20-03-13

EEN NIEUWE ETHICA

IMG_5344.JPG

Foto: Martin Pulaski, Evora, 25 maart 2007.

Sinds gisteren ben ik opnieuw aan het werk, noteerde hij met enige tegenzin. Maar ik wen er niet aan. Het lijkt allemaal zo zinloos, zo overbodig. Wat voegen we toe aan de wereld? Wat geven we? Je kunt beter een boek lezen, of wat overpeinzingen in je dagboek neerschrijven. Regende het maar, dan kwamen de mensen wat minder buiten. Iedereen zou beter binnen blijven, dan zou ik ook graag binnen blijven en me bezig houden met mijn ware opdracht. Nu is er altijd die onrust en een verlangen naar datgene waar al die andere mensen naar verlangen, wat zou dat toch zijn?

We hebben werkelijk behoefte aan een nieuwe ethica, vervolgde hij. Op café zei een mooie jongen me, - hij had net een joint gerookt, zei hij - dat je  het woord misdaad niet mag uitspreken, omdat dat een veroordeling is, een moreel oordeel. We beginnen in kringetjes te denken, antwoordde ik, en verliezen elk houvast. Sommigen blijven zeker van hun stuk, dat wel, maar het is duidelijk dat hun, sorry, óns, discours op drijfzand is gebouwd. Jacques Derrida schrijft dit en dat, Claude Lévy-Strauss is een romanticus, de edele wilde bestaat niet. Et cetera. De conclusie van al dat gepraat is meestal dat idealen dom zijn, dat je moet leven in de werkelijkheid zoals ze zich aan ons voordoet. Je kunt in deze bittere tijd toch geen utopist zijn, man, zei de mooie jongen. Ja, toch wel, vind ik, ik ben een communist, kijk maar ik heb een rood hemd aan. Met een grapje onttrok ik me aan de ernst van mijn toevallige kameraad, en aan mijn eigen ernst. Hij lachte. Hij besefte niet dat ik het meende. Dat ik blijf dromen van een betere wereld.

Hoewel ik tegelijk denk dat wij niet veel meer zullen veranderen. Ik geloof dat ik in mijn leven niets heb veranderd, of het zouden de steentjes en zeeschelpen moeten zijn die ik een andere plaats heb gegeven. Maar misschien is dat ook niet slecht, want degenen die de wereld echt veranderd hebben, mannen zoals Stalin en Hitler, hebben tragedies en genocides veroorzaakt.

Veel mensen beoordelen je op je functie, schreef hij. Of op hoe je eruitziet. Je werkelijke leven ontsnapt aan hun aandacht. ‘La vraie vie est ailleurs’, zei Mallarmé. Wat bedoelde hij daar toch mee? We hebben een nieuwe ethica nodig, besloot hij. Tijd voor een kop koffie en wat facebook-zelfverlies.

07-03-13

GEBROKEN HART

anicée alvina.png

Anicée Alvina


“Leibniz - who had believed that this world was the best of all possible worlds – believed that porcelain was its best material.”
Bruce Chatwin, Utz


1.

Ik wil geen gevaarlijk leven leiden, dat is belachelijk, maar ik wil evenmin berusten in gerieflijkheid, het behangpapier van degenen die naar de dood verlangen. Verlang ik zelf dan niet naar de dood? Ja, natuurlijk – zoals iedereen, omdat het onze bestemming is. Het is een heel stille stem, die echter niet ophoudt ons te roepen: zij kent al onze namen.

2.

De wereld is geen lachertje. Ik hoop dat je hart niet altijd gebroken blijft. Als ik niet meer van je houd. Of net wel. Een gebroken hart is een country song, maar is ook een werk van Mark Rothko, van sommige dronkaards die nog willen schilderen, schrijven, zingen. Johnny Cash, Arshile Gorky, Virginia Woolf. Een gebroken hart is een mooi hart omdat het bloedt, in zichzelf, zonder hechting aan een grond, een volk, een dom ideaal. Een gebroken hart is gebroken als het Meissen-porselein in Bruce Chatwins ‘Utz’ , als een 78-toerenplaat van Blind Willie Johnson; is gebroken als een eeuwenoud wijnglas op de keukenvloer stukgegooid in een hoog oplopende ruzie, uit liefde, uit woede.

17-02-13

VITA BREVIS

P1010305.jpg

Terugdenkend aan de slaapwandelaar die met zijn hond voorbijstrompelde. Aan de sterren van dronken woorden die de hele nacht richting Venus van de grond om ons heen opstegen. Bloemen die nooit konden verwelken, alleen thuis in een romantisch gedicht. Keats, Gérard de Nerval. Terwijl toch menige oorlog woedde en soortgenoten werden gefolterd. Bloed, vuur en tranen... Maar wat stond geluk in de weg? Welke god beval ons onze oneindige kus te staken?

Hoewel Seneca beweert dat het niet waar, is het wel waar: het leven is kort.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

22-12-12

NACHTGEDACHTEN

cyclopodilonredon.jpg
Odilon Redon, De cycloop, 1898-1900.

