26-11-13

NO MAN'S LAND

2013fuckbook 001.jpg

Tijdens het klasseren van heel die massa boeken hier in mijn kamer vind ik soms vreemde drukwerken. Vreemd omdat ik ze vergeten was, vreemd omdat ik vergeten was hoeveel uren ik doorbracht met Crumb en Willem en Marcel Van Maele en vele andere dichters, tekenaars, muzikanten, nachtraven, mislukkelingen, werkschuwen, zieke geesten en zo meer. Het moet allemaal gebeurd zijn in een ander leven, het echte leven misschien, het leven dat al geruime tijd voorgoed voorbij is. Maar dan denk ik meteen dat elk leven echt is, ook dit leven vandaag, met Dostojewski en Tift Merritt en groene thee en het scannen van enkele memorabilia.

marcel 001.jpg

billythekid 001.jpg

 

24-11-13

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering. 

...

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

10-10-13

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

STOCKHOLM 069.JPG


“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England's Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

 

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

17-09-13

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

searchers.jpg

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind - The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

paris-texas-1984.jpg

...

Foto's: 'The Searchers', John Ford en 'Paris, Texas', Wim Wenders.

16-09-13

1111 FOLLOWERS

eva-losey-moreau.jpg

Gisteren voelde ik me een beetje als een goeroe, meer Meher Baba dan Baghwan, meer bijdegronds dan beurs-, meer pop dan fashion, minder radicaal dan kritisch, minder gehoorzaam dan schuchter, minder actueel dan verbeten, minder Gabriel/Bono dan Dylan/Waters, minder Brigitte Bardot dan Jeanne Moreau – maar een goeroe desalniettemin. Een beetje.

Een goeroe die al zijn 1111 followers wil danken voor hun aanhankelijkheid en trouw. Die trots is als een rots en tevreden als een rozijn in de zon. Die veel wil geven met veel wol en weinig geblaat, maar toch ook weer niet wollig of geitenwollig, veeleer vurig als een luchtmens of spontaan en snel als een zondronken hagedis. 

Vandaag is dat gevoel voorbij: het magische getal is weg, en alle goden zijn weer dood zoals het hoort en altijd was. Tijd voor nieuwe sentimenten en emoties, voor andere woorden en andere beelden. Voor nieuwe dankgebeden. Voor nieuwe zwerftochten door de wereld, de taal en alle ruimtes die de tijd mij biedt.

...

Foto: Jeanne Moreau in 'Eva' (1962) van Joseph Losey. 

26-08-13

RUSTIG SLAPEN IN EEN GENADELOZE WERELD


STOCKHOLM 017.JPG

Tawny port op een regenachtige zaterdagavond in de late zomer schenkt je enkele ogenblikken breekbare rust. Later de waterachtige smaak van de groenten op je bord. Herinner je je nog hoe jaren geleden, bij je moeder, alles zoveel krachtiger smaakte en echt lekker was?

Je leest wat in een boek, maar zonder veel aandacht te geven aan de woorden en zinnen. Althans: ze roepen niets bij je op. Je bent te moe van te veel afkeer en verwensingen en gruwel. Moe, maar dan lig je toch nog uren wakker, en daarna volgen er nachtmerries over mensen die je in werkelijkheid of in je verbeelding hebben bedrogen of verraden.

Er zijn dagen dat je vergeet hoe teder en vriendelijk en liefdevol sommige mannen en vrouwen voor je zijn.  Dan is alles in jou gesloten, als een auto in een garage, een auto die aan herstel toe is en al met een laag grijs stof bedekt.

Maar werpt het geen positief licht op je karakter, op je moreel bewustzijn dat je niet goed slaapt? Want in zekere zin zou je kunnen zeggen dat rustig slapen in een genadeloze wereld iets is om je voor te schamen. Zoals in een park zitten met je arm om een geliefde gelegd en zo, in die innigheid, het leed van de bedelaar een beetje verderop vergeten.

Toch ook dit nog: wat is er mis met de trage stilte, die misschien wel op het vallen van plataanbladeren lijkt, trage stilte waarin je enkele momenten van geluk kunt beleven? Als je de warme rode lippen van je geliefde kust.

...

Foto: How, Stockholm, 16 8 2013, Martin Pulaski

25-08-13

VERZINSELS OMTRENT VERONICA

La double vie de Véronique (1991).jpg

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn aanbid ik nog liefst een denkbeeld, een verzinsel. Laat het maar beginnen met een verrukkelijke sopraan die niet echt bestaat. Alleen al de tong die trilt in haar open mond wijst op de onwezenlijkheid van haar wezen.

