23-04-10

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN

 

JaneBirkin

Hoe goed je het hebt in dit onvriendelijke, ongastvrije land, waar niemand nog tevreden schijnt te zijn. Gisteren stond je in Antwerpen heel even naar de Schelde te kijken, stromend onder een zelfs schijnbaar gelukkige mensen troostende zon. Je wilde in het koude water springen, niet om je leven te beëindigen, maar eerder integendeel, om je leven te vernieuwen zoals de natuur in de lente, om je op een heidense manier wederom te dopen. Maar natuurlijk sprong je niet, met zo’n helder hoofd en omgeven door zoveel onuitgesproken schoonheid en in de ban van zoveel nog in het verschiet liggend geluk. Met zoveel zoveel. Als je er drie dagen eerder had gestaan was je misschien in dezelfde rivier, hetzelfde water,  gesprongen uit wanhoop, ontreddering, uitzichtloosheid. Nee, je zou het vast niet hebben gedaan, maar toch… En waarom? Stilte. Er is geen antwoord.

Gisteren praatte je met je vriendin over het geluk. Niet alleen over het geluk maar ook over Straw Dogs van Sam Peckinpah en de boeken van George Pelicanos, onder meer. Geen small talk, dat niet. Daar zijn jullie niet goed in. Het thema ‘geluk’ sprong er uit. Wat is geluk, wat maakt een mens gelukkig? Hoe lang duurt geluk? Je bent maar zelden gelukkig, het zijn uitzonderlijke en extreme momenten, die je de indruk kunnen geven dat ze een eeuwigheid duren. Als jij terugkijkt op je leven zie je dat je zulke momenten nooit zelf hebt gekozen. Dat is onmogelijk: ze moeten je overvallen, zoals een misdadiger dat in een heldere straat kan doen om je geld en waardevolle voorwerpen te stelen. Je hebt lange tijd  gedacht dat je geluk voorgoed tot het verleden behoorde, wat je lusteloos en ontevreden maakte, zoals zoveel andere inwoners van dit land. Maar gisteravond, bij een lekker glas Greco di Tufo, kon je je vriendin met zekerheid vertellen dat er je zonder enige twijfel nog heel wat momenten van geluk te wachten stonden. De mogelijkheid tot geluk, tot tevredenheid, tot genot, was je om de hals gevlogen. Was je te beurt gevallen. Had je overweldigd. Het viel je moeilijk om niet in bijna extatische woorden te spreken. Maar je hield je wat in, omdat je zag dat je vriendin er wat ongemakkelijk van werd, misschien zelfs wat jaloers – terwijl jullie elkaar al sinds 1982 kennen en er nooit van liefde of zelfs maar verlangen sprake is geweest (al kan dat verlangen er natuurlijk wel geweest zijn, dat weet je gewoonweg niet). Jullie vriendschap is er een zoals tussen broer en zus. Jullie zouden in eenzelfde bed kunnen slapen en elkaar een kuise nachtzoen geven voor het snurken begint. Maar zelfs dat hebben jullie nooit gedaan. Er was alleen de troost van de vriendschap tussen een man en een vrouw.

Overigens hoort het ook niet als je met een dame bent te praten over het geluk dat iemand anders je schenkt. Maar waar het hart vol van is. Je komt ‘gelukkig’, dank zij een stel extremistische idioten, al gauw op een ander gespreksonderwerp. Je geliefde moederland,  je geliefde vaderland. Het paranoïde gewauwel dat je elke dag op de radio hoort, alsof de media met de nationalistische extremisten en separatisten samenspannen. Voor de Vlaams-nationale radio en televisie (VRT) is dat heel goed mogelijk: zij eten het brood van de separatisten. Maar daar wil je nu niet op doorgaan. Er zijn andere akkoorden, andere koren en gezangen die moeten gezongen worden dan die van vetzakken en profiteurs. Wilhelm Reich vroeg het zich al af: waarom kiezen wij ervoor om geregeerd te worden door onderdrukkers, profiteurs, parasieten, kinderverkrachters, intellectueel en seksueel imbecielen? Waarom verkiezen wij zulke mensen om ons te vertegenwoordigen in een klein zaaltje, parlement heet het, waar alleen nog maar rauwe kost wordt gevreten en niemand mekaar lust noch kust. Waarom verkiezen wij mensen die ons liefst van al dood willen, zodat zij de enige overlevenden zouden zijn, na de oorlog die zij zelf hebben ontketend.

Nu word ik ik, of toch een beetje.

Ik doe niet meer mee. Ik wil nergens meer bij horen. Ik wil bij de goede mensen horen die het goed bedoelen. Die de wereld willen veranderen in een tuin, in een park, waar we elkaar kunnen ontmoeten als vrienden, kameraden, geliefden, vrije en verantwoordelijke mensen, als vaders en moeders, als geliefden die elkaar overal waar ze willen kunnen kussen en strelen, in alle talen van de wereld en de niet-wereld. Een wereld waar alle utopieën met elkaar verzoend worden, als een parfum waarin de essentie van de beste bloemen samengebracht wordt. En wat ik hiermee bedoel is dat in elke mens een beste bloem aanwezig is. Je moet alleen voetstappen zetten en snuiven en ruiken en ruikt er voor ons mensen iets lekkerder dan het geslacht van vrouwen, van mannen, van witte, van zwarte, van gele, van bruine, van violette, van indigo, van markante mij onbekende kleuren? Jullie ruiken allemaal zo lekker. Maar het liefst ruik ik toch nog altijd de geur van mijn geliefde. Omdat er niet een enkele reden voor is. De geur van mijn geliefde geeft mij de woorden om dit te schrijven en op die wijze niet aan ontevredenheid ten onder te gaan. De huid van mijn geliefde maakt van mij een mens die qua huid niet verschilt van andere mensen en dieren. De tong van mijn geliefde kent geen enkele afzonderlijke taal maar kent duizend of meer talen als een mooie man of een mooie vrouw ze zingt of in haar oren fluistert. Een man of een vrouw is mooi als hij of zij in die talen liederen maakt, ze zingt of in haar oren fluistert. De ogen van mijn geliefde kijken ongerust maar tegelijk met vertrouwen naar onze toekomst, de onzekerheid die ons allen te wachten staat. Het lichaam van mijn geliefde heeft nieuwe levens geschonken, en daarmee wereld, toekomst, liefde en haat, oorlog en vrede.

Ik vertel haar over mijn leven. Een leven van droefheid, geluk, verdriet, haat, weerzin, afkeer, tederheid, woorden, beelden, gebaren, stellingen en strelingen, afzondering en verlangen, begane en onbegane wegen, vriendschap, tederheid, warmte in de winter en koude kussen in de hete zomer. Ik vertel haar over bergen en wijn, over de zee en sommige steden. Zij vertelt me haar leven. Stapje voor stapje. Dan is er muziek die alles wat we zeggen overstijgt. Dan kussen we elkaar en nemen we scherpe messen om ons los te snijden van elkaar. De straten worden rivieren van bloed. Ik vergeet mijn bril in de auto van mijn geliefde. Ik denk dat zij niet wenst dat ik over die bloedrivieren schrijf, terwijl wij elkaar net zo lief hebben en bloed een metafoor is voor de verbondenheid. Net op tijd herinner ik me mijn bril. Ze stopt even, ik zie haar als een aardse godin, als ze me die kleine glazen in de handen stopt. En dan rijdt ze weg, naakt onder een dun stofje. Alsof ze een personage is uit een film van Russ Meyer. Al zijn actrices zijn sexy en hun borsten overweldigen je. Dat ze sexy zijn en humoristisch heb ik altijd fijn gevonden, maar ik ben gek op de borsten van mijn geliefde. Ik ben gek op de borsten van  Charlotte Rampling en Jane Birkin. Je zou kunnen zeggen: ik ben de anti-Russ Meyer. Ik ben doodgewoon gek. Iemand die liefheeft is altijd gek. Iemand die de wereld liefheeft is het gekst van al. Freud zei dat het doel van het leven de dood is. Ik denk dat het doel van de dood het leven is.