’s Nachts wervelen mijn gedachten, zwerven ze koortsig van de ene onbestemde plek naar de andere, altijd onbeheerst, altijd gehaast. Zoals Don Giovanni, met zijn boekje, van de ene vrouw naar de andere. Grillig, ongegrond, niet als tulpen of andere bloemen, ontworteld, zinloos, op zoek – misschien – naar een zin. De donkere nachten van december. Op de tast in de richting van een nieuw verhaal, een nieuwe liefde. In de verte, aan het voeteinde van het bed, de contouren van een muze, het kloppende hart van een syntaxis even streng als de Grondwet.

 

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

03-12-12

HET WARE BEELD VAN DE HEER*

ware beeld.jpg
Martin Pulaski, Via Dolorosa, Guimarães, 12 november 2012. 
"Jezus wordt van zijn kleren beroofd."

Voorlopige stuur ik je gedachtensnippers, flarden van denkbeeldige gesprekken met jou. Je antwoordt me niet, wat ik begrijp: antwoorden is een kwestie van tijd en temperament. Om van die conversaties geen monologen te maken verzin ik je reacties. Waarom ben je het over alles wat ik beweer met me eens? Of vergis ik me in wat ik verzin?


Zo kort duurt mijn verblijf in Guimarães dat het lijkt op een droom die ik ergens tussen vijf voor zeven en zeven uur ’s ochtends had. Deze oorspronkelijke hoofdstad in het Noorden van Portugal is een mooie, relatief klein en proper, vergelijkbaar met Brugge maar dan op zijn Portugees. Geen Minnewater maar groene, glooiende heuvels rondom. Veel pleinen en terrassen waar bijna geen mens te zien is. Het is maandag, de musea en andere bezienswaardigheden zijn gesloten. Een ideale dag om hier te lanterfanten. 

Waarom lijkt alles veel duurder dan in Porto, dan in Lissabon? Waarschijnlijk omdat het de culturele hoofdstad van Europa is… Maar volgend jaar dan? Blijft alles dan net zo duur als nu? Gelukkig geldt dat niet voor de sardienen… Die zullen wel altijd goedkoop zijn.

’s Avonds, opnieuw aan tafel, in Porto, vroeg ik mijn vriend José of het normaal is dat er zoveel helder bloed in die vissen zit. Terwijl ik daar in dat oude Guimarães aan die sardienen zat te wriemelen vreesde ik even dat de kok mij wilde vergiftigen. Zulke dingen gebeuren in zulke stadjes. Misschien kwam die gedachte ook wel bij me op door de Vinho Verde die mij werd uitgeschonken. Ik houd van zowat alle Portugese wijnen, alleen de Vinho Verde smaakt me niet. Ja, zei José, dat heldere bloed wijst erop dat de sardienen vers waren. Prijs jezelf gelukkig, vriend.

Niet alleen in Porto is iedereen vriendelijk tegen me, ook in Guimarães is dat het geval. Zelfs de garçon die me Vinho Verde brengt is vriendelijk. En nog ongewoner: het meisje in het toeristisch informatiecentrum is vriendelijk. Ze is vriendelijk en schuchter en lijkt op een Portugese heilige – een bevallige combinatie, hoewel ik een voorkeur heb voor zondaars. Een vriend van me, overleden in 1991, schreef me ooit uit Lissabon – in de zomer van de grote brand - dat de Portugezen een ‘onbeschoft volkje’ waren. Onzin, maar dat wist ik toen niet. Ik ben al vaak in Portugal geweest en heb nog maar een onbeschofte Portugees ontmoet. Dat was in het toeristisch informatiecentrum van Sagres, van god en bijna alle mensen verlaten stadje.  Mocht er toch een god bestaan, hij zou die man streng straffen. Ja, zijn lijden zou misschien vergelijkbaar zijn met wat ik zag op afbeeldingen van de veertien staties van de via dolorosa, in de buurt van Lagos.

Wat later, mijn glas rode wijn was leeg, vertelde ik José, nogal enthousiast denk ik, over de staties die ik in Guimarães aandachtig bekeken had, in het bijzonder over statie zes, “Veronica droogt het aangezicht van Jezus af”. Maar wie is toch die Veronica, ik heb al zoveel over haar gehoord, zei hij. Veronica, zei ik, is het ware beeld van de heer, Vera Icona… Moest ik nu echter die hele geschiedenis weer uit de doeken doen, vroeg ik me af. Ach nee, vervolgde ik, Veronica, dat was mijn eerste liefje. Mijn Portugese vriend lachten hartelijk, wat waarschijnlijk mijn bedoeling was; toch was ik zelden zo ernstig geweest.

Meer snippers volgen later misschien. Als ik minder overhoop lig met de tijd en met mijn temperament. Als je het in mijn monologen met jou wat minder met me eens bent. En zeker als ik snippers van jou ontvang. Snippers van je dagelijks geluk en je dagelijks afzien. Snippers van je denkbeeldige gesprekken.


*Bewerking van een notie van 30 november 2012. Gepubliceerd op 3-12-2012.

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

DOMHEID EN DENKEN

P1030307.JPG
Lissabon, 2009.
Foto: Agnes A.

Je zou lang moeten nadenken over wat domheid is. In een documentaire hoorde ik een meisje zeggen: vroeger las ik de hele New Yorker uit, nu gaat dat niet meer, vanwege Facebook. Is dat dom, of getuigt het van aanpassingsvermogen en inzicht? Mij blijft veel meer bij van wat ik in de New Yorker lees, dan van van wat ik op Facebook aantref. Maar de New Yorker lees ik alleen maar als ik vlieg. Het is het enige tijdschrift dat me mijn vliegangst kan doen vergeten. Terwijl ik van Facebook soms vliegangst krijg, of het gevoel dat ik in een afgrond ga storten. Soms is dat een prettig gevoel (dat ik overigens met veel mensen deel).

