Day’, helemaal in de sfeer van Syd Barretts meesterwerk ‘See Emily Play’, en ‘See-Saw’, dat ook weer bijzonder sprookjesachtig is.

In 1969 bracht Pink Floyd de soundtrack van Barbet Schroeders hippiefilm ‘More’ uit. Het is de mooiste plaat van de groep, na het debuut, 'The Piper at  the Gates of Dawn’, uiteraard. Rick Wright schrijft mee aan de meeste songs van de soundtrack. De teksten zijn van Roger Waters. Na de interessante mislukking 'Ummagumma', een dubbel-elpee uit 1969, met één minder boeiende, experimentele kant gecomponeerd en geïmproviseerd door Rick Wright. Ik moet echter toegeven dat ik er in 1970 dol op was.  Ik moet er honderden keren naar hebben geluisterd, daar op mijn kamer in de Karmelietenstraat, die nu al lang afgebroken is. In plaats van de kapperszaak waarboven ik woonde staat nu een ministeriegebouw lelijk te wezen. Vervolgens krijgt het zogenaamde progresssieve aspect van de groep de bovenhand. Pink Floyd is geen undergroundband meer, wordt geaccepteerd door het grote publiek, brengt elpees uit die veertig miljoen exemplaren verkopen. Rick Wright schreef ook aan deze platen mee, maar ze werden beheerst door Roger Waters, en in mindere mate door David Gilmour. Ik kan er weinig over zeggen omdat ik ze nauwelijks beluisterd heb. Ik heb nooit van bombast gehouden.

Ik heb er bovendien helemaal geen idee van wat Rick Wright van dit alles heeft gedacht. Hij was een stille, bescheiden man. In interviews nam hij zelden het woord. Vrienden van vroeger vonden dat ik – uiterlijk – op Rick Wright leek. Dat beschouwde ik als een compliment. Nu denk ik dat mijn karakter meer op het zijne lijkt: ik zou mijn stempel wel willen drukken op mijn omgeving, en in zekere zin op mijn tijd, maar ik beschik niet op de sociale vaardigheden om daarin te slagen.

Ik zag Pink Floyd drie keer live. Op 23 februari 1968 in Antwerpen in café Het Pannenhuis, ik had Rick Wright kunnen aanraken, maar zo gek was ik nu ook weer niet, op 26 september 1969 in théâtre 140 in Brussel (dag Marc, hoe gaat het met je?) en op 12 juli 1970 op een hippiefestival in Aken, waar mijn vrouw en ik, samen met Amerikaanse ‘soldaten’ en Duitse hippies, in een oude oorlogsbunker moesten overnachten. Het eerste en het tweede concert waren overweldigend mooi, met die zeer ruimtelijke muziek, het derde, in Aken, was weinig geïnspireerd. Ik ben erbij in slaap gevallen. De groep was op zoek naar iets anders. De muzikanten wisten ongetwijfeld nog niet dat ze enkele jaren later schatrijk zouden zijn.

Rick Wright cijferde zichzelf weg. En dat heb ik in deze tekst ook gedaan: Rick Wright weggecijferd. Rick Wright is definitief weg. Maar nog vaak zal de lieve man opduiken als we weer een keer 'Paint Box', 'It Would Be So Nice' en 'Remember A Day' beluisteren. En ‘More’.


in memory of rick wright II

De eerste single van Pink Floyd zonder Syd Barrett. Rick Wright schreef de A-kant, 'It Would Be So Nice'.

16-09-08

REMEMBER A DAY : IN MEMORIAM RICK WRIGHT


rick wright


In memoriam Rick Wright.

"Remember a day before today
A day when you were young.
Free to play alone with time
Evening never came.
Sing a song that can't be sung
Without the morning's kiss
Queen - you shall be it if you wish
Look for your king
Why can't we play today
Why can't we stay that way
Climb your favorite apple tree
Try to catch the sun
Hide from your little brother's gun
Dream yourself away
Why can't we reach the sun
Why can't we blow the years away
Blow away
Blow away
Remember
Remember."

'Remember A Day', van Rick Wright, terug te vinden op Pink Floyds 'A Saucerful Of Secrets' (1968).

SAUCERFUL2

08-09-08

MY FAVORITE THINGS

muziek,jazz,genie,john coltrane,my favorite things

A few of my favorite things. John Coltrane, 1961. Goed voor een maandagmiddag in september.

18-08-08

IN MEMORIAM JERRY WEXLER EN ISAAC HAYES


wexler

In het voorwoord van Jerry Wexlers autobiografie, ‘Rhythm and the Blues – A Life in American Music’ schrijft David Ritz het volgende:

“At seventy-five, Wexler is still a holy terror. He runs around like an impatient kid, shopping for baby white eggplants at distant farm stands, booking acts for the local jazz association, talking on the Phone to musician pals, celebrating the latest Hank Crawford or T-Bone Walker reissues, making Benny Goodman tapes for his butcher, dominating the dinner conversation with war stories of song pluggers and smash records. His eyes twinkle; his fingers nervously smooth over his white beard. The mind is racing. Compulsive, cunning, extravagantly verbal, he stays two beats ahead. His rapid-fire speech blends a promotor’s hype with a scholar’s precision, his lexicon a mixture of the mean streets and the graduate library.”

Na Jerry Wexler tientallen keren gezien en gehoord te hebben in documentaires over de geschiedenis van rock, blues, rhythm and blues en soul geloof ik dat elk woord hierboven waar is. Jerry Wexler was een universum, ik respecteerde hem, hield van hem als van een ideale vader. Jerry Wexler heeft misschien meer gedaan voor de populaire muziek dan wie ook. Wie Jerry Wexler niet kent beveel ik het hierboven vermelde boek aan. Wie hem wel kent weet wat ik bedoel en hoe ik me voel.