 

12-04-10

DE WINTER VAN DE DODE STERREN


Alex-Chilton1

Dode ster (Alex Chilton).

Hoe kun je iemand missen als degene die je mist er is? Gekmakend missen. Je weet dat ze er is, maar ze is er niet. Ze is er voor de hele wereld, misschien, maar niet voor jou, omdat je haar niet ziet. Het is een kleine wereld, maar soms zo groot dat je er in verdwaalt als in een doolhof. Een immense wereld die je geen troost biedt en dat ook nooit zal doen.

Er is niets dat je aandacht trekt, dat je gelukkig maakt, dat je zin geeft om met glazen te gooien, met borden, met meubilair. Er is niets. Er is geen Jackson Pollock, er zijn geen opwindende steden, geen Beatles, geen Bach. Er is geen Fernando Pessoa, geen Stendhal. Er is geen Antonioni, geen Lars Von Trier, geen Emmanuelle Béart.

Er is alleen degene die er niet is. Jij bent er niet. Er is niemand. Hoe kun je leven als je zo intens wilt leven? Wat kun je doen als je zoveel wilt doen? Je kunt niets doen. Je kunt niets doen dan wachten, en wachten maakt je hart broos en je ziel boos. Je kunt jezelf in de spiegel bekijken: er is niemand, een leegte. Je bent al verdwenen.

EMMANUELLE BEART

Levende ster (Emmanuelle Béart).

22-03-10

LENTE


Le Sacre du Printemps by Preljocaj

Le Sacre du Printemps by Stravinsky choreographed by Angelin Preljocaj. Performed in La Maison de la Danse de Lyon, 2004.

Ik verzin je in de lente in een jonge tuin betoverend. Geef je vleugels en zeldzame woorden, die mijn zinnen verbijsteren en verrijken. Ik hul je wit tulpenlichaam in zijde en hang een slinger van seringen om je slanke hals. Je danst op de muziek van de sterren, die de aarde raken met hun ritme en licht. De donkere zon houdt de trompet aan de mond, Venus zit aan de drums, een engelenkoor als op een schilderij van Van Eyck duikt op uit de laurierbossen, met harpen en triangels. Er valt geen god te bespeuren. Ik plaats een diadeem op je hoofd en begeleid je naar je troon. Zweetdruppeltjes op je huid: schitterende diamanten. Nu ben je mijn koningin. Mijn heldin voor het leven. Ik schenk je een vonk van mijn ziel. Maar wie wakkerde het vuur aan?
Na een diepe slaap en koortsige dromen geef ik je zintuigen zin in alle zinnelijkheid van de wereld. En avant! De trein rijdt het station binnen. Het wordt een lange reis als we zo bezeten willen beminnen.

 

16-03-10

LES MOTS ET LES CHOSES


Voor Gerry Rafferty.

Alpendroom is een woord dat in je taal niet bestaat. Maar lees maar: hier staat het. Staat het je tegen? Een apenbroodboom, daarentegen? Nee, ook niet echt. Een apenbroodboom is een baobab. Hij wordt zo genoemd omdat apen er in zekere zin gek op zijn. Zoals sommige mensen op kreeft, kaviaar, champagne.

Je oefent voor Mister Universe? Dan moet je wel wat weten en veel kunnen dragen. En verdragen. Het concilie van Trente, het verdrag van Verdun. Een accordeon, een ukulele, een ocarina. Je moet niet alleen de woorden kennen maar ook de dingen waar ze naar verwijzen.

En instrumenten moet je kunnen bespelen of hanteren. Je hanteert geen woorden. Je hanteert voorwerpen, dingen. Je gaat er mee om alsof ze kostbaar zijn. Dat moet: iemand heeft ze uitgevonden. Mensenlevens hebben de dingen gekost. Niet de steen of het vuur. Maar het wiel en de mandoline. De piramide en het brandblusapparaat. Het mes en de granaat.

Hoe lang heeft whisky geduurd? Het slachten van een kip; prei, knolselder, erwten, tomaten; de kleine dingen die een cockpit van een vliegtuig er zo gevaarlijk en onbeheersbaar laten uitzien en tegelijk je geloof in het kunnen van mensen versterken? Het heeft allemaal lang geduurd. Denk maar aan de atoombom op Nagasaki. Dat was nog wat anders dan een stoomboot die arbeiders naar hun werk voerde. En ’s avonds laat weer terug naar hun donkere dorpen.

En als ik zeg dat ik je liefheb? Als ik zeg, geweldig? Daar zit veel geweld in en het woord liefde wordt nu opgeroepen. Hoor je mijn roep? Mijn woorden die bestaan en niet bestaan.

Jij, het mooiste woord – is het daarom dat we het niet uitspreken kunnen?

Ik proef je tong in je woorden ook al zwijg je hardnekkig. Mijn tong in je zwijgende hals. Ontsporende taal. Maar kijk wat er staat. Er staan sporen naar jou. Naar jouw woorden. Kijk hier heb ik mijn mond op jouw mond. Met enkele woorden. Zo doe je het toch maar. Misschien niet alles maar heel veel bestaat in je taal. Een struisvogelveer, een elastiekje, een haar, een wolkenkrabber, een granaatappel.

 

 

 

21-01-10

FONTEIN VAN DE JEUGD



Lucas-Cranach-the-Elder-Fountain-of-Youth-1546

Ben je bang voor de dood? Het leven en de liefde, het bebloede gras. Nachtegalen, krekels, de zoete geur van een moeras.

Ben je bang voor hem? Voor zijn korte duur. Zijn onbekend uur. Zijn donkere getijden, zijn zure oprispingen. Voor zijn donker theater.

Ben je bang voor jezelf? Je driftigheid, je onlesbare dorst. Je angst voor de angst en elke vorm van paniek. Je muren van wassen beelden, van woorden. Het zwart op wit dat uitloopt in tijd, stille doodshoofdspin, vol spinsels.

Ben je bang voor de beginselen van een geloof in iets anders dan wat je kent? Schaduwen, nachtwakers, dagslapers, onbegonnen personen. Gewaagde sprongen in onbekende vertrekken.

Ben je bang voor een eigenschap? Kwaliteiten, gezag, worstelend overeind komen en opnieuw aan de gang, zonder victorie en zonder triomfboog, zonder gezang.

Ben je daar bang voor? Is dan niet het ogenblik daar voor de fijne pijn van het goede, het vergenoegen, het genot van een anders zijn, aan de overkant kijken naar andermans lichtzinnigheid en eindelijk diep ademhalen en rusten in het groenere gras.