Als zij zingt, verwijder ik me van een donker meer waar weduwen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik enigszins gelaten, wat mij achteraf verbaast, over de hoge toppen van een pijnboomwoud, ergens in Centraal-Europa. Slavonië? Ik ben niet zeker.

Dat aanbidden van verzinsels en zinnebeelden – en het verzinnen en verzinnebeelden van de aanbidding - gebeurt meestal in het donker. Zonder omzien, genadeloos haast, stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst. Wat klinkt hun polyfonie opeens koortsachtig, vermetel!

Misschien leeft zij in een droom die telkens terugkeert, een beetje zoals die van Adolfo Bioy Casares? Een droom gedroomd door haar langdurig evenbeeld. Ik bedoel dat het evenbeeld langer duurt dan zijzelf. Hoewel je natuurlijk vaak zelfs niet weet wie de ‘echte’ is en wie de ‘dubbelganger’.

Van het donkere meer ben ik naar een rivier gelopen. Het is - tegen heel wat verwachtingen in - volop lente geworden. In het klaterende water was ik de slaap uit mijn meestal verbaasde ogen. Aan een baadster, die wat op Veronica lijkt, vraag ik over het woud. Nee, zegt de vrouw, in Slavonië is er geen pijnboomwoud. Ik had het moeten weten, zeg ik: ooit stond ik in Osijek op een nagenoeg verlaten landweg te liften, zonder resultaat, waarna ik me genoodzaakt zag mijn laatste geld uit te geven aan een treinkaartje naar Boedapest. Arme man, zegt ze. Helemaal niet zeg ik, ik was zelden gelukkiger.

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn, duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars en oppervlakkigs binnen handbereik, zoveel zenuwslopende beelden, zoveel voedingsstof voor de verbeelding.

...
Foto: La double vie de Véronique (1991)
, van Krzystof Kieslowski, met Irène Jacob.

21-08-13

WAS VROEGER ALLES BETER?

valdez léal.jpg

Mijn vriend R. heeft een scherpe blik op de tijd en de maatschappij waar wij in leven. Maar zodra hij beweert dat het leven vroeger ‘beter’ was ga ik twijfelen, niet aan zijn oordeelskracht in het algemeen, maar aan die ene heel specifieke bewering (die je wel vaker hoort, en niet zelden uit de mond van intelligente en sensitieve mensen). Of het leven - en alles wat dat woord omvat - vroeger beter was weet ik hoegenaamd niet: ik ben helaas al wat te oud om me nog helder te herinneren hoe ellendig het werkelijk was toen ik jong en wild was, en vol hoge verwachtingen en verwarde verlangens door het leven stapte. Of hoe werkelijk ellendig het was. Of nog anders uitgedrukt: een mens herinnert zich vooral graag de mooiste en kleurrijkste momenten.

Ik heb in al die jaren veel geleerd, hoe vaak ik ook denk dat het maar bitter weinig is. Wellicht is een van de belangrijkste (en meest voor de hand liggende) inzichten die ik heb verworven dit: dat alles komt en gaat, zoals eb en vloed, zoals de volle maan, zoals de vier seizoenen. Dat heeft het dagelijks leven mij geleerd, maar zeker ook alle noemenswaardige kunst, literatuur en muziek.

Ja, er bestaat ongetwijfeld waardevolle kunst, literatuur, muziek, noem maar op. Ars longa, maar niets van wat wij mensen maken is hier voor eeuwig. We weten niet eens wat eeuwigheid betekent. Niets is hier eeuwig voorhanden en weinig is van blijvende waarde. Maar wat van blijvende waarde is komt zeker terug, ook al vergeten we dat graag, op zoek als we zijn naar het ‘altijd nieuwe’. Het nieuwe dat toch ook zo vlug gaat vervelen, zoals dat bij kinderen -  en kinderlijke volwassenen -  met hun speeltjes gaat. Waarschijnlijk gaat het ‘altijd nieuwe’ gauw tegensteken omdat het niet van blijvende waarde is. Misschien is het ‘altijd nieuwe’ al uitgehold, betekenisloos en zinloos, als het op de markt wordt aangeboden.

