17-10-08

WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

mes,slapen,verwarring,dyslexie,vertellen,werk,woorden,jezus,bob dylan,hoer,obsessie,koffie,rock and roll,verhalen,landschap,wakker,nachtmerrie,rug,stoel,behoefte,muur,leugens,rum,wapen,acteren,paul auster,heiligen,werkplek,kast,lunchpauze,metamorfose,shakespeare,jeroen bosch,james joyce,heilig,voorwerpen,tafereel,anna,jan arends,taalspel,finnegans wake,landschapsschilders,echolalie,eulalie,punaise,deerne,hubert selby jr,windstreken,lady macbeth,moeder gods

Jane Fonda in 'Klute'.

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds - van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I'm changing
Laughing behind their backs, I think they're strange
People running everywhere, running through my life
I couldn't give a care because they'll never see
All that I can see with my mind's eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

11-07-08

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

 

Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

16-06-08

BLOOMSDAY

bloomsday,terugblik,poezie,gedichten,voorbeelden,james joyce,leven,tijd,modernisme,ulysses

Vandaag is het Bloomsday. Als we toch feest willen vieren, waarom dan niet op de dag die uit de verbeelding van een schrijver is ontstaan?  Een retorische vraag, natuurlijk. Maar ik ben niet in een feeststemming. Er is bijna een half jaar voorbij, een half jaar waarin niets is gebeurd, om Iggy Pop te parafraseren. Ik heb wat door het raam gekeken, ben enkele zaterdagen in Antwerpen geweest, heb twee films gezien en ben naar twee of drie concerten geweest. Er was een korte reis naar Porto, waar het gezelschap van  jonge vrienden en kunstenaars me wat nieuwe energie heeft gegeven, hoewel ze snel weer wegsmelt als ik hier zonder voornemens of plannen op de avond zit te wachten. Ik moet gedichten schrijven, verhalen, een tegengewicht bieden tegen de mediocriteit van deze tijd. Ik moet mezelf heruitvinden, een nieuwe mens worden. Maar de ademruimte ontbreekt me, de zin, de echte goesting.

Soms, zoals de voorbije dagen, ontstaat er wel opeens een gedicht, en dan voel ik me verwant met Rilke en Hölderlin, hoewel ik niet weet of mijn werk even hoog staat. Ik denk het niet. Maar ik schrijf al gedichten sinds 1965, daarom denk ik dat niet alles wat ik schrijf waardeloos is. Je moet wel gek zijn om op rotzooi zitten te zwoegen in plaats van naar de kroeg te gaan of achter de vrouwen aan te zitten. Nu ja, mijn echte leven speelt zich in sommige van mijn gedichten af. Dat is toch ook al iets. Laten we het daar bij houden voor vandaag. De opsommingen zijn voor straks of morgen (want ik vind dat ik gedurende die zes maanden vreemde aankopen heb gedaan, en daar wil ik het toch wel even over hebben, in deze tijd van absoluut consumentisme). En nu denk ik aan nog iets anders: wat is het goed dat grote voorbeelden als Bob Dylan, Neil Young, Tom Waits en Patti Smith niet alleen nog in leven maar zeer actief zijn en belangrijke werken maken. Laten we daar dan maar op drinken, vanavond. En op de nagedachtenis van James Joyce en de talloze andere grote schrijvers en dichters van het modernisme. Salud!

02-06-08

MAGIC BUS


nuevo laredo, mexico

Voor mijn verjaardag zou ik graag een magical mystery tour maken in een bus als deze. Het moet niet noodzakelijk in Mexico zijn. Als er een vijver bestond waar je na een duik weer uitkomt als een vijfentwintigjarige, dan zou ik daarnaartoe willen. Maar wacht! Ben ik niet oud en wijs genoeg om zulke denkbeelden als onzin uit mijn hoofd te jagen, zoals ik een vlieg van mijn bord wegjaag? Ouder en wijzer zal ik dus zijn. Maar de busschauffeur staat nochtans te wachten...

28-05-08

SCHRIJVEN ALS MORANDI

 

schrijven,schrijvers,grieken,stijl,emoties,natuur,essentie,grieks,woorden,waarheid,mens,blues,zanger,deugd,morandi,turner

Morandi, Stilleven.

Ik heb in mijn leven maar een boek uitgegeven, Kamertjeszonden, een dichtbundel, en dan nog onder een andere naam. Naar die titel heb ik niet lang moeten zoeken, ik leende hem van Herman Heijermans. Toch koos ik hem niet alleen omdat ik die roman zo uitstekend vond – wat zeker het geval was – maar ook omdat ik het leven binnenskamers, gedichten schrijven en zo, zonde van de tijd vond. Ik zal toen ongeveer vierenveertig geweest zijn, in de zomer van mijn leven. Het rouwen om de dood van mijn vader had ik net achter de rug. Nu was het wachten op een volgende dood. Daarna zou ik nooit meer naar huis kunnen.