Want als je bang bent moet je weg uit die ruïne, moet je losmaken wat je vasthaakt  aan spoken uit het verleden. Moet je op zoek gaan naar een moment dat je weer nieuw maakt. Een moment zonder einde, omdat je er altijd terugkeren kunt. Zoals je ook altijd naar een rivier kunt of blootshoofds wandelen in de regen.


Afbeelding: De fontein van de jeugd, Lucas Cranach de oudere, 1546. 

03-01-10

LOW EN HET WALZHEIMER GENOOTSCHAP


bowie-low

Na een viertal dagen ben ik teruggekeerd uit het land waar je eigenlijk niet uit terugkeren kunt. Het land van de vriendschap en de walsende gebouwen, schitterend in het schitterende licht. Aluminium vogels duiken er onder en op als een beetje gekrompen dolfijnen, hun gelach aan jou overlatend. We stonden op een groot plein zonder bomen en richtten er een nieuwe club, een nieuwe kunststroming op: het Walzheimer-gezelschap. Copyright Control en je hoort nog van ons.

Ondanks grenzen en wetten en koortsaanvallen ben ik teruggekeerd en nu zit ik hier aan tafel met een laptop, een vreemd voorwerp al, zoals bijna alles in deze kamer. Wat ziet het er allemaal onwerelds uit. Bijna niets in dit vertrek past in het Walzheimer-wereldbeeld. Alleen misschien enkele boeken, een foto van Marlon Brando en Maria Schneider in ‘Last Tango in Paris’, en bovenal het vinyl.

Het eerste lied dat ik in 2010 hier thuis beluisterde, met al mijn oren open, was David Bowies 'Be My Wife', waarbij ik tot tranen toe werd bewogen.


“Sometimes you get so lonely
Sometimes you get nowhere
I’ve lived all over the world
I’ve left every place.”

Daarna heb ik heel ‘Low afgehandeld, van ‘Speed Of Life’ tot ‘Subterraneans’. ‘Low’ is het werk van een bijna-übermensch, onovertroffen (bovendien is elke poging om dit kunstwerk te overtreffen volkomen zinloos). Als grap heeft Nick Lowe ooit een ep uitgebracht onder de titel Bowi, omdat hij zich ‘beledigd’ voelde door dat ‘low’ zonder ‘e’. Zulke grappen kun je met ‘Low’ natuurlijk wel uithalen. In die zin ging Nick Lowe ons voor in de Walzheimer-manier-van-denken.

Ik wens iedereen, niet alleen alle lezers van hoochiekoochie, veel geluk, moed, warmte, liefde, verbeelding, mededogen en een goed hart in 2010 en alle volgende jaren. En niet te vergeten, veel Elvis.

ray_johnson_oedipus_elvis_

Afbeeldingen: David Bowie, Low (photography by Steve Schapiro from 'The Man Who Fell To Earth' by Nicholas Roeg). Ray Johnson, Oedipus Elvis.

 

22-12-09

BEGRAFENISMUZIEK


vaneyck_lamgods_engelen

Onlangs reageerde een zekere Peter Pleyte op een oude tekst van me (“Op zoek naar een originele manier om de geest te geven?”, over de dood van de filosoof Francis Bacon en de varkensgriep) met de vraag welke songs ik graag bij mijn begrafenis zou ‘horen’. Een merkwaardige en enigszins macabere vraag, zeker zo kort na de dood van mijn lieve schoonbroer, die zijn muziek niet zelf heeft kunnen kiezen.

Toch schrikt zo’n vraag me niet af. Alleen stond in de becommentarieerde tekst al dat - als mijn tijd gekomen zou zijn, liefst niet voor 2050 - ik ‘Dress Sexy At My Funeral’ van Bill Calahan zou willen ‘horen’. Dat was natuurlijk ironisch, maar niet helemaal. Het is gewoon een mooi lied, een buitengewoon aantrekkelijk idee.

In 2005 heb ik al eens een begrafenismuzieklijst gemaakt, maar ik geloof dat ik daar bij mijn verscheiden niet veel van zou overhouden. Die zag er zo uit:

“Bob Dylan – Going To Acapulco
Johnny Ace – Pledging My Love
Elvis Presley – Long Black Limousine

Irma Thomas – I Wish Someone Would Care
Aretha Franklin – Ain’t No Way
Sam Cooke – A Change Is Gonna Come
Hank Williams – It Just Don’t Matter Now
Ivory Joe Hunter – Since I Met You Baby
Soul Stirrers – The Last Mile Of The Way
Shangri Las – I Can Never Go Home Anymore
Beth Orton – I Wish I Never Saw The Sunshine
Townes Van Zandt – To Live Is To Fly
Rolling Stones – Love In Vain.”

“Geen klassieke muziek, geen instrumentale muziek, geen kitscherige pianostukjes en vooral geen synthsizergepriel” had ik er nog aan toevoegd.

Nu zou ik klassieke muziek niet langer uitsluiten (Schubert, Richard Strauss), en ik kan me niet voorstellen dat er geen muziek van Hope Sandoval, Neko Case, R.E.M. (‘Let Me In’) en Sonic Youth zou worden gedraaid. En waar zijn James Carr en Neil Young (‘Don’t Cry, No Tears’)? Nee, ik moet dringend een nieuwe begrafenismuzieklijst maken.

Afbeeling: Jan Van Eyck, Het Lam Gods, (fragment, De Zingende Engelen).

29-11-09

EXIT HOOP


Vaak vraag je je af, wat zou Hölderlin nu hebben gedaan? Maar er is geen vergelijking mogelijk. Hölderlin had nooit een film gezien, hij kende de Grieken, maar niet Jesse James, Billy The Kid, Citizen Kane... Hoe groot moet zijn eenzaamheid niet geweest zijn. Er was geen internet, geen mobiele telefoon, geen televisie, geen antidepressiva. Met een ontstemde piano moest hij het doen, en uitzicht op de Neckar.

Wat doe je als je geen woorden meer vindt? Als het te lang duurt word je wanhopig en grijp je naar die van anderen (die ook de jouwe zijn - want wie is eigenaar van woorden, van taal?).

"Maar is onze pijnfactor al niet schokkend genoeg zonder denkbeeldige vergroting, zonder aan de dingen een intensiteit te geven die in het leven maar van heel korte duur is en soms niet eens zichtbaar? Voor sommige mensen niet. Voor weinigen, heel weinigen, is die vergroting, die onzeker uit het niets ontstaat, hun enige zekerheid, en is het niet-geleefde, het veronderstelde, volledig uitgewerkt in drukletters op papier, het leven waarvan de betekenis er het meest toe doet."


Philip Roth, Exit Geest.

achter glas

Foto: Achter glas, Martin Pulaski.