Omdat wat van blijvende waarde is ooit terugkeert, zelfs als wij er niet meer zijn, wanhoop ik niet. Zolang er mensen zijn zullen sommigen van hen, van ons, zich door die hoogtepunten laten beïnvloeden. Een klein aantal mensen zal nieuwe hoogtepunten blijven creëren. Als ik de zaken op deze manier beschouw kan ik onmogelijk beweren dat het vroeger beter was. Maar was het daarom slechter? Dat weet ik evenmin.

En wie in de toekomst dat kleine aantal exemplarische individuen – een elite die geen elite is - zal ontdekken is een vraag die me op dit ogenblik niet bezighoudt. Toch ben ik treurig telkens als ik eraan denk dat een deel van dat al kleine aantal definitief vergeten wordt. Een klein aantal? Niet echt; ze zijn al met velen: bezielde kunstenaars van alle slag - die niet voor het geld of de roem werken, maar omdat ze niet anders kunnen – die weinig of helemaal geen bijval, erkenning en waardering krijgen. Als ik eraan denk dat zovelen al vergeten zijn; dat ze niet terugkeren, zoals eb en vloed, de seizoenen, zoals de volle maan.



Beeld:  
Juan de Valdés Leal, In ictu oculi, 1672.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

08-07-13

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen - las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren. 

05-06-13

VERSO

coney island september 2002.jpg
Coney Island, september 2002. Foto: Inge Van de Walle.


Een verso ontsnapt aan mijn 'brein' per versies van niet alleen thema's maar ook alledaagse gebeurtenissen zoals het voetbal, de aankoop van boeken (Euripides, Georges Simenon, Thomas Bernhard,...) het lezen van Peter Sloterdijks ‘Het kristalpaleis’ (over de 'ontdekkingsreizen' en de 'verovering van de globe', enzovoort), het luisteren naar ‘Coney Island Baby’ van Lou Reed, een bezoek aan Coney Island in New York, het wachten in het hoofdpostkantoor van Brussel, waar ik mij soms aan filatelie ga bezondigen, het nuttigen van zongedroogde tomaten, et cetera.

 

30-04-13

WILDE DAGEN

4-29-2013_066.JPG

Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

Alles stroomt in mij en alles bruist. Elke nacht neem ik een duik in mijn eigen rivier, de rivier die ik ben, de rivier die mijn leven is, mijn verleden. Beelden dringen mijn slaperig maar wakker hoofd binnen, beelden en woorden. Woorden die uiteenvallen in letters, in klanken. Geschreeuw, gefluister, gemurmel, sensuele stemmen, het bars getier van wat veel mensen Barbaren noemen maar geen Barbaren zijn. Mijn verleden dringt zich als een immense chaos aan me op. Heb ik er binnenkort weer vat op? Kan ik het geweld van de taal in mij, en van het onzegbare in mij nog aan banden leggen, er vorm aan geven, er een mooi en integer geschenk voor jou van maken? Vooralsnog niet. Vooralsnog moet ik de chaos die ik ben aanvaarden, in de chaos vertoeven. Maar op een dag, niet te ver weg, moet ik zeggen dat het genoeg is geweest. Tijd om weer aan de slag te gaan. Het verlangen naar een zin ombuigen in werk. Want al deze dingen gebeuren in mij op weg naar een werk dat noodzakelijk is.

 

20-03-13

EEN NIEUWE ETHICA

IMG_5344.JPG

Foto: Martin Pulaski, Evora, 25 maart 2007.

Sinds gisteren ben ik opnieuw aan het werk, noteerde hij met enige tegenzin. Maar ik wen er niet aan. Het lijkt allemaal zo zinloos, zo overbodig. Wat voegen we toe aan de wereld? Wat geven we? Je kunt beter een boek lezen, of wat overpeinzingen in je dagboek neerschrijven. Regende het maar, dan kwamen de mensen wat minder buiten. Iedereen zou beter binnen blijven, dan zou ik ook graag binnen blijven en me bezig houden met mijn ware opdracht. Nu is er altijd die onrust en een verlangen naar datgene waar al die andere mensen naar verlangen, wat zou dat toch zijn?

