18-11-14

DE VRAAG DRINGT ZICH OP (EEN ONTMOETING)…

anais nin1.jpg

“Et qu’est que c’est que l’infini? Au juste nous le savons pas.”
Antonin Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu

Wie ben je?
Wat doe je in mijn kamer, wat wil je van me?
Doe je dat vaak, schrijvers aanschrijven die je bewondert?
In wat voor wereld leef je?
Wat wil je van me weten?

Ik weet niets.

Ik weet niet wie je bent.
Ik ken je naam, maar wat is een naam?
Ik ken je niet.
Ik ken mijn wereld niet.
Misschien ben ik niet eens van deze wereld.
Ik weet niets.
Of toch: achter wat ik zie ligt wat ik niet zien kan.
Maar wat dat is, dat weet ik niet.

Daarin, in wat ik niet zie, dwaal ik soms rond.
Noem het de andere wereld.
Noem het aan gene zijde, zoals Alfred Kubin deed.
Maar het kan net dezelfde wereld zijn als deze, zijn spiegelbeeld.
Als je een stap voorwaarts zet, zet je ook een stap achterwaarts.

Ik heb nooit kunnen denken.*
Ik denk dat daarachter waar ik soms kom hetzelfde gebeurt als hier.
Wat daar gebeurt weet ik evenmin als wat hier gebeurt.
Noem die vreemde wereld de oneindigheid.
Het spiegelbeeld van wat ik in de spiegel zie.
De oneindigheid is een woord dat we spellen om in slaap te vallen.
Die oneindigheid van jou houdt me wakker en wiegt me in slaap.

Wiegt de oneindigheid jou of wiegt ze mij?
Waar begin jij en houd ik op?
Jouw voeten mijn armen onze droom.

Ik spuit mijn aders vol oneindigheid.
Ik ben verslaafd aan het onbekende.
Je hebt het mysterie zelf ook al meegemaakt.
Het is seks, nee het is geen seks, het is iets diepers.
Ik denk dat we het beiden al hebben gevoeld.

Vind je het erg dat ik je arm aanraak?
De zachte haartjes, alleen maar zichtbaar in het zonlicht.
Je trekt hem niet terug.
Je komt dichter bij me zitten, ik voel je haren in mijn hals.
De geur van de sirocco.
Hoe zal ik de geur van je haren, je huid ooit kunnen vergeten?

Nee, ik wil je lichaam niet.
Ik wil je geest niet.
Ik wil je vlees en bloed.
Ik wil je schreeuw om genade horen.
Liefde die je nooit hebt gekend
Ik wil je om ongehoorde woorden horen vragen.
Ik wil van je lettergrepen woorden maken en daarna zinnen.
Zinnen die je kunt ruiken en voelen.
En van je hoofd een hagedissenhoofd.
Met zijn tong in mijn oor.
Een revolutionaire hagedis.
Je gesis tegen de platluis god.
Je gesis tegen de kardinalen van de casino’s.
Je gesis tegen de eigenaars van de vrijheid.

Heb je honger?
Mijn lijf is giftig en smaakloos.
Eet maar, maar eet zonder smaak zoals de velen.
Je weet toch dat er velen zijn die honger hebben zonder appetijt.
Die appels eten voor de dorst en om de doktersrekening uit de weg te gaan.
Eet maar van mijn zure syntaxis.
Maar geloof niet dat mijn lijf brood is en mijn bloed wijn.
Ik ben van vlees en bloed en heb een hagedissenhoofd.
Ik ben mijn lichaam en wat er gebeurt, gebeurt in mijn lichaam.
Minnezang, verspilling, verwoesting van de verbeelding.

Ik geef om niets en ik geef niets om niets.
Ik heb nooit kunnen denken.
Mijn geest is het gehuil van elektriciteit in hoogspanningskabels.
Ik denk dat er geen niets is dat iets is.
Er is alleen maar niets dat niets is.

Een gapende opening is de oneindigheid waaruit gas ontsnapt
dat niets is maar niet niets dat iets is.
Gas dat me doet stikken.
Doe de ramen open!
Heb je dan geen ademende ziel?
En wat doe je met je ogen als je niets ziet?

Ik weet niets.
Het oneindige is een woord voor wat ik niet weet.
Een opening.
Een opening in mijn bewustzijn.
Een mateloze mogelijkheid.
Zodat je je voor kunt stellen dat het niets iets is.

Laat het oneindige dat woord zijn.
Een niets dat iets is.

Niets dat je zin geeft in het zonlicht en de bomen.
Niets waar alles in jou begint.
Dat je hongerig maakt en dorst doet krijgen.
Je eet mijn lichaam met smaak.
Mijn vlees en bloed en hagedissenhoofd.
Hoor je me nog sissen?
Je trekt je kleren uit en duikt in de rivier.
 

Je bent een niets dat iets is.
Een lichaam dat niet meer afziet.
Een lichaam dat niet aangeraakt wordt.

Dat niemand me aanraakt, zeg ik.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me ooit ooit ooit aanraakt.
Niemand.
Mijn lichaam dat ik ben.

Günther Brus - Ana.jpg


Dit is de tweede monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. De inspiratiebron is ‘La question se pose de…’, het vierde luik van ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Het gaat nogmaals om een ontmoeting met Artaud, met de taal, met wat de taal niet vermag te zeggen. De monoloog bevat tevens sporen van een ontmoeting van Artaud met Anais Nin, zoals zo mooi beschreven in het eerste deel van haar dagboeken.

Wellicht is de hevigste strijd die we te strijden hebben die van het lichaam tegen de oneindigheid, of wat we oneindigheid noemen. Liefde en seks zijn rustpunten, ontsnappingsroutes, maar als puntje bij paaltje komt vallen we weer in ons lichaam neer, waarin de geest van zich doet spreken, zolang hij dat nodig acht. De geest is meteen altijd de geest van het lichaam. Het lichaam dat wenst aangeraakt te worden, of net niet.

...

 

*”De mogelijkheid om in gedachte terug te gaan en ineens uit te varen tegen je gedachte.”
Antonin Artaud, ‘De Zenuw-waag’ (vertaling van ‘Le Pèse-Nerfs’, door Hans van Pinxteren).