Domme vragen zijn minder dom dan domme antwoorden. Een niet-weten met de perceptiedeuren open valt te verkiezen boven een weten dat voltooid is. Meningen beletten het ontstaan van gedachten. Wat je in de pers leest zijn doorgaans meningen. Je wordt daar helaas door beïnvloed, of je het nu wilt of niet. Alles wat je omgeeft beïnvloedt je. Moet je je daar dan tegen wapenen? (Geen nieuws meer beluisteren en bekijken, geen kranten meer lezen, geen pulptijdschriften bij de arts?). Maar als je ‘gewapend’ bent, bang, verkrampt, geharnast – kun je dan nog wel denken? Nogmaals: er is voor alles openheid nodig. In gesloten kamers versterven we.

Er schijnen maar weinig mensen te bestaan die kunnen denken. Zelf behoor ik ook niet echt tot die categorie. Ik probeer het wel, maar stel vaak tot mijn schaamte vast dat ik het niet kan. Het is echter mogelijk dat je van jezelf niet weet dat je kunt denken. En zelfs al zou ik niet kunnen denken, dan weet ik toch met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik niet dom ben. Alleen al omdat ik nergens een mening over heb. En als ik toch doe alsof ik een mening over iets heb, bijvoorbeeld over ‘wat zijn de vijftig beste songs van the Rolling Stones’ of ‘wat is de meest beklijvende roman van Cesare Pavese’ dan is dat maar om te spelen. Domme vragen stellen, (net niet) in afgronden storten en spelen – that must be what it’s all about.

~~~

Oospronkelijk gepubliceerd op 26-11-2012 

VERONICA SATORY (ANASTASIS)

veronicasatory.jpg
Kinderdorp Molenberg, Rekem.(Hier zat ik vier jaar opgesloten.Van 1958 tot 1962. De hel van mijn kinderjaren. Ik heb er niet een mooie herinnering aan.)

Have you ever loved the Body of a woman?
Have you ever loved the Body of a man?
Your father—where is your father?
Your mother—is she living? have you been much with her? and has she been much with you?
—Do you not see that these are exactly the same to all, in all nations and times, all over the earth??

Walt Whitman, I Sing The Body Electric


La symptomatologie est toujours affaire d’art.

Gilles Deleuze, Présentation de Sacher-Masoch

***

‘Anastatasis’ is de titel van een lange semi-autobiografische tekst die ik in 1976 schreef voor het tijdschrift voor filosofie, Aurora. Hoewel ik niet gelovig ben – onder meer over hoe ik mijn geloof verloor gaat die tekst – blijft dat woord ‘anastasis’ me fascineren. Wederopstanding, herrijzenis, nieuwe geboorte, zelfs renaissance – meer bepaald de herrijzenis van Jezus Christus. Maar ook ziek zijn en genezen.

Die tekst kan ik onmogelijk nauwkeurig en in zijn geheel herlezen. Vanwege mijn fascinatie voor surrealisten als André Breton en Francis Picabia is hij geschreven in een stijl die ‘écriture automatique’ wordt genoemd. Daarnaast is de invloed van beatschrijvers als  Jack Kerouac en William Burroughs merkbaar. Beide stijlen gaan met slordigheid, onnauwkeurigheid gepaard. In zekere zin schrijf je er maar op los. Toch zit zo’n tekst vol waardevolle vondsten en nog interessanter zijn de herinneringen die erin voorkomen. Wat waren mijn herinneringen nog levendig en helder. Mijn ideeën over ziekte, geneeskunde, farmaceutica waren merkwaardig, verontrustend en niet bepaald origineel. Ik was wat dat betreft ongetwijfeld nog sterk onder de indruk van mijn lectuur van ‘L’anti-Oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari.

Vanwege die vondsten en duidelijke herinneringen zou ik ‘Anastasis’ heel graag uit de dood opwekken, zou ik van dode woorden weer levende willen maken. De vervuilde taal van toen keurig oppoetsen, voorzichtig, zoals je dat met oud vinyl of met breekbaar porselein en kristallen glazen doet. Zo graag dat ik er misschien ooit eens aan begin. Maar meteen volgt dan de gedachte: er gebeurt zoveel in deze tijd, laat het verleden het verleden, een wederopstanding is – voorlopig - niet nodig.

Een maar zeer gedeeltelijk schoongemaakt fragment:

“Toen kozen wij voor rock & roll. Met een gretigheid en een genoegen die we tevoren nooit hadden gekend namen we dat nieuwe geluid in ons op, eigenden het ons toe.
Ik volgde het vijfde leerjaar°. Op een dag zat ik bang en verlegen naast mijn vriendinnetje, Veronica Satory°°. Juffrouw Bakkers was even de klas uit. Wat kon ik doen? Van satori zouden we pas later horen, ook lustgevoelens herkenden we niet, mochten we niet eens kennen. Er was alleen een vreemd, intens verlangen om dicht bij elkaar te zijn. Aanrakingen waren niet nodig. Nee, we deden helemaal niets en waren, denk ik, toch heel even heel innig verenigd.