17-10-09

MIJN STAD IN DE BOMEN

boeken,films,bomen,vogels,astma,kinderjaren,ziekte,koorts,vertellen,verhaal,genezen

Fat City, John Huston
 
Huisarrest, daar lijkt het op, zo thuis zitten wachten tot het over is. Je zet de tv aan, je zet hem weer uit. Er is niets op tv. Dat wist je al. Je kunt – inderdaad – naar een van de duizenden filmklassiekers kijken, Sunset Boulevard, Two Lane Blacktop, Fat City, om er maar enkele te noemen. Maar je hebt ze allemaal al zo vaak gezien. Alleen het noemen van hun titels vermag je nog enig hartzeer te geven. Hartzeer, geen plezier; tintelingen, een afgestompte vorm van seksueel genot. Je langspeelplaten zitten in onzichtbare dozen. Juwelen in een grote scheepskist, met de familienaam van je moeder erop. Waarom de naam van je moeder. Dat is een lang verhaal, wat me als ik het zou vertellen in 1919 zou laten aankomen (en mijn imaginaire reis een halt toeroepen). Kortademig als ik ben vertel ik voorlopig geen lange verhalen. De energie om de onderdelen aan elkaar te lassen bezit ik niet, evenmin als een degelijke bril om m’n ogen te beschermen.

Denk je dat ik bedroefd ben, omdat ik geen boeken noem? Nee, ik noem geen boeken, niet omdat ik bedroefd zou wezen, maar omdat je geen boeken noemt met koude vingers en een zeer hart. Ik, of was jij het? Wij hebben al teveel boeken genoemd in ons lange leven. We verheugen ons daar over. Over de geheimen die we op die manier hebben ontdekt. Ik bedoel, voor we de titels en de namen noemden, toen we de woorden lazen. Als we ziek in bed lagen en buiten naamloze vogels zongen. De naamloze krekels en sprinkhanen hun gang gingen. En het geruis van nog jonge bladeren in de platanen. Een beetje wind. Toen we naar adem hapten, de lakens nat van de koorts, en toch zeker van een genezing, gauw, ongetwijfeld bij zonsopgang. En bij zonsopgang waren we genezen. Daarna aten we erwtensoep, aardappelen, paling, dronken water, limonade. En de volgende dag, een zondag, klom ik in de bomen en bouwde er mijn stad, die glinsterde in het zonlicht. Mijn stad van naamloze vogels en waternimfen (want de bomen groeiden kort bij een rivier). Mijn onbewoonde stad, waar de toekomst juichte. Neem van me aan dat ik er vrij was.

 

29-09-09

DE TWINTIGSTE EEUW: NOOIT MEER SLAPEN

 
“Lucide geeft Alvaro De Campos [heteroniem van Fernando Pessoa, MP] voor [het] collectieve nomadisme aan: het zich losrukken van het vertrouwde, van het gevestigd zijn. Dat is een diepzinnige en naar mijn mening juiste opmerking: wil het individu subject worden, dan moet het de vrees, de aangeboren afkeer van gevangenissen overwinnen, zeker, maar meer nog de angst elke identiteit kwijt te raken, beroofd te worden van de aan plaats en tijd gebonden sleur, van het ‘geregelde en overziene leven’.

Dat motief obsedeert de eeuw, die heel vaak wat zijn handelen en werken betreft een oproep tot moed is. Wat het individu verstart, wat zijn machteloosheid bepaald is de angst. Niet zozeer angst voor onderdrukking en smart als wel de angst niet langer het weinige te zijn dat men is, niet langer het weinige te hebben dat men heeft. De eerste daad die tot inlijving bij het collectivum en tot de creatieve transcendentie leidt, is niet langer bang te zijn.”

Toen ik deze zinnen van Alain Badiou, uit zijn ‘De twintigste eeuw’, vanavond in de metro op weg van mijn werk naar huis las, dacht ik, heb ik dat niet zelf geschreven, eens? Het lijken mijn woorden, mijn gedachten wel – en, vooral, het gaat over mijn angst, verstarring, machteloosheid. Badiou schrijft dit als lectuur van een lang gedicht van Alvaro De Campos, Ode Maritima, een gedicht dat ik zelf ook heb verslonden, wat de herkenning misschien verklaart. Maar er is meer. Zelf zou ik deze ideeën nooit hebben ontdekt bij de Portugese dichter, verblind en verlamd als ik ben door mijn angst en mijn manier van interpreteren die door die angst is bepaald.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Voornamelijk wat er staat, het citaat van Badiou, gebaseerd op Pessoa’s heteroniem (Alvaro De Campos), en de gedachte dat als ik nog ergens bij wil horen, als ik uit mijn ‘ik’ wil stappen en een ‘jij’ en een ‘wij’ worden – dat ik dan niet meer bang hoor te zijn. Waarom zou ik nog langer bang zijn? Waarom zou ik mijn angst niet schrappen?

Alain Badiou gaat daarna in op berusting, lafheid en moed. Hij noemt de Amerikaanse kunstvorm bij uitstek, de western, een gedegen, modern genre, dat in die zin “een groot aantal meesterwerken heeft opgeleverd”. Het mooiste voorbeeld in dit opzicht (dat hij niet noemt) is natuurlijk ‘High Noon’ van Fred Zinneman.

Wat Alain Badiou niet vertelt, wellicht omdat hij het niet zo goed kent, is de Amerikaanse folk, die heel vaak tegen de bij uitstek Amerikaanse liberale, kapitalistische principes indruist. Ik denk aan Pete Seeger, Bob Dylan, Joan Baez, Phil Ochs, Green On Red, Nanci Griffith, Steve Earle, Townes Van Zandt en Hope Sandoval. En honderden anderen.  (De literatuur laat ik even buiten beschouwing. Een opsomming is ook maar een opsomming. In deze laatste paragraaf wilde ik eigenlijk alleen maar de naam Hope Sandoval laten vallen, of weer oprapen.)

HOPE

Voor de rest is het dansen in het maanlicht. Of wat dacht je? Ver weg van de gevaarlijke zon. Ver weg van zonnige insecten. Van lafaards, leugenaars, van hun stoffelijke resten. Als we vergingen van de honger zouden we hun vlees niet eens willen eten, hun bloed niet drinken. Maar op straat loop ik een onbekende gitarist tegen het lijf. Hier, zegt hij, en geeft me zijn gitaar door. Ik speel tot de snaren bloeden. Ik zing met een stem die de mijne niet is. Het is de zijne, het is de jouwe.

 

 

18-09-09

VEEL DRUKTE OM WEINIG

discussie,hoofddoeken,griep,john fogerty,daniel lanois,shirin neshat,beatles,trixie
Copyright: Shirin Neshat.

 
Een week die toebehoorde aan the Beatles en veel gepalaver over zin en onzin van een hoofddoekenverbod in België, of is het Vlaanderen, of alleen maar de Metropool, de tweede grootste haven van Europa. ‘Come Together’, dat heb ik de hele week gehoord. En dan was er Daniel Lanois en Trixie en Co, zwart en blank in een innige muzikale band verenigd. Iedereen kon niet anders dan uit de bol gaan, om eens een cliché te gebruiken (het was een mooie maar vermoeiende dag, met altijd de dreiging van die Amerikaanse griep ook nog eens, erg problematisch voor een hypochonder). 

Helaas heb ik door heel dat gedoe, en door privé-omstandigheden geen tijd gehad om te schrijven. Mijn handen jeukten en jeuken nochtans. Hoewel ik voor een deel met mijn hoofd in het verleden zit, vind ik dit toch een bijzonder boeiende tijd om in te leven en om erover te schrijven. Maar nu moet ik naar Gent vertrekken, om het huwelijk van mijn vrienden te vieren. Ik zal hier zo spoedig mogelijk opnieuw van me laten horen.