17-11-14

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

04-11-14

STILTE, ANTONIN ARTAUD

antonin-artaud.jpg

Enkele dagen stilte, tijdens deze stormachtige, kille periode aan de vooravond van meer dan ooit terechte stakingen en allerlei vormen van protest tegen een brutale, harteloze uitbuitersregering. Aan een verslag van de ontmoeting met Geerten Meijsing, in de lente van 2013, werk ik gestaag verder. Het moet een tekst worden de uitmuntende auteur waardig. Maar eerst bereid ik me voor op een avond gewijd aan de revolutionaire schrijver, theatermaker, acteur, kunstenaar, theoreticus, heidense profeet en dichter Antonin Artaud.
Het evenement ‘Omtrent Antonin Artaud’ vindt plaats op donderdag 13 november in Den Hopsack in Antwerpen. Ik breng er enkele korte teksten van Artaud (in het Frans) en richt me daarna in een monoloog tot de man zelf (in het Nederlands, een visionair begrijpt die taal, zelfs als hij dood is) en tot mijn vrienden. Een van die vrienden is Johny Lenaerts, die enkele dagen geleden een mooie inleiding schreef tot het theater van de wreedheid, Artaud’s  misschien wel belangrijkste en nooit werkelijk verwezenlijkte droom.

antonin artaud, artaud, revolutie, anarchisme, surrealisme, waanzin, antipsychiatrie, poëzie, 13 november, antwerpen, den hopsack, omtrent antonin artaud, monoloog, muziek, johny lenaerts, theater van de wreedheid

Ik hoop dat velen op 13 november willen komen meedromen. Ook al is alles van waarde waardeloos en nutteloos hebben we rebelse geesten als Antonin Artaud meer dan ooit nodig en verdient hij onze volle aandacht.

28-10-14

TOT STRAKS, LOU, IN DE MUZIEKKAMER

Lou Reed looking down holding guitar in Recording Studio NEW YORK CITY, 1977.jpg

“Time is a jetplane — it moves too fast. Oh but what a shame that all we've shared can't last…” zingt Bob Dylan in ‘You’re A Big Girl Now’.  Gisteren was het een jaar geleden dat Lou Reed in Southampton overleed. Had ik niet net zo goed kunnen schrijven dat de dichter/zanger/muzikant gisteren de geest gaf? Toch is er in dat jaar, nu voorgoed begraven, tenzij de herinneringen, veel gebeurd. Het staat in de kranten, in de tijdschriften, in boeken, er zijn documentaires en reportages over, het zit opgeslagen in het geheugen van NSA. Oorlogen, plunderingen, verkrachtingen, verwoestingen, een onophoudelijke horrorshow; maar ook mooie dingen, mannen en vrouwen  die verliefd werden, kinderen die liedjes zongen, nieuwe bladeren aan de bomen in april, gedroomde treinen naar werkelijke paradijselijke bestemmingen. Zo veel en zo weinig.  
Mocht Lou Reed nog leven hij zou z’n schouders eens ophalen. Want was de duisternis in zijn ziel niet nog veel donkerder dan de wereld zelf? Neen, dat geloof ik niet. Lou Reed was kwetsbaar, zoals veel grote kunstenaars, maar dat liet hij slechts zelden zien. Lou Reed kende mededogen en wist wat liefde was, ‘Pale Blue Eyes’ en ‘Magic & Loss’ zijn daar maar twee bewijzen van, mocht iemand die nodig hebben. Waarom haalde hij dan z’n schouders op? Misschien om er wat stof van die donkere wereld af te schudden, wat onzin, wat leugens?

Ook al is er nog al de onsterfelijke muziek die ik hier vorig jaar opsomde, toch mis ik Lou Reed. Ik mis de man, zijn rock & roll heart, zijn bittere troostende woorden, zijn strelende venijnige stem, zijn poëzie die altijd echt en waar was, nooit onderdanig of  bang maar trots en verheven, stekelige bloemen in de wereldstorm. “He wouldn’t bow down or kneel”, om nog een keer zijn geestverwant aan te halen. Tot straks Lou, in de muziekkamer.
lou-reed.jpg

...

Foto's: Lynn Goldsmith, Garry Gross

21-07-14

DE GROTE ONVERSCHILLIGEN

KAFKA.jpeg

Ik wil al een tijdje over Israël en Palestina schrijven, want het is hier bij ons niet allemaal rozengeur en maneschijn, niet allemaal bellas artes en mooie muziekjes, ook niet in mijn hoofd. Maar mijn verontwaardiging over wat er in Gaza gebeurt verwoorden, dat valt me bijzonder moeilijk. Wat Israël - of toch de politieke leiders en het leger - bij de Palestijnse bevolking aanricht! De beelden die we te zien krijgen roepen bij mij herinneringen op aan de oorlog in Vietnam, aan wat de Amerikanen daar deden, het Amerikaanse leger, de soldaten, de opperbevelhebber, de president. Ik ben me ervan bewust dat dergelijke beelden niet altijd betrouwbaar zijn. Oorlog wordt in de media met propaganda gevoerd.  Zowel de Amerikanen als de Noord-Vietnamezen gebruikten ook al propaganda, al twijfelde niemand aan de waarheid van My Lai, zoals nu niemand twijfelt aan de oprechtheid van Gideon Levy’s opiniestukken in de Israëlische krant Haaretz. Het grote verschil in het protest tegen de twee ‘haviken’, de VS  en Israël, is het gevaar van zichtbaar én verdoken antisemitisme. Destijds werd er wel betoogd tegen Amerika - US Go Home stond op duizenden muren te lezen - maar niemand van de tegenstanders van de oorlog haatte het Amerikaanse volk. Nu kunnen antisemieten zich voordoen als vrienden van het Palestijnse volk, wat ongetwijfeld ook gebeurt en op die manier aan terechte beschuldiging en straf ontsnappen. Maar brengt dit de kritiek op de wreedheid van het Israëlische leger – de voorbije weken en nu - in diskrediet? Een vraag om diep over na te denken.


Mijn vader was een jaar lang krijgsgevangene van de nazi’s. Weer in België sloot hij zich bij het verzet aan. Naar mijn weten heeft hij nooit heldendaden verricht, maar zijn engagement, hoe klein ook, heeft zeker indruk op me gemaakt, ook al ben ik het pas als adolescent te weten gekomen. Zelf ben ik al van in de jaren zestig een bewonderaar van de Joodse cultuur. Franz Kafka, Marcel Proust, Bob Dylan, Allen Ginsberg, Lou Reed, Roman Polanski, Marc Chagall: allemaal grootmeesters in hun vak en op zowat elk gebied grote voorbeelden. Een echte opsomming is hier ongepast. Evenmin wil ik dieper ingaan op het wat en waarom van mijn bewondering.

De meest afschuwwekkende gebeurtenis in de (gekende) geschiedenis is ongetwijfeld de Shoa. Er wordt beweerd dat jongeren stilaan vergeten wat de nazi’s in de uitroeiingskampen hebben uitgevoerd. Niet alleen met de Joden overigens. Hoe is dit mogelijk? Faalt ons onderwijs dan? De planmatige vernietiging van bijna een heel volk, in Europa althans, mag nooit vergeten worden.