Van mijn hand zijn nogal wat verhalen, experimentele prozateksten en gedichten verschenen in allerhande tijdschriften. Ik som ze hier niet op, om de eenvoudige reden dat het geen belang heeft. Ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Dat wereldje van schrijvers hangt mij de keel uit. Hoe ze elkaar met prijzen en lofzang overladen, zeker als een cameraman in de buurt is, en elkaar elders afmaken. Ik wil die schrijvers nu niet afmaken, ze doen niemand kwaad, de meesten van hen toch niet. Alleen minachting koester ik voor ze.

Niet omdat ik niet goed schrijf zal van mij geen boek uitgegeven worden, maar omdat ik een vreemde ben in dat wereldje van de schone letteren. Ik heb er enkele jaren in vertoefd, maar ik bleef toch altijd de zoon van een schipper, zoals August Strindberg altijd de zoon van een dienstbode bleef. Je schudt dat niet van je af, het is als een lijfgeur, maar dan zilter. Je aanwezigheid roept stilte, haat, wrevel, geweld op. Soms, als ze dronken zijn, slaan ze je in je gezicht. Of ze schelden je uit, ze noemen je Judas, of onnozelaar. Ze beweren dat je geen schrijver bent. Ze zwijgen je liefst van al dood.

Nee, ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Ik probeer een mens te zijn. Maar ook dat lukt me niet goed. Aansluiting vinden bij de andere mensen is een zware opdracht. Waar praat je over? Over het weer? De kinderen? Mijn zoon woont ver van me vandaan en in een andere wereld. Leven we niet allemaal in andere werelden? Ik heb minachting voor schrijvers, maar waarom eigenlijk? Misschien is het wel rancune. Wat maakt het uit! Onze tijd hier op aarde is kort. Ik probeer een goede mens te zijn. Ik lees en ik luister. De bloemen, de bomen, de natuur. Wijn, vrouwen en gezang. Holle wegen, grote steden, dieren, rivieren, de zee. Altijd de zee, en de regen. Veel meer ken ik niet. De beste schrijvers zijn blueszangers, met hun eenvoudige taal en hun krachtige stemmen. De beste schrijvers zijn mensen bij wie de woorden naar binnen regenen. Ik gebruikte gisteren het woord ‘terrasje’. Dat doe je niet. Dat is verkeerd. De meeste adjectieven zijn overbodig. De essentie moet in elk woord zelf zitten. Is niet elk woord de hele taal? En woordspelingen zijn des duivels. Een tekst waar woordspelingen in staan is waarschijnlijk een aaneenschakeling van leugens. Ik loop sommige dagen gebukt onder het gewicht van mijn woordspelingen. Maar dan sta ik vermoeid weer op, een nieuwe dag is aangebroken!

De beste schrijvers zijn oude Grieken. Je hebt zo van die mensen die overal als eerste bij zijn. Alsof dat een verdienste is. De oude Grieken lezen, dat is een verdienste. Voor iemand die de oude Grieken in het oud Grieks leest, daar heb ik veel bewondering voor. Maar persoonlijk ken ik zo niemand, mezelf inbegrepen. Ik ben te oud om nu nog Grieks te leren. Enkele woorden, zoals ‘logos’ (λόγος), ‘arete’ (αρετή) en ‘alethea’ (αληθεια)) ken ik nog wel van vroeger, toen ik dacht een schrijver te zullen worden. In mijn tijd van dwaasheid, mijn tijd van nood. Een schrijver op het water, zou ik worden, op de zee van Cortez, op de zee van Homerus, op de zee van Herman Melville. Ik zou één worden met de golven, zoals de verf van Turner. Ja, mijn woorden zouden als de verf van Turner worden. Maar mijn woorden zijn zoals de verf van Morandi geworden. Ik weet niets over de wereld. Niet meer dan Morandi. Maar misschien ook niet minder.

20-05-08

ZO SCHITTERT DE WERELD

schrijven,denken,dichten,gedicht,holderlin,heidegger,lucebert,machine,droom

Hoe krijg je de machine weer op gang, even van de veronderstelling uitgaande dat het menselijk lichaam een machine is? Vorige zondag had ik het in een gesprek met vrienden over de begrippen ‘geest’, ‘psyche’, ‘ziel’, ‘verstand’, ‘gezond verstand’, en een aantal equivalenten in andere talen, zoals ‘Geist’, ‘Seele’, ‘Vernünft’, ‘esprit’, ‘common sense’, ‘soul’, ‘mind’,  ‘âme’, et cetera. We hebben er wel een warboel van gemaakt, Pinksteren is duidelijk geen overbodig feest. 