Of misschien toch niet. Jerry Wexler is dood, maar heeft een buitengewoon ‘rijk’ leven geleid. Bovendien is hij 91 geworden; dat moet volstaan. Echt treuren doe ik daarom niet. Ik ben eerder in een feestelijke stemming en denk dankbaar terug aan alle muziek die ik door Jerry Wexler heb leren kennen. Let the good times roll!

wexler2


Tegelijk neem ik ook afscheid van Isaac Hayes. Met uitzondering van ‘Shaft’ deed zijn muziek me niet zoveel. Maar natuurlijk heeft hij onvergetelijke songs geschreven voor Sam & Dave, waarschijnlijk het allerbeste soulduo ooit. Rust in vrede, Isaac Hayes, in je blote torso en met je gouden kettingen om je nek! Als ik nog eens in New York ben ga ik zeker weer langs bij Café Reggio en zal ik daar aan je denken. Je was nog te jong om nu al te sterven.

isaachayes

05-08-08

LIEFDE IS VOOR DWAZEN : DE NIEUWE POPULAIRE MUZIEK IS VOOR IEDEREEN


Het gaat goed met de jonge populaire muziek. Ik hoor geregeld mooie nieuwe songs, en luister op MySpace vaak verbaasd en verwonderd naar opnames van bands, zangers en zangeressen waarvan ik nooit eerder had gehoord. De echte ‘Americana’ (een term waar ik niet echt gek op ben, evenmin houd ik van de benaming alt.country) van bands als Drive-By Truckers, Gillian Welch & Dave Rawlings, Calexico en zo meer is nog altijd springlevend. Een band als Willard Grant Conspiracy wordt almaar beter door met nieuwe vormen te experimenteren. Dat kan ook wel eens tegenvallen, zoals bij Wilco (‘a ghost is born’) en Calexico (‘Garden Ruin’) in het verleden: wellicht kreeg het experiment meer aandacht dan de traditie, en zorgde dat voor een wanverhouding. Het is nu eenmaal een regel dat alle vormen van populaire muziek, ook jazz, op traditie zijn gebaseerd. Als daar te gretig van wordt afgeweken, zoals in bepaalde extreme vormen van Free Jazz, dan valt de spanning uit de muziek weg en haakt de luisteraar af. Het is dan alleen maar experiment, er is geen vaste grond, de luisteraar voelt zich duizelig worden of krijgt plotseling hevige hoofdpijn, zonder familiale voorgeschiedenis. Maar hoe dan ook moet populaire muziek het van experiment, van vernieuwing hebben om levendig te blijven en aan te spreken. Als je altijd maar hetzelfde herhaalt bloed je dood. Dat lijkt me voor alle kunstvormen een geldige analyse. Bij iemand als Dwight Yoakam lijkt me dat het geval te zijn.

Veel van wat ik op MySpace hoor en echt fascinerend vind lijkt me een verzoening te zijn van diverse soorten populaire muziek (folk, blues, country) en avant-garde. Junkie XL had het vorige zondag in Zomergasten nog over het belang van een avant-garde componist als Stockhausen. Frank Zappa verwees heel vaak naar Edgar Varèse. Je stuit ook vaak op John Cage, Gyorgy Ligeti en Luigi Nono. Allerlei experimenten met oude instrumenten gecombineerd met elektronica en meestal voorzien van een beat klinken nu vaak bijzonder boeiend. Experimenten met elektronica voor allerlei obscure soundtracks spelen een belangrijke rol, maar ook mainstreamfilmcomponisten als Henry Mancini, Ennio Morricone en Bernard Hermann leveren vruchtbare grondtonen. Er wordt bovendien weer veel aandacht aan de stem gegeven. Men zegt dan: die of die band grijpt terug naar Crosby, Stills & Nash. Maar heel wat van de jongere zangers en zangeressen zijn klassiek geschoold en kennen heel wat meer dan de pop en folk uit de jaren zestig en zeventig. De stemmen van Fleet Foxes bijvoorbeeld zijn even mooi als die van de Beach Boys, maar je hebt de indruk dat de Foxes ook goed naar Gregoriaanse muziek hebben geluisterd.

Om een kort verhaal kort te houden: ik heb op dit ogenblik de indruk dat 2008 een vruchtbaar jaar is voor de popmuziek, vergelijkbaar met 1956, 1965, 1977 en 1991. Ik hoop later dit jaar wat meer berichten uit de chaos van mijn muzikale microcosmos de wereld in te kunnen sturen. Muziek is tenslotte een van de weinige menselijke verwezenlijkingen die mij nog kunnen ontroeren en op die manier in leven houden.

Hieronder Bon Iver (een alias voor Justin Vernon) begeleid door the Bowerbirds met 'Love's For Fools', live in the Bowery Ballroom in New York, een erg fijne concertzaal. Bon Iver treedt op in de Brusselse Botanique op 3 oktober later dit jaar.

01-08-08

JE BENT NIET ANDERS DAN DE ANDEREN, OF WEL SOMS?


Al te vaak misschien wil ik schrijven over enkele antihelden, in mijn ogen vaak de echte helden, als we dat woord tenminste nog wensen te gebruiken.… Mijn gedachten gaan dan onwillekeurig naar in een of ander opzicht geniale muzikanten, performers, singer-songwriters, ‘wijze dwazen’, die destijds verstoten en verguisd werden, naar Alexander Spence, Karen Dalton, Nick Drake en Syd Barrett, muziek- en woordkunstenaars die nu evenwel door een globale elite aanbeden worden. Ik zou nog veel andere namen kunnen noemen, maar vandaag doe ik het niet. Beweren zou ik kunnen dat ik wat hen betreft een van de eerste ingewijden was. Dat ik zes kilometer verwachtingsvol langs de Zuid-Willemsvaart liep, van Neerharen naar Maastricht, om in platenwinkel De Harp ‘Oar’ te kopen, en dan weer zes kilometer terug. Ik zou kunnen schrijven over de diepe emoties die ik voelde bij het beluisteren van de gebroken stem van Skip Spence, die de kleine luidspreker van mijn gele Philips materialiseerde. “I’ve searched everywhere in heaven but I never found a friend like you…” De platenspeler had dezelfde kleur als mijn Garelli brommer. Het genot dat ik voelde bij het horen van de diepe wanhoop van een gebroken mens, toen ik nog zo jong en naïef was en nooit van Hölderlin had gehoord. Waarom had ik niet van hem gehoord? Omdat ik slechte leraren had, zonder enige twijfel. Het genot was overigens geen leedvermaak, maar identificatie, de wanhoop en het verdriet die Skippy bezong, waren ook mijn wanhoop en verdriet. Dacht ik, meende ik.