Zelf heb ik 11 jaar tussen voornamelijk Chassidische Joden in Antwerpen gewoond. Hoewel ik atheïst ben vond ik deze mensen toch, op een manier die ik nog altijd niet kan verklaren, fascinerend, boeiend: ze dwongen respect af. Waarschijnlijk hield mijn fascinatie verband met hun anders-zijn. Ik heb mezelf ook van toen ik nog jong was anders gevonden dan de meeste andere mensen, een zonderling, een individu, zeker geen massamens. Ze waren mijn buren maar ik had weinig contact met hen; hun gemeenschap was nogal gesloten. Soms vroegen ze mij op sabbat om ergens aan te bellen, of het gasvuur in de keuken uit te draaien… Bizar misschien, maar niets om die mensen te gaan misprijzen, om van haat nog maar te zwijgen. Op een dag ontplofte in de Lamorinièresraat, waar ik woonde, een bom. Het was een aanslag op een bus met Joodse kinderen. Een van de kinderen kwam om het leven. De aanslag gebeurde recht voor het huis waar vrienden van me woonden. Gaten in de gevel, bloed op het trottoir, angst, afschuw. Daarna, zeer terecht, veel politiepatrouilles.

En nu dit, dit geweld tegen Hamas, misschien gerechtvaardigd vanuit Israëlisch standpunt, maar – veel erger - het geweld tegen de Palestijnse bevolking, die in de val zit. Vrouwen, kinderen, mannen, honden, kippen… Alles wat leeft is bedreigd. Wie kan dat rechtvaardigen? Hoe kan ik me daar niet tegen verzetten? Het is onmogelijk. Ik hoop met hart en ziel dat mijn weinige Joodse vrienden en kennissen en de mensen die ik bewonder mijn verontwaardiging kunnen begrijpen. Dat ik woedend ben op gewelddadige mensen, niet op inwoners van een land, niet op een volk, niet op individuen die verkiezen te geloven in een moreel en intellectueel waardevolle religie. Dat ik woedend ben op de mensen achter de schermen, degenen die we nooit te zien krijgen, de mannen (en misschien zelfs vrouwen) met Geld en Macht, de grote onverschilligen.

 

israël,palestina,hamas,gaza,geweld,verontwaardiging,bewondering,vietnam,soldaten,leger,legerleiding,macht,geld,vs,antisemitisme,vader,woii,verzet,nazi's,concentratiekampen,vernietiging,endlösung,shoa,wreedheid,antwerpen,buren,chassidische joden,religie,bijbel,joodse cultuur,boeken,gemeenschap,onzichtbaar,onverschilligen


...

Tekening: Franz Kafka.
Foto: Het bloedbad in My Lay.

05-06-14

OVER OBAMA, APEN, IRONIE, INTELLIGENTIE EN VERBIJSTERING

gulliver-morten13.jpg

“You can please some of the people all of the time, you can please all of the people some of the time, but you can’t please all of the people all of the time”.
Abraham Lincoln.

Obama verbleef gisteren en vandaag opnieuw in Brussel. Op 26 maart was hij hier ook al te gast. Wat een eer voor ons land en onze hoofdstad, zou je bijna durven denken. Maar ik ben geen bewonderaar van de huidige Amerikaanse president, hij heeft mij en zovele andere aardbewoners met een idealistische inborst te zeer en te vaak teleurgesteld. Misschien hebben we in het begin te veel van hem verwacht, hebben we hem macht, daadkracht en doorzettingsvermogen toegedicht, eigenschappen die hij in werkelijkheid niet heeft en ook niet kan hebben, omringd als hij is door ‘haviken’ en ‘wolven’. Vreemd toch, die vergelijkingen met dieren altijd.


Ik heb me die eerste keer dat hij in het land was hier thuis erg boos gemaakt over de ronduit racistische cartoon die in De Morgen was verschenen (ik had er op sociale netwerken over gelezen en ze daar ook gezien). Ik heb over die woede toen niet veel geschreven, alleen een opmerking op facebook heb ik niet kunnen onderdrukken. Al die verontwaardiging is niet goed voor de gezondheid. In een of twee zinnen had ik mij kritisch uitgelaten over die racistische en bijgevolg schandalige spotprent. Dat werd me niet in dank afgenomen. Een sujet op facebook, gelukkig geen ‘vriend’, schreef dat hij verbijsterd was over mijn domheid. De man had altijd gedacht, schreef hij, dat ik over intelligentie beschikte, maar nu was ik door de mand gevallen. Wat was ik ronduit dom. Een ironisch kunstwerk racistisch noemen, wat kregen we nu! De man was vermoedelijk onwel geworden van mijn kritische opmerking en van mijn plaatsvervangende schaamte. Verbijsterd was hij over mijn onwetendheid. Dat woord gebruikte hij: verbijsterd.

Ik heb er het zwijgen toe gedaan, maar vandaag herinner ik me het voorval weer en wil ik niet langer zwijgen. Primo ben ik niet onwetend, ook al ben ik niet bijster intelligent. De meeste dingen die ik weet en ken, weet en ken ik toevallig, dat is mijn geluk. Maar, secundo, stel dat ik toch door en door onwetend ben: hoe kun je daar nu verbijsterd over zijn? Iemands onwetendheid is ontroerend, bedroevend, teleurstellend, misschien zelfs beschamend, maar zeker niet verbijsterend. Wat is dan wel verbijsterend? Enkele weken geleden zag ik in het Museum voor Schone Kunsten in Gent ‘Het vlot van de Medusa’ van Géricault (eigenlijk was het een kopie). Er werd een verband gelegd tussen de verschrikkingen op het schilderij en de gebeurtenissen in de buurt van het eiland Lampedusa op donderdag 3 oktober 2013. Op die dag verdronken minstens 300 van de ongeveer 500 vluchtelingen, het merendeel uit Eritrea en Somalië, die vanuit Libië geprobeerd hadden per boot Lampedusa te bereiken. Dat is verbijsterend. De harde houding van ex-Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block ten aanzien van vluchtelingen zou je ook verbijsterend kunnen noemen. Mijn onwetenheid – die er in dat geval geen was, want de spotprent was door en door racistisch – is alledaags, niets om je druk over te maken; elke mens is onwetend over iets. Ik geloof ook dat elke mens naar kennis en weten streeft, ook al kan dat een illusie zijn, een nevenverschijnsel van mijn idealistisch optimisme.

géricault.jpg

Mensen die de onwetendheid van anderen verbijsterend vinden, die de anderen dom vinden, vinden dat niet echt. Het is een tactiek om zelf intelligent gevonden te worden. Noem de andere – je opponent - dom, dan ben jij intelligent, zo is de toch enigszins domme redenering.