Maar die warboel is niet noodzakelijk een negatief gegeven: hij stelt ons met name in staat om met de woorden en met de taal te spelen, en om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Ik denk dan vaak aan de uitspraak: “wat blijft stichten de dichters”. De dichters leven moeilijke levens; eigenlijk leven en sterven ze voor niets anders dan voor het gedicht. Al de rest is bijzaak, ook als ze niet bezig zijn gedichten te schrijven is hun geest – wakker of slapend – met woorden bezig, met klanken, met vormen, met het oude en zeker ook met het nieuwe, datgene wat er nog niet is. Je zou kunnen zeggen dat de dichter subversief is en de taal ondermijnt, maar net zo goed is hij de behoeder en de ‘verzorger’ van de taal. De echte subversieve pervert is de reclamemaker, die de taal probeert te vernietigen door de woorden in dienst te stellen van de verkoop van nutteloze goederen, of van politiek en macht. Dat doet de dichter niet. Hij geeft de woorden aan de woorden terug, en laat zin geven aan zijn zinnen. Hij geeft zijn woorden ademruimte door ze aan te bieden aan lezers en toehoorders. De dichter is een vrije geest en hij is een dienaar.

Nee, de mens is geen machine. Hij is een luchtwezen, dat niet alleen leeft van brood en liefde, maar ook van licht, zuurstof en beelden van woorden. En, zoals Lucebert al wist, van uitstapjes langs de afgrond. De dichter wacht op zijn muze, maar verlangt naar een beeld van een vrouw en blijft zo in beweging, zoals alles altijd in beweging is. De mens kijkt niet alleen maar naar de maan en de sterren. Hij schittert soms, en niet alleen in zijn stoutste dromen. Dromen van proza en dromen van gedichten. Zo schittert de wereld.

15-02-08

SMULTRONSTÄLLET

wilde aardbeien,dood,ingmar bergman,droom,leven

De man zoekt beschutting in de schaduw van een wijzerloze klok. Hij is ouder en wijzer geworden en dor als een oase kan zijn in een gedroomde woestijn. Hij kijkt zijn schaduw in de ogen. Toch heeft hij geen gezicht. Dan ligt zijn schaduw te bloeden op het trottoir. Zwart bloed op witte stenen, als een schaakspel van leven en dood in grillige vormen aan het begrip onttrokken.

Hij loopt op een graf af, waarin hij zijn naam en de naam van zijn geliefde leest en de woorden “Waren zij geen mensen?”. Het kerkhof baadt in verblindend zonlicht waardoor de doden aan het zingen slaan. De man balt zijn vuisten, drukt ze tegen zijn oren. Overal luiden nu klokken. Hoe laat is het? Zijn horloge heeft geen wijzers. Middernacht waarschijnlijk, met dit licht, hoe kan het anders. Marcel gaf me zijn pen, denkt hij. De oude Marcel. Stille paarden trekken een zwarte kar voort waarop weer een nieuwe lijkkist de man het voorhoofd doen fronsen. Wat is al dit gesterf? In de kist ligt zijn eigen kwetsbaar lichaam dat hem wenkt. Donkere man, lichte man. Nee, nee, nu niet, nu ik nog kan. De middernachtzon brandt hem in de ogen. Waar is mijn geliefde? Dat aantrekkelijk wezentje. Het mooiste wat ik in mijn handen houden kan hier in dit ondermaanse.

Op de trein naar A. vraagt hij aan een jonge vrouw die tegenover hem zit en die hem aan zijn overleden echtgenote doet denken: Zal ik je mijn droom vertellen?
Ik ben niet geïnteresseerd in dromen, antwoordt zij. Dromen zijn bedrog, zoals het leven een grote grap is. Laat me niet lachen.

De man kijkt door het raam. Hij ziet zijn rimpelig hoofd, zijn grijze haren. Op het veld staat het koren gereed. Het is volop zomer, er is niets veranderd. Nog steeds dezelfde zomer als toen ik me in dat koren verstopte. Dit is mijn hoofd niet. Kan niet zijn. Dit is het hoofd van een ander.

Woedend legde de schrijver zijn pen neer, ging de deur uit. Een wandeling over de zonnige boulevard zou hem goed doen, weg van amfetamine en afgezaagde symbolen. De woestijn van de werkelijkheid tegemoet. Goodbye to all that, glimlacht hij.