Intussen kunt u de nieuwe langspeelplaat van John Fogerty misschien een keer beluisteren? Een meesterwerkje.

04-09-09

ALTIJD SOMS


joao2

João César Monteiro

 

Soms.

Soms is de nacht de dag en de dag nacht. Soms hoor je me ademhalen alsof ik de dichter cummings ben, met liefdesverklaringen, haakjes, komma’s en al. Donkere ogen in de cartesiaanse dag. Maar met een slaapmasker op, zodat ik je mijn liefde niet kan verklaren, althans niet met mijn ogen.

Bij het ontwaken kijk ik nooit in de spiegel. Ik wil jou niet zijn, en jou evenmin. Ik wil niemand zijn. Misschien ben ik psychotisch? Maar dan toch alleen maar theoretisch, want ik leef het leven van een burger in de burgermaatschappij. Kom maar kijken, bestudeer mijn gedrag! Alles normaal. Een uitbarsting wordt van mij niet verwacht en die zal er zeer waarschijnlijk ook niet komen. Waarom zou ik me van de anderen onderscheiden? Ik ben zelf een andere, behalve dat ik niet van barbecue houd en, zoals Cristina, niet van appelsienen… Of zijn het sinaasappels? Geen mens die het nog weet, en het kan hem ook niet schelen, de nieuwe mens met zijn nieuwe zorgen. Als hij al maar niet in stukjes uiteenvalt, in scherven – wat een Moderne, neem Fernando Pessoa, nochtans al had aangekondigd.

Zoals een andere Portugese heer, João César Monteiro, zou je ook schaamharen van jonge meisjes kunnen verzamelen en zo door de dag komen, die de nacht is, donker als een Hongerwinter (waarover mijn ouders me gedurende ongeveer acht winters lang elke avond hebben verteld). Dat wij babyboomers nooit een oorlog, een Hongerwinter mee hebben gemaakt! Alleen maar tegen het geweld, de wapens, het gezag zijn we geweest. Soms zagen we wel eens wat door de vingers, rode brigades, Che Guevara, films van Pasolini, Fassbinder, noem maar op. Maar verder gingen we niet. Er waren grenzen.








En dit is mijn grens. Dat ik er het zwijgen toe doe. De stilte van Hölderlin, met zijn ongeknipte nagels, in zijn toren daar in Tübingen. Daar probeer ik mijn stilte op te rijmen.

 

28-07-09

SCHERVEN


oorlog2


Je leven bestaat uit een bepaalde hoeveelheid scherven. Elke dag komen er wat bij, scherven; na een zekere tijd probeer je ze niet eens meer aan elkaar te lijmen. Omdat de scherven meer betekenen dan het geheel dat ze eventueel zouden kunnen vormen. Het is niet alleen je leven. De hele wereld is verbrokkeld, verbrijzeld, in stukjes uiteengevallen. Is het onlangs gebeurd, of is het altijd zo geweest? Dat weet je niet. De evolutieleer zegt dat er een bepaald systeem in ons systeem zit, dat we niet echt scherven zijn, maar schakels, onderdelen van een groter geheel dat voortdurend in beweging is, en waarvan elk onderdeel in zekere zin ‘strijd’ levert met alle andere onderdelen. Dat was een gedachte die Heraclitus een paar duizend jaar geleden al kende: de oorlog als oorsprong. De oorlog als strijd bekeken, niet als berekende en berekenende strategie.

Maar met scherven is het anders gesteld. Er kan een oorlog hebben gewoed, en dan heb je ongetwijfeld veel kleine stukjes, het resultaat van schermutselingen, van geweld, van onduidelijke woede en vernietingsverlangen. Wat in zulk geval overblijft zijn dode dieren, mensen, vernielde woningen en velden die voor vele jaren onvruchtbaar zijn. De liefde brengt de vijanden weer bijeen, schept nieuw leven, herstelt sommige wonden. Maar de liefde lijmt de scherven niet aan elkaar. Scherven zijn er voor altijd. Je leest bijvoorbeeld een boek van Joseph Roth, ‘De Radetzkymars’ of ‘De biecht van een moordenaar’. En wat je leest zijn scherven van een verleden, van een opvoeding, van een voorbijgestreefde cultuur, een cultuur die verbrijzeld is door de menselijke tijd, de mode, de nieuwe gewoontes en vooral de verlangens die hetzelfde zijn als altijd maar een nieuwe gedaante hebben aangenomen. Je kent de metamorfosen, die van de oude Grieken, die van Kafka, die van de hedendaagse kunst. ‘Last Tango In Paris’ is een geschiedenis van metamorfosen, de werken van Gerhard Richter, van Bob Dylan, van Cat Power. Cat Powers ‘I Can’t Get No Satisfaction’ is een perfecte metamorfose. Het is een scherf van de zeer bekende song van the Rolling Stones. Op dezelfde manier vinden sommige dichters scherfwoorden bij Hölderlin, Celan, Heidegger, Sofokles, Rimbaud en andere voorlopers. Scherven waarmee je je aders kunt opensnijden en bloeden, gewoon op een grasveld, of als een Romein in een bad, zodat het geen pijn doet. Is er iets mooiers dan een plas bloedrood bloed op een grasveld?

De scherven zijn vooral levensscherven, die ons aanzetten om naar elkaar toe te gaan, en indien ze niet te lijmen vallen, wat kennelijk niet mogelijk is, toch te zien of we niet een beetje in elkaar passen. Dat we scherven zijn maakt dat we elkaar gaan verkennen en erkennen. Dat we inzien, we zijn anders, maar ergens is er een mogelijkheid om in elkaar te passen, alleen zijn we zo erg door elkaar geschud, dat het moeilijk is geworden om te zien waar de breuklijnen zijn, en waar de natuurlijke grenzen (en natuurlijke grenzen zijn geen grenzen). Overigens heb ik sinds mijn zestiende jaar nooit in grenzen geloofd, wellicht eerder al, maar daarvan ben ik niet zeker van – ik ging ervan uit dat de wereld een geheel was, en later dacht ik zelfs dat er een gefundeerde orde was voor het hele universum, maar dat zal een te utopisch verlangen zijn geweest. Voorlopig hoor ik geen gefluister uit de kosmos.

Als we dood zijn, zeggen de mensen, groeit er gras op onze buik. En in dat opzicht geloof ik de mensen. Het is een mooie ecologische uitspraak, ervan uitgaande dat je lichaam niet geheel vergiftigd is door chemische stoffen. Op elke buik groeit wat gras, maar net zo goed zullen familieleden wat scherven komen brengen, of ze nu gelovig zijn in dit of dat of in helemaal niets. Op je graf komt altijd een scherf, of meerdere scherven. Dat is toch mooi?