Wat ik niet begrepen had, vond het intelligente sujet, was de ironie van de spotprent. Over die zogenaamde ironie schreef Arnon Grunberg, nog zo’n onwetende aap, het volgende: “En het is mij eerlijk gezegd ook onduidelijk wat hier precies geïroniseerd werd. Racisme? Obama? Of diende de ironie juist als dekmantel voor het al te traditionele racisme? De zwarte, de aap.”
superape.jpg

Ik weet dat ik onlangs schreef dat er geen groter kwaad bestaat dan domheid (ik geloof dat ik het net bij W.G. Sebald had gelezen, maar het is mogelijk dat ik me hier vergis), wat zeker de waarheid is. Ik wil er graag op wijzen dat dit een algemene uitspraak was en niet één bepaalde enkeling betrof. De uitspraak impliceert in geen geval dat ik niet dom ben, of dat ik bijzonder intelligent ben. Want, nogmaals, dat is niet zo. Ik ben gewoon maar een mens op weg naar het einde. Ondertussen probeer ik te leren, inzichten te verwerven en het goede te doen. Maar helaas kun je nooit voor iedereen het goede doen, zoals Abraham Lincoln al zei en Bob Dylan zong.

27-04-14

FOTOGRAFIE EN DIEFSTAL

APARTMENT.png

Waar hadden we het ook alweer over? De tijd, de geschiedenis, wat razendsnel of folterend traag voorbijgaat, de momenten die van ons gestolen worden, ook al doen we er alles voor om ze, kostbaar als ze zijn, tot onze eigendom te maken, alsof ze op die manier onvergankelijk zouden worden.
Wie steelt die momenten van ons? Wijzelf, omdat we onszelf niet zijn, omdat we nooit onszelf waren en het ook nooit zullen worden. Al op jonge leeftijd vingen we glimpen op van onze vervreemding, al vroeg voelden we ons nergens thuis, zonder dat we daar veel aandacht aan schonken. Neen, we sloegen zijpaden in, die van verdoving, kunst, seks, werk, liefde, geweld, motoren, reizen naar exotica, naar wereldsteden. Leverde het iets op?
We wisten dat we ballingen waren, maar we zochten niet naar ons land van herkomst, of als we het toch deden vergisten we ons: we dachten dan dat het een paradijs was, een halfvergeten droom, een utopische streek uit een roes voortgekomen, ver weg in de toekomst gelegen, voorbij de bergen van Aghanistan of, erger nog, in onze prille jeugd verzonken, een Atlantis in de baarmoeder dachten, in navolging van Georg Groddeck, sommigen van ons.
groddeck.jpg

Nochtans zijn het mooie en sterke momenten. Ze vullen alleen al bij mij duizenden bladzijden en als ik even op internet ga, vind ik er in een oogwenk miljoenen, foto’s, liederen, gedichten, films, onvoltooide gedachten, vluchtige ideeën over vlinders en sterrenstelsels, over om het even wat zovelen van ons interessant lijkt. Ze zijn sterker dan ons leven, dan alles wat ons een geheel maakt, wat ons de illusie van een identiteit geeft. Net daarom vallen wij in stukken uiteen, fragmenten van wie we dachten te zijn, die wij niet meer kunnen bepalen; net daarom verliezen we onszelf in vluchtigheid en verval, net daarom duurt de tijd zo lang soms en zo kort als adem in herfstlucht. Elk moment waarvan we denken dat het ons bepaalt, en dat we zo stevig proberen vast te houden, maakt ons zwakker, we geven ons eraan over, overhandigen ons hart, onze ziel, of wat daarvoor doorgaat. Elk moment dat we op die manier beleven is een blootstelling aan het oog van de nieuwsgierige fotograaf, noem hem gerust onze dubbelganger: hij is op onze ziel belust, of een stuk ervan, hij is de dief van onze kostbare momenten. Je maakt het elke dag mee. De media overspoelen ons met stukken van onze ziel. Omdat we onszelf niet kunnen zijn laten we ons bestelen, bestelen we onszelf, door onszelf te verkopen, niet eens aan degene die het hoogste biedt.

Lou_Doillon-Olivier_Zahm-Purple-02.jpeg

Zo gaan we een leven lang op de loop voor onszelf, op de vlucht voor mislukking, misprijzen, miskenning, op zoek naar voldoening, wraak, vervulling. Dat doen we ieder op onze manier op voor bijna iedereen herkenbare wijze. De sporen daarvan zijn onze geschiedenis, die ons in boeken en films wordt afgenomen, omdat hij ons gepresenteerd wordt, en daardoor het andere wordt, met ongewilde betekenissen overladen.


We vluchten voor wat we onze schaduw noemen maar zoeken hem ook. Hij fascineert ons. Wie zijn wij, wat zijn wij als wij in de spiegel kijken, of als iemand ons vanop de rug ziet, zoals in films? Wat is er van ons aanwezig in onze schaduw? Zijn wij het, ontdaan van onze eigenschappen, herleid tot de essentie die nooit een echte essentie is, vanwege de beweeglijkheid, het licht? We weten niets. Kort nadat we onze dubbelganger hebben ontmoet, schrijft Gérard de Nerval, gaan we dood. Het is een bekende geschiedenis, vaak beschreven, het is die van het verhaal van het land Luz en van Isfahaan, Nesf-e-Jahan, waar Avicenna operaties uitvoerde en zijn leer verkondigde. We kunnen liefhebben, vluchten, vechten, maar nooit zullen we levend ontsnappen aan het labyrint dat we zijn en waarin we onszelf, verraders, keer op keer ontmoeten.
avicenna_painting.jpg

 

09-04-14

VERDWIJNEN

2013_06_LONDEN 033.JPG

Ziektes, ziektegeschiedenissen, angst voor aftakeling, voor geheugenverlies (verlies van het verleden, van de herinneringen, van de doden die in mijn herinneringen voortleven): niets nieuws in mijn bestaan. Ik ben er in zekere zin mee geboren, zeker ben ik er volwassen mee geworden; die angsten, of liever, die ene grote angst, de angst voor het geleidelijk aan of plots verdwijnen in het grote niets, is altijd op de achtergrond aanwezig geweest, zoals het geruis, niet van de wind, maar van het verkeer op de ring rond Brussel (waarbij de wind wel een rol speelt). Het is geen hoofdthema in mijn leven, maar zeker wel een ‘schaduwhoofdthema’, iets wat op een dubbelganger lijkt, een William Wilson waar ik voortdurend strijd mee moet leveren. Vaak als ik in de spiegel kijk, en dat doe ik wel af en toe want narcisme is me niet geheel vreemd, zie ik hem terugkijken en dan denk ik, wat lijkt hij op me.
Lynd_Ward_William_Wilson.jpg