13-02-08

OMGEKEERDE WERELD


world

Dit is de wereld waarin wij leven. Een omgekeerde wereld, waar reclame en publiciteit de waarheid vertellen en de woorden die ons het meest eigen zijn alleen maar leugens vertellen. Er is geen diepere grond. De oppervlakte is wat er is, zover onze blik reikt. Oppervlakte tot aan de horizon en een diep verdriet, het spoor dat naar vergetelheid leidt. Wij blijven achter, in ademnood en zonder verhaal.

Foto: Martin Pulaski, Anderlecht Westland.

27-12-07

SLAM EN DE OBSCENE GRENZEN VAN PÖEZIE

Het is vreemd en opvallend dat er altijd weer enkelingen opduiken die graag op een podium gaan staan, een beetje hoger dan de andere mensen. Dat ze, zo lijkt het, door, gedurende de tijd dat zij, de enkelingen, zich boven hen verheffen wat lagere anderen, wensen beoordeeld te worden, en wellicht zelfs gestenigd of veel liever nog gekoesterd en begeerd.

En dat degenen die ervoor kiezen om tijdelijk een lagere plaats in te nemen, op de grond of op een ongemakkelijke stoel, en met te veel kleren aan, waardoor er gezweet wordt, graag om degenen die zich verheffen lachen, ze veroordelen, erom huilen, als het moet ze stenigen als waren ze martelaren, terwijl ze in dit bepaalde geval toch alleen maar de blues zingen – en sommigen hun gedachten laten afdwalen, laten afdalen naar de vreemden in henzelf aanwezig, en dat die laatsten, die weinigen, dan schrikken van dat vacuüm in hen.

 

Maar de dichters verlaten op tijd de zaal waar hoger en lager wordt gespeeld en keren huiswaarts, harden zich en wachten geduldig af. Af en toe peilen ze de diepte van hun afgrond, en soms lukt het hen een spoor te vinden van de weg die ze gingen toen ze de hoge, zacht glooiende heuvels van hun kinderjaren beklommen. Geduld moet je oefenen, zei de meester, daar komt het op neer, tot je het wijsje hoort, je diepste gezang. Van dat ogenblik af, en misschien al veel eerder, laat je je niet meer van de wijs brengen door harde stemmen en ingewikkelde manifesten op grijs papier gedrukt.


Het is vreemd dat er zulke mensen bestaan, die de ‘obscene grenzen’ die Lawrence Ferlinghetti ontwaarde nog langer willen bestrijden. En dat er anderen zijn die beamen wat Marcel Proust zei: degene die lijdt onder de liefde – als hij lijdt – is degene die ze ontvangt, niet degene die liefde schenkt. Maar hij moet het wel weten, anders is hij een dwaas. Alleen dwazen lijken gelukkig te zijn.

02-12-07

WEEKEND

Toevallige ontmoetingen vinden nog plaats. Ongetwijfeld. Eveneens ontstaan nog beelden zonder naam. Zoals in de winter als de machines verstommen en de vorst talloze velden en polders tegen bouwondernemers beschermt.


Wij doen ons werk niet meer. Overdag staren wij voor ons uit of lezen iets in een boek van deze of gene schrijver. Niet lang, want onze gedachten dwalen af. Memphis, Tennessee is al voldoende voor een paar uren dromerij.


Dan is het opeens avond, tijd om ons te verbergen in een hoek van de kamer. In een aanpalend huis klinkt de stem van Charlotte Gainsbourg. Of we verkleden ons, gaan de deur uit, lopen elkaar tegen het lijf, kijken elkaar nauwelijks in de ogen. Een geheim woekert in ons, wij kennen het niet, of weten niet hoe het te vertalen.

22-10-07

WALK UNAFRAID

 

Ik stap uit de sfeer van het alledaagse, nu meer dan ooit, en begeef me in de richting van de werkelijkheid – die ik probeer terug te vinden in het zogenaamde bedrog van mijn fantasmata.


Soms zet een eigenaardige druk, die met koortsachtige gevoelens gepaard gaat, mijn hand tot schrijven aan. Ik zie mijn hand bewegen, ze vormt letters, woorden, zinnen op een blad papier. Tekens en betekenissen. Soms denk ik dan achteraf, zo moet het schrijven worden opgevat, zo moet het worden toegepast. Soms vraag ik me af: waar komt die druk tot stand? In mijn hersencellen? In mijn verbeelding? In mijn ‘geest’?


Ik beluister een stem in mij die me toefluistert: “het zijn allemaal leugens, doe niet zo moeilijk, zwijg en leer, luister, je hebt niets te vertellen, het heeft geen belang, het is allesbehalve interessant…”


Een tegenstem, echo van mijn oorsprong, roert zich dan: “ik ben het leven in jou, laat van me horen, van de rivier die door je heen stroomt, het vuur dat in je lichaam brandt, woordenstorm die woedt en gaat liggen of verwoest, de adem van je ‘ziel’, het ritme van je muziek, laat je de mond niet snoeren, ‘walk unafraid’”.