Al te vaak wil ik daarover schrijven, maar heeft het enige zin? Je hemelt die mensen op om jezelf te vergeten en maakt lijstjes tegen het verdriet. Je wilt de wereld bezitten, maar alles valt uiteen in partikels, in atomen. Ergens moet er een eenheid zijn, een Zijn dat al de zijnden samenhoudt en zin geeft, bestaansrecht. Daarom is het ook niet erg dat ik er nu niet over schrijf.

Ik heb me nooit lang in de marge opgehouden. Ik wilde geen snob zijn. Iemand die boeken leest die niemand kent, die platen koopt waar maar vijf exemplaren van bestaan, die nachtenlang naar onbegrijpelijke films uit Nieuw-Zeeland zit te kijken. Af en toe ging ik eens kijken in de donkere straatjes, nam ik zijwegen, luisterde ik naar schril gekras, bekeek ik films over geweld en geestelijke verminking, gaf me over aan het wrede theater van Antonin Artaud en Sarah Kane, je weet wel. Maar veel vaker koos ik voor Elvis Presley, the Rolling Stones, John Fogerty, Francis Ford Coppola, François Truffaut, Haruki Murakami, Paul Auster, Franz Kafka. Kunstenaars die iedereen kent. Ik was niet anders dan de anderen, dacht ik.

Een mooie kromme lijn door alles waar ik me door liet overspoelen trok Bob Dylan. Hij was er altijd, van in het begin en hij is er nog altijd. En het laatste lied dat ik zal horen, mocht ik ooit sterven, zou er een van Dylan zijn. De beste song die ik van hem ken is, denk ik, ‘It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry’. Misschien is het gewoonweg de beste song. De mooiste versie is de originele op ‘Highway 61 Revisited’, maar op de soundtrack van ‘The Concert For Bangladesh’ staat ook een uitstekende versie. Bob Dylan wordt er begeleid door twee Beatles en Leon Russell, nog zo’n miskende held.

 

 

30-07-08

BOVEN DE WOLKEN MET BRUCE KAPHAN


bruce kaphan

Ik onderschat Ry Cooder, Daniel Lanois en BJ Cole niet. Evenzeer houd ik van de traditionele pedalsteelgitaristen uit Nashville. En Sneaky Pete Kleinow van the Flying Burrito Brothers heeft mijn oren geopend voor dit unieke instrument. Maar nooit was me echt opgevallen hoe mooi en uniek Bruce Kaphan de steelgitaar bespeelt. Ik heb hem nochtans vaak zien optreden als lid van the American Music Club. De hierboven afgebeelde cd is ongetwijfeld de juwelenkist van een zachte magiër.
Je kunt hier enkele tracks beluisteren.

18-07-08

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM


tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  'Cul-de-sac' heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

joe strummer

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch - dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat 'Rosemary’s Baby' daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog - zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem 'mijn vriend' noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je 'Splish Splash' en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

tim simple

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:

Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)

Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin' Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins 'You've Got A Reputation' een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun 'Sweetheart Of the Radio', maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie 'Hang On To A Dream', een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

tim hardin dream

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto een afbeelding van 'The Best Of Tim Hardin', de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De 'figurante' komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

14-07-08

RAINER PTACEK: HET INTEGERE HART VAN DE MUZIEK

 

 
 


Ik dank Sezaar voor het ontdekken van deze clip. Het leek mij onmogelijk dat er van Rainer Ptacek degelijke beelden te vinden waren, ook niet op YouTube. Rainer Ptacek was een van de beste gitaristen die ik ooit heb gehoord, jammer genoeg nooit live. Samen met mijn vriend Pat ontdekte ik Rainers magische muziek in 1986 op de elpee 'Barefoot Rock With Rainer And Das Combo'.  Dat 'das' staat niet zomaar in de titel. Rainer Ptacek kwam oorspronkelijk uit Berllijn maar emigreerde op vijfjarige leeftijd met zijn ouders naar Chicago. Later vestigde hij zich in Tucson, waar hij bevriend raakte met Howe Gelb en in plaatselijke scene van zogeheten woestijnrockers werd opgenomen. Iedereen kent nu Giant Sand en Calexico, maar aanvankelijk waren dat undergroundfenomenen. Calexico was in het begin een hobbygroepje.

Toen Pat en ik die elpee voor de eerste keer hoorden, waren we met verstomming geslagen. In de jaren '80 kreeg je niet vaak muziek van de duivel te horen, maar hier was hij dan... De duivel hoorde je zowel in Rainers stem als in zijn gitaarspel. Zijn covers van Robert Johnsons 'If I Had Possession over Judgment Day' en 'Last Fair Deal' waren bijna even intens als die van de meester. Ik gebruik het woord 'duivel' natuurlijk als een metafoor. Duivelse muziek is vurig, maar de mens Ptacek had meer van een engel dan van Satan, daar twijfel ik niet aan. Dat engelachtige kun je trouwens op al zijn latere platen horen, waarop hij vaak alleen en soms met 'das combo' te horen was. Een zeer menselijke engel, met een hevig brandend innerlijk vuur, dat was Rainer. Platen als 'Nocturnes', 'Alpaca Lips' en 'Live At the Performance Center' worden hier nog vaak uit het rek genomen.
Overigens valt het ook op dat Howe Gelb zijn oude vriend niet vergeet, geregeld neemt hij nog songs van hem op. 
Rainer Ptacek was net als ik een tweeling (ik weet niet waarom ik dat vermeld, want ik geloof niet in astrologie), een jaar jonger dan ik. Hij stierf in 1997. Kort voor Rainers dood verscheen een mooie tribute-cd, 'The Inner Flame', met bijdragen van onder meer PJ Harvey, Robert Plant, Evan Dando, Emmylou Harris, Victoria Williams en Mark Olson.
Bekijk vooral deze buitengewoon ontroerende performance uit 1993.