Het is een angst die niet alleen mijn eigen verdwijnen betreft, maar ook van degenen die ik liefheb, degenen die ik bewonder, degenen voor wie ik tedere gevoelens koester, voor wie ik empathie voel. Het is een angst voor het verdwijnen van de mooie dingen in de wereld, van wat ik altijd mooi gevonden heb, wat mijn geheugen vastgehouden heeft maar wat desondanks teloorgaat, hele stadswijken, oude straten en pleinen waar platanen al sinds mensenheugenis voor lommer zorgden, frivole huizen aan zee in een voor de rest leeg landschap, als je de natuur, de duinen, het strand leeg zou noemen, wat eigenlijk verkeerd is, oude dorpscinema’s, zoals cinema Eden in Lanaken, of kleine en minder kleine bioscopen in de steden (alleen al een opsomming van de verdwenen Antwerpse cinema’s zou me zeer waarschijnlijk met immense droefheid vervullen), voor het verdwijnen van goed gemaakte, beklijvende films, kunstzinnige films, van boeken die er toe doen, die zelf uitroepen dat ze tot een canon behoren (niet omdat een recensent, antiquair of filoloog het beweert), van dichters die gedichten lezen en niet op de hoeken van de zo al schreeuwerige straten staan te schreeuwen, van de muziek van Bach en Brahms, van muziek zoals die gemaakt werd door Fred Neil, Tim Buckley, Billie Holiday en Howlin’ Wolf, van sneeuwmannen, van schrijfmachines zoals te zien in ‘The Trial’ van Orson Welles, van de General Marine and Shipbuilding Company, van glazen flessen, van het bruin tafelbier van Piedboeuf, van parelmoer, van de Grote Winkler Prins Encyclopedie, van postzegels, van bananenboten, van straatzangers, van bars die de hele nacht open blijven, van Barbarella, ja, kijk, van alle mooie mensen, dieren en voorwerpen die hier ooit geweest zijn en waarvan de meeste al niet meer bestaan, tenzij in musea en in (nog niet vernietigde) films en foto’s, of als woorden in verhalen, boeken, memoires, in melancholische mijmeringen zoals deze hier.

barbarella.jpg

Deze lawineachtige zinnen schreven zichzelf nadat ik – net voor het middagmaal – toevallig een fragment van een dagboeknotitie uit 5 juni 1980 had gelezen; onder meer ten gevolge van deze woorden: “Zo lees ik op mijn huid de taal van het menselijk verval – de ondergang van al het levende.”

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

03-03-14

TERUGKEER NAAR MARIENBAD

Last year at Marienbad8 (2).jpg

Alain Resnais is dood. Gisteren wilde ik een in memoriam schrijven, maar toen herinnerde ik me dat ik al een tijd geleden besloten heb dat nooit meer te doen. Er wordt te veel gestorven, niet alleen door beroemdheden en grote kunstenaars als Resnais, maar door mensen, dieren en planten in het algemeen. Het idee dat het doel van het leven de dood is, dat is zo absurd en, wat mij betreft, onaanvaardbaar. Van Alain Resnais zou je kunnen zeggen: mooie leeftijd, zo oud wil ik ook wel worden. Maar dat is onzin, alleen al omdat leeftijd relatief is. En zeker ook omdat tijd relatief is. Je zou zelfs kunnen beweren dat tijd niet bestaat, tenzij als instrument om de natuur aan ons te onderwerpen. De natuur om ons heen en de natuur in ons.

alain-resnais.jpg


Slechts op Facebook schreef ik iets korts om mijn respect voor Alain Resnais, voor zijn films, uit te drukken. Dat doe ik nu wel vaker als iemand overleden is die me in een of ander opzicht dierbaar is of belangrijk voor me is geweest. Dit waren mijn woorden:  “Een van mijn uitverkoren films*. De tijd, de bedrieglijkheid van het geheugen. Vanwege het 'Marienbad' in de titel ben ik ooit helemaal naar Mariánské Lázně gelift, nog voor de val van de muur en de fluwelen revolutie. De film is daar echter helemaal niet gedraaid. En ik kwam veel te laat, alles was er vervallen, lelijk zelfs. Nu lees ik over die stad in 'Austerlitz' van Sebald. De tijd staat niet stil, alles hangt samen, Alain Resnais is dood.”

Wat later besefte ik dat mijn eigen geheugen me bedrogen had. Mijn reis naar Mariánské Lázně in de zomer van 1989 kwam me opeens weer helder voor de geest. Ik had helemaal niet gelift. Uitgeput van langdurig astma ten gevolge van een combinatie van overvloedig stof in een ministeriekantoor en aanhoudende hitte was ik in het gezelschap van mijn geliefde, onzeker of ik mijn bestemming wel levend zou bereiken, in Brussel op de nachttrein naar Neurenberg gestapt. Daar vertrok al vroeg in de ochtend een trein naar Marienbad. Ik herinner me die treinrit nog levendig, vooral de taferelen die zich voordeden bij de halte in de grensstad Cheb – niets prettigs. De aankomst in Mariánské Lázně was een teleurstelling, maar had ook iets vrolijks. Van het Marienbad uit de film van Resnais was niets te zien, maar de stad was wel op een heerlijke manier vervallen, iets wat me in die dagen erg beviel. We mochten voor een spotprijs overnachten in een immens herenhuis uit de negentiende eeuw, in een ruim maar muf en ook al stofferig vertrek. Toch was ik, je zou het bijna miraculeus kunnen noemen, toen ik de volgende ochtend uit bed stapte helemaal genezen.
Het ooit zo luxueuze kuuroord leek in 1989 nog sterk op de beschrijving die het personage Austerlitz in ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald er van geeft, terwijl hij er toch al in augustus 1972 verbleef. Voor lezers die er meer over willen weten verwijs ik naar dit geweldige boek. Een beter beeld van de stad vind je nergens anders.

Wat heeft dit nu met de dood van Alain Resnais te maken? Gaat het alleen maar om de plaatsnaam? Toch niet. Er is ook het beleven van de tijd, het verleden dat heden wordt en het heden verleden, de tijd van het verval en het verval van de tijd. Er is de herinnering en hoe de herinnering je vaak bedriegt. Enigszins grappig en ook typisch is dat ik in 1989 de tijd die in de titel verstrijkt, heb genegeerd. Want het is toch vorig jaar in Marienbad, niet nu, in 1989? Mijn reis in de ruimte was dus zinloos, ik had in de tijd moeten reizen, naar vorig jaar in Marienbad.

resnaistoute-la-memoire-du-monde-1956-02-g.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Hiroshima mon amour’, Resnais’ eerste speelfilm, in samenwerking met Marguerite Duras, de vrouw van de herhaling. Wat is dat bij haar een mooi stijlmiddel, en in dit geval ook bij Resnais. En zeker de herhaling van de plaatsnamen, Hiroshima, Nevers, Hiroshima, Nevers. En wat is dit meesterwerk van Resnais een verbluffende weerlegging van de lineaire tijd. Daarna zag ik nog een documentaire over de film en over wat eraan voorafging, onder meer de indrukwekkende documentaire ‘Nuit et brouillard’ (1955) over Auschwitz, en ‘Toute la mémoire du monde’ (1956) over de Bibliothèque nationale de France. Een uurtje of zo later las ik nog wat in ‘Austerlitz’ (het is een boek dat je best traag leest). Het hoofdpersonage woont nu in Parijs. Eigenlijk zou het me niet meer mogen verbazen want het overkomt me zo vaak, maar toch verbaasde het me: een van de eerste tekstgedeelten – paragrafen zijn er niet – die ik las betreft die bibliotheek en alsof dat nog niet volstaat vermeldt Austerlitz, of de auteur, W.G. Sebald, de documentaire van Alain Resnais, ‘Toute la mémoire du monde’ en geeft er een korte beschrijving van.