25-09-07

VAN MONUMENTEN EN MENSEN

justitiepaleis,brussel,henri poelaert,sterfelijkheid

Het 'Paleis van Justitie': hoofdletters graag. Absurd, lelijk en toch onweerstaanbaar, door een onnoembare schoonheid aangetast, verheft het zich boven deze stad – een wanstaltig gedrocht, dat blijft fascineren, als een teken zonder betekenis.


Walg ik dan niet van deze ‘pseudo-eeuwigheid’ opgetrokken uit voornamelijk steen? Deze megalomanie, de hunker naar het overstijgen van ruimte en tijd, de illusie dat de dood kan worden overwonnen. In een soort van ‘godsroes’ stierf de bouwmeester, Henri Poelaert. Dat zou geen verbazing mogen wekken.

En willen velen van ons zich niet verheffen boven de anderen, beter zijn, sterker, verstandiger, rijker, meer gestaald? Zijn velen van onze lelijke soort toch niet aangetast door een onnoembare schoonheid, wat de fascinatie en het verlangen verklaart, het behagen en de behaagzucht, de moed om te kussen en de gedweeheid om zich te laten kussen? Leven velen van ons niet in de illusie dat ze onsterfelijk zijn en denken ze - alsof ze kleine goden zijn – dat ze het uur van de grote ontgoocheling, het moment van de val,  kunnen blijven uitstellen?

14-09-07

ORAAL PESSIMISME

 

pessimisme,robert musil,karl corino,oraal sadisme


Ben ik een ‘orale pessimist’? Het lijkt er wel op, want lees maar: “De orale pessimist zou een ‘zorgelijke instelling’ ten aanzien van het leven bezitten, hij maakt het zichzelf moeilijk, zelfs van de simpelste dingen in het leven maakt hij nog een probleem, hij krijgt het aan de stok met zijn weldoeners en is in laatste instantie de geniale organisator van zijn eigen mislukkingen.” Ik las dit in de Musil-biografie van Karl Corino.

‘De man zonder eigenschappen’ kan inderdaad in zekere zin een mislukking worden genoemd omdat de immense roman niet werd beëindigd. Maar wie zou niet op zo’n manier willen mislukken? Helaas zal mij een gelijkaardige mislukking nooit lukken, ook al ben ik dan nog net als Musil misschien een ‘orale pessimist’.

Overigens gaat die vorm van pessimisme nogal eens gepaard met een bepaald sadisme dat zich uit in “bijten, bitsheid, nijd, afgunst en jaloezie.” Bijten doe ik alleen maar als ik eet en bitsheid is mij onbekend. De andere genoemde karaktertrekken komen mij wel bekend voor.


Nu ik ziek ben voel ik mij minder een ‘orale pessimist’ dan een onnozel kind. Ziek zijn is altijd een regressie naar de kindertijd. Inderdaad een regressie, ook al noemen sommigen de kinderjaren paradijselijk. Het mooiste liedje dat ik ken, She Said She Said van the Beatles, gaat daarover – en het werk van Marcel Proust ook voor een deel. Ik ben echter nooit graag kind geweest. Zodra ik tot ‘de jaren van verstand’ was gekomen wilde ik zo snel mogelijk het ouderlijke nest verlaten. Er was daar niets wat me gelukkig kon maken. (Over het paradijs heb ik vroeger al geschreven dat ik daar ongeveer hetzelfde over denk als Georg Groddeck: het bevindt zich in de baarmoeder, of in de verbeelding.)

07-09-07

CULTUREEL ERFGOED


Je kunt over alles schrijven maar niet alles door iedereen geschreven is boeiend. Veel moet worden behouden, schreef Hölderlin, wat een last is op de schouders. Cultureel erfgoed, vaak alleen maar goed om wat bij te lopen, staan of zitten geeuwen. Veel verdient terecht de vergetelheid of het hellevuur. We moeten onze ogen en andere zintuigen zoveel mogelijk sparen om ze op - magische - momenten de kost te kunnen geven. Het leven is kort en de tijd dringt. Miljoenen schreven over de zee, maar wie deed het zo boeiend als Herman Melville? Wie durft zich dan nog aan de zee te wagen?