Wat een mooie naam was dat toch, Veronica Satory. Die zal ik wel nooit vergeten. Ik zal tien of elf geweest zijn, onschuldig, een hart van boter, ogen als korenbloemen… Een vlugge blik op haar perfect Grieks gelaat deed niet alleen mijn hart smelten, ik werd er helemaal week van. Haar magere benen zaten in ruwe wollen kousen, hier en daar gestopt, waar zij zich helemaal niet voor schaamde. Altijd zag ik om haar lippen het begin van een glimlach spelen.”

Daarna volgt een fragment over hoe ik me omstreeks 1962 rock & roll toe-eigende. Tot dan had ik er alleen maar met de oren van mijn zeven jaar oudere broer naar geluisterd. Naar zijn helden Elvis Presley, Gene Vincent en altijd Fats Domino. Die reuzen onder ons werden - tot ik voor het eerst the Beatles en the Rolling Stones op de radio hoorde – ook mijn helden. Daartoe moest ik me echter losweken van mijn broer. Ik moest een eigen schrijn oprichten voor die ogenschijnlijk bovennatuurlijke wezens. En ik moest leren dansen op hun wild en duivels ritme. En zo, al dansend voor mijn duivels, vond ik mezelf uit, zo was ik niet langer eenzaam, zelfs niet toen Veronica Satory al lang uit mijn leven was verdwenen.

***

°
In het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Opgrimbie.


°°
Met een goedkope boxcamera heb ik in die dagen een foto van Veronica Satory gemaakt. Klein, zwartwit; ik zie haar nog altijd met die mysterieuze glimlach. Nergens vind ik hem terug. Zelfs vandaag, uitgeput en hoestend, heb ik er uren naar gezocht, om hem hier boven te kunnen plaatsen. Nergens vind ik de foto van Veronica Satory terug.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012

EEN OGENBLIK IN SERRALVES

serralves.jpg
Martin Pulaski, Serralves (Porto), 11 november 2012.

In de boekwinkel van Fundacão Serralves sloeg ik op een willekeurige plaats een willekeurig boek open (essays over hedendaagse kunst). Ik las dat de essentie van de kunst is: het leven zoveel mooier en beter maken dan de kunst. Ik was niet naar Serralves gekomen voor de kunst. De man van het Cale Hotel, waar ik logeer, had me gewaarschuwd dat de tentoonstellingsruimte gesloten was. Ik was er voor het park, een van de aangenaamste plekken die ik ken. Daar vond ik het leven opeens overweldigend, het leven en de wereld rondom me, met de zon die mijn lichaam verwarmde, met de dwarrelende kleuren van de herfst en de verrukkelijke tinten -  onnoemelijk veel kleurschakeringen - van het water, het water dat misschien nog beter en mooier is dan het leven, het water dat de essentie van het leven is. Alles zoals het op dat ogenblik was – want de tijd was stil blijven staan, was alleen nog moment – was voldoende, was alles. Wat diep binnendrong in mij, een immense en tegelijk erg zachte kracht, kon mij verzoenen met jou en kon me verzoenen met mezelf.

~~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 11-11-12.

ONENIGHEID / TEMPEST

ONENIGHEID.jpg

Bob Dylan is de grootmeester van de onenigheid. Lees zijn teksten, beluister zijn songs, hoor zijn unieke stem. Niet is het eens met niets, niemand met niemand. Al van in het begin, en van voor het begin. I wish that for just one time you could stand inside my shoes and I could be you. You’d know what a drag it is to see you.

Die week hoorde ik niets anders dan Bob Dylan. Niet zo ongewoon voor mij, maar ik wilde te weten komen welke Bob Dylan mij het meest raakte, het meest ontroerde. Ik kon het maar niet eens worden met mezelf, met de stemmen in mij, met de stemmen in jou, met de vele stemmen - en maskers - van de zanger. Op een donderdag koos ik voor ‘John Wesley Harding’, jij koos voor ‘Blonde On Blonde’, Dylan gaf kennelijk de voorkeur aan zijn nieuw werk, ‘Tempest’.

In het station omhelsden we elkaar, zoals Renaldo en Clara, of waren het Bob en Sara – of waren het onze doodgewone, ongemaskerde zelven, zonder show, zonder make up? Het leek of er jaren tussen ons waren verzonken in vergetelheid; jaren, die ondanks hun onzichtbaarheid prikkels als van cactussen, sporen als van vossen of wolven hadden achtergelaten. Zoals zo vaak als we elkaar terugzagen hadden we weinig te verbergen: we waren open en oprecht voor elkaar. Wat verhuld bleef wisten we niet of wilden we niet weten.

Ik had er veel zin in. Je ogen, de wind die door de gemene straten joeg, de late zomerzon, het schuim in de cafés, elkaar dromen vertellen, en liever nog, verhalen van alledaagse waanzin. Niet weten waar je loopt omdat de wind in je hoofd is gaan liggen en de zon opeens niets meer wil verklaren. Wat is het heerlijk om op die manier te verdwalen en ergens aan te komen waar alles vertrouwd lijkt, maar toch unheimlich is. Alsof gele rozen geen doornen hebben en iedereen heeft leren lachen. De hele wereld, of dat stuk dat je ervan ziet, wordt opeens even erotisch als jij. Lust dringt binnen in voorbijgangers, in interieurs, in het spel van licht en schaduw, lust geeft alle dingen een bedwelmende geur.