Midden in de nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik aan mijn geliefde vertelde hoe bang ik als kind was geweest voor de oorlog. En terwijl ik in mijn droom over die angst vertelde had hij zich, zoals hij in mijn kinderjaren werkelijk was, met dezelfde gruwelijke intensiteit, gemanifesteerd.

... 

 

*Ik had het over ‘L’année dernière à Marienbad’.

27-01-14

SLAPELOZE NACHTEN

William Blake, The Angel of Revelation (1).jpg

De bewering, enkele dagen geleden, dat er geen leugens bestaan, dat er alleen maar waarheid is en niets dan de waarheid, heeft me slapeloze nachten bezorgd. Het was een bewering waarvan ik aannam dat ze geldig was… Geen speld tussen te krijgen, dacht ik. Want het is toch juist dat alles wat zich voordoet en niet voordoet waar is? De leugen doet zich voor, dus is ze waar? Een sofisme, natuurlijk. Je zet je met zulke absolute uitspraken vast, je raakt geen stap verder meer. Het mag dan absoluut waar zijn dat er alleen maar waarheid bestaat, dat het geen zin heeft een onderscheid te maken tussen waarheid en leugen (of tussen goed en kwaad), maar in het particuliere, in het gewone leven van alledag bedoel ik, kun je daar niets mee aanvangen. Want als iemand je beliegt en bedriegt, zoals bijvoorbeeld de banken doen (de bankiers), dan word je wel echt belogen en bedrogen. Om maar een voorbeeld te geven. Ik wil hier niet eens ingaan op logica, op ware en onware uitspraken (voorbeeld van een onware uitspraak, herinner ik me, is “de maan is een gele kaas”*).  Om weer wat beter te kunnen slapen – dat hoop ik althans – moet ik derhalve terugkomen op de bewering dat er geen leugens bestaan. Er bestaan wel degelijk leugens, maar in het grotere geheel maken ze deel uit van wat waar is, omdat ze bestaan. Niet alleen om beter te kunnen slapen natuurlijk moet ik mijn bewering relativeren: ik wil ook in de toekomst nog leugenaars kunnen ontmaskeren, en ik wil bovendien mijn eigen leugens onder ogen kunnen zien.

Ik was moe toen ik die uitspraken deed, ook die over de voorhoede. Dat mag weliswaar geen excuus zijn, maar het is wel waar dat je met je lichaam denkt en schrijft. Denken vergt veel van je, vreet je energie op. Je gedachten zo helder mogelijk proberen neer te schrijven is ook zwaar werk. Een vermoeid lichaam is hetzelfde als een vermoeide geest; het zijn andere spieren en organen die je voor denken en schrijven gebruikt, maar ze maken deel uit van wie en wat je bent, van je lijfelijkheid – er is, zoals iedereen weet, niet echt een onderscheid tussen het geestelijke en het lichamelijke, tussen wat soms nog het hogere en het lagere wordt genoemd. Vermoeidheid van lichaam (en geest) ligt vaak aan de basis van vermoeide en verwarde ideeën. Die vaak wel interessant kunnen zijn, omdat ze ongewone, afwijkende, tegenstrijdige inzichten, emoties, obsessies, dwangvoorstellingen, et cetera, aan het licht kunnen brengen.

En gelukkig mogen we onszelf tegenspreken, alleen al omdat we gisteren anderen waren dan we vandaag zijn. Al mogen we dat argument niet gebruiken om vals te spelen, om er maar wat op los te leuteren of om bewust leugens te vertellen. We moeten altijd te goeder trouw zijn, om het eens met Sartre te zeggen.

...

 

*Waar ik het als student filosofie niet mee eens was: in poëtische zin kon “de maan is een gele kaas” wel een ware uitspraak zijn.

Afbeelding: William Blake, The Angel Of Revelation Giving the Truth

23-01-14

LEUGEN, WAARHEID, MELANCHOLIE

MelencoliaDurer.jpg

1.
Er zijn geen leugens onder de zon. Ga ze ook maar niet zoeken in een ander vuur of onder een steen, in de schaduw van een olm, een belfort. Ga ze zeker niet zoeken in de doolhoven van industriezones noch in een kluis in een huis aan een donker meer in een buitenland. Dat is tijdverlies, zelfs als je ervan uitgaat dat de tijd niet bestaat, dat hij alleen maar een concept is, een manier van denken, deel van een wereldbeeld.

Er is alleen maar waarheid en niets dan de waarheid. Of ik je dat nu zweer of niet verandert niets aan de situatie. Wat je om je heen ziet - verlaten en drukke straten, pleinen, vogelnesten, bijenkorven, flatgebouwen, metrostations -, dat is niemandsland. Een land zonder koning, zonder onderdanen, zonder zonde, zonder genade, een land vooral zonder schaamte. Waar zelfs de strengste wetten in het onbekende ontstaan en er weer terugkeren - het nog niet bekende dat even waar is als het bekende, alleen weet niemand in het niemandsland het al. Of daar lijkt het toch op, maar het is ook waar dat er altijd bevoorrechten zijn, dat er altijd een voorhoede is. Aan wat die hoede voorafgaat weet ik ook weer niet en ik ken ook geen mens die het wel zou kunnen weten. Wat ik wel denk te weten is dat allen, zoals dieren, aan die wervelwind van wetten onderworpen zijn, dat niets door hun mazen kan glippen. Ook degenen die niet uit de boot vallen raken in hun netten verstrikt.

Alles wat zich voordoet en niet voordoet is waar. Elke citroenschil, elke schimmel, elke dromedaris, elke droom, elke splitsing, elke wonde is waar. Er is alleen maar waarheid. Er zijn geen leugens onder de zon. Zo is het en zo zal het worden. Zet nu maar een punt achter al dat zoeken en nauwgezet en goedbedoeld onderzoeken. Je nieuwsgierigheid zal wel ergens anders, in een ander niemandsland, wortel schieten.