28-06-08

JOHN CALE : FRAGMENTEN VOOR EEN NIEUWE MAATSCHAPPIJ


johncale4kl

johncale5kl

johncale6kl

Foto's: Martin Pulaski. Cover art copyright of the artists.

26-06-08

JOHN CALE: VUILEKONTENROCKANDROLL IN HET PALEIS

 

muziek,concert,lou reed,champagne,pop,bier,punk,duitsland,rock,popcultuur,live,verbeelding,turkije,rock and roll,ab,paleis,ambtenaren,bar,drummer,gitaren,seventies,punkrock,avant-garde,john cale,840,paul dujardin,paleis voor schone kunsten,shaketown,ravenstein


Vorige week zag ik Paul Auster in zaal Henry Le Boeuf  van het Paleis voor Schone Kunsten ( ik weiger de kinderachtige naam Bozar te gebruiken).  Gisteravond keerde ik er terug om een concert van John Cale bij te wonen. Ook al heb ik kritiek op de naam van de instelling en het overwegend Franstalig aanbod van boeken en dvd’s in de artshop, moet ik toegeven dat de bar heerlijk is. Wat een verschil met bijvoorbeeld die van de AB! Je krijgt er je drankjes in echte glazen, de wijn is er lekker en niet te duur. Een pils kost er maar twee euro. Maar foto’s maken mag je er niet. Daarom moet je zelf maar eens gaan kijken.

Wat  verwachtte ik van het concert? Een eigenzinnige vorm van melancholische akoestisch-elektronische kamermuziek, enigszins storend, maar toch passend bij de beau monde van de beaux arts. Oh la la! Et une coupe de champagne, please. Ik zou dat mooi hebben gevonden, denk ik. Ik zou geen kippenvel hebben gekregen, koud noch warm hebben gezweet, maar ik zou hebben genoten van die zoete, wat verwrongen melodieën die alleen John Cale kan bedenken.

Wat kregen we echter? Dirty Ass Rock And Roll, ladies and gentlemen! Echte laagbijdegrondse vuilekontenrockandroll. Maar werd John Cale ooit een asshole genoemd? Never! Dit was een concert waar jonge kereltjes – als ze er al bij waren geweest – veel genoegen aan hadden kunnen beleven en bovendien hadden ze er nog iets van kunnen opsteken. Bijvoorbeeld: hoe speel ik een power chord, hoe speel ik een riff, zonder banaal of volstrekt overbodig te klinken. John Cale ging tegen de geest van de beaux arts in, het paleis dat verkondigt dat het niet alleen maar rock and roll is. (John Cale trad op in het kader van ‘It’s NOT only rock and roll’.) Wel, beste Paul Dujardin, het is wel only rock and roll. Als je het over rock and roll wilt hebben en je nodigt John Cale uit dan kun je zulke dingen verwachten: the real thing, sex and drugs and rock and roll. Alles wat je lichaam nodig heeft, om het nog niet te hebben over je geest. De schitterende gitaarduetten die naar de seventies verwezen (denk daarbij aan the Allman Brothers) van John Cale met zijn - mij onbekende - gitarist gingen nooit zweven dank zij het uitstekende laagbijdegrondse en toch hoogvliegende gedrum van, ja, van de drummer natuurlijk. De basspeler hield zich wat op de achtergrond, maar hij verloor het ritme en de plots opduikende tempowisselingen niet uit het oor. Ergens links op het podium zat iemand de klanken te behandelen. John Cale greep vooral terug naar zijn composities uit zijn beginperiode, nadat hij de Velvet Underground had verlaten: 'Helen Of Troy', 'Gun', 'Paris 1919', 'Pablo Picasso' (van Jonathan Richman , of: John Cale speelt Modern Lovers die Velvet Underground spelen ), 'Fear Is A Man’s Best Friend', 'Ship Of Fools', 'Big White Cloud' (voor mij het hoogtepunt), 'The Ballad Of Cable Hogue' – allemaal even mooi en ontroerend. Vanop plaats D17 in de corbeille zag ik de Welshman plotseling heel jong worden. Hij zong en speelde 'Things', een recentere compositie, uit HoboSapiens (“the things you do in Denver when you’re dead”, een mooie hommage aan Warren Zevon). Daar stond hij, zeventien of achttien, met een elektrische gitaar, voor altijd jong, zich lavend aan Belgisch water, water uit Spa. Het beste water van de wereld voor de meest verrassende avant-garde rock and roll componist van de wereld. Ik vraag me af wat de champagneheren en –dames gevoeld hebben bij deze reëel bestaande punkrock.  En de ‘fans’ die nog altijd denken dat Cale zijn hoogtepunt bereikte met zijn postmoderne versie van Elvis’ ‘Heartbreak Hotel’, dat gisteravond als openingsnummer werd vermorzeld.
Toen John Cale en zijn band terugkwamen voor een encore dacht ik heel even dat zij de hele set opnieuw zouden spelen, en daarna nog eens en zo 840 keer.

Oh, wat ben ik blij dat ik bij dit concert aanwezig was, en dat ik me goed voelde. Ik had mijn lichtgrijs pak aangetrokken. Maar ik zag veel mannen in jeans. Onze kansen zijn nog niet verkeken. De verbeelding heeft nog wat in de pap te brokken. Hier en daar zie ik zelfs een gek het gekkenhuis besturen.