28-06-07

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD II

dood,leven,literatuur,popcultuur,ontspanning,seks,lust,film,muziek,pop,westerns,opsomming,lijst

  1. Ik heb vandaag ‘Easy Tiger’ van Ryan Adams en ‘Dear Companion’ van Meg Baird, de zangeres van Espers, gekocht. Geen van beide plaatjes verrast me nog. Ik zal niet zeggen: verveling, gegeeuw, maar wel een grote onverschilligheid. Wat was the Cake levensbevestigend in vergelijking met dit zoeken-en-niet-vinden-van-melodieën.
  2. Ik heb mijn knie tegen de trapleuning gestoten.
  3. De zon schijnt, maar hoelang nog?
  4. Ik heb vandaag afscheid genomen van een goede collega, die vandaag verjaart en op pensioen gaat.
  5. Toen ik vandaag thuis kwam lag een boekje van Paul Nougé binnen handbereik. Ik sloeg het open en las dit: “Seule une longue patience nous garde de mourir.” (uit: Quelques Bribes).
  6. Ga terug naar af, u mag de kassa niet passeren, betaal en ga terug naar de gevangenis.
  7. Louis-Ferdinand Céline.
  8. Michel Houellebeck.
  9. Auto’s, motoren, fabrieken, tabakrokende soortgenoten, madame Pijp, Petoetje en Petatje.
  10. Het idee van Irak en Afghanistan in het hoofd van Bush (en zijn trawanten).
  11. Het Belgische zakenleven in China.
  12. Het zakenleven in China.
  13. Avonturiers die orkanen trotseren, of Polen bedwingen.
  14. In de modder liggen luisteren naar het in het hoofd wereldverbeterend gezeur van Peter Gabriel – de naam alleen al – en het navelgezanik van Tori Amos.
  15. Elke zin van Gustave Flaubert.
  16. De films van Abel Ferrara.
  17. De prijzen van hotels in Venetië.
  18. De buurt rondom de Beurs van Brussel na middernacht (en vroeger).
  19. Mannen met haar op hun bovenlijf die bovendien graag boksijzers en andere geniepige wapens hanteren.
  20. Mannen en vrouwen die graag wapens hanteren.
  21. Huurlingen.
  22. Wapenfabrikanten.
  23. Cafébazen die niet om hun klanten geven.
  24. De foto’s van Nan Goldin.
  25. Billy the Kid en de overige helden in het Wilde Westen.
  26. Het Wilde Westen.
  27. Scholen en kazernes.
  28. Het stille leven.
  29. Het dagelijks bestaan in kleine dorpen ver weg van alles en iedereen.
  30. Om de zoveel minuten wordt een vrouw verkracht.
  31. Syd Barrett: “When I live I die.”
  32. Ik heb eergisteren naar de film ‘Thief ‘ van Michael Mann gekeken en ik vond het een heerlijke ervaring.

11-05-07

NA EEN ONWEER

 

Er waren dagen waarop ik veel in de bijbel las, niet omdat ik in een monotheïstische en wrede god geloofde, maar omdat ik de teksten zo welsprekend vond. Bijvoorbeeld de beschrijving van Jeruzalems muren in Openbaringen 21, 18-20. Die lectuur van lang vervlogen dagen – want ik neem de bijbel nog zelden ter hand – drukt een stempel op alles wat ik schrijf, en vooral op de manier waarop ik schrijf. De opsomming is een van de stijlmiddelen die ik veel gebruik, vaak tegen mijn zin, ik kan gewoonweg niet anders.

 

Het regent. Water van de hemel, was mijn somberheid weg. En als je opklaart, hemel, laat het dan opklaren hier binnen in mijn kleine ruimte. Soms lijkt het of alle dingen zingen. Luister je aandachtig dan hoor je niets dan schorre, verstikte stemmen en doffe ogen denk je er ogenblikkelijk bij.

Platanen versteend in de taal. Evenmin als er nimfen zijn bestaat voor ons de natuur. Waarom soms nog tranen vloeien? Tranen van ons, wij die op het asfalt zullen moeten sterven?

Toch kan ook lofzang nog goed zijn, van mensen en machines. Wat is er slecht aan motoren, boortorens, analogieën, boomkwekerijen?

Bloedloos, boven het leven aan de dokken en in de mijnen verheven, is vaak het mentale. Graag stellen mensen hun kwetsende grenzen en overschrijden gaat dan niet meer. En sommigen vergeten dat ook het redelijke ten dienste kan worden gesteld van het banale profijt. Rijk is de aarde maar de meeste mensen zijn arm gebleven doordat zij hun tijd moesten afstaan en zodoende van niets konden genieten.

 

Gewoon doorspoelen! Een stinkende draaikolk. “Splendid! We’re stranded!” mompelde ik tegen de donkere spiegel. Het was een aardedonkere nacht. Dwaas klonk dat en het stemde helemaal niet overeen met mijn stemming. Het was onzin. Ik had die woorden in een lied of in een Britse oorlogsfilm gehoord. Het was inderdaad onzin, want aards water klaarde dit zaakje.