En zo opeens verdwijnt de onenigheid. Is iedereen het eens met iedereen en niemand leeft nog in onmin met niemand. Want van in het begin is iedereen heilig als een eiland, is iedereen een naakt lichaam dat moet beminnen om te kunnen vergaan.

~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 4-11-2012.

EENZAAMHEID (VOGELVLUCHT)

EENZAAMHEID.jpg
François Brouns, Neerharen, 1967.
 

Wat volgt kan op een autobiografische tekst lijken. Maar ook autobiografie is fictie, verzinsel. Iedereen verzint zijn eigen leven. En verzint de levens van anderen. Pascal Mercier heeft dat thema in zijn uitstekende roman ‘Perlmanns Zwijgen’ uitgewerkt.

 


***

 

Om eerlijk te zijn*: ik kan nog altijd niet goed alleen zijn. Ook al maak ik soms het wat sofistische onderscheid tussen (positieve) eenzaamheid en (negatief) alleenzijn, het is in beide gevallen een beproeving. Aan eenzaamheid wennen is een leerproces dat al in je prille kinderjaren een aanvang neemt.

 

Mijn ouders waren schippers op de binnenvaart, wat met zich meebracht dat ik het als kind vaak op mijn eentje moest zien te redden. Ik had liefhebbende ouders, mijn moeder wat warmer dan mijn vader, een broer door leerplicht en internaatsleven vaak afwezig. Zeker in de zomer vond ik het prettig om alleen te spelen, Cowboy of Indiaan, bankier, croupier, balletdanser. Mijn ouders namen me vaak mee naar de cinema. Ik zag het liefst westerns, mijn broer en mijn vader hadden een voorkeur voor oorlogsfilms. Soms gingen mijn moeder en ik naar een western, mijn vader en broer naar een oorlogsfilm. Uit westerns heb ik geleerd wat eer is, moed, plichtsbesef, en wellicht is mijn liefde voor landschappen – door god en mens verlaten - er ook uit voortgevloeid. De volgende dagen speelde ik de scènes – vooral met Alan Ladd, Burt Lancaster, Gregory Peck en Gary Cooper - dan na. Hoewel ik Indianen wel fascinerende wezens vond schoot ik ze soms toch een kogel door het hoofd.

Zoals elke matroos in elke grote haven een lief heeft had ik in elk dorp waar we aanmeerden een vriend of een vriendinnetje. Of ik zocht het gezelschap van andere schipperskinderen. Zulke vriendschappen bestonden vooral uit afscheid nemen. Alleen in Neerharen, het geboortedorp van mijn vader, had ik langdurigere vriendschappen, eerst met meisjes, Henriette, Mathilde, Marie-Louise en Denise, later met jongens, Valère, Jean-Pierre en Martin. Ik was zelden alleen. En als ik dan toch een keer geen gezelschap vond, las ik boeken. Als je een boek leest spreekt de schrijver je aan, er ontstaat een dialoog  – voor de zwaarte van de eenzaamheid is er weinig ruimte als je leest.

 

Op mijn achtste ging ik naar school, vanwege het beroep van mijn ouders een kostschool. Van mijn eerste schooljaar in de donkere bossen van Rekem tot mijn negentiende in het provinciale stadje Tongeren ben ik geen ogenblik alleen geweest, tenzij ’s nachts, maar dan droomde ik van meisjes en avonturen in de jungle. Me Tarzan, you Jane. Later van kunst en poëzie. Vooral in de periode in Tongeren had ik vrienden met wie ik veel van mijn gedachten en verzuchtingen kon delen.

 

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Brussel om er eerst film en daarna filosofie te gaan studeren. Van meet af aan was mijn kamer een ontmoetingsplaats voor een aantal vrienden en kameraden. Vegetariërs, bohemiens, dichters, nietsnutten, gekken, en na enkele maanden ook een meisje. In navolging van John en Yoko traden we in het huwelijk, en we kregen een zoon. Elke avond was er visite van andere studenten, dichters, muzikanten, jonge kunstenaars. Na de mislukking van het eerste huwelijk ging ik meteen met een andere vrouw samenwonen, mijn levensgezellin. Ik wilde geen dag alleen zijn met mijn verdriet, mijn schuldgevoelens, met het  idee zo erg mislukt te zijn in de liefde en het vaderschap.

In 1977 leek ik al een heel leven achter de rug te hebben. Ik was zevenentwintig, verhuisde naar Antwerpen, verzeilde er met mijn vriendin in de wereld van punk, anarchie en avant-gardekunst. Ik wijdde me voltijds aan het schrijven. ’s Avonds waren er de kroegen en nachtclubs. Altijd vrienden, zielsverwanten om me heen. Muziek, dansen, alle mogelijke vormen van extase. Tot ik uitgeput was, leeg geschreven en arm als de winter.

 

In 1991, omstreeks zwarte zondag, keerde ik naar Brussel terug om er carrière te maken op een departement van een ministerie. Aanvankelijk viel die loopbaan mee. Ik was niet de enige ambtenaar die kritisch ingesteld was en geïnteresseerd in andere dingen dan vergaderen en dossiers, stelde ik vast. Inmiddels hadden mijn vrienden Jos, Willy en Renée zelfmoord gepleegd, wellicht omdat ze de eenzaamheid niet aankonden na mislukte relaties. Echte vriendschap zou mij niet meer ten deel vallen, dacht ik. Maar desondanks was ik ook toen zelden alleen. Er werd veel samengewerkt, er waren studiereizen met kleine groepjes jongeren naar het buitenland, en er waren lunches, feesten en recepties.

 