Later zaten we met Mister Koen en Mister Shaketown en nog enkele van hun vrienden in de Ravenstein, die vroeger aan de ambtenaren toebehoorde, maar nu een soort niemandsland is geworden, een plaats waar niemand zich echt thuis voelt, maar die wel uitnodigt om jezelf te worden, om je aanwezigheid bekend te maken aan de ruimte. We dronken er koud bier, zagen verloren gelopen ‘punks’ voorbijstrompelen en stelden vast dat de Turken van de Duitsers hadden verloren. En we vroegen ons af welke plaat van John Cale de beste is, ‘Paris 1919’ of ‘Music For a New Society’? De wedstrijd John Cale-Lou Reed bleef onbeslist.

13-06-08

LET THE MYSTERY BE

 

 


Ik ben terug uit Porto en om dat te vieren laat ik u luisteren en kijken naar Iris Dements 'Let The Mystery Be'. Voorlopig doe ik er nog even het zwijgen toe. De oevers van de Douro leggen nog teveel beslag op mijn gedachten. Toch dit: deze opname van 'Let the Mystery Be' is een fragment uit de fantastische 'Transatlantic Sessions', een tiental jaar geleden uitgezonden door BBC2. Iris Dement wordt onder meer begeleid door Molly Mason op contrabas, Russ Barenberg op gitaar en, als ik me niet vergis, Jay Ungar op fiddle. Voor mij is dit een magisch moment - alleen dit al, dit nog eens terugzien, maakt het de moeite waard om weer thuis te zijn. De vraag is of er veel meer redenen zijn. Toch ben ik blij dat ik met een wat frisser hoofd weer in het vaderland ben. Maar liever was ik bij de vrienden in Porto gebleven. Dicht bij de Douro, en het licht van de Atlantische Oceaan.

03-06-08

HET LEVEN EN DE WERKEN VAN BO DIDDLEY (1)

bo diddley,rock and roll,popcultuur,pop,invloed,beat,dood

In blues, soul en rock & roll krioelt het van de adel, koningen, graven, prinsen, prinsessen, noem maar op. Bo Diddley was de ongekroonde koning van de rock & roll. Hij woonde niet in een paleis, zo adellijk was hij nu ook weer niet, maar net als koning Boudewijn en Buddy Holly droeg hij een bril. De vorm van zijn gitaar hield je als adolescent uren uit je slaap. En ook nu schrijf ik dit, terwijl ik in bed zou moeten liggen en rusten. Maar Bo Diddley heeft mijn leven vorm gegeven, meer nog dan Bob Dylan, alleen al omdat ik op de Diddley-beat kon dansen, wat me bij Dylan niet altijd lukte. Ik wist het niet meteen, maar iedereen die ik als jongen graag hoorde had zijn beat van Bo Diddley: Buddy Holly, the Rolling Stones, the Pretty Things, Captain Beefheart, Quicksilver Messenger Service, Q65, the New York Dolls, the Yardbirds, the Who (Magic Bus), the Kinks, the Clash.  Noem maar op! Bo Diddley can’t be beat.  Man ik mis je!

(Wordt vervolgd na mijn reis naar Porto.)

29-05-08

JOE BOYD REVISITED

joe boyd,autobiografie,rotzooi,pop,popcultuur,muziek,sixties,seventies,bon iver,vertaling,white bicycles,nick drake,townes van zandt,jim gordon,koffie

Bijna twee jaar geleden had ik het hier over de autobiografie van producer en muziekliefhebber Joe Boyd, ‘white bicycles’, die op mij toen veel indruk had gemaakt. Eigenlijk is het geen echte autobiografie, maar gaat het over de schitterende muziek die in de jaren ‘zestig en ‘zeventig werd gemaakt. Joe Boyd heeft daar zonder overdrijven een buitengewoon belangrijke rol in gespeeld en hij weet daar gevat over te schrijven, zonder overdreven zelfverheerlijking, maar ook niet vals bescheiden. Het boek is nu  - alle geïnteresseerden hebben het al lang gelezen – met een afschuwelijke titel in het Nederlands verschenen. Ik mag niet aan de vlugvlug in elkaar geflanste vertaling denken. Het gaat toch maar over popmuziek, dan mag het goedkoop. Beste muziekliefhebbers, als je geen Engels kent: leer die mooie taal dan eerst en lees vervolgens het boek in de originele versie, uitgegeven bij Faber and Faber.  Maar ik wil je er toch voor waarschuwen dat je na het lezen van die getuigenis nog meer zal beseffen hoe we vandaag met rotzooi worden overspoeld.  Als je op MySpace gaat kijken vind je al snel duizenden bands en muzikanten. Dat doet me plezier, omdat muzikanten over het algemeen niet op iedereen beginnen te schieten. (Drummer Jim Gordon, van honderden sessies en lid van Derek & the Dominos, heeft wel zijn moeder vermoord. “Mother I want to…”). Maar moeten al die jongens en meisjes zo nodig plaatjes maken? Ik weet het niet hoor. Het zal wel een onderdeel van de menselijke evolutie zijn.

Ik zit nu te luisteren naar Bon Ivers (Justin Vernon) in een schuur in Wisconsin opgenomen elpee ‘for emma, forever ago’. Gisteren op de metro heb ik de teksten al gelezen;  het zijn geen echte liedjesteksten maar impressionistische brokkelige gedichten. Bon Iver raakt me wel en soms zelfs dieper dan ik verwacht had, maar na beluistering leg ik hem op de stapel bij M. Ward, Beirut en the Mountain Goats. De grote vraag is of dit plaatje ooit de schoonheid zal krijgen die ‘Five Leaves Left’ en ‘The Late Great Townes Van Zandt’ nu hebben.  Maar nu is het tijd voor koffie.

