22-06-09

RITUELEN


Queen_Christina

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

04-05-09

OP ZOEK NAAR EEN ORIGINELE MANIER OM DE GEEST TE GEVEN?


bacon


Het heeft me altijd gefascineerd dat Francis Bacon overleden is aan een kou die hij had opgelopen toen hij wilde onderzoeken of sneeuw het bederf van een dode kip kon vertragen. Is er iemand op een meer originele manier de hoek omgegaan? Ik denk het niet, zeker geen filosoof, zelfs Empedocles niet, die nochtans blootsvoets in de grommende krater van de Etna sprong. Dat laatste is bewezen, een of andere verdwaalde toerist heeft zijn sandalen teruggevonden.

Gaan wij nu allemaal dood ten gevolge van een banale varkensgriep? Dat zou toch een grote grap zijn, maar wel een om bij te huilen. Ik ben aan het onderzoeken of ik niet op een even originele manier als Francis Bacon kan sterven. Wurgseks, zoals in ‘L’empire des sens’ lijkt me wel iets, maar zonder dat daarna mijn penis wordt afgesneden en al mijn boeken onder het bloed zitten. Vroeger, kort na het verschijnen van die film, dacht ik dat wurgseks iets typisch Japans was, zoals harakiri en saké – maar dat schijnt niet het geval te zijn. Sommigen, zoals Richard Manuel, sterven van ‘zelfwurgseks’, of hoe moet ik het noemen? Een droevige zaak. Richard Manuel, een van de mooiste stemmen ooit. Was zijn stem kapot? Wat dan nog? Tom Waits, Marianne Faithfull en Bob Dylan doen lekker door, stem of geen stem. En ze maken bovendien nog uitstekende platen, zoals dat nieuwe, zeer aanstekelijke meesterwerkje, ‘Together Trough Life’.

Nee, laat ons maar zo lang mogelijk leven, plezier maken, liederen zingen, iets van Gram Parsons of Townes Van Zandt bijvoorbeeld, gedichten schrijven, in cafés gesprekken voeren met Italiaanse immigranten uit Limburg, saké drinken, en dranken die we nu nog niet kennen – en veel water natuurlijk. Laten we er samen alles voor doen om die verduivelde varkensgriep  uit te roeien en zoveel mogelijk andere problemen op te lossen, zoals die idiote godsdienstoorlogen, terwijl alle godsdiensten één zijn, verankerd in de natuur en de zon.

In Brussel zijn alweer twee jonge mensen vermoord. Dat kan toch niet. Hun moordenaars hadden beter meegewerkt aan de moeilijke strijd tegen ziekte, armoede, dakloosheid, etcetera. Waarom doen ze dat? Waarom rekenen ze met elkaar af, of slaan ze hun slachtoffers zonder enige reden in elkaar (zoals ze met mij al te vaak hebben gedaan – vandaar dat ik me alweer met die dode jongens associeer).

De dood ligt altijd op de loer. Daarom moeten wij het leven blijven uitvinden, het mooier en sterker maken. Er liefde en mededogen aan toevoegen – en verbeelding. Ben ik nu een moralist? Nee. Eigenlijk ben ik verontwaardigd, en transformeer ik mijn verontwaardiging in een dagdroom, in een utopie. Maar als ik toch ooit moet heengaan, wil je dan Bill Callahans lied voor me zingen: ‘Dress Sexy At My Funeral’? En de daad bij het woord voegen? Dank je.

empire

 

29-04-09

IK WIL JE BLOED PROEVEN


blood-simple

Ik heb slecht, donker bloed. Er zitten donkere wolken in, geruis, fijn stof dat boven de snelwegen zweeft en kleine kinderen ziek maakt en volwassenen besluiteloos in de zomer door Zuiderse straten laat slenteren. Mijn bloed is niet geschikt voor transfusie, hoe mooi ik dat woord ook zou mogen vinden, wat niet het geval is. Ik houd zelfs niet van het woord ‘bloed’. Het maakt me wee, doet me aan een scène in mijn kinderjaren denken, toen ik flauwviel nadat ik tijdens aardappelen schillen in een vinger had gesneden. Veel meer dan een schram was het niet, maar het bloedde. En even was ik weg van de wereld, was ik in de wereld van het bloed, het donkerrode, datgene waar we in ‘stilte’ naar schijnen te snakken. In de kantoren van de wereld, in het theater, in de cinema’s, in de donkere steegjes, in klaarverlichte straten, op stranden in de verblindende zon. Vuil bloed, zuiver bloed, en alles er tussenin.

Ik wil jouw bloed proeven. Ik ben een vampier. Laat me je bijten in je nek. Hoe mooier je bent, hoe lekkerder je bloed. Tot je begint te bloeden en koorts krijgt als een personage in een opera. Sentimenten. Mijn leermeester is de secretaresse, het fotomodel, en Rimbaud natuurlijk. Ik vang veel op van conversaties in coole films en in supermarkten, als iemand mij zegt hoe ik de kabeljauw moet bereiden. Met wat bloem, zegt iemand. Dat lijkt me geen goed idee. Ik houd niet van bloem. Ik vind dat vis als vis moet smaken, met wat kruiden erbij. Maar in de supermarkt is iedereen het er opeens over eens dat je de vis in bloem moet wentelen. Ik kan niet koken, zeg ik dan maar. Mijn vrouw kookt, en zij zal wel zien. Ik weet natuurlijk dat zij geen bloem gebruikt. Zij is zelf een rode bloem. Geen roos, ik weet niet welke, ik ken de naam niet. En broden kopen we bij de bakker en zelfs in de supermarkt. Bij ons in huis worden geen broden gebakken. Wij hebben geen bloem. Moderne mensen eten die dingen niet. Of soms net wel, om dwars te liggen, zoals destijds hun 'hippie' ouders. Vooral moet het Japans zijn, rauwe vis, sake, goed gekruid voedsel en de betere wijn uit 'wereldlanden', waar gevaarlijke virussen ontstaan. Alsof we niet allemaal werelden en wereldlanden zijn en virussen ons de dood voorspellen, kwaad bloed of goed bloed.