2.
Vorige nacht werd ik wakker en raakte maar moeilijk weer in slaap. Terwijl mijn vrouw lindethee voor me maakte sloeg ik nog even ‘Het boek der rusteloosheid’* van Pessoa open, een bijna ideaal slaapmiddel. Daar las ik dit:

“Waarom schrijf ik tegenstrijdige en niet met elkaar te verenigen processen van dromen en dromen leren? Waarschijnlijk omdat ik er zozeer de gewoonte van heb gemaakt het verkeerde als het ware te ervaren en wat ik droom even duidelijk waar te nemen als wat ik zie, dat ik het menselijke en volgens mij valse onderscheidingsvermogen tussen waarheid en leugens heb verloren.”

De eerste zin begreep ik niet. Het zal wel aan mijn slaapkop liggen, dacht ik, maar nu ben ik wakker en ik begrijp hem nog niet. Het is me echter om de tweede zin te doen. Nu heb ik die, geruime tijd geleden, al meermaals gelezen en is de gedachte mij misschien bijgebleven. Maar alleszins heb ik er bij het neerschrijven van het bovenstaande niet aan gedacht. De trigger voor de tekst was Martin Scorsese’s film ‘The Wolf Of Wall Street’: die gaat in zekere zin ook over de waarheid. Alles wat je in zijn film ziet is waar, hoe overdreven het soms ook lijkt.

Kirsten-Dunst-in-Melancholia.jpg

3.
Mijn blog bestaat nu bijna acht jaar. Waarom heb ik hem ‘hoochiekoochie’ genoemd? Had ik een slaapkop, was ik beneveld of was het een kater? Niet dat ik het een slechte naam vind, maar ik besef nu heel goed dat hij de lading niet dekt. Melencolia, de gravure uit 1514 van Dürer indachtig, zou veel beter geweest zijn. Maar wellicht bestaan er duizenden blogs die ‘melencolia’ heten. Zelfs hoochiecoochie bestond in 2006 al, vandaar de afschuwelijke maar gelukkig ook kafkaiaanse K. Overigens zou ‘melencolia’ nooit kunnen aanzetten tot dansen terwijl hoochiekoochie, in weerwil van de occasionele zwartgalligheid, bijna niets anders beoogt te doen. 
Totentanz_blockbook3.jpg

...

*Zoals ongeveer alles van Fernando Pessoa een boek dat niet af is, wat een modern kunstwerk betaamt. Een boek, een kunstwerk, dat pretendeert af te zijn, voltooid, is volgens Adorno een leugen. Ook dat is waarheid.

Beelden: Melencolia, Albrecht Dürer, 1514; Kirsten Dunst in 'Melancholia', Lars Von Trier, 2011; Totentanz, Blockbuch, Heidelberg, 1455-1458.

...

Een fragment uit mijn dagboek: "
Strijd tegen de leugens zeg ik, maar wat is dan de waarheid? Hoe vind ik de waarheid? Berusten in de inertie, is dat de waarheid aanvaarden? Toegeven dat alles voor niets is geweest… Dat mijn leven (en tegelijk zoveel andere levens) overbodig is… Ik neem aan dat dàt niet de waarheid is." (5 mei 1980).

Dat was toen, dit is nu. Want ja, ook dat is waarheid.

 

11-01-14

AFWEZIG, AANWEZIG

IMG_5236.JPG

Kun je vergeten dat je bestaat? Dat er tijd is en dat die vliegt, zoals het leven? Alleszins was ik enkele weken in een bepaald opzicht afwezig. Sinds 18 december vorig jaar om precies te zijn. Ik was wel in mijn kamer en deed een aantal dingen zonder er met mijn hoofd bij te zijn. Door de straten van Lissabon liep ik meer als mijn schaduw dan als mezelf, iemand van vlees en bloed. Conversaties waren soms heftig, maar het leek of een andere man gebruik maakte van mijn stem. Er kwamen woorden uit mijn mond die ik niet wilde uitspreken, omdat ik niet echt nadacht, omdat ik er niet eens naar verlangde om te spreken.

Ik zal niet ontkennen dat er ook dan momenten waren waarop ik samenviel met mezelf, of wat ik soms mezelf durf noemen. Dan was bijna alles goed. Ik voelde geen verdriet, vond niet dat mijn leven grotendeels een mislukking was, dacht niet aan vluchtelingen in wankele bootjes, niet aan de terreur in Syrië en elders. Het was als ik de zon zag, de rode daken van Lissabon, het vuurwerk boven de Taag (vreemd, omdat ik niet van vuurwerk noch van massamanifestaties houd), de wolken hier thuis, of als een kunstwerk mij om mijn aandacht en overgave vroeg, iets van Morandi, van Nicholas de Staël, het was toen ik overweldigd werd door de schoonheid en de veelheid van stijlen van de jonggestorven Amadeo de Sousa Cardoso, in zekere zin een dubbelganger van Fernando Pessoa, maar heel wat minder beroemd.

Nu, denk ik, is die periode van zelfverlies weer achter de rug. Maar voor hoe lang? Hoe lang tot alles weer wit wordt of aardedonker, eer ik opnieuw nauwelijks weet waar ik ben en afzie van verwachtingen, niet langer lust heb in de woorden of de huid van anderen en ook mijn eigen stem laat zwijgen en mijn handen op mijn eigen huid laat rusten (en zelfs die zal ik niet voelen)?

Toch ben ik geen pessimist. Of liever: ik ben een ‘leugenachtige’ pessimist. Ergens in mij is er altijd een beweging werkzaam, een kracht, of hoe zal ik het noemen, die mij ook in de donkerste periodes naar de toekomst drijft; een metgezel lijkt het wel, die me zegt, morgen wordt het beter, je echte leven moet nog beginnen. De metgezel die ik zelf ben zal altijd utopisch blijven denken, tegen alle waarschijnlijkheid in.

...

Foto: Martin Pulaski, Lissabon, 1 januari 2014.

09-01-14

WOLKEN

IMG_0073.JPG

Een blik door het raam deed mij de woorden waar ik naar op zoek was nog voor ik ze vond al vergeten. Is dat mogelijk? Dat moeilijk te begrijpen ogenblik tussen ontstaan en er zijn, hoe vat je dat? Ik weet het niet. Maar wat ik zag waren wolken, gewoon maar wat wolken, dichtbij heel donker, verder weg helder, wit als mijn scherm, maar zachter van licht, en recht voor me het begin van een zon, of het einde, want het was bijna vijf uur, dat wist ik zonder op de klok te kijken (ik was net beneden in de keuken een glas water gaan halen). In de dakgoot in het huis aan de overkant zag ik de reflectie van het wit in die lucht in het regenwater; ja, in die kleine spiegel, of eerder een bijna volmaakte scherf, ontwaarde ik een spiegelbeeld van iets groots. En dat grootse was toch ook weer heel klein in vergelijking met het nog veel grotere daarachter, daarboven, daaronder, overal (of bijna overal waar je kon denken als je nog kon denken in een situatie als deze, aangeraakt als je was door Apollo, zoals Hölderlin zegt).