24-05-08

SCHRIJVEN OVER MUZIEK

muziekgeschiedenis,pop,rock,popcultuur,jeugd,tijd,herinnering,ervaring,afstand,autobiografie,sixties,elvis presley,bob dylan,jimi hendrix,the rolling stones,the who,emoties,gevoelens
Rockin' Presley EP. De eerste rock & roll plaat die bij ons thuis binnenkwam.

Misschien vinden sommige lezers van mijn weblog dat ik het nogal vaak heb over muziek uit het nabije en minder nabije verleden. Dat is inderdaad het geval. Maar ik heb daar een aantal redenen voor. Tijd, geheugen en herinnering zijn voor mij belangrijke begrippen om het leven en de wereld te begrijpen en te aanvaarden (en in sommige gevallen te verwerpen). Veel van wat ik schrijf gaat over het verleden, niet alleen als ik het over muziek heb.

Wat nu muziek betreft is mijn begaan zijn met de tijd, het verleden, de (auto)biografie niet de enige verklaring waarom ik veel minder aandacht schijn te hebben voor wat hedendaags is.

Een eerste element is dat ik meer vertrouwd ben  met oudere muziek, vooral met de periode 1960-1975, hoewel ik nadien natuurlijk ook ben blijven luisteren. Als je een goed radioprogramma wilt maken is dat essentieel:  je moet zoveel mogelijk muziek beluisteren, oude en nieuwe, bekende en onbekende.
Doordat ik meer vertrouwd ben met die ‘oudere’ muziek kan ik er meer van op een afstand over schrijven. Maar ik wil desondanks niet koel en objectief berichten. Muziek hangt samen met herinneringen, emoties, gevoelens. Bepaalde melodietjes kunnen een herinnering plots weer levendig voor de geest roepen. Op zulke momenten – als ik een lied hoor - kan ik terugkeren naar bepaalde plaatsen en gebeurtenissen in mijn leven, of het leven van mijn generatiegenoten beter begrijpen.

Songs en elpees hebben een leven geleid in mijn bestaan, zijn verhalen geworden, of op zijn minst onderdelen van verhalen. Sommige songs en elpees hebben de status van mythe gekregen, in zekere zin aan tijd en geschiedenis onttrokken. Ik heb er iets over te vertellen omdat ik er intens mee bezig ben geweest en ben. Sinds mijn zesde jaar (1956) is er denk ik geen dag voorbijgegaan zonder een of ander lied.

Ik schrijf ook liever over muziek uit het (nabije) verleden omdat ik denk dat de lezer meer heeft aan een verhaal uit de eerste hand, dan het te moeten vernemen van iemand die er zelf alleen maar heeft over horen vertellen. In dat opzicht beschouw ik mezelf als een bevoorrechte getuige, waar ik overigens geen enkele verdienste aan heb. Geheel toevallig ben ik in 1950 geboren, werd ik in 1956 uit mijn kinderslaap gehaald door Elvis Presleys ‘Don’t Be Cruel’, ontwaakte ik een tweede keer in zaligheid in 1964 met ‘She Loves You’ en ‘Twist and Shout’ van the Beatles, en ‘Tell Me’ en ‘Not Fade Away’ van the Rolling Stones, en werd ik definitief ingewijd in de nieuwe jonge wereld in 1965 met Bob Dylans ‘Like a Rolling Stone’, ‘My Generation’ van The Who en een jaar later met Jimi Hendrix’ ‘Hey Joe’.

Voor nieuwe releases zijn er overigens massa’s andere bronnen: tijdschriften als Uncut, Mojo, Wire, les Unrockuptibles,  kranten, vakbladen, en zeker ook de honderden soms uitstekende muziekblogs. Wat me niet belet om af en toe ook mijn zeg te doen over wat deze tijd voortbrengt. Maar je weet het, rock and roll never forgets!

22-05-08

JOHNNY JENKINS / DUANE ALLMAN: TON-TON MACOUTE

 

Mensen die me lang geleden goed of minder goed hebben gekend zeggen bijna allemaal dat ik een hippie was. Zelfs mijn beste vrienden zeggen het. Telkens voel ik me dan min of meer gedwongen om die bewering te ontkennen. Nee, ik ben nooit een hippie geweest. Jawel, zeggen ze dan, een echte hippie. Als ze met ‘hippie’ iemand met lange haren bedoelen, dan klopt het. Maar ik bedoel met ‘hippie’ iets helemaal anders. Mensen die ‘hippie’ werden en worden genoemd gaven alles op en gingen buiten de maatschappij leven. Ze ontkenden alles wat met de gevestigde orde te maken had. Ik heb niets tegen hippies, ik vind dat ze een aantal goede dingen in gang hebben gezet, vooral op ecologisch gebied. Met zulke echte hippiezaken heb ik me nooit ingelaten.  Maar ik heb dit allemaal al eens uit de doeken gedaan, zodat ik het hierbij laat.