Ik eet graag aardbeien, frambozen, maar krijg er uitslag van. Eet ik ze daarom niet? Toch wel. Liever wat uitslag dan geen aardbeien of frambozen te smaken. Met hun kleur van bloed en weelde, hun belofte van lust en seksuele avonturen. ‘Een pruim’, zeiden de mensen toen ik klein was, maar een aardbei, een framboos, door het rode, het sappige, vind ik veel sensueler. Het lichte en het donkere bloed, het sap als van een ‘ongestelde’ vrouw – het donkere object van het verlangen. Want wie wil niet de vampier zijn die in haar hals wil bijten en aan haar bloederige tranen likken? De bloederige vloeistoffen van een vrouw.

Ik weet het niet. Misschien heb ik daardoor geen goed bloed en is het te donker. Het maakt me niet uit. Het leven is kort en ik wil proeven wat ik ken en niet ken. In kantoren, in donkere gangen, in theaters, in de cinema, in donkere steegjes en eigenlijk overal waar ik kom wil ik je smaken. Ik wil je smaken, je bloed, je tranen van geluk of verdriet, het verdampen van de echo op de ramen - als je weer eens onzin uitkraamt. Of net wel heel veel leugens vertelt, die geen mens gelooft, maar wel grappig zijn. Die vormen ook patronen op de ramen, of niet soms?

medea delacroix

 Afbeelingen: Blood Simple, Coën Brothers; Medea, Delacroix.

15-03-09

NOW LITTLE BOY LOST HE TAKES HIMSELF SO SERIOUSLY


Voor Isabelle, Bart, Jan, Paul en al de anderen.

dreamwilliamblake


“The night was dark, no father was there,
The child was wet with dew;
The mire was deep, and the child did weep,
And away the vapour flew”

William Blake

Ik leef in een droom, of ik droom dat ik leef. Denk niet dat een droom mooi is. Je weet het allemaal al, als je hier in deze streken woont. Soms wordt hij een nachtmerrie, vermoed ik, en word ik een griezel, vermoed ik, want ik zie mezelf niet meer in spiegels als ik daar ben. Ik ga de straat op, de nacht in, waar alleen beregende kasseien mijn silhouet weerspiegelen. Mijn ene silhouet, het andere blijft in de schaduw. Buitenshuis zijn de spiegels altijd in mist gehuld. Of met een dikke laag vet bedekt. Met vilt, met wolvenhuid. Je kent het allemaal al, het is de natuur in ons die spreekt, en wij in de natuur.

Alvorens ik een weerwolf word ontmoet ik oude vrienden, die me gelukkig maken met hun levensloopverhalen en hun verjaardagen. Ik ontmoet nieuwe zielsverwanten, van wie ik de voornamen tot mijn spijt meteen weer vergeet. We praten urenlang en ’s anderendaags weet ik niet meer met wie over wat. De antidepressiva, het donkere bier. Deze onbekende vrienden zijn opeens veel belangrijker dan mijn zwakke gezondheid. Ik vergeet waar het station is, waar ik woon, wie ik werkelijk ben. Zijn dit avonturen? Nee, je verdwaalt in een nachtmerrie, waarin de politie je van de straat oppikt: ja, je bent weer eens in de goot gevallen, de kneuzingen bewijzen het. De zakelijke en beleefde agenten geven je een lift naar het station, dat nog uren gesloten is. Je staat voor de gesloten deuren zonder aan iets te denken, zonder te twijfelen. Je neuriet een lied dat Bart Koubaa een paar uur eerder heeft gezongen. De titel ben je vergeten, maar hij zit ergens in je zenuwen, in je hersens. Je beste vrienden zijn boos op je, of waren het, omdat je niet verantwoordelijk bent voor jezelf. Je geeft je over aan hun goedheid, hun troost – maar zij willen die rol niet langer spelen. Je bent veel ouder, je zou bijna hun vader kunnen zijn, of een veel oudere broer. Zij moeten niet voor je zorgen. Ze hebben gelijk. Daarom zijn het je vrienden: om je te zeggen waar je aan toe bent. Dat een dom en vaag avontuur geen avontuur is. Dat je, zoals Brian Wilson, voor je geestelijke gezondheid moet zorgen. Maar het station is gesloten. In een café in de buurt zitten vreemde mannen die een vreemde taal spreken te kaarten. Je kent het spel niet. Voor de rest is er niemand anders aanwezig dan een verbitterde vrouw achter de bar. De vrouw is niet loslippig, maar je mag wel even in een hoek in een stoel zitten slapen, zegt ze. Dat weiger je. Ook al wankel je, je bent te trots om te gaan zitten liggen. Je staat wankelend kaarsrecht en wil praten over het leven. Maar de vrouw is hard en zacht tegelijk: je mag wel slapen maar over haar leven vertelt ze niets. Het leven is hard, waar je ook komt, zegt ze.

Op de trein neemt een meisje uit Taiwan naast je plaats. Ze straalt. Ze heeft stralende ogen. Haar leven is vol geopende zaken, terwijl die van jou bijna allemaal toe zijn. Je praat en iemand luistert. Zij praat en jij luistert. Het is nog ver naar Brussel. Maar Brussel is veel te nabij. De droom mag soms langer duren. Als je maar niet ouder wordt ondertussen, of dement, of doodgaat.