Misschien was ‘ontwaren’ het woord dat ik zocht, want waarom schreef ik dat hier nu neer? Dat gebruikt toch geen mens meer, het is zo verheven, zo zweverig, zo helemaal niet van deze tijd vol ijverzucht en eigenbelang.

Kijk nu, rechts voor me staat een gebouw van de Anderlechtse Haard in brand, van de zon is dat, ook al is de zon niet meer zichtbaar. Een felle oranje gloed, bijna van menselijke makelij, maar zelfs Rothko zou dit niet kunnen en niet willen overtreffen, en daarboven een heel stuk aangetast wit. 

Geen winterse wolken zie ik. Het zijn stormwolken, het is een storm die voor mijn ogen vorm krijgt. Ik hoor echter geen enkel geluid. Sam Cooke heb ik het zwijgen opgelegd; ik geloof dat ik dat nooit eerder heb gedaan. ‘Touch the Hem Of His Garment’, zong hij. Was het een teken? Nee, dat denk ik niet, het is gewoon een lied. Mocht god bestaan had niemand Sam Cooke doodgeschoten in een ranzige motelkamer, mocht god bestaan zou ik ook niet verlangen naar jou maar naar hem. Nee, hij bestaat niet. Maar wel de wolken, nu stilaan een donkere, wat dreigende massa geworden.

...

Foto: Martin Pulaski, 21 april 2013 

02-01-14

PASSIE

IMG_5238.JPG
Veel passie, liefde en speelsheid gewenst.

...

Foto: Lissabon, 1 januari 2014, Martin Pulaski 

18-12-13

GOED, BETER, BEST

Velvet-Underground-770.jpg

Waarom houd ik me nog bezig met wat het beste is, met beter, goed, minder goed, slecht? Het is onzinnig en volstrekt overbodig. Kunst is kunst, en wat uniek is uniek. Iedereen moet voor zichzelf maar uitmaken wat hij of zij graag hoort, ziet, voelt.

Maar wacht even… Dat hele fenomeen van lijstjes maken, van kunstuitingen (vooral muziek en literatuur in mijn geval) ‘bewieroken’, van sommige werken een ereplaats geven is iets emotioneels, het getuigt van enthousiasme en liefde. En enthousiasme wil je delen, wat je goed vindt wil je propageren; van wat miskend wordt hoop je dat het meer erkenning krijgt, of eindelijk wat aandacht. Dat is evenwel in tegenspraak met mijn - nogal snobistisch en kinderachtig – bij een groepje van aficionado’s willen horen die op de hoogte zijn, en alleen wij zijn op de hoogte, alleen wij zijn ingewijd. Op degenen die dat niet zijn, daar wordt op neergekeken. Ja, tegenspraken!

Daar komt nog bij dat ik al het grootste deel van mijn leven lijstjes maak. Ik geloof dat het begonnen is met Toppers voor Tobbers van het tijdschrift Humo, midden de jaren zestig in het Atheneum van Tongeren. In de begindagen werd je naam als samensteller van de wekelijkse hitlijst en de naam van je school nog in het tijdschrift vermeld. Trots dat ik daar op was!

Lijstjes maken is zinloos en overbodig, maar ik volhard in wat nutteloos is. Dat heb ik altijd gedaan. Het nuttige daarentegen laat ik links liggen. Ik voel er alleen maar onverschilligheid voor, en dat is niet eens een gevoel. Het is niets. Mocht ik het nuttige niet links hebben laten liggen bezat ik nu een villa, een Mercedes Benz en een buitenverblijf in Cabo de São Vicente.

wlwh vu.jpg

 

Mijn lijst van meest gekoesterde platen in 2013 is nog niet afgerond (wel al een voorlopige versie op facebook, en een tijdje geleden hier). Toch weet ik nu al dat dit mijn favoriete muzikale momenten waren:

Platen

The Velvet Underground – White Light / White Heat (hoe dan ook beste rockplaat ooit gemaakt)
Van Morrison – Moondance
Phosphorescent – Muchacho
Tift Merritt – Traveling Alone
Bob Dylan – Another Self Portrait


Film als muziekvorm

Coen Brothers – Inside Llewyn Davis

Live

Neko Case in AB Club, Brussel
Tindersticks in Rivierenhof, Antwerpen
Phosphorescent in Botanique, Brussel
Rosanne Cash in Roma, Antwerpen
Low in Koninklijk Circus, Brussel
Sam Amidon in Feeërien, Brussel
Tift Merritt in Botanique, Brussel
Amanda Shires & Jason Isbell in Botanique, Brussel

tift_merritt.jpg

Rouwproces

Kevin Ayers
Lou Reed

kevin ayers0.jpg

Over 'White Light / White Heat' maakte ik op 2 maart 2012 een terloopse opmerking:

“Ben ik nu een snob? Wacht dan. Ik ben waarschijnlijk ook de enige Belg die ‘White Light / White Heat’ heeft aangeschaft toen die LP in 1968 uitkwam. Mijn vroegere vriend Guy Bleus mag hier ook wat komen bluffen als hij zin heeft: hij was de eerste jongen die ‘The Velvet Underground & Nico’ bezat, de originele versie met de schilbare banaan.”
Ik haal dit aan omdat de 45th Anniversary Deluxe Edition van de plaat deze uitspraak van Lou Reed meekreeg:
“No one listened to it. But there it is, forever – the quintessence of articulated punk. And no one goes near it.”
Dat verklaarde hij in august, kort voor zijn overlijden. De eerste zin is een overdrijving. De rest is helemaal waar. En sinds Lou’s dood leven we in een andere wereld. Er zit een diep gat in. We moeten verder de duisternis in zonder een van onze meest achtenswaardige gidsen.

...

Afbeeldingen: Velvet Underground; White Light / White Heat; Tift Merritt; Kevin Ayers.

26-11-13

NO MAN'S LAND

2013fuckbook 001.jpg

Tijdens het klasseren van heel die massa boeken hier in mijn kamer vind ik soms vreemde drukwerken. Vreemd omdat ik ze vergeten was, vreemd omdat ik vergeten was hoeveel uren ik doorbracht met Crumb en Willem en Marcel Van Maele en vele andere dichters, tekenaars, muzikanten, nachtraven, mislukkelingen, werkschuwen, zieke geesten en zo meer. Het moet allemaal gebeurd zijn in een ander leven, het echte leven misschien, het leven dat al geruime tijd voorgoed voorbij is. Maar dan denk ik meteen dat elk leven echt is, ook dit leven vandaag, met Dostojewski en Tift Merritt en groene thee en het scannen van enkele memorabilia.

marcel 001.jpg

billythekid 001.jpg

 

24-11-13

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering. 

...

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.