Na een lang aanslepend conflict, dat zich misschien voornamelijk in mijn hoofd afspeelde, gaf ik mijn baan op. Eindelijk alleen. Ik ging op reis, naar Berlijn, naar Andalusië. Tijdens een concert van Mercury Rev in het Koninklijk Circus werd ik opeens zwaar ziek, vocht daarna drie maanden lang tegen de dood. De vrienden die me kwamen bezoeken herkende ik niet. In mijn hallucinaties had ik wrede vijanden maar ook mensen die me dierbaar waren. Zo zat ik een keer in een vliegtuig met Stephen Stills en Neil Young. We zongen samen een lied: zelden ben ik gelukkiger geweest. De laatste maand in het ziekenhuis, augustus 2011, begon het echte genezingsproces. Nooit heeft de eenzaamheid zo zwaar op me gewogen als toen. Als je wacht duurt de tijd lang, hoewel hij zich alleen in je verbeelding afspeelt. Als je wacht heb je alle tijd van de wereld om aan de tijd te denken. Elke seconde duurt.

Nu ben ik eindelijk thuis, op werkdagen overdag bijna altijd alleen. Ziekte, pijn en literatuur hebben mij met de eenzaamheid verzoend. Maar liever ben ik toch bij de weinige vrienden die ik heb. Want als ik alleen ben kan ik niet lachen. Slechts het lachen kan me met mezelf verzoenen.

*Zo eerlijk mogelijk zijn was mijn uitgangspunt toen ik aan het project ‘hoochiekoochie’ begon.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2012.

DE OGEN VAN DE ANDERE

OGEN VAN DE ANDERE.jpg
Martin Pulaski, Lagos, Portugal, september 2012.

Wat iemand anders mooi vindt kun je je heel moeilijk voorstellen. Je kunt slechts pogingen doen om door de ogen van de andere te kijken. Misschien kun je dat alleen maar als je veel van die andere houdt.

Wat mij betreft doet herhaling vaak afbreuk aan de schoonheid van een land, een landschap, een stad. Ik zou veel beter nooit ergens terugkeren, of pas na vele jaren. Met muziek is het anders: veel platen die ik in 1967 graag hoorde, hoor ik nu nog graag, hoe dikwijls ik ze ook heb beluisterd. Maar een land moet je eerst vergeten eer je er terugkeert.

Wat me aan het leven doet denken. Zou het niet mooi zijn als we zouden kunnen sterven, heel even dood zijn, alles vergeten, en daarna terugkeren? Weer onbevangen, zonder hinder van de zwaartekracht bijna en zonder angst en schuldgevoelens stappen in de nog altijd betoverde wereld zetten: alles overbekend, alles volstrekt nieuw. Revoluties en renaissances zijn daar maar flauwe benaderingen van.

~~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-10-2012

03-10-12

MOGELIJKHEDEN WAAROVER MENSEN MOETEN KUNNEN BESCHIKKEN

 

modigliani.jpg

Amedeo Modigliano, Nu couché aux bras levés, 1916. (De emotionele hechting van de schilder aan zijn model.)

Ook al geloof ik niet in essenties, al niet meer sinds ik me op mijn dertiende afkeerde van het katholicisme, moet ik soms toch tot een bepaalde vorm van essenties, van geboden, richtlijnen, morele normen, terugkeren. Zoals Martha Nussbaum doet in haar diepgravend werk over de menselijke emoties, ‘Oplevingen van het denken’. Essentieel voor Martha Nussbaum is bij de mens het mededogen. In een hoofdstuk getiteld ‘Mededogen in het publieke domein’ somt zij de tien - voor haar - belangrijkste mogelijkheden op waarover mensen moeten beschikken. Ik wil er op dit ogenblik een daarvan nog eens onder de aandacht brengen, met name de mogelijkheid in verband met de emoties zelf (die lijkt mij, zeker in de context van haar boek, de meest pertinente):

 

“Mensen moeten de mogelijkheid hebben zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf, ze moeten mensen kunnen liefhebben die hen liefhebben en om hen geven en verdriet kunnen hebben als die er niet zijn; in het algemeen moeten mensen de mogelijkheid hebben liefde, verdriet, verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te ervaren. De emotionele ontwikkeling van mensen mag niet worden verijdeld door angst en vrees.”

Waarmee ik niet wil zeggen dat de negen andere belangrijke mogelijkheden die Nussbaum opsomt voor mij onbelangrijk zijn. Je kunt ze terugvinden op pagina 357 van haar boek, een werk dat iedereen die om zichzelf en om andere mensen geeft, en niet alleen om andere mensen, maar ook om dieren en planten, zou moeten lezen, ook al is het soms een harde noot om te kraken. Maar om bewust en weldoordacht het goede te kunnen doen moet je je soms al eens inspannen. 

23-09-12

MELANCHOLIE VAN HET MOGELIJKE

 