Johnny-Jenkins


Ik wilde het eigenlijk over een elpee van Johnny Jenkins hebben, de unieke verzameling songs die ‘Ton-Ton Macoute’ heet. In mijn zogenaamde hippieperiode was ik een tijdlang een grote fan van Derek& the Dominoes, vooral de dubbelelpee ‘Layla And Other Assorted Love Songs’ (1970) vond ik geweldig, en aanbad ik the Allman Brothers Band, in het bijzonder de gitarist Duane Allman. Via ‘Layla’, waar Duane Allman op meespeelde, was ik bij de blues- en rockband uit Georgia terechtgekomen. In interviews vertelde Eric Clapton wat voor schitterende gitarist Duane Allman wel niet was. Hij speelde op talloze soulplaten, waarvan ik er veel kende, zonder echter te weten wie die funky gitarist was. Na het verschijnen van ‘Layla And Other Assorted Love Songs’, die ik al spoedig voor weinig geld op het Vossenplein aantrof, ging ik op zoek naar alles waar Duane Allman op meespeelde (en wat ik  kon betalen). Daardoor kwam het dat ik op een dag met ‘Ton-Ton Macoute’ naar huis ging (zeker wel drie Allman Brothers stonden op de hoes als sessiemuzikanten vermeld). Op bus 95 naar Watermaal-Bosvoorde, de mooie gemeente waar ik toen woonde, bekeek ik de donkere hoes, met de expressieve foto van Johnny Jenkins. Ik las de titels, de namen van de muzikanten, las de bijna magische naam van het platenlabel, ‘Capricorn’. Het was duidelijk dat de elpee iets met voodoo had. Na de zenuwslopende rit met de bus – aan die ritten kwam nooit een eind, zeker niet als ik nieuwsgierig was naar nieuwe muziek – legde ik de langspeelplaat meteen op mijn Lenco en ging in mijn knusse zelfgemaakte hippiecanapé zitten. Die canapé bestond uit een aantal houten kratten, met een plank op, en daarover een Perzisch tapijt gedrapeerd. Het leek een beetje op de interieurs in de film ‘Performance’ (1968), zij het minder duur en chic. Was mijn toenmalige vrouw ook een hippie? Ze had hennahaar, droeg korte doorzichtige jurkjes en had best een kleine rol kunnen spelen in die paddenstoelenfilm van Donald Cammell en Nicholas Roeg. Ze maakte heerlijke jasmijnthee.

anita pallenberg

Anita Pallenberg in 'Performance'.

Maar ik had het over Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins… De elpee komt meteen op gang met  ‘I Walk On Guilded Splinters’ van Doctor John the Night Tripper. De originele versie die al buitengewoon indrukwekkend en spooky is, staat op Gris-Gris, het eigenlijk debuut van de goede doctor. Doctor John maakte in de jaren vijftig en begin zestig ook al plaatjes in New Orleans. Onder zijn echte naam, Mac Rebennack bracht hij het gedenkwaardige ‘Storm Warning’ uit en als lid van Morgus and the Ghouls was hij verantwoordelijk voor ‘Morgus the Magnificent’, allebei verschenen op het nu nog weinig bekende Ace-label van Johnny Vincent. Dr. John schreef in samenwerking met Jack Rummel een hilarische autobiografie, getiteld ‘Under A Hoodoo Moon – The Life of the Night Tripper’.

grisgris


Ik kende ‘I Walk On Guilded Splinters’ ook van op weide van Jazz Bilzen in 1969 waar Humble Pie het uitvoerde met de bezwerende achtergrondzang van Marsha Hunt. Ik kende het eveneens van op een feestje voor mijn achttiende verjaardag – maar dat is stof voor een ander verhaal. (Doctor Johns ‘Gris-Gris’ zorgde toen wel voor een natural high, met wat gin gemengd. Een uitstekend cocktail, als je het met mate tot je neemt.)
Deze Johnny Jenkins was echter uit nog veel donkerder voodoo-hout gesneden dan Mac Rebennack, en ik heb het vooral niet over zijn huidskleur, want die speelt geen rol. Dit was muziek van een bezwerende, angstaanjagende schoonheid. Als je je ogen sloot waande je je meteen in de swamps van Louisiana. De dreigende stem van Jenkins, het bezwerende achtergrondgezang van Southern Comfort, de opzwepende drumpartij van Butch Trucks, ook een brother, en de subtiele dobro van Duane Allman. Je zag de bomen met hun stammen in het water staan, overal mos aan de kruinen. In het bruine water dreigden alligators. In kleine, donkere vissersbootjes passeerden cajuns op weg naar een fais-dodo. Exotische vogels zongen en krijsten. De zwarte Indianen dansten in hun veelkleurige uitrusting op Congo Square, tot de zon opkwam… En bij zonsopgang begon de volgende  song, ‘Leaving Trunk’, oorspronkelijk van Sleepy John Estes, maar bekend dank zij de geïnspireerde versie van Taj Mahal, ook een van de grootmeesters van de ‘ontspoorde’ blues. Je opent je ogen en krijgt zin om te dansen, ook al is de tekst niet bepaald opgewekt.

“I went upstairs to pack my leavin' trunk

I ain't see no blues, whiskey made me sloppy drunk

I ain't never seen no whiskey, the blues made me sloppy drunk

I'm going back to Memphis babe, where I'll have much better luck.”

Het volgende nummer is weer voor de nacht, het gaat immers over blinde vleermuizen en moerasratten. Daarna volgt een weergaloze versie van ‘Rollin’ Stone’, waarbij Jenkins de meester zelf, Muddy Waters, overtreft. Met een glansrol voor Duane Allman op slidegitaar.

Kant twee opent met een typisch New Orleans-nummer, ‘Sick And Tired’, vooral bekend van Fats Domino en Chris Kenner, waarna Jenkins zich ‘Down Along the Cove’ (uit ‘John Wesley Harding’) geheel eigen maakt. ‘Bad News’, is een countrynummer van John D. Loudermilk, vooral bekend in de uitvoering van Johnny Cash en ook op ‘Ton-Ton Macoute’ zeer aanstekelijk. De elpee eindigt enigszins in mineur met John Lee Hookers ‘Dimples’ en nog een voodoo-song, ‘Voodoo in You’. Later heb ik de cd-versie gekocht, waar twee nogal overbodige bonustracks toegevoegd zijn. Voor geen geld van de wereld doe ik mijn vinyl-versie van de hand. De plaat is uitstekend geproduceerd door Johnny Sandlin en Duane Allman: ze klinkt alsof ze morgen nog moet worden gemaakt. Wat ‘Ton-Ton Macoute’ betekent moet je zelf maar opzoeken. Ik raad je ten stelligste aan om daarna ‘I Walked With a Zombie’ van Jacques Tourneur te bekijken, een nogal bizarre maar genadeloos mooie film, die zich in Haïti afspeelt.