Neem nu een film, de allermooiste die je kent, ‘La Notte’, of ‘Lost In Translation’ of ‘La maman et la putain’, of ‘Paths Of Glory’ – het zijn stuk voor stuk combinaties van scherven. Ik heb het – tussen haakjes – altijd vreemd gevonden dat meestal vrouwen de films in stukjes knippen en weer aan elkaar plakken (met de rotzooi eruit), de vrouwen die bewezen hebben dat zij het sterkste zijn, in de ‘menselijke’ struggle for life – in dit avontuur waarvan wij de afloop niet kennen. De vrouwen bouwen de wereld op die wij nu nog niet kennen. Misschien komen zij van een ander sterrenstelsel, of behoren zij ertoe, krijgen zij van daaruit hun opdracht, om ons te redden, om echte mensen van ons te maken – want mannen kunnen dat niet. Mannen kunnen veel, maar wat ze niet kunnen is de wereld redden en de mensen laten overleven. Zij hebben er geen idee van wat de natuur is, en hoe het met de maan en sterren zit. Zij kunnen geen films knippen, tenzij het films zouden zijn die pijn doen aan de ogen. Vrouwen kunnen dat. Vrouwen hebben een idee van het scherfzijn van hun mannen, van hun kinderen en van zichzelf.

Mensen zijn gek op scherven, scherven geschiedenis, scherven van borden tijdens een huwelijksritueel, scherven van een kapotgeslagen 78-toerenplaat, scherven van het glas in de voorruit van een snelle wagen. Mensen erven zulke verlangens, transformeren ze, maken er iets nieuws mee, in sommige gevallen verwerven ze dank zij scherven weelde of aanzien, maar allen sterven ze. Dat is het uiteindelijke scherfzijn: de dood, die niemand kent en elkeen met elkaar deelt, zonder het te weten. Een scherf, een splinter in je ziel. En dan sterf je, en dan vallen al je scherven in scherven uiteen.


Foto: Martin Pulaski, Sporen

22-06-09

RITUELEN


Queen_Christina

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

04-05-09

OP ZOEK NAAR EEN ORIGINELE MANIER OM DE GEEST TE GEVEN?


bacon


Het heeft me altijd gefascineerd dat Francis Bacon overleden is aan een kou die hij had opgelopen toen hij wilde onderzoeken of sneeuw het bederf van een dode kip kon vertragen. Is er iemand op een meer originele manier de hoek omgegaan? Ik denk het niet, zeker geen filosoof, zelfs Empedocles niet, die nochtans blootsvoets in de grommende krater van de Etna sprong. Dat laatste is bewezen, een of andere verdwaalde toerist heeft zijn sandalen teruggevonden.

Gaan wij nu allemaal dood ten gevolge van een banale varkensgriep? Dat zou toch een grote grap zijn, maar wel een om bij te huilen. Ik ben aan het onderzoeken of ik niet op een even originele manier als Francis Bacon kan sterven. Wurgseks, zoals in ‘L’empire des sens’ lijkt me wel iets, maar zonder dat daarna mijn penis wordt afgesneden en al mijn boeken onder het bloed zitten. Vroeger, kort na het verschijnen van die film, dacht ik dat wurgseks iets typisch Japans was, zoals harakiri en saké – maar dat schijnt niet het geval te zijn. Sommigen, zoals Richard Manuel, sterven van ‘zelfwurgseks’, of hoe moet ik het noemen? Een droevige zaak. Richard Manuel, een van de mooiste stemmen ooit. Was zijn stem kapot? Wat dan nog? Tom Waits, Marianne Faithfull en Bob Dylan doen lekker door, stem of geen stem. En ze maken bovendien nog uitstekende platen, zoals dat nieuwe, zeer aanstekelijke meesterwerkje, ‘Together Trough Life’.

Nee, laat ons maar zo lang mogelijk leven, plezier maken, liederen zingen, iets van Gram Parsons of Townes Van Zandt bijvoorbeeld, gedichten schrijven, in cafés gesprekken voeren met Italiaanse immigranten uit Limburg, saké drinken, en dranken die we nu nog niet kennen – en veel water natuurlijk. Laten we er samen alles voor doen om die verduivelde varkensgriep  uit te roeien en zoveel mogelijk andere problemen op te lossen, zoals die idiote godsdienstoorlogen, terwijl alle godsdiensten één zijn, verankerd in de natuur en de zon.

In Brussel zijn alweer twee jonge mensen vermoord. Dat kan toch niet. Hun moordenaars hadden beter meegewerkt aan de moeilijke strijd tegen ziekte, armoede, dakloosheid, etcetera. Waarom doen ze dat? Waarom rekenen ze met elkaar af, of slaan ze hun slachtoffers zonder enige reden in elkaar (zoals ze met mij al te vaak hebben gedaan – vandaar dat ik me alweer met die dode jongens associeer).

De dood ligt altijd op de loer. Daarom moeten wij het leven blijven uitvinden, het mooier en sterker maken. Er liefde en mededogen aan toevoegen – en verbeelding. Ben ik nu een moralist? Nee. Eigenlijk ben ik verontwaardigd, en transformeer ik mijn verontwaardiging in een dagdroom, in een utopie. Maar als ik toch ooit moet heengaan, wil je dan Bill Callahans lied voor me zingen: ‘Dress Sexy At My Funeral’? En de daad bij het woord voegen? Dank je.

empire

 

29-04-09

IK WIL JE BLOED PROEVEN


blood-simple

Ik heb slecht, donker bloed. Er zitten donkere wolken in, geruis, fijn stof dat boven de snelwegen zweeft en kleine kinderen ziek maakt en volwassenen besluiteloos in de zomer door Zuiderse straten laat slenteren. Mijn bloed is niet geschikt voor transfusie, hoe mooi ik dat woord ook zou mogen vinden, wat niet het geval is. Ik houd zelfs niet van het woord ‘bloed’. Het maakt me wee, doet me aan een scène in mijn kinderjaren denken, toen ik flauwviel nadat ik tijdens aardappelen schillen in een vinger had gesneden. Veel meer dan een schram was het niet, maar het bloedde. En even was ik weg van de wereld, was ik in de wereld van het bloed, het donkerrode, datgene waar we in ‘stilte’ naar schijnen te snakken. In de kantoren van de wereld, in het theater, in de cinema’s, in de donkere steegjes, in klaarverlichte straten, op stranden in de verblindende zon. Vuil bloed, zuiver bloed, en alles er tussenin.

Ik wil jouw bloed proeven. Ik ben een vampier. Laat me je bijten in je nek. Hoe mooier je bent, hoe lekkerder je bloed. Tot je begint te bloeden en koorts krijgt als een personage in een opera. Sentimenten. Mijn leermeester is de secretaresse, het fotomodel, en Rimbaud natuurlijk. Ik vang veel op van conversaties in coole films en in supermarkten, als iemand mij zegt hoe ik de kabeljauw moet bereiden. Met wat bloem, zegt iemand. Dat lijkt me geen goed idee. Ik houd niet van bloem. Ik vind dat vis als vis moet smaken, met wat kruiden erbij. Maar in de supermarkt is iedereen het er opeens over eens dat je de vis in bloem moet wentelen. Ik kan niet koken, zeg ik dan maar. Mijn vrouw kookt, en zij zal wel zien. Ik weet natuurlijk dat zij geen bloem gebruikt. Zij is zelf een rode bloem. Geen roos, ik weet niet welke, ik ken de naam niet. En broden kopen we bij de bakker en zelfs in de supermarkt. Bij ons in huis worden geen broden gebakken. Wij hebben geen bloem. Moderne mensen eten die dingen niet. Of soms net wel, om dwars te liggen, zoals destijds hun 'hippie' ouders. Vooral moet het Japans zijn, rauwe vis, sake, goed gekruid voedsel en de betere wijn uit 'wereldlanden', waar gevaarlijke virussen ontstaan. Alsof we niet allemaal werelden en wereldlanden zijn en virussen ons de dood voorspellen, kwaad bloed of goed bloed.