Alles wat niet meer kan gezegd worden, wordt poëzie. Poëzie is de enige waarheid, niet het onzegbare, maar het ongezegde, het ongezegende, het omgekeerde van het loslippige. De adem na storm en afgedwongen stilte. Poëzie is roken en diep inhaleren, zonder de schadelijke neveneffecten. Het is amour fou zonder zelfbedrog, niet seksueel overdraagbaar ziek, maar desondanks uitzonderlijk gevaarlijk. Poëzie is alles wat ik de voorbije dagen niet heb gehoord en niet heb gezegd. Poëzie is bijna-stilte, maar dan heel luid en met heel veel ingehouden verlangen en geweld.

Beeld: Dream, William Blake

05-02-09

DO YOU REALIZE THAT EVERYONE YOU KNOW SOMEDAY WILL DIE?


in the light

Heb je dat ook, dat je met het gevoel zit dat je niets meer weet? Dat je geen inzicht meer hebt, niets meer begrijpt. De wereld, alles wat bestaat, is opeens een gewriemel van ondoordringbare ‘dingen’, een immens moeras van particulariteiten, een chaos. Er is geen helderheid, je kunt niets onderbrengen in categorieën. Niets is verwant met iets anders. Wat is een mens? Wat is een gevoel? Wat is een emotie? Muziek is een grillige opeenvolging van zinloze klanken. Troebel water, een donkere zon, de weg naar de toekomst is de weg naar het verleden, de weg omhoog is de weg omlaag. Alles ontstaat en vergaat tegelijkertijd.

Is dit misschien een ervaring van de waanzin, een korte psychotische aanval? Is het een gevolg van te lang alleen zijn? Ik zit hier maar, soms lig ik even in de canapé. Ik zet een plaatje op: vervelend. Er is weer iemand dood. Je zou een in memoriam moeten schrijven. Maar waarom? Je praat met niemand. De muziek is afgelopen. Het is stil, af en toe het doffe lawaai van een voorbijrijdende auto. Je zou naar honderd voorstellingen kunnen gaan. Films, concerten, toneelstukken, vernissages. Brussel, Antwerpen, Gent, veel andere plaatsen. Maar je blijft op je stoel zitten. Of je doet een dutje in de canapé. Dan ontwaak je en weet je niet meer of het dag is of nacht. Je bent je zeer scherp bewust van de tijd. Het einde nadert. Vorige week kreeg je nog de tranen in de ogen toen je Wayne Coyne hoorde: “Do you realize that everyone you know someday will die?” De mooiste song van The Flaming Lips. En nu je je die tranen herinnert, herleeft er iets in je. Alsof verdriet je innerlijk verwarmt. Maar al die doden, hoe leef je daar mee? Je vrienden die uit het leven stapten, anderen die stierven van ongeluk, van waanzin. De muzikanten die je zag optreden en er nu niet meer zijn. Zoals Townes Van Zandt, met wie je graag bevriend was geweest. Je had meermaals met hem kunnen praten, of naar de kroegen gaan, maar je was te schuchter. Misschien nog een geluk dat je niet samen met Townes hebt zitten drinken. Anders zou je de herinnering nog veel pijnlijker zijn. Je herinnert je de vele nachten in Antwerpse cafés, pratend met Renée, een mooie, lieve vrouw, die veel las. Nu is ze al lang dood. Ashes to ashes, dust to dust. Elke keer als je een glas Porto drinkt, denk je aan haar. En je ouders, je grootmoeder, je tantes en ooms. Ludwig, je schoonbroer, geveld door kanker. Zou Evan Dando nog leven? Een gevoelige man, met een hemelse stem en onvergetelijke melodieën. The outdoor type. Nee, toch niet. En Hope Sandoval? De droomvrouw, maar maar altijd in het donker. Waar is ze? Waarom laat ze niets meer van zich horen? Ja, jongen, nog maar eens aan verwarring ten prooi. Terwijl om je heen de menselijke werkelijkheid uiteen lijkt te spatten, zit je op je stoel en ben je in de ban van het blauw.

Maar elke dag omstreeks middernacht begin je aan je oefeningen: schaduwboksen, gewichten heffen, push ups. Je voelt je sterker worden. Jou zal de dood niet zo vlug te grazen nemen. Ja, sterkere spieren, vaster vlees. Maar wat doe je met de wereld, met de mensen, waar je niets meer van begrijpt? Met je stilte? Me je afzondering? Wat te doen? Wat in hemelsnaam te doen?

Op de achtergrond, nee, op voorgrond klinkt nu opeens Myriam Makeba’s stem, Pata Pata. Every friday and saturday night it’s pata pata time!

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

27-01-09

EIGENSCHAPPEN VAN DE TAAL


barbey

Opgedragen aan Veronika Radovcic


Wil je mij verlaten, mijn vriend? Vergeet dan niet dat je leven een droom is. Ik ben degene die je droomt. Als ik wakker word, maar dat kan eigenlijk niet, want ik geniet van de eeuwige slaap, dan verdwijn je. Ik zal je niet meer achtervolgen met mijn moeilijke vragen, ik zal je niet meer op de proef stellen, ik zal niet meer lachen met je verdorven ras, ik zal niet meer de opstand tegen jou en je soortgenoten propageren, ik zal zwijgen. Eerst zal ik fluisterend afscheid van je nemen. Ik pluk de luizen uit je pels en wat je hebt aan gezond verstand of lumineuze ideeën neem ik van je af en schenk ik aan je vijand. Als je van het voorrecht geniet een of andere vijand te hebben. Zoniet schenk ik dat zaakje aan de Berg van Barmhartigheid. De barmhartigen en hun slaven weten meestal wat aan te vangen met een goed idee. Revolutie, fascisme, Abu Graib, je kent het wel. Meer uitleg heb je niet nodig.