duanaallman


Duane Allman

Na aanschaf van ‘Ton-Ton Macoute’ ben ik zoek gegaan naar meer informatie. Johnny Jenkins was in het begin van de jaren zestig de leider van een band die The Pallbearers heette. Otis Redding was hun chauffeur, die af en toe een stukje zong. Johnny Jenkins speelde gitaar op Reddings eerste succesnummer, de emotioneel geladen ballad ‘These Arms Of Mine’. Volgens een aantal publicisten zou Jenkins nogal wat invloed uitgeoefend hebben op de gitaartechniek van Jimi Hendrix. Johnny Jenkins stierf in 2006 in Macon, waar hij geboren was. Macon, Georgia is een gedenkwaardig oord voor de popcultuur: niet alleen de Allman Brothers en de platenbaas van Capricorn Records Phil Walden, maar ook Emmett Miller, Little Richard, Otis Redding en de helft van R.E.M. kwamen of komen uit die stad in het diepe Zuiden.

macon, georgia

 Als toemaatje de tekst van ‘I Washed My Hands in Muddy Waters’, waarin Macon, Georgia wordt vermeld. Ik heb altijd gedacht dat het van Charlie Rich was. Maar ja, wat denk ik niet allemaal. Ik denk zelfs dat ik geen hippie ben geweest… ‘Hipster’ vind ik een beter woord, maar het duidt net zo goed een hokje aan, een term waarmee mensen kunnen ingedeeld worden en van elkaar verwijderd.

I Washed My Hands in Muddy Water
(words & music by Joe Babcock)

I was born in Macon Georgia
They kept my daddy over in Macon jail
He told me if you keep your hands clean
You won't hear them bloodhounds on your trail

Well I fell in with bad companions
Robbed a man, oh up in Tennessee
They caught me way up in Nashville
They locked me up and threw away the key

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Well I asked the judge now when's my time up
He said son, oh you know we won't forget
If you try just to keep your hands clean
We might just make a good man of you yet

Oh I couldn't wait to get my time up
I broke out, broke out of Nashville jail
I just crossed the state-line of Georgia
Well I can hear those bloodhounds on my trail

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn't come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream


Voor de geïnteresseerden: Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins werd in 1997 door PolyGram op cd uitgebracht en dit jaar verscheen de cd op het Acadia-label.

21-05-08

ELVIS IS BACK

 

Heb je het laatste nieuws gehoord?
Heb je het laatste nieuws gehoord?
Sta je op je goede voet?
Sta je op je goede voet?

Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.
Elvis is terug, terug uit het graf.

A
lle mannen drinken terpentijn.
Alle mannen drinken terpentijn.
Allle vrouwen eten misosoep.
Alle vrouwen eten misosoep.

De kinderen kijken in hun microscoop.
De kinderen kijken in hun microscoop.
Een mooie zomer is op komst.
Een mooie zomer is op komst.

Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.
Breng me naar de brug.

Elvis wacht bij de rivier.
Elvis wacht bij de rivier.
Het is bijna zondagavond.
Het is bijna zondagavond.

Heb je het laatste nieuws gehoord?
Heb je het laatste nieuws gehoord?
Sta je op je goede voet?
Sta je op je goede voet?

12-05-08

VOOR DE KLEINKINDEREN: MARK OLIVER EVERETT

dood,leven,mark everett,e,eels,boek,pop,kunst,verwantschap,humor,tragiek

Ik zit te lezen in ‘Things the Grandchildren Should Know’ van Mark Everett, beter bekend als E van Eels. Wat een grappig, droevig, tot tranen bewegend boek! Niet dat ik van uitroeptekens houd, maar soms moet het. De ‘kleine’ wereld die Everett beschrijft verschilt van mijn ‘kleine’ wereld, zoals een ontbijt bestaande uit voldoende sterke koffie, volkoren boterhammen belegd met kaas of ham uit de Ardennen verschilt van een ontbijt bestaande uit slappe koffie en pancakes ( of worstjes, eieren, aardappelen en slappe koffie). Maar die ‘kleine’ wereld van Mark Everett roept heel mijn ‘kleine’ wereld op. In vreugde en verdriet zij wij broers, behoren we tot dezelfde familie.  Dat is een fijne gedachte. Voor alles is duidelijk  dat we niet weten wat ons nog te wachten staat. Over een half uur kan ons leven er helemaal anders uitzien. Een vliegtuig kan neerstorten op ons dak, ik kan, zoals ooit Robert Wyatt, ‘per ongeluk’ door het raam vallen, we kunnen met de lotto winnen, noem maar op.

De titel van het boek is ook grappig. Mark Everett is toch al in de veertig en hij heeft nog geen kinderen, hoe zal hij dan ooit kleinkinderen hebben? Nu ja, ook dat is mogelijk, zeker als je E heet.

Over zijn aangrijpende elpee ‘Electro-shock Blues’, die als hoofdthema de dood van zijn zus heeft, met onder meer ‘Elizabeth On the Bathroom Floor’ en ‘Going To Your Funeral’, schrijft hij onder meer het volgende:

“To me it wasn’t a record about death. That was missing the point. It was about life. And death was a big part of life that tended to be ignored, or denied. No one wanted to think there would be an end to themselves, but I coundn’t ignore it and I realized that if you treat ik like the everyday fact of life that it is, it becomes less scary. And also, by being more aware of death, you gain a perspective on living and how you’d better makei t count, whatever that may mean to you.“

07-05-08

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren - wie weet waar de tijd heengaat? - zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie


Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. 'Music From Big Pink' was er bijvoorbeeld ook een, en 'Electric Ladyland', en 'John Wesley Harding' en 'The Notorious Byrd Brothers'. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

01-05-08

PJ HARVEY EN DE HOEREN II

Dit is wat ik bedoel met sexy. Maar Polly Jean is geen onderworpen vrouw, geen lustobject, ze keert het hele spektakel binnenstebuiten, zoals in de titel van de song. Dat hier echo's van Patti Smith in doorklinken maakt niet uit. De keten is niet gebroken, de bruggen zijn niet opgeblazen. En 1 mei neemt niemand ons af.