We hebben werkelijk behoefte aan een nieuwe ethica, vervolgde hij. Op café zei een mooie jongen me, - hij had net een joint gerookt, zei hij - dat je  het woord misdaad niet mag uitspreken, omdat dat een veroordeling is, een moreel oordeel. We beginnen in kringetjes te denken, antwoordde ik, en verliezen elk houvast. Sommigen blijven zeker van hun stuk, dat wel, maar het is duidelijk dat hun, sorry, óns, discours op drijfzand is gebouwd. Jacques Derrida schrijft dit en dat, Claude Lévy-Strauss is een romanticus, de edele wilde bestaat niet. Et cetera. De conclusie van al dat gepraat is meestal dat idealen dom zijn, dat je moet leven in de werkelijkheid zoals ze zich aan ons voordoet. Je kunt in deze bittere tijd toch geen utopist zijn, man, zei de mooie jongen. Ja, toch wel, vind ik, ik ben een communist, kijk maar ik heb een rood hemd aan. Met een grapje onttrok ik me aan de ernst van mijn toevallige kameraad, en aan mijn eigen ernst. Hij lachte. Hij besefte niet dat ik het meende. Dat ik blijf dromen van een betere wereld.

Hoewel ik tegelijk denk dat wij niet veel meer zullen veranderen. Ik geloof dat ik in mijn leven niets heb veranderd, of het zouden de steentjes en zeeschelpen moeten zijn die ik een andere plaats heb gegeven. Maar misschien is dat ook niet slecht, want degenen die de wereld echt veranderd hebben, mannen zoals Stalin en Hitler, hebben tragedies en genocides veroorzaakt.

Veel mensen beoordelen je op je functie, schreef hij. Of op hoe je eruitziet. Je werkelijke leven ontsnapt aan hun aandacht. ‘La vraie vie est ailleurs’, zei Mallarmé. Wat bedoelde hij daar toch mee? We hebben een nieuwe ethica nodig, besloot hij. Tijd voor een kop koffie en wat facebook-zelfverlies.

07-03-13

GEBROKEN HART

anicée alvina.png

Anicée Alvina


“Leibniz - who had believed that this world was the best of all possible worlds – believed that porcelain was its best material.”
Bruce Chatwin, Utz


1.

Ik wil geen gevaarlijk leven leiden, dat is belachelijk, maar ik wil evenmin berusten in gerieflijkheid, het behangpapier van degenen die naar de dood verlangen. Verlang ik zelf dan niet naar de dood? Ja, natuurlijk – zoals iedereen, omdat het onze bestemming is. Het is een heel stille stem, die echter niet ophoudt ons te roepen: zij kent al onze namen.

2.

De wereld is geen lachertje. Ik hoop dat je hart niet altijd gebroken blijft. Als ik niet meer van je houd. Of net wel. Een gebroken hart is een country song, maar is ook een werk van Mark Rothko, van sommige dronkaards die nog willen schilderen, schrijven, zingen. Johnny Cash, Arshile Gorky, Virginia Woolf. Een gebroken hart is een mooi hart omdat het bloedt, in zichzelf, zonder hechting aan een grond, een volk, een dom ideaal. Een gebroken hart is gebroken als het Meissen-porselein in Bruce Chatwins ‘Utz’ , als een 78-toerenplaat van Blind Willie Johnson; is gebroken als een eeuwenoud wijnglas op de keukenvloer stukgegooid in een hoog oplopende ruzie, uit liefde, uit woede.

17-02-13

VITA BREVIS

P1010305.jpg

Terugdenkend aan de slaapwandelaar die met zijn hond voorbijstrompelde. Aan de sterren van dronken woorden die de hele nacht richting Venus van de grond om ons heen opstegen. Bloemen die nooit konden verwelken, alleen thuis in een romantisch gedicht. Keats, Gérard de Nerval. Terwijl toch menige oorlog woedde en soortgenoten werden gefolterd. Bloed, vuur en tranen... Maar wat stond geluk in de weg? Welke god beval ons onze oneindige kus te staken?

Hoewel Seneca beweert dat het niet waar, is het wel waar: het leven is kort.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

22-12-12

NACHTGEDACHTEN

cyclopodilonredon.jpg
Odilon Redon, De cycloop, 1898-1900.

’s Nachts wervelen mijn gedachten, zwerven ze koortsig van de ene onbestemde plek naar de andere, altijd onbeheerst, altijd gehaast. Zoals Don Giovanni, met zijn boekje, van de ene vrouw naar de andere. Grillig, ongegrond, niet als tulpen of andere bloemen, ontworteld, zinloos, op zoek – misschien – naar een zin. De donkere nachten van december. Op de tast in de richting van een nieuw verhaal, een nieuwe liefde. In de verte, aan het voeteinde van het bed, de contouren van een muze, het kloppende hart van een syntaxis even streng als de Grondwet.