Je kunt me niet verlaten, mijn vriend. Ik ben je boezemvriend, ik zit opgesloten in je hart, in een van zijn kleine kamers luister ik mee naar je wensen en verwensingen. Ik ken je diepste geheimen. Ik weet van wie je houdt en wie je verafschuwt. Ik weet dat je leven geen zin heeft. Je behoort niet tot een gemeenschap. Je bent een uitgestotene. Je bent een leugenaar die zichzelf voorliegt dat hij een goed opgevoed mens is. Je bent een barbaar. Je bent een slaaf van je driften, van je verlangens. Je zoekt naar ongehoorde woorden, maar je weet dat ik de sleutel heb van het tabernakel. Je weet dat ik de sleutel heb van je grammatica en van de kleinoden die je denkt je eigen gemaakt te hebben in je taal. Wartaal! Van in het begin had je niets te vertellen. De weinige juiste woorden heb ik je in de mond gelegd. De waarheid tegenover jouw leugens. Want wat jij wilde was aandacht, troost, genoegdoening. Je vervalste het systeem opdat de taal aan jouw verlangens tegemoet zou komen. Je bent niet meer dan een banale vervalser. Wat je ook doet, ik heb je in mijn armen, ik omhels je. Ik zeg je de waarheid. Tot je erbij neervalt. Tot je laatste ademtocht. Tot je de tocht afblaast. De tocht. Tot je bevriest in je voetsporen en zwijgt. Tot je zwijgt als het Graf.

En dan mag het aan jou zijn.

Afbeelding: Barbey d’Aurevilly

 

15-01-09

GESTOLEN WOORDEN


zelfportret met boeken

Slaap steelt je woorden. Sneeuwvlokken die in de kamer neerdwarrelen, geluidloos als de uitgestorven echo van een op een zomeravond voorbijgevlogen zeemeeuw. Waarna geen vervolg volgt en geen eindwoord uitgesproken wordt. Geen dankwoord, geen woord van liefde. Alles blijft omhuld, gemaskerd, aan elk begrip onttrokken.

Het gedwarrel toen je sliep sloot het spraakvermogen af. Alle sleutels raakten zoek, zelfs met toverformules in gebarentaal raakte je niet binnen. De poorten van de hel, de hemel, het hele ondermaanse: dat waren toch woorden?

Je weet dat slaap een vorm van sterven is? Waar je de voorbije dag je zinnen op had gezet hebben anderen zich vliegensvlug toege-eigend. Zo gauw je een kleinood in je handen hebt komt iemand aangelopen en neemt het van je af. Dan is het beter te slapen dan zo zonder vrienden te zijn.

De zon schijnt door het raam naar binnen, op je witte lakens. Je verheft je stem om wat de voorbije nacht gebeurde. Niet luid, meer als bij een elegie en niet vurig, meer als voor een manke toespraak voor een derderangs commissie, waar iedereen sloten koffie drinkt maar ternauwernood luistert. Je gaat het gebouw uit, loopt door de straten tot aan een aardappelveld, het hoofd in een sneeuwstorm gewikkeld.


Foto: Martin Pulaski, zelfportret met boeken.

12-01-09

HET VERRADERLIJKE HART

verdriet,emoties,gevoelens,eros,thanatos,vietnam,bob dylan,palestina,wanhoop,polen,vlaanderen,leugens,lautreamont,postmodernisme,oceanen,edgar allen poe,chantal akerman

De Venus van Urbino, Titiaan.

Als je stil staat ga je niet vooruit. Er gebeurt niets. Je maakt geen onnodige gebaren. Je kunt fluisteren, roepen, schreeuwen, gillen, maar je zwijgt. Je bootst geen Amerikaan na, geen kanarie, geen panda, geen ratelslang, je zwijgt. Onnodige gebaren? Gebarentaal laat je eveneens achterwege, er is niemand die je ziet. Zelf kijk je ook niet, je bent in jezelf gekeerd. Omdat je wakker werd uit een prinsessendroom: je moest ontbijten met prikkeldraad om je heen. Daarom ontbeet je niet. Er was geen krant. Er was niets of niemand. Je bleef in de keuken staan, met je blote voeten op de oude, koude lichtbruine tegels. Je bleef urenlang in de keuken staan. Je dacht aan een rendez-vous met Anna, maar spoedig vergat je dat weer, en passeerden er alleen zinloze beelden in je hoofd. Lang duurde het niet eer je de betekenissen vergat van woorden en namen. Anna? Een heilige die je achtstevoren kunt lezen? Wie was de regisseur ook weer? Een vrouw met blauwe ogen? Korenbloemenblauwe ogen? Een Poolse, een Vlaamse? Waarom werd er om haar gevochten? Vlaanderen was opeens verder weg dan Vietnam. Op de maan dansten muzikanten, muziek speelden ze niet. Die moest nog worden uitgevonden. Ze dansten op het geluid van hun jaloezie, op het geluid van hun verraderlijke hart. Als een klok op de bodem van een waterput. Elk tiktak belooft eeuwige jeugd. Maar je moet niets zeggen, geen gebaar maken, niet bewegen om met zekerheid te weten dat je waar je ook kwam te lang bent gebleven. Jij staat stil, maar de tijd niet, ook al duren de uren soms een eeuwigheid, al lijken ze op golven van geluk en verdriet, op het schreien en het sterven van oceanen.

Je liegt als je zegt dat de wereld niet alles is wat het geval is. Je liegt als je zegt dat de liefde je koud laat. Je liegt als je zegt dat voor jou de tijd van gevoelens voorbij is. Want je weet dat er maar een ding is dat je uit die verstarring kan los maken: een omhelzing. Niet die van Botticelli’s maar toch van een pas geboren Venus met alles erop en eraan en zingend als een Sirene: leef, man, leef, kom in mijn armen!