Ik eet graag aardbeien, frambozen, maar krijg er uitslag van. Eet ik ze daarom niet? Toch wel. Liever wat uitslag dan geen aardbeien of frambozen te smaken. Met hun kleur van bloed en weelde, hun belofte van lust en seksuele avonturen. ‘Een pruim’, zeiden de mensen toen ik klein was, maar een aardbei, een framboos, door het rode, het sappige, vind ik veel sensueler. Het lichte en het donkere bloed, het sap als van een ‘ongestelde’ vrouw – het donkere object van het verlangen. Want wie wil niet de vampier zijn die in haar hals wil bijten en aan haar bloederige tranen likken? De bloederige vloeistoffen van een vrouw.

Ik weet het niet. Misschien heb ik daardoor geen goed bloed en is het te donker. Het maakt me niet uit. Het leven is kort en ik wil proeven wat ik ken en niet ken. In kantoren, in donkere gangen, in theaters, in de cinema, in donkere steegjes en eigenlijk overal waar ik kom wil ik je smaken. Ik wil je smaken, je bloed, je tranen van geluk of verdriet, het verdampen van de echo op de ramen - als je weer eens onzin uitkraamt. Of net wel heel veel leugens vertelt, die geen mens gelooft, maar wel grappig zijn. Die vormen ook patronen op de ramen, of niet soms?

medea delacroix

 Afbeelingen: Blood Simple, Coën Brothers; Medea, Delacroix.

15-03-09

NOW LITTLE BOY LOST HE TAKES HIMSELF SO SERIOUSLY


Voor Isabelle, Bart, Jan, Paul en al de anderen.

dreamwilliamblake


“The night was dark, no father was there,
The child was wet with dew;
The mire was deep, and the child did weep,
And away the vapour flew”

William Blake

Ik leef in een droom, of ik droom dat ik leef. Denk niet dat een droom mooi is. Je weet het allemaal al, als je hier in deze streken woont. Soms wordt hij een nachtmerrie, vermoed ik, en word ik een griezel, vermoed ik, want ik zie mezelf niet meer in spiegels als ik daar ben. Ik ga de straat op, de nacht in, waar alleen beregende kasseien mijn silhouet weerspiegelen. Mijn ene silhouet, het andere blijft in de schaduw. Buitenshuis zijn de spiegels altijd in mist gehuld. Of met een dikke laag vet bedekt. Met vilt, met wolvenhuid. Je kent het allemaal al, het is de natuur in ons die spreekt, en wij in de natuur.

Alvorens ik een weerwolf word ontmoet ik oude vrienden, die me gelukkig maken met hun levensloopverhalen en hun verjaardagen. Ik ontmoet nieuwe zielsverwanten, van wie ik de voornamen tot mijn spijt meteen weer vergeet. We praten urenlang en ’s anderendaags weet ik niet meer met wie over wat. De antidepressiva, het donkere bier. Deze onbekende vrienden zijn opeens veel belangrijker dan mijn zwakke gezondheid. Ik vergeet waar het station is, waar ik woon, wie ik werkelijk ben. Zijn dit avonturen? Nee, je verdwaalt in een nachtmerrie, waarin de politie je van de straat oppikt: ja, je bent weer eens in de goot gevallen, de kneuzingen bewijzen het. De zakelijke en beleefde agenten geven je een lift naar het station, dat nog uren gesloten is. Je staat voor de gesloten deuren zonder aan iets te denken, zonder te twijfelen. Je neuriet een lied dat Bart Koubaa een paar uur eerder heeft gezongen. De titel ben je vergeten, maar hij zit ergens in je zenuwen, in je hersens. Je beste vrienden zijn boos op je, of waren het, omdat je niet verantwoordelijk bent voor jezelf. Je geeft je over aan hun goedheid, hun troost – maar zij willen die rol niet langer spelen. Je bent veel ouder, je zou bijna hun vader kunnen zijn, of een veel oudere broer. Zij moeten niet voor je zorgen. Ze hebben gelijk. Daarom zijn het je vrienden: om je te zeggen waar je aan toe bent. Dat een dom en vaag avontuur geen avontuur is. Dat je, zoals Brian Wilson, voor je geestelijke gezondheid moet zorgen. Maar het station is gesloten. In een café in de buurt zitten vreemde mannen die een vreemde taal spreken te kaarten. Je kent het spel niet. Voor de rest is er niemand anders aanwezig dan een verbitterde vrouw achter de bar. De vrouw is niet loslippig, maar je mag wel even in een hoek in een stoel zitten slapen, zegt ze. Dat weiger je. Ook al wankel je, je bent te trots om te gaan zitten liggen. Je staat wankelend kaarsrecht en wil praten over het leven. Maar de vrouw is hard en zacht tegelijk: je mag wel slapen maar over haar leven vertelt ze niets. Het leven is hard, waar je ook komt, zegt ze.

Op de trein neemt een meisje uit Taiwan naast je plaats. Ze straalt. Ze heeft stralende ogen. Haar leven is vol geopende zaken, terwijl die van jou bijna allemaal toe zijn. Je praat en iemand luistert. Zij praat en jij luistert. Het is nog ver naar Brussel. Maar Brussel is veel te nabij. De droom mag soms langer duren. Als je maar niet ouder wordt ondertussen, of dement, of doodgaat.

Alles wat niet meer kan gezegd worden, wordt poëzie. Poëzie is de enige waarheid, niet het onzegbare, maar het ongezegde, het ongezegende, het omgekeerde van het loslippige. De adem na storm en afgedwongen stilte. Poëzie is roken en diep inhaleren, zonder de schadelijke neveneffecten. Het is amour fou zonder zelfbedrog, niet seksueel overdraagbaar ziek, maar desondanks uitzonderlijk gevaarlijk. Poëzie is alles wat ik de voorbije dagen niet heb gehoord en niet heb gezegd. Poëzie is bijna-stilte, maar dan heel luid en met heel veel ingehouden verlangen en geweld.

Beeld: Dream, William Blake

05-02-09

DO YOU REALIZE THAT EVERYONE YOU KNOW SOMEDAY WILL DIE?


in the light

Heb je dat ook, dat je met het gevoel zit dat je niets meer weet? Dat je geen inzicht meer hebt, niets meer begrijpt. De wereld, alles wat bestaat, is opeens een gewriemel van ondoordringbare ‘dingen’, een immens moeras van particulariteiten, een chaos. Er is geen helderheid, je kunt niets onderbrengen in categorieën. Niets is verwant met iets anders. Wat is een mens? Wat is een gevoel? Wat is een emotie? Muziek is een grillige opeenvolging van zinloze klanken. Troebel water, een donkere zon, de weg naar de toekomst is de weg naar het verleden, de weg omhoog is de weg omlaag. Alles ontstaat en vergaat tegelijkertijd.