Buiten is het middernacht maar in mijn hoofd schijnt nu de middagzon. De bliksem heeft mij goed gedaan.

22-04-07

STEMMEN, STEMMINGEN


isabelle huppert































In boeken, films, toneelstukken, ga ik zelden of nooit op zoek naar structuren. Ik laat me liever meeslepen door het narratieve, en betoveren door woorden, zinnen, beelden; af en toe zie ik een symbool en blijf dan even stilstaan bij de betekenis. Maar meestal glijd ik over de oppervlakte verder. Ik houd van originele uitdrukkingen en ‘echte’ dialogen. Ik houd van films waar niets in gebeurt; een mooi voorbeeld is In The Mood For Love van Wong Kar Wai. Natuurlijk gebeuren er wel allerlei dingen in die film, maar ik bedoel: er wordt niet geschoten, gevochten, gemoord, men loopt niet met grote machinegeweren rond, er verschijnen geen groene monsters, niets van dat alles. En ik kan dat allemaal missen. De films van Rohmer zijn ook een mooi voorbeeld. Daar wordt vooral in gepraat, en, vaak via de woorden, verleid. La collectioneuse, Le genou de Claire. Of de vele uren durende films van Jacques Rivette, zoals La belle noiseuse, over een schilder en zijn model. De schilder blijft aan de oppervlakte van zijn model, haar huid, haar ogen. Ja, haar ogen, de ogen van Emmanuelle Béart, een van de mooiste vrouwen van de wereld. 

Ja, ik blijf ook graag aan de oppervlakte. Ik ben geen intellectueel, wel een moreel mens. Ik denk en handel intuïtief. Ik hoef niet diep te graven om te weten wanneer iets verkeerd is, wanneer een mens slecht is. Is het een zesde zintuig? Alleszins weet ik meestal van een moreel slechte mens dat hij een moreel slechte mens is. Aan een kunstwerk zie ik ook vaak of het echt is of fake, zonder er eerst over te lezen. Het is wel prettig om er achteraf wat over te lezen. Om te vernemen wat ik nu eigenlijk heb gezien. Wat betekenden die rozen op de achtergrond, of die dode vogel op de voorgrond? Maar ik moet die betekenissen niet noodzakelijk allemaal kennen om van een werk te kunnen genieten. Ik ben geen intellectueel, ook al staat mijn kamer vol boeken en liggen ze nu al in stapels op de vloer en op de tafeltjes. Ik lees die boeken ook wel, maar louter voor het plezier van de tekst, voor het genot. Wijzer word ik er niet van, geloof ik. Ik blijf altijd dezelfde naïeve dromer. I don’t want to lose that teenage feeling. Het enthousiasme moet blijven, als dat er niet meer is, hoeft het voor mij niet meer. Ach, ik zal wel een hedonist zijn. Zou ik dat erg moeten vinden?

Ik houd ook zo van stemmen. Stemmen van actrices en acteurs in films. Delphine Seyrig in Le jardin qui bascule, die van Sami Frey in dezelfde film, de stemmen van Caroll Baker en Jean Simmons in The Big Country, de stem van Jean-Pierre Léaud in de Antoine Doinel-films van Truffaut. De stem van Arletty in Les Enfants du Paradis. De stem van Isabelle Huppert in La pianiste (en in alle andere films waar ze in meespeelt). De stem van Bruno Ganz in Der Amerikanische Freund. De stem van Willem Dafoe in Light Sleeper. De kinderstem van Brandon DeWilde in Shane. (Brandon DeWilde was later een goede vriend van Gram Parsons, en stierf net zoals zijn vriend op jonge leeftijd, zij het in zijn geval niet van de drugs maar in een auto-ongeval). Marlon Brando’s stem in Last Tango In Paris, in On The Waterfront. Sissy Spaceks verhalende stem in Badlands, die van Linda Manz in Days Of Heaven. Wat zou er met Linda Manz gebeurd zijn? Nooit meer iets van gehoord. Sam Shepard – in Days Of Heaven een man van weinig woorden - leeft alleszins nog. Hij speelt zelfs mee op de nieuwe cd van Patti Smith, nog zon’ bijzondere stem. Ja, natuurlijk ook de stemmen van zangers en zangeressen. De stem van Bob Dylan in Just Like Tom Thumb’s Blues. Die van Kris Kristofferson in Me And Bobbie McGee. De stemmen van The Be Good Tanyas. De stem van Chan Marshall. De stem van Eleni Mandell, de mooie stem van Françoise Hardy. De stem van Aretha Franklin in Try Matty’s, die van Billie Holiday in I Cover The Waterfront. De fictieve stemmen van Tess, Madame Bovary en Anna Karenina. De goddelijke stem van Teresa Salgueiro. Goddelijk bij wijze van spreken. Duizenden stemmen, miljoenen stemmen. Een oneindig aards en hemels koor dat over de aardse en hemelse liefde zingt en over een eeuwigdurend Pasen, een eeuwigdurende Summer of Love.