29-12-08

HAPPY TRAILS IN 2009

 Kijk wat we gevonden hebben. De toekomst is het verleden, wat slecht is, is goed en tranen van verdriet maken gelukkig. Er is geen centrum in ons en in de wereld. De kern is overal en het uiteenvallen van wat hem omringt valt nooit stil. Zelfs niet als doodsklokken luiden of uit sommige moskeeën tot vrede wordt opgeroepen. We zijn tot geluk en ongeluk gedoemd. Neem nog maar een stukje van mijn hart, zingt de zangeres tot de geliefde of tot een soort goddelijk opperdier.

Haten wij elkaar? Nee, wij haten elkaar niet. Er zijn krachten en energieën in ons die we nog moeten ontdekken. Hadden we naar Timothy Leary moeten luisteren, als halfdove schapen? Ook niet. We hadden onze plan moeten trekken. We hebben onze plan getrokken. Maar als je verliest, verlies je alleen. Niemand wil de laatste eurocenten van de verliezende gokker. Hij krijgt een broodje gratis en dan de stad uit met hem. Vergeten! Hadden we naar de filosofen moeten luisteren, Kant, Hegel, Rousseau? Nee. We moesten zelf onze weg zoeken. We zoeken zelf onze weg en ontmoeten elkaar als de maan zich achter een wolk verbergt. Dan vallen we elkaar in de armen en zeggen: ik heb je lief. Hoe kun je ook anders, zo alleen, zonder reisgezellen, tijdens een reis naar daar waar nooit iemand van terug is gekomen? Je weet wat het betekent zo zonder reisgenoten, vrienden te zijn.


Ik wil graag je reisgenoot zijn, je vriend, je vriendin, je geliefde. Je armoedzaaier. Maar nooit zal ik je onverschillige zijn. Ik wens je geluk, vreugde, gezondheid, ondanks alles vrede en voorspoed. Wij moeten de wereld veranderen.

 


the way young lovers do

Deze young lovers - die wij nog altijd in ons omdragen - wensen alle lezers van hoochiekoochie een gelukkig en voorspoedig 2009.

02-12-08

EEN UITZONDERLIJK LEVEN


Het is weer de tijd van de kalkoenen, de drie flessen wijn en een gratis, de duizenden reclamefolders vol overbodige technische snufjes, bijna gratis maar wat doe je er mee, Phil Spectors ‘A Christmas Gift For You’, de cd- en dvd-boxen, meestal dingen die je al hebt, maar desondanks koopt voor de mooie doos, en de drie extra-tracks, en de lijstjes, natuurlijk, de eeuwige lijstjes. De eeuwige lijstjes die maar een week of twee meegaan: beste boeken, beste films, beste dvd’s, beste cd’s, beste songs, mooiste vrouwen, minst vervuilende auto’s, beste momenten. In februari is iedereen die onzin weer allemaal vergeten, mede dank zij de massa’s drank tijdens de feesten en nieuwjaarsrecepties. (Tenzij, wat mij betreft, de mooiste vrouw.) Dan beginnen we aan nieuwe lijstjes, gaan we opnieuw sparen voor nieuwe overbodige technische snufjes (die nu nog moeten uitgevonden worden, maar het moet snel gaan, snel, snel).

Stop! Stop de tijd, drink een glas water. Maak een wandeling in het Zoniënwoud. Lees Don Quichot, Finnegans Wake of Ivanhoe. Leer koken. Hoe maak je goed stoofvlees? Echte kippensoep zoals grootmoeder ze bereidde? Of luister naar een trein, een vogel, het gieren van de wind. Open het raam bij volle maan. Wuif naar je geliefde. Zing een lied van Schubert of van de Zangeres Zonder Naam. Heb vertrouwen in de toekomst. Schud het cynisme, waar de media je mee vergiftigen, van je af, als een langharige hond in de zomer het water van de Zuid-Willemsvaart. Leef een uitzonderlijk leven. Word dik, vermager, dans elke dag. En vergeet vooral niet dat wij allemaal zullen sterven. Het leven is geen pretje. Het leven is een feest, als je hart sterft van het lachen of je ziel van het verdriet.

27-11-08

ALSOF HET AL LENTE IS

BLUESKY

Zal ik schrijven, ik zit opnieuw in een neerwaartse spiraal? Hoe kun je nog woorden vinden om je gedachten, je emoties, je gevoelens precies, adequaat en oorspronkelijk uit te drukken? Alle woorden lijken besmet, vervuild, vermolmd, ze ruiken naar mottenballen, naar muffe gordijnen. Geleidelijk aan, neen eerder bruusk, maakt opnieuw een leegte zich meester van je. Het is een echte leegte, geen metaforische, geen denkbeeldige. Een echte leegte, die niet alleen de woorden maar ook de beelden opzuigt, als een monster dat zijn eigen kinderen verslindt. Het is geen vallen, het is eerder een glijden, wegglijden naar een diepte waar zo goed als niemand je nog ziet.

Tijdens een moment van onoplettendheid ben je in een put afgedaald, net niet diep genoeg om je helemaal aan het zicht te onttrekken. Een deel van je hoofd, tot net onder je ogen, steekt nog boven de rand uit. Je kijkt je ogen uit: overal om je heen dwarrelen de kleuren van de herfst, mooiere vrouwen dan je je ooit had voorgesteld verdwijnen snel uit je gezichtsveld. Ze zijn niet onverschillig, ze zijn gehaast en hebben je niet gezien. Je geeft trouwens geen teken, je zingt geen lied, uit geen kreet. Je bent alleen, je hebt geen letters, geen muzieknoten bij de hand. Je handen zijn net zo leeg als je ziel, als je lichaam, wat op hetzelfde neerkomt, want de ziel en het lichaam zijn één. Je bezit nog enkele herinneringen, aan Italiaanse landschappen, aan een hotel in New York en the Flat Iron Building, aan een optreden van Mazzy Star. Je bezit nog enkele intieme herinneringen die je niet zomaar wenst prijs te geven. Zul je daar lang mee toekomen? Een overlevingspakket herinneringen en voor de rest leegte, diepe eenzaamheid, geen tranen, geen verdriet.