mijmering,lagos,portugal,algarve,herinneringen,individuele geschiedenis,vertellen,tijd,nuances,vergetelheid
Lagos, Portugal, 22 september 2012.



Ik zit op het terras van ons appartement in Lagos. Om me heen rust en bladeren en bloemen (van de meeste ken ik de naam niet eens).  Geluid van kabbelend water, een lichte bries, wegdrijvende wolken na een onweer. De lucht diepblauw, een weerspiegeling van de Atlantische Oceaan. Het regenwater droogt op, het groen is veelsprekender dan de voorbije dagen, nu het verzadigd is. Een echte dichter zou woorden vinden voor al die tinten van groen, blauw en van van geel en oker (van aarde, tegels). Maar een armoedetaal heeft eveneens haar charmes. Of niet soms?

Ik sprak de voorbije dagen veel over films en boeken en over mijn individuele geschiedenis. Het is merkwaardig hoe vooral het verleden tijdens een reis in een ander daglicht komt te staan, een helder daglicht, met veel schakeringen, nuances. Veel wat vergeten was steekt weer de kop op, de details zijn niet langer onbelangrijk, je geleefde leven niet van zin verstoken. Van de meeste van die vertelde geschiedenissen over ooms, tantes, schooldagen, eerste liefjes, vriendschappen, opstandigheden, teleurstellingen, armoedige reizen, momenten van geluk en verandering, herinner ik me nu alweer niets meer. Momenten van helderheid zijn opnieuw wazig, mogelijk belangrijke gebeurtenissen in een donkere, modderige poel van vergetelheid verzonken. Wat jammer, ik had alles moeten noteren – terwijl ik vertelde. Maar nee toch: dan zou ik helemaal niets hebben verteld. Die verhalen komen er alleen vanzelf, als je omgeven bent door wat je niet kent, als het verre nabij is en je je veilig voelt, ver weg van bijna al degenen die je kunnen begrijpen, verstaan, van bijna al degenen die je pijn zouden kunnen doen of misverstaan.


Bovendien is niet een moment uit je persoonlijke geschiedenis van enig belang in het licht van de eeuwigheid. Is het niet best om alles op die manier te bekijken en zodoende een zorgeloos leven te leiden? Natuurlijk wel, en iedereen zou dat vermoedelijk ook doen – maar het behoort helaas niet tot onze mogelijkheden. Of misschien wel tot onze mogelijkheden, maar door de omstandigheden waarin we elke dag verkeren blijven onze mogelijkheden altijd maar dromen, potentiële situaties die we voor ons uitduwen, die we nooit echt kunnen verwezenlijken, niet echt kunnen beleven. Altijd is er die afstand tussen wat we in het dagelijks leven zijn en wat we daar voorbij, in een parallelle wereld, zouden kunnen zijn, wat we zouden kunnen worden.

Ja, we weten al heel gauw dat we nooit zullen worden wat we eigenlijk zouden willen en moeten worden. Meestal durven we dat zelfs niet onder ogen zien. Meestal denken we dat het leven is wat het is. Dat is de diepe melancholie die aan ons bestaan ten grondslag ligt. Een melancholie die ons in staat stelt om zoveel genuanceerde verhalen te vertellen over wat wij hebben beleefd, over onze individuele geschiedenis, over belangrijke films, onvergetelijke muziek, over boeken die de tijd maar blijven trotseren.

 

01-09-12

HEARTBEATS / ZERO DE CONDUITE 1 SEPTEMBER 2012

neneh cherry.jpg

Neneh Cherry

Zéro de conduite is een programma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Voor vanavond heb ik als thema het ‘hart’ gekozen. Gelukkig kan ik me in Zéro de conduite beperken tot populaire muziek… Want wat is er niet allemaal over dat orgaan – en alles waar het voor staat – geschreven, gecomponeerd, gecreëerd, waarbij ik anatomie, geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek graag helemaal buiten beschouwing laat.

In de literatuur lijken mij Stendhal en Proust bij uitstek de schrijvers van het hart. ‘Les intermittences du coeur’ van de laatste zijn wellicht even bekend als de voetballers van FC Barcelona.  De hartstocht die in zoveel werken van Stendhal voorkomt is even berucht als het dopinggebruik van de winnaars van de Tour de France. Overigens zijn Franse schrijvers over het algemeen heel sterk in hartsaangelegenheden.

Maar het is me hier natuurlijk niet om schrijvers te doen, wel om popmuziek, en dan nog grotendeels van Angelsaksische origine. Een mens moet een keuze maken. Vandaar dat ik de titel 