Foto: Isabelle Huppert.

28-03-07

BESTAAN OF NIET BESTAAN


Ik woon sinds 1991 in Brussel, in de deelgemeente Anderlecht. Ik spreek meestal van Brussel omdat ik tegen de artificiële indeling in baronieën ben. Negentien burgemeesters en honderden schepenen zijn nergens voor nodig. Aan de negentien verschillende reglementeringen op allerlei vlak heb ik al helemaal een broertje dood. Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen: ondanks het feit dat ik hier al zo lang woon ben ik nog altijd een vreemde – of zal ik schrijven ‘een vreemdeling’, daarbij verwijzend naar het lang geleden ophef makende boek van Albert Camus.

Ik verbleef onlangs anderhalve week in Lissabon en daar werd ik in sommige restaurants en cafés na één of twee bezoeken al begroet alsof ik een goede klant was. In een muziekwinkel in Coimbra knoopte de zaakvoerder met mij een gesprek aan over de stand van zaken in de muziekbusiness. Hij beweerde dat de meeste Portugezen slecht opgevoed zijn en weinig van muziek kennen. Als ik hem zijn zin had laten doen was hij nu nog altijd met me aan het praten. Ik weet niet of de Portugezen slecht opgevoed zijn. De treinen in Portugal rijden in ieder geval op tijd en worden zelfs schoongemaakt. De meeste gevels zijn netjes geverfd. De mensen zijn vriendelijk en vaak ook hoffelijk. In stations word je duidelijke informatie gegeven. De echte onbeschofteriken werken volgens mij allemaal in toeristische informatiecentra. Daar ben ik niet bepaald over te spreken. De Portugezen zullen een hekel hebben aan toeristen omdat velen er op aangewezen zijn voor hun levensonderhoud. Is dit een vreemde gevolgtrekking? Ja, ik weet het, ik zit niet logisch in elkaar. Ik spring ook graag van de hak op de tak. Maar toch kom ik altijd weer met mijn voeten op de grond.

In Brussel word ik nooit begroet in winkels, cafés of restaurants, zelfs niet als ik er al fortuinen heb uitgegeven zoals in de Fnac. Ik durf er niet over nadenken hoeveel franken en euro’s ik daar al naartoe heb gebracht, in ruil voor kortstondige eeuwigheid. Met dat bedrag had ik een huis kunnen laten bouwen en een bosje aanleggen. Misschien geen villa maar toch ook geen fermette.

In onze straat wordt evenmin gepraat of geglimlacht. Niemand neemt zijn hoed af of geeft een tikje tegen de rand ervan. Als men je passeert kijkt men een andere richting uit, of richt de blik naar de grond. Op die grond liggen nochtans vaak hondendrollen. Zou het daardoor zijn dat wij op straat niet worden begroet? Uit schrik om in zo’n drol te trappen? John Donne schreef dat niemand een eiland is. Ik zou willen dat het waar was en dat de wereld, zoals ook vaak wordt beweerd, een dorp is. Ik zou graag veel mensen groeten en zelf ook begroet worden zoals dat in de dorpen gebeurt (of gebeurde, want ik ben al lang niet meer in Belgische dorpen geweest). Ik zou willen gezien worden, zodat ik opnieuw, zoals in mijn kinderjaren, het gevoel krijg dat ik besta. Nu ziet noch hoort iemand mij en dat is juist de pest. Kan dit spoedig veranderen?

13-02-07

MEESTERWERKEN


Al die harde schijven vol meesterwerken, die stof liggen te vergaren in toekomstige antiekwinkels.

24-01-07

LARVATUS PRODEO

descartes,schrijven,nutteloosheid,raymond carver,treinreis,sin city

In de trein lees ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Zich herinneren doet teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer zeer genuanceerd en helder wat ik zelf soms voel.


Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de zoveelste verdieping van een oud neo-klassiek gebouw in Sin City. Niemand in mijn omgeving mag het zien, mag het weten: dat ik teksten voor niets of niemand schrijf. Het is volkomen nutteloze energieverspilling. Iets onnoemelijks, lijkt het wel, een ‘tijdverdrijf’ waar zware straf op staat. Gemaskerd ga ik door het leven. Larvatus pro deo, noemde Descartes deze levenswijze. Het is tevens de naam van een Australische centrum-linkse groepsblog.