Je bent ervan overtuigd dat je opnieuw het pad omhoog zal nemen als de nodige woorden in jou de draad weer opnemen. Misschien neemt iemand je bij de hand en helpt je uit de duisternis naar het licht, misschien geeft zij je woorden van liefde om een werk mee te maken, een geschenk voor de schoonheid van de wereld. Want er is niet alleen maar oorlog en geweld, er is ook liefde. En als niemand je de hand reikt, ga je alleen naar boven. Ja, als het moet doe je het alleen. Geen mens zit jaren lang in een put. Je keert de stilte de rug toe en zoekt de stemmen op en viert een groot feest, het feest van de terugkeer. Alsof het al lente is.

Foto: Martin Pulaski, Het blauw van de hemel (Zuid-Portugal).

 

19-11-08

OP REIS GAAN NAAR HET ZUIDEN IS NIET GOED VOOR JE


hemelsblauw

In november zijn de dagen hier van een trieste eentonigheid. Met moeite raak je uit je bed, met tegenzin sta je onder de douche, poets je je tanden. Zelfs de koffie smaakt niet. Je vroegere gezwindheid heeft plaats gemaakt voor stramme leden. Eer je de ingang van metrostation Bizet hebt bereikt lijkt er een uur verstreken. In de metro lees je niet meer. Je wacht tot je er bent. Er. Op je werk zit je te werken, te geeuwen en te wachten op de avond. Om je heen hoor je gepraat, maar je begrijpt er niets van. Waar hebben ze het over? Michelangelo, warme woonkamers, de prijs van aardgas, kleine wijzigingen aan adviezen en rapporten? Je vreest dat je doof wordt, wat vreselijk zou zijn, want stemmen van zangers en zangeressen zijn je enige troost. Als je thuiskomt leg je meteen een plaat op. Je zou de volumeknop naar rechts willen draaien, maar dat past niet meer bij je leeftijd. En wil je de jonge benedenburen storen? Maar luide muziek zou heerlijk zijn, zou je even met dit donkere novemberland kunnen verzoenen. Led Zeppelin, the Who, Jimi Hendrix Experience, the Gun Club, the Clash.

Op reis gaan naar het Zuiden is niet goed voor je. Wat mis je, elke keer meer, het zinderende licht. Het blind en doof makende licht. Het licht dat liefde aan je onttrekt en ze aan de aarde schenkt. Je mist het zo erg dat je hier niet meer kan wennen, niet meer kan wonen.

Foto: Martin Pulaski.
 

17-10-08

WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

mes,slapen,verwarring,dyslexie,vertellen,werk,woorden,jezus,bob dylan,hoer,obsessie,koffie,rock and roll,verhalen,landschap,wakker,nachtmerrie,rug,stoel,behoefte,muur,leugens,rum,wapen,acteren,paul auster,heiligen,werkplek,kast,lunchpauze,metamorfose,shakespeare,jeroen bosch,james joyce,heilig,voorwerpen,tafereel,anna,jan arends,taalspel,finnegans wake,landschapsschilders,echolalie,eulalie,punaise,deerne,hubert selby jr,windstreken,lady macbeth,moeder gods

Jane Fonda in 'Klute'.

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds - van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I'm changing
Laughing behind their backs, I think they're strange
People running everywhere, running through my life
I couldn't give a care because they'll never see
All that I can see with my mind's eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

11-07-08

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

 

Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

16-06-08

BLOOMSDAY

bloomsday,terugblik,poezie,gedichten,voorbeelden,james joyce,leven,tijd,modernisme,ulysses

Vandaag is het Bloomsday. Als we toch feest willen vieren, waarom dan niet op de dag die uit de verbeelding van een schrijver is ontstaan?  Een retorische vraag, natuurlijk. Maar ik ben niet in een feeststemming. Er is bijna een half jaar voorbij, een half jaar waarin niets is gebeurd, om Iggy Pop te parafraseren. Ik heb wat door het raam gekeken, ben enkele zaterdagen in Antwerpen geweest, heb twee films gezien en ben naar twee of drie concerten geweest. Er was een korte reis naar Porto, waar het gezelschap van  jonge vrienden en kunstenaars me wat nieuwe energie heeft gegeven, hoewel ze snel weer wegsmelt als ik hier zonder voornemens of plannen op de avond zit te wachten. Ik moet gedichten schrijven, verhalen, een tegengewicht bieden tegen de mediocriteit van deze tijd. Ik moet mezelf heruitvinden, een nieuwe mens worden. Maar de ademruimte ontbreekt me, de zin, de echte goesting.

Soms, zoals de voorbije dagen, ontstaat er wel opeens een gedicht, en dan voel ik me verwant met Rilke en Hölderlin, hoewel ik niet weet of mijn werk even hoog staat. Ik denk het niet. Maar ik schrijf al gedichten sinds 1965, daarom denk ik dat niet alles wat ik schrijf waardeloos is. Je moet wel gek zijn om op rotzooi zitten te zwoegen in plaats van naar de kroeg te gaan of achter de vrouwen aan te zitten. Nu ja, mijn echte leven speelt zich in sommige van mijn gedichten af. Dat is toch ook al iets. Laten we het daar bij houden voor vandaag. De opsommingen zijn voor straks of morgen (want ik vind dat ik gedurende die zes maanden vreemde aankopen heb gedaan, en daar wil ik het toch wel even over hebben, in deze tijd van absoluut consumentisme). En nu denk ik aan nog iets anders: wat is het goed dat grote voorbeelden als Bob Dylan, Neil Young, Tom Waits en Patti Smith niet alleen nog in leven maar zeer actief zijn en belangrijke werken maken. Laten we daar dan maar op drinken, vanavond. En op de nagedachtenis van James Joyce en de talloze andere grote schrijvers en dichters van het modernisme. Salud!