Is dit misschien een ervaring van de waanzin, een korte psychotische aanval? Is het een gevolg van te lang alleen zijn? Ik zit hier maar, soms lig ik even in de canapé. Ik zet een plaatje op: vervelend. Er is weer iemand dood. Je zou een in memoriam moeten schrijven. Maar waarom? Je praat met niemand. De muziek is afgelopen. Het is stil, af en toe het doffe lawaai van een voorbijrijdende auto. Je zou naar honderd voorstellingen kunnen gaan. Films, concerten, toneelstukken, vernissages. Brussel, Antwerpen, Gent, veel andere plaatsen. Maar je blijft op je stoel zitten. Of je doet een dutje in de canapé. Dan ontwaak je en weet je niet meer of het dag is of nacht. Je bent je zeer scherp bewust van de tijd. Het einde nadert. Vorige week kreeg je nog de tranen in de ogen toen je Wayne Coyne hoorde: “Do you realize that everyone you know someday will die?” De mooiste song van The Flaming Lips. En nu je je die tranen herinnert, herleeft er iets in je. Alsof verdriet je innerlijk verwarmt. Maar al die doden, hoe leef je daar mee? Je vrienden die uit het leven stapten, anderen die stierven van ongeluk, van waanzin. De muzikanten die je zag optreden en er nu niet meer zijn. Zoals Townes Van Zandt, met wie je graag bevriend was geweest. Je had meermaals met hem kunnen praten, of naar de kroegen gaan, maar je was te schuchter. Misschien nog een geluk dat je niet samen met Townes hebt zitten drinken. Anders zou je de herinnering nog veel pijnlijker zijn. Je herinnert je de vele nachten in Antwerpse cafés, pratend met Renée, een mooie, lieve vrouw, die veel las. Nu is ze al lang dood. Ashes to ashes, dust to dust. Elke keer als je een glas Porto drinkt, denk je aan haar. En je ouders, je grootmoeder, je tantes en ooms. Ludwig, je schoonbroer, geveld door kanker. Zou Evan Dando nog leven? Een gevoelige man, met een hemelse stem en onvergetelijke melodieën. The outdoor type. Nee, toch niet. En Hope Sandoval? De droomvrouw, maar maar altijd in het donker. Waar is ze? Waarom laat ze niets meer van zich horen? Ja, jongen, nog maar eens aan verwarring ten prooi. Terwijl om je heen de menselijke werkelijkheid uiteen lijkt te spatten, zit je op je stoel en ben je in de ban van het blauw.

Maar elke dag omstreeks middernacht begin je aan je oefeningen: schaduwboksen, gewichten heffen, push ups. Je voelt je sterker worden. Jou zal de dood niet zo vlug te grazen nemen. Ja, sterkere spieren, vaster vlees. Maar wat doe je met de wereld, met de mensen, waar je niets meer van begrijpt? Met je stilte? Me je afzondering? Wat te doen? Wat in hemelsnaam te doen?

Op de achtergrond, nee, op voorgrond klinkt nu opeens Myriam Makeba’s stem, Pata Pata. Every friday and saturday night it’s pata pata time!

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

27-01-09

EIGENSCHAPPEN VAN DE TAAL


barbey

Opgedragen aan Veronika Radovcic


Wil je mij verlaten, mijn vriend? Vergeet dan niet dat je leven een droom is. Ik ben degene die je droomt. Als ik wakker word, maar dat kan eigenlijk niet, want ik geniet van de eeuwige slaap, dan verdwijn je. Ik zal je niet meer achtervolgen met mijn moeilijke vragen, ik zal je niet meer op de proef stellen, ik zal niet meer lachen met je verdorven ras, ik zal niet meer de opstand tegen jou en je soortgenoten propageren, ik zal zwijgen. Eerst zal ik fluisterend afscheid van je nemen. Ik pluk de luizen uit je pels en wat je hebt aan gezond verstand of lumineuze ideeën neem ik van je af en schenk ik aan je vijand. Als je van het voorrecht geniet een of andere vijand te hebben. Zoniet schenk ik dat zaakje aan de Berg van Barmhartigheid. De barmhartigen en hun slaven weten meestal wat aan te vangen met een goed idee. Revolutie, fascisme, Abu Graib, je kent het wel. Meer uitleg heb je niet nodig.

Je kunt me niet verlaten, mijn vriend. Ik ben je boezemvriend, ik zit opgesloten in je hart, in een van zijn kleine kamers luister ik mee naar je wensen en verwensingen. Ik ken je diepste geheimen. Ik weet van wie je houdt en wie je verafschuwt. Ik weet dat je leven geen zin heeft. Je behoort niet tot een gemeenschap. Je bent een uitgestotene. Je bent een leugenaar die zichzelf voorliegt dat hij een goed opgevoed mens is. Je bent een barbaar. Je bent een slaaf van je driften, van je verlangens. Je zoekt naar ongehoorde woorden, maar je weet dat ik de sleutel heb van het tabernakel. Je weet dat ik de sleutel heb van je grammatica en van de kleinoden die je denkt je eigen gemaakt te hebben in je taal. Wartaal! Van in het begin had je niets te vertellen. De weinige juiste woorden heb ik je in de mond gelegd. De waarheid tegenover jouw leugens. Want wat jij wilde was aandacht, troost, genoegdoening. Je vervalste het systeem opdat de taal aan jouw verlangens tegemoet zou komen. Je bent niet meer dan een banale vervalser. Wat je ook doet, ik heb je in mijn armen, ik omhels je. Ik zeg je de waarheid. Tot je erbij neervalt. Tot je laatste ademtocht. Tot je de tocht afblaast. De tocht. Tot je bevriest in je voetsporen en zwijgt. Tot je zwijgt als het Graf.

En dan mag het aan jou zijn.

Afbeelding: Barbey d’Aurevilly

 

15-01-09

GESTOLEN WOORDEN


zelfportret met boeken

Slaap steelt je woorden. Sneeuwvlokken die in de kamer neerdwarrelen, geluidloos als de uitgestorven echo van een op een zomeravond voorbijgevlogen zeemeeuw. Waarna geen vervolg volgt en geen eindwoord uitgesproken wordt. Geen dankwoord, geen woord van liefde. Alles blijft omhuld, gemaskerd, aan elk begrip onttrokken.

Het gedwarrel toen je sliep sloot het spraakvermogen af. Alle sleutels raakten zoek, zelfs met toverformules in gebarentaal raakte je niet binnen. De poorten van de hel, de hemel, het hele ondermaanse: dat waren toch woorden?

Je weet dat slaap een vorm van sterven is? Waar je de voorbije dag je zinnen op had gezet hebben anderen zich vliegensvlug toege-eigend. Zo gauw je een kleinood in je handen hebt komt iemand aangelopen en neemt het van je af. Dan is het beter te slapen dan zo zonder vrienden te zijn.

De zon schijnt door het raam naar binnen, op je witte lakens. Je verheft je stem om wat de voorbije nacht gebeurde. Niet luid, meer als bij een elegie en niet vurig, meer als voor een manke toespraak voor een derderangs commissie, waar iedereen sloten koffie drinkt maar ternauwernood luistert. Je gaat het gebouw uit, loopt door de straten tot aan een aardappelveld, het hoofd in een sneeuwstorm gewikkeld.


Foto: Martin Pulaski, zelfportret met boeken.