heartbeats gebruik, met de nadruk op beat, ritme, syncope. Je zou kunnen zeggen dat in massa’s liederen alles voortvloeit uit het hart: liefde, jaloezie, afgunst, verdriet, wanhoop, zielenpijn, vriendschap, troost, euforie, extase. Het hart is in zekere zin een synoniem van verlangen, metafoor voor alles waar een mens naar snakt, wat hij wil bereiken, wat hij wil bezitten, wat hij niet wil verliezen, waar hij bang voor is, waar hij zich van afkeert, zelfs dat. Bij dat alles mag niet vergeten worden dat het hart in de eerste plaats een woord is, veel meer een woord dan dat orgaan dat het bloed door onze aders pompt. Een woord met een lange geschiedenis en immens veel connotaties. De songs die we vanavond zullen beluisteren kunnen slechts een beperkt beeld geven van wat het hart in popmuziek allemaal wil prijsgeven. Het hart is een verraderlijk orgaan, maar het koestert tevens zijn geheimen. Veel luistergenot.

De volgorde in de playlist is: songtitel, artiest, elpee, componist, jaar.

joy_division__closer.jpg

 

  • Hungry Heart - Bruce Springsteen - The River - Bruce Springsteen – Bruce Springsteen - 1980          
  • Hearts Of Stone - Southside Johnny & The Asbury Jukes - Hearts Of Stone – Bruce Springsteen - 1978 
  • Heart's Desire - Ron Sexsmith -   Cobblestone Runway – Ron Sexsmith - 2002
  • Secret Heart – Feist -  Let It Die   - Ron Sexsmith - 2004
  • Golden Heart - Neneh Cherry & The Thing - The Cherry Thing – 2012
  • Young At Heart  - Tom Waits - Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards - Carolyn Leigh and Johnny Richards - 2006
  • Heart With No Companion - Leonard Cohen - Various Positions    - Leonard Cohen – 1984 
  • Glowing Heart Of The World – Calexico - Selections from Road Atlas 1998-2011   - J. Convertino/ J. Burns
  • Ghosts in My Heart - Mariee Sioux - Gift for the End – Mariee Sioux  - 2012
  • Hearts And Bones - Paul Simon   - Hearts And Bones – Paul Simon – 1983 
  • Heart Of Mine - Bob Dylan - Shot Of Love - B. Dylan – 1981
  • Pardon My Heart - Neil Young – Zuma -   Neil Young - 1975            
  • Broken Heart - Skip Spence – Oar - Skip Spence    - 1969
  • Broken Hearted People  - Guy Clark -  Texas Cookin' – Guy Clark - 1976                                   
  • My Heart Is Broken - Ryan Adams & The Cardinals - Jacksonville City Nights -Caitlin Cary – 1997
  • Hearts Of Stone - John Fogerty   The Blue Ridge Rangers  - Ray - Jackson  - 1973
  • My Heart Skips A Beat - Buck Owens - The Very Best Of Buck Owens, Vol. 2 
  • Big Gay Heart - The Lemonheads - Come On Feel The Lemonheads - Evan Dando, Tom Morgan – 1993
  • In The Hearts Of Men - First Aid Kit - The Lion's Roar - Klara Soderberg and Johanna Soderberg -2012
  • Heart Of Darkness – Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot - Mark Linkous – 1995
  • Your Cheatin' Heart – Beck - Timeless: Hank Williams Tribute -  Hank Williams-      2001
  • Cold, Cold Heart - Hank Williams - Long Gone Lonesome Blues August 1949 - December 1950 – Hank Williams – 1987
  • That's What My Heart Needs - Otis Redding - Pain In My Heart (US Release) – Berry – 1964
  • Ruler Of My Heart - Irma Thomas - Time Is On My Side -  N.Neville – 1962
  • Heart On A String - Candi Staton - Candi Staton - Jackson, Buckins -2004
  • Search Your Heart - Wilson Pickett - Hey Jude – George Jackson – 1969
  • What Becomes Of The Brokenhearted -Jimmy Ruffin - Hitsville USA: The Motown Singles Collection 1959-1971 [Disc 2] - William Weatherspoon/Paul Riser/James Dean – 1966
  • Heart Of Stone - The Rolling Stones - The Rolling Stones, Now!-   Mick Jagger/Keith Richards – 1965
  • Rainin' In My Heart - The Pretty Things    Get The Picture? - Moore/West – 1965
  • Heartbeat - Humble Pie - Town And Country – Buddy Holly – 1970
  • Pumping - Patti Smith Group - Radio Ethiopia – Smith/Daugherty/Král – 1976
  • Breakin' My Heart (LP Version) - Tom Verlaine -   Tom Verlaine - Tom Verlaine – 1979
  • Heart And Soul   - Joy Division – Closer – 1980



stendhal.png


Research en presentatie: Martin Pulaski

30-08-12

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:

“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen. 

19-08-12

WEER IN CADIZ

 

cadiz.jpg
Casa Manteca, Cadiz, februari 2011.

Wat kunnen wij Belgen met zijn allen toch zeuren en klagen. Ja, toegegeven, ik doe dat ook. Maar ik herinner me terwijl ik nog zeur al Cadiz, in de winter en in de zomer, altijd even gracieus, altijd even overweldigend met haar licht en lucht en geuren. In de winter valt er meer regen dan hier, in de zomer is het er warmer. 

Vandaag, denk ik, lijken onze wat kleinere steden er een beetje op; zeker de hitte is even zinsverbijsterend als in Cadiz of in Sanlucar de Barrameda. Dank zij deze hittegolf kunnen wij ons van hier naar daar verplaatsen, zonder aan luchtvervuiling te doen. Als je dan ook nog een fles Manzanilla opentrekt, kouder dan de sneeuw in Alaska, en je eet er wat olijven bij en Iberische ham en worst, en verse boquerones, ben je – al is het maar voor een uur of zo - in de buurt van een paradijs: Casa Manteca in de Barrio de la Viña. Daarom: leve deze verzengende hitte!