02-06-08

MAGIC BUS


nuevo laredo, mexico

Voor mijn verjaardag zou ik graag een magical mystery tour maken in een bus als deze. Het moet niet noodzakelijk in Mexico zijn. Als er een vijver bestond waar je na een duik weer uitkomt als een vijfentwintigjarige, dan zou ik daarnaartoe willen. Maar wacht! Ben ik niet oud en wijs genoeg om zulke denkbeelden als onzin uit mijn hoofd te jagen, zoals ik een vlieg van mijn bord wegjaag? Ouder en wijzer zal ik dus zijn. Maar de busschauffeur staat nochtans te wachten...

28-05-08

SCHRIJVEN ALS MORANDI

 

schrijven,schrijvers,grieken,stijl,emoties,natuur,essentie,grieks,woorden,waarheid,mens,blues,zanger,deugd,morandi,turner

Morandi, Stilleven.

Ik heb in mijn leven maar een boek uitgegeven, Kamertjeszonden, een dichtbundel, en dan nog onder een andere naam. Naar die titel heb ik niet lang moeten zoeken, ik leende hem van Herman Heijermans. Toch koos ik hem niet alleen omdat ik die roman zo uitstekend vond – wat zeker het geval was – maar ook omdat ik het leven binnenskamers, gedichten schrijven en zo, zonde van de tijd vond. Ik zal toen ongeveer vierenveertig geweest zijn, in de zomer van mijn leven. Het rouwen om de dood van mijn vader had ik net achter de rug. Nu was het wachten op een volgende dood. Daarna zou ik nooit meer naar huis kunnen.

Van mijn hand zijn nogal wat verhalen, experimentele prozateksten en gedichten verschenen in allerhande tijdschriften. Ik som ze hier niet op, om de eenvoudige reden dat het geen belang heeft. Ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Dat wereldje van schrijvers hangt mij de keel uit. Hoe ze elkaar met prijzen en lofzang overladen, zeker als een cameraman in de buurt is, en elkaar elders afmaken. Ik wil die schrijvers nu niet afmaken, ze doen niemand kwaad, de meesten van hen toch niet. Alleen minachting koester ik voor ze.

Niet omdat ik niet goed schrijf zal van mij geen boek uitgegeven worden, maar omdat ik een vreemde ben in dat wereldje van de schone letteren. Ik heb er enkele jaren in vertoefd, maar ik bleef toch altijd de zoon van een schipper, zoals August Strindberg altijd de zoon van een dienstbode bleef. Je schudt dat niet van je af, het is als een lijfgeur, maar dan zilter. Je aanwezigheid roept stilte, haat, wrevel, geweld op. Soms, als ze dronken zijn, slaan ze je in je gezicht. Of ze schelden je uit, ze noemen je Judas, of onnozelaar. Ze beweren dat je geen schrijver bent. Ze zwijgen je liefst van al dood.

Nee, ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Ik probeer een mens te zijn. Maar ook dat lukt me niet goed. Aansluiting vinden bij de andere mensen is een zware opdracht. Waar praat je over? Over het weer? De kinderen? Mijn zoon woont ver van me vandaan en in een andere wereld. Leven we niet allemaal in andere werelden? Ik heb minachting voor schrijvers, maar waarom eigenlijk? Misschien is het wel rancune. Wat maakt het uit! Onze tijd hier op aarde is kort. Ik probeer een goede mens te zijn. Ik lees en ik luister. De bloemen, de bomen, de natuur. Wijn, vrouwen en gezang. Holle wegen, grote steden, dieren, rivieren, de zee. Altijd de zee, en de regen. Veel meer ken ik niet. De beste schrijvers zijn blueszangers, met hun eenvoudige taal en hun krachtige stemmen. De beste schrijvers zijn mensen bij wie de woorden naar binnen regenen. Ik gebruikte gisteren het woord ‘terrasje’. Dat doe je niet. Dat is verkeerd. De meeste adjectieven zijn overbodig. De essentie moet in elk woord zelf zitten. Is niet elk woord de hele taal? En woordspelingen zijn des duivels. Een tekst waar woordspelingen in staan is waarschijnlijk een aaneenschakeling van leugens. Ik loop sommige dagen gebukt onder het gewicht van mijn woordspelingen. Maar dan sta ik vermoeid weer op, een nieuwe dag is aangebroken!

De beste schrijvers zijn oude Grieken. Je hebt zo van die mensen die overal als eerste bij zijn. Alsof dat een verdienste is. De oude Grieken lezen, dat is een verdienste. Voor iemand die de oude Grieken in het oud Grieks leest, daar heb ik veel bewondering voor. Maar persoonlijk ken ik zo niemand, mezelf inbegrepen. Ik ben te oud om nu nog Grieks te leren. Enkele woorden, zoals ‘logos’ (λόγος), ‘arete’ (αρετή) en ‘alethea’ (αληθεια)) ken ik nog wel van vroeger, toen ik dacht een schrijver te zullen worden. In mijn tijd van dwaasheid, mijn tijd van nood. Een schrijver op het water, zou ik worden, op de zee van Cortez, op de zee van Homerus, op de zee van Herman Melville. Ik zou één worden met de golven, zoals de verf van Turner. Ja, mijn woorden zouden als de verf van Turner worden. Maar mijn woorden zijn zoals de verf van Morandi geworden. Ik weet niets over de wereld. Niet meer dan Morandi. Maar misschien ook niet minder.

20-05-08

ZO SCHITTERT DE WERELD

schrijven,denken,dichten,gedicht,holderlin,heidegger,lucebert,machine,droom

Hoe krijg je de machine weer op gang, even van de veronderstelling uitgaande dat het menselijk lichaam een machine is? Vorige zondag had ik het in een gesprek met vrienden over de begrippen ‘geest’, ‘psyche’, ‘ziel’, ‘verstand’, ‘gezond verstand’, en een aantal equivalenten in andere talen, zoals ‘Geist’, ‘Seele’, ‘Vernünft’, ‘esprit’, ‘common sense’, ‘soul’, ‘mind’,  ‘âme’, et cetera. We hebben er wel een warboel van gemaakt, Pinksteren is duidelijk geen overbodig feest. 

Maar die warboel is niet noodzakelijk een negatief gegeven: hij stelt ons met name in staat om met de woorden en met de taal te spelen, en om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Ik denk dan vaak aan de uitspraak: “wat blijft stichten de dichters”. De dichters leven moeilijke levens; eigenlijk leven en sterven ze voor niets anders dan voor het gedicht. Al de rest is bijzaak, ook als ze niet bezig zijn gedichten te schrijven is hun geest – wakker of slapend – met woorden bezig, met klanken, met vormen, met het oude en zeker ook met het nieuwe, datgene wat er nog niet is. Je zou kunnen zeggen dat de dichter subversief is en de taal ondermijnt, maar net zo goed is hij de behoeder en de ‘verzorger’ van de taal. De echte subversieve pervert is de reclamemaker, die de taal probeert te vernietigen door de woorden in dienst te stellen van de verkoop van nutteloze goederen, of van politiek en macht. Dat doet de dichter niet. Hij geeft de woorden aan de woorden terug, en laat zin geven aan zijn zinnen. Hij geeft zijn woorden ademruimte door ze aan te bieden aan lezers en toehoorders. De dichter is een vrije geest en hij is een dienaar.

Nee, de mens is geen machine. Hij is een luchtwezen, dat niet alleen leeft van brood en liefde, maar ook van licht, zuurstof en beelden van woorden. En, zoals Lucebert al wist, van uitstapjes langs de afgrond. De dichter wacht op zijn muze, maar verlangt naar een beeld van een vrouw en blijft zo in beweging, zoals alles altijd in beweging is. De mens kijkt niet alleen maar naar de maan en de sterren. Hij schittert soms, en niet alleen in zijn stoutste dromen. Dromen van proza en dromen van gedichten. Zo schittert de wereld.

15-02-08

SMULTRONSTÄLLET

wilde aardbeien,dood,ingmar bergman,droom,leven

De man zoekt beschutting in de schaduw van een wijzerloze klok. Hij is ouder en wijzer geworden en dor als een oase kan zijn in een gedroomde woestijn. Hij kijkt zijn schaduw in de ogen. Toch heeft hij geen gezicht. Dan ligt zijn schaduw te bloeden op het trottoir. Zwart bloed op witte stenen, als een schaakspel van leven en dood in grillige vormen aan het begrip onttrokken.

Hij loopt op een graf af, waarin hij zijn naam en de naam van zijn geliefde leest en de woorden “Waren zij geen mensen?”. Het kerkhof baadt in verblindend zonlicht waardoor de doden aan het zingen slaan. De man balt zijn vuisten, drukt ze tegen zijn oren. Overal luiden nu klokken. Hoe laat is het? Zijn horloge heeft geen wijzers. Middernacht waarschijnlijk, met dit licht, hoe kan het anders. Marcel gaf me zijn pen, denkt hij. De oude Marcel. Stille paarden trekken een zwarte kar voort waarop weer een nieuwe lijkkist de man het voorhoofd doen fronsen. Wat is al dit gesterf? In de kist ligt zijn eigen kwetsbaar lichaam dat hem wenkt. Donkere man, lichte man. Nee, nee, nu niet, nu ik nog kan. De middernachtzon brandt hem in de ogen. Waar is mijn geliefde? Dat aantrekkelijk wezentje. Het mooiste wat ik in mijn handen houden kan hier in dit ondermaanse.

Op de trein naar A. vraagt hij aan een jonge vrouw die tegenover hem zit en die hem aan zijn overleden echtgenote doet denken: Zal ik je mijn droom vertellen?
Ik ben niet geïnteresseerd in dromen, antwoordt zij. Dromen zijn bedrog, zoals het leven een grote grap is. Laat me niet lachen.

De man kijkt door het raam. Hij ziet zijn rimpelig hoofd, zijn grijze haren. Op het veld staat het koren gereed. Het is volop zomer, er is niets veranderd. Nog steeds dezelfde zomer als toen ik me in dat koren verstopte. Dit is mijn hoofd niet. Kan niet zijn. Dit is het hoofd van een ander.

Woedend legde de schrijver zijn pen neer, ging de deur uit. Een wandeling over de zonnige boulevard zou hem goed doen, weg van amfetamine en afgezaagde symbolen. De woestijn van de werkelijkheid tegemoet. Goodbye to all that, glimlacht hij.

13-02-08

OMGEKEERDE WERELD


world

Dit is de wereld waarin wij leven. Een omgekeerde wereld, waar reclame en publiciteit de waarheid vertellen en de woorden die ons het meest eigen zijn alleen maar leugens vertellen. Er is geen diepere grond. De oppervlakte is wat er is, zover onze blik reikt. Oppervlakte tot aan de horizon en een diep verdriet, het spoor dat naar vergetelheid leidt. Wij blijven achter, in ademnood en zonder verhaal.

Foto: Martin Pulaski, Anderlecht Westland.